Eindexamen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Tekst 1 Laelius vertelt over het kiezen van vrienden, Tekst 2 Wanneer is iemand een echte vriend?, Tekst 3 Seneca schrijft over het belang van dankbaar zijn, Tekst 4.
Het centraal examen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2 telt 35 vragen. De meeste vragen gaan over taalkundige analyse (15), tekstbegrip (12) en vertalen (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Taalkundige analyse | 1, 3-4, 6, 10, 13, 16, 18, 20, 24-25, 27-28, 32, 34 | 15 |
| Tekstbegrip | 2, 5, 11-12, 14-15, 17, 19, 22-23, 26, 33 | 12 |
| Vertalen | 7-8, 29, 31, 35 | 5 |
| Cultuur en filosofie | 9, 21, 30 | 3 |
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Tekst 1 Laelius vertelt over het kiezen van vrienden
1 Sed — saepe enim redeo ad Scipionem, cuius omnis sermo erat de
2 amicitia — querebatur quod omnibus in rebus homines diligentiores
3 essent: capras et oves quot quisque haberet dicere posse, amicos quot
4 haberet non posse dicere; et in illis quidem parandis adhibere curam, in
5 amicis eligendis neglegentes esse, nec habere quasi signa quaedam et
6 notas, quibus eos qui ad amicitias essent idonei iudicarent.
7 Sunt igitur firmi et stabiles et constantes eligendi, cuius generis est
8 magna penuria. Et iudicare difficile est sane nisi expertum; experiendum
9 autem est in ipsa amicitia. Ita praecurrit amicitia iudicium, tollitque
10 experiendi potestatem. Est igitur prudentis sustinere ut currum, sic
11 impetum benevolentiae, quo utamur quasi equis temptatis, sic amicitia
12 aliqua parte periclitatis moribus amicorum. Quidam saepe in parva
13 pecunia perspiciuntur quam sint leves; quidam autem, quos parva movere
14 non potuit, cognoscuntur in magna. Sin vero erunt aliqui reperti qui
15 pecuniam praeferre amicitiae sordidum existiment, ubi eos inveniemus qui
16 honores, magistratus, imperia, potestates, opes, amicitiae non
17 anteponant, ut cum ex altera parte proposita haec sint, ex altera ius
18 amicitiae, non multo illa malint? Imbecilla enim est natura ad
19 contemnendam potentiam; quam etiamsi neglecta amicitia consecuti sint,
20 obscuratum iri arbitrantur, quia non sine magna causa sit neglecta
21 amicitia. Itaque verae amicitiae difficillime reperiuntur in eis qui in
22 honoribus reque publica versantur; ubi enim istum invenias, qui honorem
23 amici anteponat suo? Quid, haec ut omittam, quam graves, quam difficiles
24 plerisque videntur calamitatum societates? Ad quas non est facile inventu
25 qui descendant. Quamquam Ennius recte “Amicus certus in re incerta
26 cernitur”, tamen haec duo levitatis et infirmitatis plerosque convincunt,
27 aut si in bonis rebus contemnunt, aut in malis deserunt. Qui igitur utraque
28 in re gravem, constantem, stabilem se in amicitia praestiterit, hunc ex
29 maxime raro genere hominum iudicare debemus et paene divino.
Cicero, Laelius / De Amicitia 62-64
Regel 2 querebatur
Vraag 1 1 punt
Wat is de gebruikswijze van querebatur? Baseer je antwoord op het voorafgaande (vanaf regel 1 Sed).
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Regel 2-3 quod t/m essent
Uit het vervolg (t/m regel 6 iudicarent) is een verklaring op te maken voor de situatie die beschreven wordt in het tekstgedeelte quod t/m essent.
Vraag 2 1 punt
Noteer in eigen woorden deze verklaring.
Bekijk het antwoord
Voor al die zaken (behalve vriendschap) beschikt men over (duidelijke) criteria. / Voor vrienden kent men geen (duidelijke) criteria. / Men heeft geen (duidelijke) aanwijzingen (om vooraf te kunnen bepalen of iemand een geschikte vriend is / of iemand als vriend beschouwd kan worden). Of woorden van overeenkomstige strekking.
Regel 4 illis
Vraag 3 1 punt
Citeer uit het voorafgaande (vanaf regel 1 Sed) het Latijnse tekstelement waarnaar verwezen wordt met illis.
Bekijk het antwoord
capras et oves (regel 3)
Regel 3-6 capras t/m iudicarent
In dit tekstgedeelte komt tweemaal een asyndeton voor.
Vraag 4 1 punt
In welke regels?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
Regel 12 moribus amicorum
In het voorafgaande (vanaf regel 7 Sunt) is aangeduid aan welke voorwaarde het karakter van vrienden moet voldoen.
Vraag 5 1 punt
Noteer in eigen woorden deze voorwaarde.
Bekijk het antwoord
Het moet stevig/stabiel/evenwichtig/standvastig zijn. Of woorden van overeenkomstige strekking.
Regel 16 honores t/m opes
Al deze begrippen worden in het tekstgedeelte Imbecilla t/m amicitia (regel 18-21) door Laelius in één woord samengevat.
Vraag 6 1 punt
Citeer uit het tekstgedeelte Imbecilla t/m amicitia (regel 18-21) dit Latijnse woord.
Bekijk het antwoord
potentiam (regel 19)
Regel 17-18 cum t/m malint
Dit tekstgedeelte wordt door W.A.M. Peters als volgt vertaald: Wordt deze geluksdroom hun aan de ene kant voorgezet, aan de andere kant de plichten van vriendschap, zullen ze dan niet veel liever kiezen voor het eerste?
Vraag 7 1 punt
Citeer het Latijnse tekstelement dat in de vertaling is weergegeven met ‘deze geluksdroom’.
Bekijk het antwoord
haec (regel 17)
Vraag 8 1 punt
Citeer het Latijnse tekstelement dat in de vertaling is weergegeven met ‘het eerste’.
Bekijk het antwoord
illa (regel 18)
Regel 25-26 Amicus t/m cernitur
Deze uitspraak is van toepassing op een persoon uit Cicero's eigen vriendenkring.
Vraag 9 1 punt
Noteer de naam van deze persoon en beschrijf de situatie waarin deze persoon belangrijk was voor Cicero. Baseer je antwoord op de teksten die je voor dit examen gelezen hebt.
Bekijk het antwoord
Atticus; het overlijden van Cicero’s dochter / van Tullia / Cicero was in de rouw / verdrietig vanwege de dood van zijn dochter / van Tullia / Cicero was verbannen. / Tiro; Cicero’s ballingschap. Of woorden van overeenkomstige strekking.
Opmerking: het scorepunt alleen toekennen wanneer beide onderdelen van het antwoord juist zijn.
Regel 28 gravem, constantem, stabilem
Vraag 10 1 punt
Citeer uit het voorafgaande (vanaf regel 23 Quid) de twee Latijnse zelfstandige naamwoorden die een tegenstelling vormen met gravem, constantem, stabilem.
Bekijk het antwoord
levitatis (regel 26); infirmitatis (regel 26)
Opmerkingen: het scorepunt alleen toekennen wanneer beide onderdelen van het antwoord juist zijn. Niet fout rekenen wanneer geantwoord is ‘levitatis et infirmitatis (regel 26)’.
Regel 27-29 Qui t/m divino
In het tekstgedeelte Sed t/m amicorum (regel 1-12) heeft Laelius een opmerking gemaakt die inhoudelijk vergelijkbaar is met Qui t/m divino.
Vraag 11 1 punt
Noteer de nummers van de twee direct opeenvolgende regels waarin deze vergelijkbare opmerking staat.
Bekijk het antwoord
(de regels) 7 en 8
Opmerking: het scorepunt alleen toekennen wanneer beide onderdelen van het antwoord juist zijn.
De dichter Catullus schrijft in Carmen 77 dat hij tot het inzicht is gekomen dat Rufus geen echte vriend van hem is:
Rufus, ik dacht voor niets dat je mijn vriend was.
(Nou ja, voor niets ... het heeft me veel gekost, vooral verdriet.)
Heb je mij nu zó beslopen, brandwonden veroorzaakt in mijn ziel,
en mij tot mijn verdriet mijn liefste afgepakt?
Ja, afgepakt, jij gifslang met je dodelijke gif,
jij schimmelziekte van wat onze vriendschap was!
Vraag 12 1 punt
Zou Laelius het terecht vinden dat Catullus Rufus niet meer als vriend beschouwt? Ga in je antwoord in op de inhoud van het bovenstaande citaat en op de inhoud van tekst 1.
Bekijk het antwoord
Ja, want (een vriend moet betrouwbaar zijn en) Rufus is onbetrouwbaar gebleken; hij heeft namelijk de vriendin van Catullus afgepakt / is een liefdesrelatie met Catullus’ liefje begonnen. / Ja, want een slechte vriend veracht je als het jou goed gaat; Rufus is afgunstig gebleken op Catullus (in zijn relatie met Lesbia). Of woorden van overeenkomstige strekking.
Opmerking: het scorepunt alleen toekennen wanneer beide onderdelen van het antwoord juist zijn.
Tekst 2 Wanneer is iemand een echte vriend?
SENECA LUCILIO SUO SALUTEM
1 Epistulas ad me perferendas tradidisti, ut scribis, amico tuo; deinde
2 admones me ne omnia cum eo ad te pertinentia communicem, quia non
3 soleas ne ipse quidem id facere: ita eadem epistula illum et dixisti amicum
4 et negasti. Itaque si proprio illo verbo quasi publico usus es et sic illum
5 amicum vocasti quomodo omnes candidatos ‘bonos viros’ dicimus,
6 quomodo obvios, si nomen non succurrit, ‘dominos’ salutamus, hac
7 abierit. Sed si aliquem amicum existimas cui non tantundem credis
8 quantum tibi, vehementer erras et non satis nosti vim verae amicitiae.
9 Tu vero omnia cum amico delibera, sed de ipso prius: post amicitiam
10 credendum est, ante amicitiam iudicandum. Isti vero praepostero officia
11 permiscent qui, contra praecepta Theophrasti, cum amaverunt iudicant,
12 et non amant cum iudicaverunt. Diu cogita an tibi in amicitiam aliquis
13 recipiendus sit. Cum placuerit fieri, toto illum pectore admitte; tam
14 audaciter cum illo loquere quam tecum. Tu quidem ita vive ut nihil tibi
15 committas nisi quod committere etiam inimico tuo possis; sed quia
16 interveniunt quaedam quae consuetudo fecit arcana, cum amico omnes
17 curas, omnes cogitationes tuas misce. Fidelem si putaveris, facies; nam
18 quidam fallere docuerunt dum timent falli, et illi ius peccandi suspicando
19 fecerunt. Quid est quare ego ulla verba coram amico meo retraham? Quid
20 est quare me coram illo non putem solum? Quidam quae tantum amicis
21 committenda sunt obviis narrant, et in quaslibet aures quidquid illos urit
22 exonerant; quidam rursus etiam carissimorum conscientiam reformidant
23 et, si possent, ne sibi quidem credituri interius premunt omne secretum.
24 Neutrum faciendum est; utrumque enim vitium est, et omnibus credere
25 et nulli, sed alterum honestius dixerim vitium, alterum tutius. Sic utrosque
26 reprehendas, et eos qui semper inquieti sunt, et eos qui semper
27 quiescunt. Nam illa tumultu gaudens non est industria sed exagitatae
28 mentis concursatio, et haec non est quies quae motum omnem molestiam
29 iudicat, sed dissolutio et languor. Itaque hoc quod apud Pomponium legi
30 animo mandabitur: “Quidam adeo in latebras refugerunt ut putent in
31 turbido esse quidquid in luce est.” Inter se ista miscenda sunt: et
32 quiescenti agendum et agenti quiescendum est. Cum rerum natura
33 delibera: illa dicet tibi et diem fecisse se et noctem. Vale.
Seneca, Epistulae Morales ad Lucilium 3
Regel 4 proprio illo verbo
Vraag 13 1 punt
Citeer uit het voorafgaande (vanaf regel 1 Epistulas) het Latijnse woord waarnaar Seneca verwijst met proprio illo verbo.
Bekijk het antwoord
amicum (regel 3)
Niet fout rekenen wanneer geantwoord is ‘amico (tuo) (regel 1)’.
Regel 4-5 si t/m dicimus
Uit dit tekstgedeelte kan de volgende conclusie getrokken worden:
Zoals Romeinen in Seneca’s tijd alle verkiezingskandidaten ‘goede mannen’ noemden, zo noemden zij al hun ... in het algemene spraakgebruik ... .
In deze conclusie zijn twee plaatsen opengelaten, beide aangegeven met een drietal puntjes.
Vraag 14 1 punt
Noteer in de juiste volgorde twee Nederlandse woorden die op de plaats van de puntjes ingevuld moeten worden om de conclusie volledig te maken.
Bekijk het antwoord
kennissen/bekenden; (be)vriend(en) Of woorden van overeenkomstige strekking.
Opmerking: het scorepunt alleen toekennen wanneer beide onderdelen van het antwoord juist zijn en in de juiste volgorde staan.
Regel 11 praecepta Theophrasti
Vraag 15 1 punt
Noteer in eigen woorden de inhoud van praecepta Theophrasti. Baseer je antwoord op het tekstgedeelte Isti t/m iudicaverunt (regel 10-12).
Bekijk het antwoord
Je moet voordat je van iemand gaat houden / een relatie aangaat / vriendschap sluit / van tevoren (diegene be)oordelen / goed erover nadenken of de desbetreffende persoon geschikt is (en niet naderhand). Of woorden van overeenkomstige strekking.
Regel 13 Cum t/m admitte
In dit tekstgedeelte gebruikt Seneca een hyperbaton.
Vraag 16 1 punt
Verdedig de stelling dat het hyperbaton de inhoud illustreert van het tekstelement waarin het gebruikt is.
Bekijk het antwoord
Het woord waarmee degene wordt aangeduid die in het gehele binnenste toegelaten moet worden / die tot het hele hart toegang mag krijgen, staat tussen de woorden in die het hyperbaton vormen / staat tussen de woorden ‘hele’ en ‘binnenste’/‘hart’ in. / De woorden toto en pectore staan om illum heen, d.w.z. illum is/wordt in toto pectore toegelaten. Of woorden van overeenkomstige strekking.
Regel 16 quaedam quae consuetudo fecit arcana
Vraag 17 1 punt
Noteer een zelfbedacht hedendaags voorbeeld van wat Seneca bedoelt met quaedam quae consuetudo fecit arcana.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een goed antwoord zijn: medische gegevens / guilty pleasures / banktegoeden / pin (persoonlijk identificatienummer).
Regel 21 in quaslibet aures
Vraag 18 1 punt
Citeer uit het tekstgedeelte Quidam quae t/m secretum (regel 20-23) het Latijnse woord dat inhoudelijk vergelijkbaar is met in quaslibet aures.
Bekijk het antwoord
obviis (regel 21)
Regel 24 Neutrum faciendum est
Vraag 19 2 punten
Noteer in eigen woorden welke twee manieren van gedrag Seneca bedoelt. Baseer je antwoord op het voorafgaande (vanaf regel 20 Quidam quae).
Bekijk het antwoord
• al je gedachten aan een willekeurig iemand toevertrouwen / alles aan iedereen vertellen (1)
• niemand in vertrouwen nemen / geen mens vertrouwen (1)
Of woorden van overeenkomstige strekking.
Regel 27-29 Nam t/m languor
In dit tekstgedeelte worden twee soorten aanbevelenswaardig gedrag benoemd, elk met één Latijns woord.
Vraag 20 2 punten
Citeer deze twee Latijnse woorden.
Bekijk het antwoord
• industria (regel 27) (1)
• quies (regel 28) (1)
Regel 32-33 Cum t/m noctem
Vraag 21 1 punt
Leg uit dat dit tekstgedeelte goed aansluit bij het gedachtegoed van de Stoa. Gebruik bij voorkeur niet meer dan 30 woorden.
Bekijk het antwoord
Volgens de Stoa (is de natuur rationeel geordend en) is het de bedoeling dat de mens (zoveel mogelijk) in overeenstemming met (de rationele ordening van) de natuur leeft (en in dit tekstgedeelte raadt Seneca Lucilius aan het advies van de natuur te volgen / te besluiten net als de natuur activiteit en rust af te wisselen). Of woorden van overeenkomstige strekking.
Tekst 2 kan ingedeeld worden in vier delen met de volgende kopjes:
Deel 1: Je moet een vriend vertrouwen.
Deel 2: Denk na voordat je vriendschap sluit met iemand.
Deel 3: Voor een vriend moet je geen geheimen hebben.
Deel 4: Houd in alles het juiste evenwicht.
Vraag 22 1 punt
Noteer het nummer van de regel waarin deel 2 begint.
Bekijk het antwoord
(regel) 9
Vraag 23 1 punt
Noteer het nummer van de regel waarin deel 3 begint.
Bekijk het antwoord
(regel) 13
Tekst 3 Seneca schrijft over het belang van dankbaar zijn
1 Itaque ingrati esse vitemus non aliena causa sed nostra. Minimum ex
2 nequitia levissimumque ad alios redundat: quod pessimum ex illa est et,
3 ut ita dicam, spississimum, domi remanet et premit habentem,
4 quemadmodum Attalus noster dicere solebat, “Malitia ipsa maximam
5 partem veneni sui bibit”. Illud venenum quod serpentes in alienam
6 perniciem proferunt, sine sua continent, non est huic simile: hoc
7 habentibus pessimum est. Torquet se ingratus et macerat; odit quae
8 accepit, quia redditurus est, et extenuat, iniurias vero dilatat atque auget.
9 Quid autem eo miserius cui beneficia excidunt, haerent iniuriae? At contra
10 sapientia exornat omne beneficium ac sibi ipsa commendat et se adsidua
11 eius commemoratione delectat. Malis una voluptas est et haec brevis,
12 dum accipiunt beneficia, ex quibus sapienti longum gaudium manet ac
13 perenne. Non enim illum accipere sed accepisse delectat, quod inmortale
14 est et adsiduum. Illa contemnit quibus laesus est, nec obliviscitur per
15 neglegentiam sed volens. Non vertit omnia in peius nec quaerit cui inputet
16 casum, et peccata hominum ad fortunam potius refert. Non calumniatur
17 verba nec vultus; quidquid accidit benigne interpretando levat. Non
18 offensae potius quam offici meminit; quantum potest in priore ac meliore
19 se memoria detinet, nec mutat animum adversus bene meritos nisi
20 multum male facta praecedunt et manifestum etiam coniventi discrimen
21 est; tunc quoque in hoc dumtaxat, ut talis sit post maiorem iniuriam
22 qualis ante beneficium. Nam cum beneficio par est iniuria, aliquid in
23 animo benivolentiae remanet. Net zoals een verdachte wordt
24 vrijgesproken als de stemmen staken en zoals iets twijfelachtigs uit
25 wellevendheid altijd ten goede wordt opgevat, zo voelt de geest van een
26 wijze zich weliswaar tot niets verplicht wanneer iemands verdiensten
27 opwegen tegen zijn misstappen, maar blijft hij toch de wens koesteren
28 een verplichting te hebben en gedraagt hij zich net als mensen die nog
29 afbetalen nadat de schuld al vereffend is.
30 Niemand kan overigens dankbaarheid uiten wanneer hij zich iets
31 aantrekt van die dingen waarvan het gewone volk in paniek raakt: als je
32 iemand een wederdienst wilt bewijzen, stel je je bloot aan verbanning en
33 levensgevaar en armoede en aan regelmatige bezoedeling en smadelijke
34 belastering van je onschuld. Een dankbaar man betaalt zelf geen lage
35 prijs. Niets vinden we kostbaarder dan een weldaad zolang we ernaar
36 verlangen, niets waardelozer na het ontvangen ervan. Vraag je naar de
37 oorzaak waardoor we niet meer denken aan wat we ontvangen hebben?
38 De begeerte om dingen te ontvangen; we denken niet aan de wensen die
39 vervuld zijn, maar aan wat nog te wensen overblijft. We worden van de
40 wijs gebracht door rijkdom, eerbewijzen, macht en andere zaken die naar
41 onze mening kostbaar, in feite waardeloos zijn.
Seneca, Epistulae Morales ad Lucilium 81.22-30
Regel 2 illa
Vraag 24 1 punt
Citeer uit het voorafgaande (vanaf regel 1 Itaque) het Latijnse woord waarnaar verwezen wordt met illa (regel 2).
Bekijk het antwoord
nequitia (regel 2)
Vraag 25 1 punt
Citeer uit het vervolg (t/m regel 5 bibit) het Latijnse tekstelement waarmee hetzelfde bedoeld wordt als met illa (regel 2).
Bekijk het antwoord
Malitia (ipsa) (regel 4)
Regel 4-7 Malitia t/m est
In dit tekstgedeelte wordt geschreven over een letterlijk vergif en een niet-letterlijk vergif. Volgens Seneca is er een groot verschil tussen deze twee soorten vergif.
Vraag 26 1 punt
Noteer in eigen woorden dit verschil. Ga in je antwoord in op beide soorten vergif.
Bekijk het antwoord
Het ene vergif / Slangengif is (alleen) schadelijk voor anderen / niet schadelijk voor de slang zelf; het andere vergif / het vergif van een ondankbare/slechte persoon / ondankbaarheid/slechtheid is (voornamelijk) schadelijk voor de drager ervan / voor diegene zelf. Of woorden van overeenkomstige strekking.
Opmerking: het scorepunt alleen toekennen wanneer beide onderdelen van het antwoord juist zijn.
Regel 9 beneficia
Vraag 27 1 punt
Citeer uit het voorafgaande (vanaf regel 7 Torquet) het Latijnse tekstelement waarmee hetzelfde wordt bedoeld als met beneficia.
Bekijk het antwoord
quae accepit (regel 7-8)
Regel 9-11 At t/m delectat
Vraag 28 1 punt
Noteer de naam van een stilistisch middel dat Seneca hier creëert door het gebruik van het woord sapientia (regel 10).
Bekijk het antwoord
personificatie / metafoor / metonymia / abstractum pro concreto
Regel 14-15 Illa t/m volens
Vraag 29 1 punt
Welke vertaling van Illa contemnit (regel 14) is passend in deze context?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
Vraag 30 1 punt
Noteer de Latijnse benaming die in de Stoa gebruikt wordt voor zaken als Illa quibus laesus est (regel 14). Baseer je antwoord op de achtergronden bij de teksten die je voor dit examen gelezen hebt.
Bekijk het antwoord
indifferentia
Regel 18-19 quantum t/m detinet
Dit tekstgedeelte wordt door C. Verhoeven als volgt vertaald: Zoveel mogelijk houdt hij het vroegere en betere in zijn geheugen vast. In de vertaling is de grammaticale structuur van het Latijn niet geheel overgenomen.
Vraag 31 1 punt
Leg dit uit met betrekking tot priore ac meliore (regel 18). Ga in je antwoord in op zowel het Latijn als de weergave van priore ac meliore in de vertaling.
Bekijk het antwoord
In het Latijn is priore ac meliore een (bijvoeglijke) bepaling (bij memoria) / (onderdeel van een) bijwoordelijke bepaling; in de vertaling is het / is ‘het vroegere en betere’ het lijdend voorwerp. Of woorden van overeenkomstige strekking.
Opmerkingen: het scorepunt alleen toekennen wanneer beide onderdelen van het antwoord juist zijn. Niet fout rekenen wanneer geantwoord is ‘priore ac meliore zijn/is ablativus; het is vertaald als(of het) accusativus/i (is/zijn)’. / ‘Het zijn (attributieve) bijvoeglijke naamwoorden; in de vertaling zijn ze gesubstantiveerd / zijn het zelfstandige naamwoorden.’
Regel 26-27 wanneer t/m misstappen
Vraag 32 1 punt
Citeer uit het tekstgedeelte quantum t/m remanet (regel 18-23) het Latijnse tekstelement dat inhoudelijk overeenkomt met wanneer t/m misstappen.
Bekijk het antwoord
(Nam) cum beneficio par est iniuria (regel 22)
Regel 35-36 Niets t/m ervan
Dit geldt volgens Seneca niet voor alle personen die in het voorafgaande beschreven zijn.
Vraag 33 1 punt
Noteer in eigen woorden voor welke soort personen het niet geldt.
Bekijk het antwoord
wijzen / echte/goede stoïcijnen / sapientes. Of woorden van overeenkomstige strekking.
Regel 38-39 we denken t/m zijn
Vraag 34 1 punt
Citeer uit het tekstgedeelte Illud t/m delectat (regel 5-11) de Latijnse zin waarmee Seneca een oordeel uitspreekt over het gedrag dat hij beschrijft met we denken t/m zijn (regel 38-39).
Bekijk het antwoord
Quid autem eo miserius (cui beneficia excidunt, haerent iniuriae)? (regel 9)
Tekst 4
In het gedeelte dat aan de onderstaande tekst voorafgaat, heeft Seneca aan Lucilius verteld dat hij een tijdje in Campanië verblijft, in Zuid-Italië. De landstreek Campanië heeft volgens veel mensen een rustgevende uitstraling. In de onderstaande tekst schrijft Seneca dat gemoedsrust toch niet afhangt van de plaats waar je je bevindt: gemoedsrust moet van binnenuit komen. Het feit dat Lucilius zich onprettig voelt, komt volgens Seneca dus niet doordat hij niet in Campanië is. Vanaf regel 5 betoogt Seneca dan dat Lucilius natuurlijk wel in gedachten naar Campanië kan komen. Uiteindelijk kun je, schrijft Seneca verder, veel intensiever contact hebben met je vrienden wanneer je in gedachten bij elkaar bent dan wanneer je echt bij elkaar bent.
1 Sed non multum ad tranquillitatem locus confert; animus est, qui sibi
2 commendet omnia. Vidi ego in villa hilari et amoena maestos, vidi in
3 media solitudine occupatis similes. Quare non est quod existimes ideo
4 parum bene conpositum esse te, quod in Campania non es. Quare autem
5 non es? Huc usque cogitationes tuas mitte. Conversari cum amicis
6 absentibus licet, et quidem quotiens velis, quamdiu velis. Magis hac
7 voluptate, quae maxima est, fruimur, dum absumus.
8 Het samenzijn maakt ons namelijk verwend, en omdat we regelmatig
9 samen spreken, wandelen en bij elkaar zitten, lukt het ons niet, wanneer
10 we uit elkaar gegaan zijn, aan hen te denken die we kort daarvoor nog
11 gezien hebben. En daarom moeten we het kalm verdragen, als we niet bij
12 onze vrienden zijn; je bent sowieso ook niet voortdurend met je vrienden
13 samen wanneer zij wél in de buurt zijn.
14 Pone hic primum noctes separatas, deinde occupationes utrique diversas,
15 deinde studia secreta, suburbanas profectiones; videbis non multum esse,
16 quod nobis peregrinatio eripiat. Amicus animo possidendus est; hic autem
17 numquam abest.
Aantekeningen
regel 1 conferre ad + accusativus bijdragen aan
locus je locatie
regel 1-2 sibi commendare voor zichzelf bepalen
regel 2 maestos Vul aan: homines
regel 3 occupatis similes (accusativus) mensen die druk bezig leken te zijn
Quare non est quod existimes Je moet dus niet denken
ideo Hiermee wordt vooruitgewezen naar quod (regel 4).
regel 4 bene conpositus esse zich prettig voelen
Quare Hoezo
regel 5 non es Vul aan: in Campania
Huc usque hierheen
regel 6-7 hac voluptate Verbinden met fruimur (regel 7).
regel 14 Pone hic + accusativus Denk hierbij aan (‘hierbij’ verwijst naar het niet-samenzijn dat in regel 12-13 genoemd is.)
occupatio (vrouwelijk) bezigheid
utrique voor beiden (namelijk voor jou en een vriend)
regel 15 profectio (vrouwelijk) uitstapje
regel 16 peregrinatio afwezigheid
possidere meenemen
autem Onvertaald laten.
Seneca, Epistulae Morales ad Lucilium 55.8-11
Bestudeer de inleiding en de aantekeningen bij tekst 4.
Vraag 35 36 punten
Vertaal de regels 1 t/m 7 en de regels 14 t/m 17 in het Nederlands.
Bekijk het antwoord
Regels voor de vertaling (vakspecifieke regels uit het correctievoorschrift): een kolon met een ernstige fout krijgt 0 scorepunten, en dat wordt niet gecompenseerd door de juiste weergave van de rest van het kolon. Is een aantekening genegeerd en heeft dat geleid tot een onjuiste weergave van het tekstelement, dan één of meer scorepunten in mindering, afhankelijk van de zwaarte van de fout en het maximum van het kolon. Is bij een kolon een Latijns woord niet vertaald en is dat woord niet van essentieel belang voor de betekenis, dan één scorepunt in mindering, tenzij het beoordelingsmodel anders vermeldt.
De regels 8 t/m 13 staan al in het Nederlands in de tekst en worden niet vertaald.
- Kolon 35 (regel 1), max 2: Sed non multum ad tranquillitatem locus confert; Maar je locatie draagt niet veel bij aan (je/de) (gemoeds)rust. Scorepunt: multum verbonden met tranquillitatem (1).
- Kolon 36 (regel 1), max 1: animus est, je/de geest/ziel is het/degene / het is je/de geest/ziel.
- Kolon 37 (regel 1-2), max 2: qui sibi commendet omnia, die alles voor zichzelf bepaalt. Niet fout rekenen: qui commendet omdat die/hij bepaalt; commendet moet/kan bepalen. Scorepunt: commendet zal/moge bepalen / zou kunnen bepalen (1).
- Kolon 38 (regel 2), max 2: Vidi ego in villa hilari et amoena maestos, Ik (persoonlijk) heb in/bij een blij makend en aantrekkelijk (gelegen) landhuis / op een blij makend en aantrekkelijk (gelegen) landgoed neerslachtige/droefgeestige mensen gezien. Niet fout rekenen: villa villa; villa weergegeven met een bepaald lidwoord; hilaris vrolijk. Amoena als mooie streken: 0 (0 punten voor dat woord).
- Kolon 39 (regel 2-3), max 2: vidi in media solitudine occupatis similes, (en) ik heb midden in (de) eenzaamheid / (een/de) stilte mensen gezien die druk bezig leken te zijn. Wanneer vidi op dezelfde manier onjuist is vertaald als in kolon 38, hier niet meer aanrekenen. Niet fout rekenen: solitudo eenzame streek. Scorepunt: in media solitudine in de middelste eenzaamheid (1). media niet verbonden met solitudine: 0.
- Kolon 40 (regel 3-4), max 2: Quare non est quod existimes ideo parum bene conpositum esse te, Je moet dus niet denken dat jij je daarom niet erg/zo prettig voelt. Niet fout rekenen: parum te weinig.
- Kolon 41 (regel 4), max 2: quod in Campania non es, omdat je niet in Campanië bent. Niet fout rekenen: quod dat (voegwoord).
- Kolon 42 (regel 4-5), max 1: Quare autem non es?, Hoezo ben je echter niet in Campanië. Niet fout rekenen: Hoezo ben je hier/daar echter niet. autem verder/voorts: 0.
- Kolon 43 (regel 5), max 1: Huc usque cogitationes tuas mitte, Stuur jouw/je (eigen) gedachten/denkvermogen(s) hierheen.
- Kolon 44 (regel 5-6), max 2: Conversari cum amicis absentibus licet, Het is mogelijk/geoorloofd met (je/de) afwezige vrienden contact te hebben / met (je/de) vrienden contact te hebben wanneer/hoewel ze afwezig zijn. Niet fout rekenen: conversari zich ophouden. Conversari zich gedragen / ronddraaien / rondgedraaid worden: 0. Scorepunt: amicis absentibus vertaald met enkelvoud (1).
- Kolon 45 (regel 6), max 2: et quidem quotiens velis, quamdiu velis, en wel zo vaak (als) je wilt, (en) zolang (als) je wilt / en stellig zo vaak en (zo)lang (als) je wilt. Niet fout rekenen: velis je zou willen. Wanneer velis tweemaal op dezelfde onjuiste manier is vertaald, dit slechts eenmaal aanrekenen. Scorepunt: quidem tenminste (1).
- Kolon 46 (regel 6-7), max 2: Magis hac voluptate, (kolon 47), fruimur, We profiteren meer van / hebben meer plezier in/van dit genoegen. Niet fout rekenen: Magis beter; hac op deze manier. Scorepunt: hac voluptate door/met dit genoegen (1).
- Kolon 47 (regel 7), max 1: quae maxima est, dat het grootst(e) is / dat zeer groot is.
- Kolon 48 (regel 7), max 1: dum absumus., terwijl we afwezig zijn / (van elkaar) gescheiden zijn. Niet fout rekenen: dum zolang (als). dum totdat: 0.
- Kolon 49 (regel 14), max 2: Pone hic primum noctes separatas, Denk hierbij ten eerste aan (de) gescheiden nachten/nachtrust/slaap. Niet fout rekenen: noctes nachtrusten/slapen; separatus apart/afgezonderd. Scorepunt: primum voor het eerst (1).
- Kolon 50 (regel 14), max 2: deinde occupationes utrique diversas, verder/daarna (aan) (de) voor beiden tegenovergestelde/afzonderlijke bezigheden / (de) (geheel) verschillende bezigheden voor beiden. Niet fout rekenen: occupationes bezigheid / het bezig zijn; diversus divers. occupationes utrique beide bezigheden: 0.
- Kolon 51 (regel 15), max 1: deinde studia secreta, verder/daarna (de) gescheiden/afzonderlijke hobby’s/interesses/begeerten/studies. Niet fout rekenen: studia vertaald met enkelvoud; secretus geheim. Wanneer deinde op dezelfde manier onjuist is vertaald als in kolon 50, hier niet meer aanrekenen.
- Kolon 52 (regel 15), max 1: suburbanas profectiones; (de) (verschillende) uitstapjes nabij de stad. Niet fout rekenen: profectiones een (verschillend) uitstapje.
- Kolon 53 (regel 15), max 2: videbis non multum esse, je zult zien dat het/er niet veel is. Scorepunt: videbis je ziet (1). multum opgevat als bijwoord: 0.
- Kolon 54 (regel 16), max 2: quod nobis peregrinatio eripiat, wat/dat (de) afwezigheid ons ontneemt. Niet fout rekenen: eripiat kan/zou / zou kunnen ontnemen. quod omdat: 0. Scorepunt: eripiat zal ontnemen (1). eripiat moge ontnemen: 0.
- Kolon 55 (regel 16), max 2: Amicus animo possidendus est; Een/De vriend moet in/door/met de geest/ziel / het hart meegenomen worden.
- Kolon 56 (regel 16-17), max 1: hic autem numquam abest., die/dat is nooit afwezig. Niet fout rekenen: hier/daar is die/hij nooit afwezig.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Latijnse taal en cultuur 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens Latijnse taal en cultuur vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 1 (op examenblad.nl)
- 2025, tijdvak 2 (op examenblad.nl)
- 2024, tijdvak 1 (op examenblad.nl)
- 2024, tijdvak 2 (op examenblad.nl)
- 2023, tijdvak 1 (op examenblad.nl)
- 2023, tijdvak 2 (op examenblad.nl)
- 2022, tijdvak 1 (op examenblad.nl)
- 2022, tijdvak 2 (op examenblad.nl)
- 2022, tijdvak 3 (op examenblad.nl)
- 2021, tijdvak 1 (op examenblad.nl)
- 2021, tijdvak 2 (op examenblad.nl)
- 2021, tijdvak 3 (op examenblad.nl)
- 2019, tijdvak 1 (op examenblad.nl)
- 2019, tijdvak 2 (op examenblad.nl)
- 2018, tijdvak 1 (op examenblad.nl)
- 2018, tijdvak 2 (op examenblad.nl)
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2?
Het centraal examen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2 telt 35 vragen. De meeste vragen gaan over taalkundige analyse (15), tekstbegrip (12) en vertalen (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-2/vw-1110-a-26-2-c).
Hoe oefen ik met het examen Latijnse taal en cultuur vwo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.