Eindexamen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Asperges, Topinkomens, vooruitging., Zuivere dobbelsteen?, Bouwgrafiek, Energie.

Kort antwoord

Het centraal examen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 loopt tot vraag 20. Van 16 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (4), normale verdeling (3) en statistiek (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Formules en grafieken14-15, 17, 204
Normale verdeling2-43
Statistiek5-6, 83
Kansrekening10-123
Exponentiële groei71
Hypothesetoetsen131
Veranderingen en afgeleide161

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Asperges

Vooral in Zuid-Nederland worden asperges als groente geteeld. Uit aspergezaad groeien aspergeplanten en als deze voldoende gegroeid zijn, worden de asperges geoogst.

De prijs van het zaad is € 4500 per kg. Per hectare groeien ongeveer 20 000 aspergeplanten. Hiervoor is ongeveer 750 gram zaad nodig. Een aspergeplant levert in een oogstseizoen gemiddeld twintig asperges. In één kilo gaan gemiddeld tien asperges. De gemiddelde opbrengst van één kilo asperges is € 4.

Vraag 1 4 punten

Bereken het verschil van de gemiddelde opbrengst per hectare en de kosten voor het benodigde zaad.

Bekijk het antwoord
  • Een hectare levert (ongeveer) = 40 000 (kg asperges) (1)
  • De opbrengst per hectare is (ongeveer) 40 000 ⋅ 4 = 160 000 (euro) (1)
  • De kosten voor het zaad zijn (ongeveer) ⋅ 4500 =(euro) 3375 (1)
  • Het verschil is (ongeveer) (160 000 − 3375 = )156 625 (euro) (1)

De geoogste asperges worden op basis van kleur en dwarsdoorsnede gesorteerd. In deze opgave bekijken we witte asperges met een dwarsdoorsnede van 10 tot 38 mm. Een aspergeteler heeft in een week in mei 20 000 asperges geoogst en daarna gesorteerd. In tabel 1 staan de aantallen per klasse weergegeven.

[tabel 1: zie het originele examen] klasse dwarsdoorsnede frequentie (in mm) C1 10-<12 1600 B1 12-<16 4000 A1 16-<20 4500 AA1 20-<28 8800 AAA1 28-<38 1100

Vraag 2 5 punten

Zet de gegevens uit tabel 1 uit op het normaal waarschijnlijkheidspapier op de uitwerkbijlage en toon daarmee aan dat de dwarsdoorsneden van de geoogste asperges van deze aspergeteler bij benadering normaal verdeeld zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De cumulatieve percentages 8; 28; 50,5; 94,5 (en 100) (2)
  • De bijbehorende punten (12; 8), (16; 28), (20; 50,5) en (28; 94,5) juist weergeven op de uitwerkbijlage (2)
  • De getekende punten liggen bij benadering op een rechte lijn (dus de dwarsdoorsneden zijn bij benadering normaal verdeeld) (1)

We nemen vanaf nu aan dat we de dwarsdoorsneden van asperges mogen benaderen met de normale verdeling met µ = 20,1 mm en σ = 5,6 mm. Zoals in tabel 1 te zien is, verdelen we de asperges in vijf klassen. We kunnen nu het percentage asperges in klasse AA1 berekenen met behulp van de normale benadering, maar ook met behulp van de gegevens uit tabel 1.

Vraag 3 4 punten

Bereken deze beide percentages. Rond je antwoord af op hele percentages.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • P(20 < X < = 28 μ 20,1= en σ 5, 6) moet worden berekend (1)
  • Beschrijven hoe deze kans berekend kan worden (1)
  • Deze kans is 0,427… dus 43 (%) (of nauwkeuriger) (1)
  • Met behulp van de tabel is het percentage ⋅100 (%) = 44 (%) 20 000 44 (%) ) (of: 94,5 (%) − 50,5 (%) = (1)

Op een ochtend oogst een andere aspergeteler 200 asperges. Neem weer aan dat de dwarsdoorsneden van asperges benaderd mogen worden met de normale verdeling met µ = 20,1 mm en σ = 5,6 mm.

Vraag 4 5 punten

Bereken hoe groot de kans is dat er van de 200 geoogste asperges minstens 50 in klasse A1 zitten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Beschrijven hoe de kans berekend kan worden dat een asperge in klasse A1 zit (1)
  • Deze kans is 0,26… (1)
  • P( X ≥ 50) =1 − P( X ≤ 49) (1)
  • Beschrijven hoe de binomiale kans P( X ≤ 49) met n = 200 en p = 0,26… berekend kan worden (1)
  • De gevraagde kans is 0,66 (of nauwkeuriger) (1)

Topinkomens

Op 17 mei 2008 stond in de Volkskrant een artikel waarin gesteld werd dat de salariskloof tussen topbestuurders en gewone werknemers in Nederland steeds groter wordt. Bij het artikel was een figuur afgedrukt waarin het gemiddelde van de 100 topinkomens en het modale inkomen in de periode 1983-2007 te zien waren. Zie figuur 1. Alle bedragen in deze figuur zijn jaarinkomens in euro’s.

[figuur 1: zie het originele examen]

1 600 000 jaarinkomen (in euro s) 1 400 000

1 200 000

1 000 000

800 000

600 000

400 000

200 000 0 19

19

19

19

19

19

19

19

19

20

20

20

20 91

93

95

97

99 83

85

87

89

01

03

05

07 Legenda: jaartal modaal top 100

De Volkskrant stelt dat in de periode 1983-2007 de inkomens van topbestuurders elk jaar met gemiddeld 7,2% zijn gestegen. In figuur 1 staan geen gegevens over topinkomens in 1983 en 1984 omdat die toen nog niet openbaar waren. In 1985 was het gemiddelde van de 100 topinkomens € 295 000.

Uitgaande van het bedrag voor 1985 levert een gemiddelde groei van 7,2% per jaar inderdaad ongeveer het gemiddelde jaarsalaris van de 100 topinkomens op zoals dit in figuur 1 bij 2007 af te lezen is.

Vraag 5 4 punten

Bereken dit gemiddelde jaarsalaris en vergelijk je antwoord met het gemiddelde jaarsalaris dat in figuur 1 af te lezen is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De groeifactor per jaar is 1,072 (1)
  • B 295000 ⋅1, 07222 = (1)
  • B = 1 360 000 (of nauwkeuriger) (1)
  • De conclusie (zoals: deze waarde komt (ongeveer) overeen met de af te lezen waarde in de figuur) (1)

In figuur 1 is ook te zien dat het gemiddelde topinkomen in 2007 aanzienlijk hoger was dan in 2006. In 2006 was het gemiddelde jaarsalaris van de 100 topinkomens € 980 000. Als men met de gegevens van 1985 en 2006 berekent met hoeveel procent het gemiddelde jaarsalaris van de 100 topinkomens gestegen is, komt men niet uit op 7,2% per jaar maar op een lager percentage.

Vraag 6 4 punten

Bereken dit percentage in één decimaal nauwkeurig.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De groeifactor per 21 jaar is ( = 3,322... ) (1)
  • De groeifactor per jaar is 3,322... 21 = 1, 0588... (2)
  • Dit is een toename van 5,9 (%) (1)

[figuur 2: zie het originele examen] modaal 35 000 jaarinkomen 30 000 (in euro s) 25 000

20 000

15 000

10 000

5 000 0 19

19

19

19

19

19

19

19

19

20

20

20

20 91

93

95

97

99 83

85

87

89

01

03

05

07 jaartal

De kleine staafjes van het modale jaarinkomen uit figuur 1 zijn in figuur 2 nogmaals weergegeven. Het modale jaarinkomen is een maat voor het salaris van de “gewone werknemer”: veel mensen verdienen een salaris dat rond dit bedrag ligt. In 1983 verdiende een topbestuurder uit de top-

100 gemiddeld 16 keer zoveel als het modale inkomen en in 2007 gemiddeld 44 keer zoveel.

Vraag 7 4 punten

Toon aan dat het gemiddelde jaarsalaris van de 100 topinkomens in 2007 ongeveer 5 keer zo hoog was als in 1983.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • In 1983 was het gemiddelde van de 100 topinkomens (ongeveer)

16 ⋅17 000 =272 000 (euro) (1)

  • In 2007 was dit (ongeveer) 44 ⋅ 30 000 =

1320 000 (euro) (1)

1320 000

Opmerkingen

  • Als gerekend is met de waarde van B die bij vraag 5 is gevonden, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen..
  • In het tweede alternatief is een afleesmarge van 1000 toegestaan.

Ook binnen de 100 topinkomens zijn nog grote verschillen. In 2004 was het gemiddelde jaarsalaris van de 100 topinkomens € 910 000. Het gemiddelde jaarsalaris van de 25 hoogste inkomens uit deze groep was € 1 720 000.

Vraag 8 4 punten

Onderzoek of de 25 topbestuurders met de hoogste inkomens gemiddeld meer dan drie keer zoveel verdienen als het gemiddelde van de rest van de bestuurders uit deze top-100.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De 100 topbestuurders verdienden in totaal 100 ⋅ 910 000 euro en de 25 met de hoogste salarissen in totaal 25 ⋅1720 000 euro (1p)
  • De 75 overige topbestuurders verdienden samen 48 000 000 euro (1p)

vooruitging.

Bij ieder salaris dat je invult als huidig salaris geeft de website een salaris als antwoord. Dit antwoord is het salaris dat je zou verdienen als je salaris even snel gestegen zou zijn als dat van topbestuurders. Het blijkt dat de website dan als antwoord een salaris geeft dat ongeveer 3 maal zo hoog is als je huidige salaris.

Vraag 9 4 punten

Bereken in twee decimalen nauwkeurig hoeveel maal zo hoog het antwoord van de website is.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in de berekening gebruik is gemaakt van een voorbeeldsalaris, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Zuivere dobbelsteen?

Op de foto zie je twee ronde dobbelstenen. foto Op deze dobbelstenen staan aantallen ogen van

1 tot en met 6, net als op gewone dobbelstenen. Een ronde dobbelsteen is hol met binnenin een stalen kogeltje. Bij elk getal zit in de holle binnenkant een soort kuiltje waar het kogeltje in past. Aan het einde van een worp komt het kogeltje in zo’n kuiltje terecht. Hierdoor blijft de dobbelsteen liggen, bijvoorbeeld met de vier onder en de drie boven: er is dan drie gegooid.

Of een dobbelsteen zuiver is of niet, kun je onderzoeken door er een groot aantal keer mee te gooien. Dit wordt geïllustreerd door figuur 1. In figuur 1 is het resultaat te zien van een aantal simulaties van het gooien met een zuivere dobbelsteen. Er werd hierbij alleen gekeken naar het aantal drieën.

[figuur 1: zie het originele examen]

0,25 relatieve frequentie 0,20

0,15

0,10

0,05

0

101 102 103 104 105 106 aantal worpen

Elk cirkeltje stelt het resultaat van een simulatie voor. Langs de horizontale as is het aantal worpen bij een simulatie uitgezet op een logaritmische schaalverdeling. Langs de verticale as staat de relatieve frequentie van het aantal drieën dat hierbij gegooid is. In figuur 1 is bijvoorbeeld te zien dat bij de simulatie van 10 worpen de relatieve frequentie 0,1 is: er is precies één keer een drie gegooid.

Figuur 1 staat ook op de uitwerkbijlage. Bij een simulatie van 60 worpen is

4 keer een drie gegooid.

Vraag 10 3 punten

Teken het punt dat bij deze simulatie hoort in de figuur op de uitwerkbijlage. Licht je werkwijze toe.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De relatieve frequentie is = 0, 066... (1)
  • Het tekenen van het punt op de juiste plaats in de figuur (2)

In figuur 1 is de verwachte relatieve frequentie aangegeven met een horizontale lijn op een hoogte van ongeveer 0,167. Dit komt overeen met kans 16 . Het punt dat hoort bij de simulatie van 200 worpen ligt dichter bij deze horizontale lijn dan het punt dat hoort bij de simulatie van

30 worpen. Bij de simulatie van 200 worpen is het verschil tussen de verwachte en de werkelijke relatieve frequentie dus kleiner. We kunnen ook kijken naar de verschillen bij het aantal geworpen drieën. Rik beweert dat het verschil tussen het werkelijke en het verwachte aantal geworpen drieën bij de simulatie van 200 worpen kleiner is dan bij de simulatie van 30 worpen.

Vraag 11 5 punten

Onderzoek of Rik gelijk heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Aflezen uit figuur 1: bij 30 worpen is de relatieve frequentie ongeveer 0,10 en bij 200 worpen ongeveer 0,13 (1)
  • Bij 30 worpen is er 0,1 ⋅ 30 =3 keer drie gegooid en bij 200 worpen is er 0,13 ⋅ 200 = 26 keer drie gegooid (1)
  • Bij 30 worpen is het verschil met het verwachte aantal 5 − 3 = 2 (1)
  • 1 Bij 200 worpen is dit 33 3 − 26 = 1 7 3 (of 33 − 26 = 7) (1)
  • Dus Rik heeft geen gelijk (1)

Als het aantal gesimuleerde worpen groter wordt, komen de punten van de simulaties steeds dichter bij de horizontale lijn te liggen. De resultaten van de simulaties benaderen de werkelijke kans van 16 dan steeds beter. Dit is ook theoretisch te berekenen. Het aantal geworpen drieën bij een simulatie van n keer gooien is voor grote waarden van n te benaderen met een normale verdeling. Hiermee kan men berekenen dat voor een simulatie van 10 000 worpen geldt: de kans dat de relatieve frequentie van het aantal geworpen drieën minder dan 1% van 16 verschilt, is ongeveer 0,35. Voor een simulatie van 100 000 worpen is deze kans veel groter.

Vraag 12 6 punten

Laat dit met een berekening zien.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de bedoelde kans is berekend met gebruikmaking van de binomiale verdeling of continuïteitscorrectie, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen.

Jesse vermoedt dat de kans om met zijn ronde dobbelsteen drie te gooien kleiner is dan 16 . Na het zien van figuur 1 besluit hij om 600 keer met zijn ronde dobbelsteen te gooien om dit te onderzoeken. Na 600 keer gooien heeft hij 87 keer drie gegooid.

Vraag 13 6 punten

Onderzoek of Jesse op grond van dit steekproefresultaat mag concluderen dat de kans om met deze dobbelsteen drie te gooien kleiner is dan 16 . Neem een significantieniveau van 5%.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • H 0: p = 16 en H1: p < 16 (1)
  • Onder H0 is het aantal keer drie gooien binomiaal verdeeld met n = 600 en p = 16 (1)
  • De overschrijdingskans is P( X ≤ 87) (1)
  • Beschrijven hoe deze kans berekend kan worden (1)
  • Deze kans is 0,08… (1)
  • 0,08… > 0,05, dus mag Jesse niet concluderen dat de kans om drie te gooien kleiner is dan 16 (1)

Bouwgrafiek

Bij nieuwbouw stellen gemeentes bestemmingsplannen op om onder meer te voorkomen dat een nieuwe wijk een rommelig aanzicht krijgt. In het bestemmingsplan voor de wijk “Den Brabander fase 2” van de gemeente Alphen-Chaam is de grafiek van figuur 1 opgenomen. Deze figuur staat vergroot op de uitwerkbijlage.

[figuur 1: zie het originele examen] max.

250 max. 240 m2 maximale 225 225 232,50 217,50 oppervlakte 200 aan 200 bebouwing 175 175

B (m2) 150 137,50 125 100

75 70 50 25 0

0 100 200 300 400 500 600 700 800 900 oppervlakte van een bouwperceel p (m2)

In de nieuwe wijk wordt een aantal bouwpercelen verkocht. Een bouwperceel is een stuk grond waarvan een gedeelte bebouwd mag worden. In figuur 1 kun je aflezen hoeveel vierkante meter bij een bepaalde oppervlakte van een bouwperceel maximaal bebouwd mag worden. Voorbeeld: van een bouwperceel met een oppervlakte van 300 m 2 mag maximaal 175 m2 bebouwd worden.

Mevrouw Groen koopt een bouwperceel van 20 bij 20 meter. Zij wil precies de maximaal toegestane oppervlakte aan bebouwing gebruiken voor een vierkant huis. Op de overige grond wil zij rondom het huis grindpaden van 3 meter breed aanleggen.

Vraag 14 4 punten

Onderzoek of dit te realiseren is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een aanpak waarbij wordt gekeken naar de totale breedte van het perceel min de breedte van twee paden (1)
  • De zijde van het huis is dan 20 – 6 = 14 (m) (1)
  • De oppervlakte van het huis is dan 14 ⋅14 = 196 (m2 ) (1)
  • Bij een perceeloppervlakte van 400 (m2) mag maximaal 200 (m2 ) bebouwd worden, dus dit is niet te realiseren (1)

Een architectenbureau hanteert als vuistregel dat van een bouwperceel maximaal 20 m2 meer dan de helft van de oppervlakte bebouwd zou mogen worden. In formulevorm:

B = 0,5 p + 20

Hierin is B de maximale oppervlakte aan bebouwing in m2 en p de oppervlakte van een bouwperceel in m2.

Vraag 15 3 punten

Gebruik de figuur op de uitwerkbijlage om te bepalen vanaf welke perceelgrootte de regeling die is weergegeven in figuur 1 strenger is dan deze vuistregel.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het snijpunt afgelezen waarden van p ≈ 315 tot p ≈ 335 goed rekenen.

De bouwpercelen zijn minstens 100 m2 groot. Voor bouwpercelen van

500 m2 tot 800 m2 neemt de maximale bebouwing lineair toe. Van geen enkel bouwperceel mag meer dan 240 m2 bebouwd worden. De grafiek in figuur 1 bestaat dus uit drie delen: van 100 tot 500, van 500 tot 800 en vanaf 800.

De drie delen van de grafiek in figuur 1 kunnen we elk karakteriseren met een beschrijving uit de volgende lijst:

  • toenemend stijgend
  • constant stijgend
  • afnemend stijgend
  • constant
  • afnemend dalend
  • constant dalend
  • toenemend dalend. Tussen 100 en 500 is de grafiek afnemend stijgend, van 500 tot 800 constant stijgend en vanaf 800 constant. Met behulp van figuur 1 kunnen we ook een grafiek tekenen van de oppervlakte die minimaal onbebouwd moet blijven. Ook de drie delen van deze nieuwe grafiek kunnen we karakteriseren met behulp van bovenstaande lijst.

Vraag 16 4 punten

Geef voor elk van de drie delen van de nieuwe grafiek een karakterisering. Geef een toelichting.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Bij wijze van toelichting een grafiek of tabel van m2 onbebouwd, bijvoorbeeld: (1) p 100 200 300 400 500 600 700 800 2 m onbebouwd 30 62,5 125 200 282,5 375 467,5 560

Energie

Een machine, zoals een automotor, gebruikt energie in de vorm van brandstof. Een machine levert ook energie, maar de hoeveelheid geleverde energie is altijd kleiner dan de hoeveelheid energie die erin wordt gestopt. Wanneer de hoeveelheid energie die een machine levert 30% is van de hoeveelheid energie die erin wordt gestopt, spreken we van een machine met een rendement R = 0,3. De resterende 70% energie gaat verloren, bijvoorbeeld in de vorm van warmte. Het rendement is daarom altijd kleiner dan 1.

Aan het einde van de vorige eeuw schreef de Amerikaanse onderzoeker J. Ausubel een artikel met de titel ‘Can technology spare the earth?’. Daarin beschrijft hij de ontwikkeling van nieuwe machines die een hoger rendement hebben en waarmee dus veel brandstof bespaard kan worden. In het artikel van Ausubel komt een grafiek voor die de ontwikkeling van het rendement van een aantal machines weergeeft. Zie figuur 1.

[figuur 1: zie het originele examen]

3 Fuel Cell R* 2 (prediction) 1 Steam Turbine Gas 0,3 Charles Parsons Turbine 0,2 Cornish Triple Expansion 0,1

0,03 0,02 James Watt 0,01 Thomas Newcomen Thomas Savery

1700 1750 1800 1850 1900 1950 2000 2050 jaartal

Op de verticale as zie je een logaritmische schaalverdeling. Daarmee R wordt R* = weergegeven. In deze formule is R het rendement van de 1− R machine.

Een van de machines uit figuur 1 heeft een rendement van 0,43.

Vraag 17 3 punten

Ga met behulp van een berekening na welke machine in figuur 1 hier bedoeld wordt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • =R* = 0, 7... (2)
  • In de figuur aflezen dat hierbij hoort: Gas Turbine (1)

De punten in figuur 1 geven een trend aan die met de rechte lijn aangegeven wordt. Het laatste stuk van deze rechte lijn is een voorspelling voor de komende jaren. Zo voorspelt Ausubel een brandstofcel (Fuel Cell) met een hoog rendement. Uit figuur 1 volgt dat hiervoor geldt dat R* = 2 .

Vraag 18 3 punten

Bereken hoe groot het rendement van deze brandstofcel volgens Ausubel is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • R* = 2 geeft =2 (1)
  • Beschrijven hoe deze vergelijking kan worden opgelost (1)
  • R = 23 (= 0,66…) (1)

In figuur 1 is niet R, maar R* weergegeven ten opzichte van de tijd. Dit is gedaan omdat de grafiek dan een rechte lijn wordt als op de verticale as een logaritmische schaalverdeling wordt gebruikt. Het gebruik van R* levert geen problemen op omdat bij elke waarde van R* precies een waarde van R hoort. R Op grond van de formule R* = kunnen we beredeneren dat als R 1− R toeneemt van 0 tot 1, R* dan ook steeds toeneemt.

Vraag 19 4 punten

Geef deze redenering.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • De afgeleide van R* is (2) = (2) (1
    • R) (1
    • R) 2 1
  • (2) is voor elke waarde van R (tussen 0 en 1) positief, dus R* (1
    • R) neemt toe als R toeneemt (van 0 tot 1) (2)

In figuur 1 is de grafiek van R* een rechte lijn. Dat betekent dat de formule voor R* van de vorm R* = b · g t is, met t de tijd in jaren en t = 0 voor het jaar 1700. Uit figuur 1 lezen we af dat bij 1700 de waarde R* = 0, 01 hoort en bij 2050 de waarde R* = 2 .

Vraag 20 3 punten

Bereken de waarden van b en g.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • b = 0, 01 (1)
  • De groeifactor per 350 jaar is ( = 200 ) (1)
  • = g 200 = 350 1, 015... dus 1,02 (of nauwkeuriger) (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-h-18-2-o

Andere examens wiskunde A vwo (bezemexamen)

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2?

Het centraal examen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 loopt tot vraag 20. Van 16 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (4), normale verdeling (3) en statistiek (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1024-h-18-2-c).

Hoe oefen ik met het examen wiskunde A vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.