Eindexamen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Wasdrogers, (C-label), Asperges, Topinkomens, Zuivere dobbelsteen?, Diskos van Phaistos.
Het centraal examen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 telt 19 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), statistiek (6) en kansrekening (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Formules en grafieken | 1-5, 12, 18-19 | 8 |
| Statistiek | 6-7, 9-11, 15 | 6 |
| Kansrekening | 8, 13-14, 16 | 4 |
| Ruimtemeetkunde | 17 | 1 |
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Wasdrogers
Een wasdroger droogt wasgoed door middel van warme lucht. De meeste wasdrogers gebruiken elektriciteit als energiebron. Voor elektrische apparaten zijn zogenoemde energielabels ingevoerd: deze geven aan hoe zuinig een apparaat is met energie. De energielabels hebben de letters A tot en met G: A betekent zeer zuinig, G zeer onzuinig. Op de website van een milieuorganisatie worden verschillende wasdrogers met elkaar vergeleken. In tabel 1 staan gegevens van drie wasdrogers: een energiezuinige wasdroger met een A-label en twee veel verkochte “gewone” wasdrogers met een C-label. De jaarkosten van een wasdroger zijn de kosten voor het energieverbruik plus de afschrijving. De afschrijving is de waardevermindering van de wasdroger. Bij de berekening van de jaarkosten is men in tabel 1 uitgegaan van de volgende veronderstellingen:
- Een kilowattuur (kWh) elektriciteit kost € 0,22.
- Per jaar wordt elke wasdroger voor 210 droogbeurten gebruikt.
- Alle wasdrogers hebben een levensduur van 10 jaar.
- De afschrijving is elk jaar 10
1 van de aanschafprijs.
[tabel 1: zie het originele examen] wasdroger prijs energieverbruik in jaarkosten kWh per droogbeurt (inclusief (5 kg wasgoed) afschrijving) wasdroger 1 - € 960 1,70 € 175 warmtepompdroger met A-label wasdroger 2 - € 400 3,25 € 190 luchtafvoerdroger met C-label wasdroger 3 - € 500 3,65 ... condensdroger met C-label
Wasdroger 1 (met het A-label) is duurder in aanschaf, maar zuiniger in energieverbruik en gerekend over de hele periode van 10 jaar voordeliger. Dit is te zien aan de jaarkosten, die voor deze wasdroger lager zijn. In tabel 1 zijn de jaarkosten voor wasdroger 3 niet ingevuld.
Vraag 1 3 punten
Bereken deze jaarkosten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De kosten van het energieverbruik per jaar zijn 3, 65 ⋅ 0, 22 ⋅ 210 (euro) (1)
- De afschrijving per jaar is 50 (euro) (1)
- De jaarkosten zijn 219 (euro) (of 218,63 (euro)) (1)
In tabel 1 is gerekend met 210 droogbeurten per jaar. Om de jaarkosten te berekenen voor een willekeurig aantal droogbeurten per jaar, kan men voor de eerste wasdroger de volgende formule opstellen: K = 96 + 0,374d Hierin is K de jaarkosten en d het aantal droogbeurten per jaar.
Bij deze formule is men weer uitgegaan van een elektriciteitsprijs van € 0,22 per kilowattuur en een levensduur van de wasdroger van 10 jaar. Bij deze formule gaat men dus uit van een jaarlijkse afschrijving van 101 van
de aanschafprijs.
We gaan nu uit van een levensduur van 12 jaar, een jaarlijkse afschrijving
1 van de aanschafprijs en een elektriciteitsprijs van € 0,26 per van 12 kilowattuur. Hierdoor verandert de formule voor K.
Vraag 2 3 punten
Geef de nieuwe formule voor K in deze situatie. Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 ⋅ 960 = De afschrijving is 12 80 (euro per jaar) (1)
- De energiekosten per jaar zijn 1, 70 ⋅ 0, 26 ⋅ d ( = 0, 442d ) (1)
- De formule is K= 80 + 0, 442d (1)
(C-label)
De terugverdientijd van de energiezuinige wasdroger is in deze situatie bijna 8 jaar.
Vraag 3 4 punten
Toon dit aan.
Bekijk het antwoord
- Het verschil in aanschafprijs is 950 − 375 = 575 (euro) (1)
- Het verschil in kosten per droogbeurt is 3,35 ⋅ 0, 22 − 1, 75 ⋅ 0, 22 = 0,352 (euro) (1)
- Er zijn ≈ 1634 droogbeurten nodig om het verschil in 0,352 aanschafprijs terug te verdienen (1)
- Dit is = 7, 7... jaar (dus het klopt) (1)
De meeste mensen vinden een terugverdientijd van 8 jaar te lang en zullen daarom deze energiezuinige wasdroger niet kopen. Een terugverdientijd van 4 jaar wordt wel acceptabel gevonden. Een terugverdientijd van 4 jaar kan bereikt worden als de aanschafprijs van de energiezuinige wasdroger in tabel 2 niet € 950 zou zijn, maar lager.
Vraag 4 4 punten
Bereken wat deze aanschafprijs dan zou moeten zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- In 4 jaar draait de wasdroger 4 ⋅ 210 = 840 droogbeurten (1p)
- Het verschil in energieverbruik daarbij is 840 ⋅1, 6 =1344 kWh (1p)
- De kosten hiervan zijn 1344 ⋅ 0, 22 = 295, 68 (of 296) (euro) (1p)
Asperges
Vooral in Zuid-Nederland worden asperges als groente geteeld. Uit aspergezaad groeien aspergeplanten en als deze voldoende gegroeid zijn, worden de asperges geoogst.
De prijs van het zaad is € 4500 per kg. Per hectare groeien ongeveer 20 000 aspergeplanten. Hiervoor is ongeveer 750 gram zaad nodig. Een aspergeplant levert in een oogstseizoen gemiddeld twintig asperges. In één kilo gaan gemiddeld tien asperges. De gemiddelde opbrengst van één kilo asperges is € 4.
Vraag 5 4 punten
Bereken het verschil van de gemiddelde opbrengst per hectare en de kosten voor het benodigde zaad.
Bekijk het antwoord
- Een hectare levert (ongeveer) = 40 000 (kg asperges) (1)
- De opbrengst per hectare is (ongeveer) 40 000 ⋅ 4 = 160 000 (euro) (1)
- De kosten voor het zaad zijn (ongeveer) ⋅ 4500 = 3375 (euro) (1)
- Het verschil is (ongeveer) (160 000 − 3375 = )156 625 (euro) (1)
De geoogste asperges worden op basis van kleur en dwarsdoorsnede gesorteerd. In deze opgave bekijken we witte asperges met een dwarsdoorsnede van 10 tot 38 mm. Een aspergeteler heeft in een week in mei 20 000 asperges geoogst en daarna gesorteerd. In tabel 1 staan de aantallen per klasse weergegeven.
[tabel 1: zie het originele examen] klasse dwarsdoorsnede frequentie (in mm) C1 10-<12 1600 B1 12-<16 4000 A1 16-<20 4500 AA1 20-<28 8800 AAA1 28-<38 1100
Vraag 6 5 punten
Zet de gegevens uit tabel 1 uit op het normaal waarschijnlijkheidspapier op de uitwerkbijlage en toon daarmee aan dat de dwarsdoorsneden van de geoogste asperges van deze aspergeteler bij benadering normaal verdeeld zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De cumulatieve percentages 8; 28; 50,5; 94,5 (en 100) (2)
- De bijbehorende punten (12; 8), (16; 28), (20; 50,5) en (28; 94,5) juist weergeven op de uitwerkbijlage (2)
- De getekende punten liggen bij benadering op een rechte lijn (dus de dwarsdoorsneden zijn bij benadering normaal verdeeld) (1)
We nemen vanaf nu aan dat we de dwarsdoorsneden van asperges mogen benaderen met de normale verdeling met µ = 20,1 mm en σ = 5,6 mm. Zoals in tabel 1 te zien is, verdelen we de asperges in vijf klassen. We kunnen nu het percentage asperges in klasse AA1 berekenen met behulp van de normale benadering, maar ook met behulp van de gegevens uit tabel 1.
Vraag 7 4 punten
Bereken deze beide percentages. Rond je antwoord af op hele percentages.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- P(20 < X < = 28 μ 20,1= en σ 5, 6) moet worden berekend (1)
- Beschrijven hoe deze kans berekend kan worden (1)
- Deze kans is 0,427… dus 43 (%) (of nauwkeuriger) (1)
- Met behulp van de tabel is het percentage ⋅100 (%) = 44 (%) 20 000 44 (%) ) (of: 94,5 (%) − 50,5 (%) = (1)
Op een ochtend oogst een andere aspergeteler 200 asperges. Neem weer aan dat de dwarsdoorsneden van asperges benaderd mogen worden met de normale verdeling met µ = 20,1 mm en σ = 5,6 mm.
Vraag 8 5 punten
Bereken hoe groot de kans is dat er van de 200 geoogste asperges minstens 50 in klasse A1 zitten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Beschrijven hoe de kans berekend kan worden dat een asperge in klasse A1 zit (1)
- Deze kans is 0,26… (1)
- P( X ≥ 50) =1 − P( X ≤ 49) (1)
- Beschrijven hoe de binomiale kans P( X ≤ 49) met n = 200 en p = 0,26… berekend kan worden (1)
- De gevraagde kans is 0,66 (of nauwkeuriger) (1)
Topinkomens
Op 17 mei 2008 stond in de Volkskrant een artikel waarin gesteld werd dat de salariskloof tussen topbestuurders en gewone werknemers in Nederland steeds groter wordt. Bij het artikel was een figuur afgedrukt waarin het gemiddelde van de 100 topinkomens en het modale inkomen in de periode 1983-2007 te zien waren. Zie figuur 1. Alle bedragen in deze figuur zijn jaarinkomens in euro’s.
[figuur 1: zie het originele examen]
1 600 000 jaarinkomen (in euro s) 1 400 000
1 200 000
1 000 000
800 000
600 000
400 000
200 000 0 19
19
19
19
19
19
19
19
19
20
20
20
20 91
93
95
97
99 83
85
87
89
01
03
05
07 Legenda: jaartal modaal top 100
De Volkskrant stelt dat in de periode 1983-2007 de inkomens van topbestuurders elk jaar met gemiddeld 7,2% zijn gestegen. In figuur 1 staan geen gegevens over topinkomens in 1983 en 1984 omdat die toen nog niet openbaar waren. In 1985 was het gemiddelde van de 100 topinkomens € 295 000.
Uitgaande van het bedrag voor 1985 levert een gemiddelde groei van 7,2% per jaar inderdaad ongeveer het gemiddelde jaarsalaris van de 100 topinkomens op zoals dit in figuur 1 bij 2007 af te lezen is.
Vraag 9 4 punten
Bereken dit gemiddelde jaarsalaris en vergelijk je antwoord met het gemiddelde jaarsalaris dat in figuur 1 af te lezen is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De groeifactor per jaar is 1,072 (1)
- B 295000 ⋅1, 07222 = (1)
- B = 1 360 000 (of nauwkeuriger) (1)
- De conclusie (zoals: deze waarde komt (ongeveer) overeen met de af te lezen waarde in de figuur) (1)
[figuur 2: zie het originele examen] modaal 35 000 jaarinkomen 30 000 (in euro s) 25 000
20 000
15 000
10 000
5 000 0 19
19
19
19
19
19
19
19
19
20
20
20
20 91
93
95
97
99 83
85
87
89
01
03
05
07 jaartal
De kleine staafjes van het modale jaarinkomen uit figuur 1 zijn in figuur 2 nogmaals weergegeven. Het modale jaarinkomen is een maat voor het salaris van de “gewone werknemer”: veel mensen verdienen een salaris dat rond dit bedrag ligt. In 1983 verdiende een topbestuurder uit de top-
100 gemiddeld 16 keer zoveel als het modale inkomen en in 2007 gemiddeld 44 keer zoveel.
Vraag 10 4 punten
Toon aan dat het gemiddelde jaarsalaris van de 100 topinkomens in 2007 ongeveer 5 keer zo hoog was als in 1983.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- In 1983 was het gemiddelde van de 100 topinkomens (ongeveer)
16 ⋅17 000 =272 000 (euro) (1)
- In 2007 was dit (ongeveer) 44 ⋅ 30 000 =
1320 000 (euro) (1)
1320 000
Opmerkingen
- Als gerekend is met de waarde van B die bij vraag 5 is gevonden, hiervoor geen scorepunten in mindering brengen..
- In het tweede alternatief is een afleesmarge van 1000 toegestaan.
Ook binnen de 100 topinkomens zijn nog grote verschillen. In 2004 was het gemiddelde jaarsalaris van de 100 topinkomens € 910 000. Het gemiddelde jaarsalaris van de 25 hoogste inkomens uit deze groep was € 1 720 000.
Vraag 11 4 punten
Onderzoek of de 25 topbestuurders met de hoogste inkomens gemiddeld meer dan drie keer zoveel verdienen als het gemiddelde van de rest van de bestuurders uit deze top-100.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De 100 topbestuurders verdienden in totaal 100 ⋅ 910 000 euro en de 25 met de hoogste salarissen in totaal 25 ⋅1720 000 euro (1p)
- De 75 overige topbestuurders verdienden samen 48 000 000 euro (1p)
Op de website van de Volkskrant kan iemand laten berekenen hoeveel hij zou verdienen als zijn salaris de afgelopen 25 jaar evenveel gestegen was als dat van topbestuurders. Op de website staat de onderstaande tekst:
tekst 1
Hoe hoog zou jouw topsalaris moeten zijn? Kruip in de huid van een topbestuurder en doe net alsof je salaris in de afgelopen 25 jaar even hard opliep als het inkomen van de hoogste baas. Vul je huidige salaris in en zie wat je eigenlijk had moeten verdienen. Voor het gemak is ervan uitgegaan dat je er de afgelopen 25 jaar net als Jan Modaal maar 2,3 procent per jaar aan salarisverhoging bij hebt gekregen, terwijl Jan Top er jaarlijks 7 procent op vooruitging.
Iemand vult voor zijn huidige salaris € 2000 in.
Vraag 12 4 punten
Bereken het salaris dat de website als uitkomst geeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Het modale salaris is gegroeid met groeifactor 1,023 (1)
- Het beginsalaris was = 1132, 76 (euro) (1)
- Het topsalaris is gegroeid met groeifactor 1,07 (1)
- Het eindsalaris is dan 1132, 76 ⋅1, 07 25 ≈ 6148 (of nauwkeuriger) (euro) (1)
Zuivere dobbelsteen?
Op de foto zie je twee ronde dobbelstenen. foto Op deze dobbelstenen staan aantallen ogen van
1 tot en met 6, net als op gewone dobbelstenen. Een ronde dobbelsteen is hol met binnenin een stalen kogeltje. Bij elk getal zit in de holle binnenkant een soort kuiltje waar het kogeltje in past. Aan het einde van een worp komt het kogeltje in zo’n kuiltje terecht. Hierdoor blijft de dobbelsteen liggen, bijvoorbeeld met de vier onder en de drie boven: er is dan drie gegooid.
Iemand vraagt zich af of een ronde dobbelstenen wel zuiver is, dat wil zeggen of voor elk aantal ogen de kans om dat aantal te gooien precies gelijk is aan 16 . Om dit te onderzoeken gooit hij 200 keer met een ronde dobbelsteen. De resultaten staan in tabel 1.
[tabel 1: zie het originele examen] aantal ogen 1 2 3 4 5 6 totaal aantal keren gegooid 43 31 25 26 35 40 200
Er is slechts 25 keer drie gegooid. Dit is minder dan het aantal keren drie dat verwacht mag worden als de kans op drie precies 16 is.
Vraag 13 3 punten
Bereken hoeveel procent minder dit is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Het verwachte aantal drieën is 16 ⋅ 200 (= 33 13 ) (1)
- Het verschil is 33 13 − 25 = 8 13 (of 33 – 25 = 8) (1)
- Het antwoord: 25 (%) (of 24 (%)) minder (1)
Er is 25 keer drie gegooid. Als we aannemen dat de ronde dobbelsteen zuiver is, dus dat de kans op drie precies 16 is, kunnen we berekenen hoe uitzonderlijk dit resultaat is.
Vraag 14 3 punten
Bereken de kans om bij 200 worpen met een zuivere dobbelsteen 25 of minder keer drie te gooien.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Het aantal keren drie gooien (X) is binomiaal verdeeld met n = 200 en p = 16 (1)
- Beschrijven hoe P( X ≤ 25 = n 200 en = p 1 ) met de GR berekend kan 6 worden (1)
- De gevraagde kans is 0,06 (of nauwkeuriger) (1)
Om te onderzoeken of een dobbelsteen zuiver is of niet, is het beter om meer dan 200 keer te gooien. Dit wordt geïllustreerd door figuur 1. In figuur 1 is het resultaat te zien van een aantal simulaties van het gooien met een zuivere dobbelsteen. Er werd hierbij alleen gekeken naar het aantal drieën.
[figuur 1: zie het originele examen]
0,25 relatieve frequentie 0,20
0,15
0,10
0,05
0
101 102 103 104 105 106 aantal worpen
Elk cirkeltje stelt het resultaat van een simulatie voor. Langs de horizontale as is het aantal worpen bij een simulatie uitgezet op een logaritmische schaalverdeling. Langs de verticale as staat de relatieve frequentie van het aantal drieën dat hierbij gegooid is. In figuur 1 is bijvoorbeeld te zien dat bij de simulatie van 10 worpen de relatieve frequentie 0,1 is: er is precies één keer een drie gegooid.
Figuur 1 staat ook op de uitwerkbijlage. Bij een simulatie van 60 worpen is
4 keer een drie gegooid.
Vraag 15 3 punten
Teken het punt dat bij deze simulatie hoort in de figuur op de uitwerkbijlage. Licht je werkwijze toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De relatieve frequentie is = 0, 066... (1)
- Het tekenen van het punt op de juiste plaats in de figuur (2)
In figuur 1 is de verwachte relatieve frequentie aangegeven met een horizontale lijn op een hoogte van ongeveer 0,167. Dit komt overeen met kans 16 . Het punt dat hoort bij de simulatie van 200 worpen ligt dichter bij deze horizontale lijn dan het punt dat hoort bij de simulatie van 30 worpen. Bij de simulatie van 200 worpen is het verschil tussen de verwachte en de werkelijke relatieve frequentie dus kleiner. We kunnen ook kijken naar de verschillen bij het aantal geworpen drieën. Uit figuur 1 volgt dat er bij een simulatie van 30 worpen 3 keer een drie gegooid is. Het verschil met het verwachte aantal geworpen drieën is 2. Rik beweert dat het verschil tussen het werkelijke en het verwachte aantal geworpen drieën bij de simulatie van 200 worpen kleiner dan 2 is.
Vraag 16 4 punten
Onderzoek of Rik gelijk heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Aflezen uit figuur 1: bij 200 worpen is de relatieve frequentie ongeveer 0,13 (1)
- Het werkelijke aantal geworpen drieën is dan 0,13 ⋅ 200 = 26 (1)
- Het verschil met het verwachte aantal is 33 13 − 26 =7 13 (of 33 − 26 = 7) (1)
- (dit is meer dan 2 dus) Rik heeft geen gelijk (1)
Diskos van Phaistos
In 1908 werd bij opgravingen op het Griekse eiland Kreta een bijzondere ontdekking gedaan. De Italiaanse archeoloog Luigi Pernier groef uit een paleis in de stad Phaistos een schijf van aardewerk op, aan weerszijden bedrukt met mysterieuze tekens. Deze schijf, de zogenaamde ‘Diskos van Phaistos’, is omgeven met raadsels. Waar komt hij vandaan, hoe oud is hij en wat betekenen de mysterieuze tekens die erop staan?
foto
Hierboven zie je een foto van de Diskos. Op deze foto is de diameter van de Diskos (zie de zwarte pijl) ongeveer 5,5 cm. In werkelijkheid is de diameter ongeveer 2,9 keer zo groot. We nemen aan dat de Diskos cirkelvormig is. Voor de oppervlakte van de Diskos geldt dan de volgende formule:
oppervlakte ≈ 0, 785 · d 2
Hierin is d de diameter. De werkelijke oppervlakte van de Diskos is meer dan acht keer zo groot als de oppervlakte van de schijf op de foto.
Vraag 17 3 punten
Laat dit zien met behulp van een berekening.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- De oppervlakte van de schijf op de foto is 0, 785 ⋅ 5,52 = 23, 7... (cm2 ) (1)
- De werkelijke diameter is (ongeveer) 2,9⋅5,5 = 15,95 cm, dus de werkelijke oppervlakte is 0, 785 ⋅15,952 = 199, 7... (cm2) (1)
- Dit is = 8, 4... (en dat is meer dan 8) keer zo groot (1)
In de wiskunde wordt voor de oppervlakte van een cirkel meestal niet de formule oppervlakte ≈ 0, 785 · d 2 gebruikt, maar de formule oppervlakte = π · r 2 . Hierbij is r de straal van de cirkel. De formule oppervlakte = π · r 2 kun je herleiden tot oppervlakte ≈ 0, 785 · d 2 door gebruik te maken van het volgende:
- π ≈ 3,14
- De straal van een cirkel is de helft van de diameter.
Vraag 18 3 punten
Laat zien hoe je de formule oppervlakte = π · r 2 kunt herleiden tot de formule oppervlakte ≈ 0, 785 · d 2 .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De straal is de helft van de diameter, dus r2 is een vierde van d 2 (2p)
Datering Regelmatig hebben critici zich afgevraagd of de Diskos wel echt is. Met name aan de leeftijd wordt getwijfeld. Een bekende methode om de ouderdom van voorwerpen van aardewerk te bepalen is thermoluminescentie (TL). Bij TL moeten (liefst op een onzichtbare plaats) een aantal kleine cilindertjes uit het aardewerk geboord worden. Dit uitgeboorde materiaal wordt langzaam verhit tot 500 graden Celcius. Hierbij zendt het materiaal een lichtsignaaltje uit dat gemeten wordt: het TL-signaal. Hoe ouder het aardewerk, hoe sterker het TL-signaal. Er geldt de volgende formule voor de ouderdom in jaren: ouderdom = c · TL Hierbij is TL het gemeten TL-signaal en c een getal dat onder andere afhangt van de plaats waar het aardewerk is gevonden.
Stel dat voor de Diskos TL = 2660 gemeten wordt. Voor een potscherf, die in hetzelfde paleis als de Diskos is gevonden, is gemeten TL = 1580 . Voor deze potscherf geldt dezelfde waarde van c in de formule als voor de Diskos. Op grond van andere informatie weet men dat deze potscherf ongeveer 2200 jaar oud is.
Vraag 19 4 punten
Bereken met behulp van bovenstaande gegevens hoe oud de Diskos dan is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- De Diskos is = 1, 68... keer zo oud als de potscherf (2) 1580
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1026-h-18-2-o
Andere examens wiskunde C vwo (bezemexamen)
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2?
Het centraal examen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 telt 19 vragen. De meeste vragen gaan over formules en grafieken (8), statistiek (6) en kansrekening (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1026-h-18-2-c).
Hoe oefen ik met het examen wiskunde C vwo (bezemexamen) 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.