Eindexamen biologie vwo 2018, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Hoogteziekte, Q-koorts, Stress versnelt evolutie van Mexicaans visje, Bruin vet, Groene soep door blauwalgen voorkomen, De wolf komt eraan.
Het centraal examen biologie vwo 2018, tijdvak 1 loopt tot vraag 38. Van 37 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ademhaling (9), ecologie (9) en zenuwstelsel en hormonen (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Ademhaling | 1-4, 6-8, 20-21 | 9 |
| Ecologie | 27-33, 37-38 | 9 |
| Zenuwstelsel en hormonen | 5, 22, 24-26 | 5 |
| Afweer | 9-11, 13 | 4 |
| Evolutie | 14, 17-19 | 4 |
| Erfelijkheid | 34-36 | 3 |
| DNA en eiwitsynthese | 12, 16 | 2 |
| Bloedsomloop | 23 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over ademhaling (24% van de vragen, gemiddeld 6%) en ecologie (24% van de vragen, gemiddeld 17%). Minder over planten en fotosynthese (0% van de vragen, gemiddeld 9%) en DNA en eiwitsynthese (5% van de vragen, gemiddeld 13%).
Opgaven en correctievoorschrift
- Opgaven
- Uitwerkbijlage
- Correctievoorschrift
- 2e aanvulling correctievoorschrift
- Aanvulling correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2018, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2018, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2018, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Hoogteziekte
Wandelen en klimmen hoog in de bergen is niet zonder risico’s. Een daarvan is hoogteziekte. Zonder adequaat handelen kan hoogteziekte een dodelijke afloop hebben.
Naarmate je hoger komt neemt de luchtdruk af. De ijle lucht bevat nog steeds 21 procent zuurstof, maar elke ademteug bevat als je hoger komt steeds minder zuurstofmoleculen. In afbeelding 1 is de relatieve hoeveelheid zuurstof ten opzichte van zeeniveau aangegeven op verschillende hoogten van de Mount Everest. Zo bevat een ademteug ter hoogte van het basiskamp nog maar 53 procent van het aantal zuurstofmoleculen in vergelijking met een ademteug op zeeniveau.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Een laag zuurstofgehalte in het bloed kan hoogteziekte veroorzaken. Hoogteziekte merk je aan hoofdpijn met daarbij misselijkheid, slapeloosheid en/of vermoeidheid. De gevoeligheid voor hoogteziekte verschilt van persoon tot persoon en is niet gekoppeld aan leeftijd, geslacht, conditie of ervaring. Hoogteziekte kan, indien onbehandeld, uitmonden in hersenoedeem (vochtophoping in de hersenen) en longoedeem (vochtophoping in longweefsel) en is dan levensbedreigend.
Wanneer je overnacht op grote hoogte, kan het gebeuren dat je ademhaling tijdens de slaap een abnormaal patroon vertoont. Het ademen houdt zo nu en dan op: je ademhaling vertraagt eerst, stopt vervolgens 10 tot 15 seconden waarna je enige tijd versneld ademt. De ademhaling vertraagt dan weer en de cyclus herhaalt zich. Dit abnormale adempatroon is het gevolg van regulatie door het ademcentrum. Het ademcentrum reageert onder andere op de pCO2 en de pO2 in het bloed.
Vraag 1 2 punten
Welke verandering in de pO2 of de pCO2 is mogelijk de oorzaak van het zo nu en dan stoppen van de ademhaling op grote hoogte?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
De gaswisseling verbetert na een verblijf van enige weken op grote hoogte: door de invloed van een bepaald hormoon neemt de zuurstofopname geleidelijk toe. In de uitwerkbijlage is een aanzet gegeven van de regelkring waarbij dit hormoon betrokken is.
Vraag 2 3 punten
Maak de regelkring af zodat duidelijk wordt hoe deze leidt tot een betere zuurstofopname na een lang verblijf op grote hoogte. Doe het als volgt:
- Vul de naam in van het hormoon, van een celtype, van een orgaan en van een specifiek onderdeel of weefsel in een orgaan.
- Geef bij drie pijlen aan of het stimulering (+) of remming (-) betreft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeeld van een juist aangevulde regelkring: voor het op de juiste plaats aangeven van het hormoon EPO, nier(en) / (hormoonproducerend) nierweefsel, (rood) beenmerg / bot(ten) en rode bloedcel(len) (2) indien één van de termen niet of verkeerd is geplaatst (1) indien twee of meer termen niet of verkeerd zijn geplaatst (0) stimulering (+) en remming (-) op de drie aangegeven plaatsen juist, in combinatie met de juist geplaatste nier(en)/nierweefsel en EPO (1) (3)
In afbeelding 2 is de zuurstofverzadigingscurve van hemoglobine (Hb) weergegeven, bepaald onder laboratoriumomstandigheden.
[afbeelding 2: zie het originele examen] 100 % verzadigd Hb
75
50
25
0
0 2 4 6 8 10 12 14 16 pO2 (kPa)
Op zeeniveau is de zuurstofverzadiging van hemoglobine bijna maximaal. Vertaald naar de situatie in een mens komt dat overeen met een zuurstofspanning in de lichaamsslagaders van ongeveer 14 kPa. Door het verbruik van zuurstof in spieren en andere organen en weefsels, neemt de zuurstofverzadiging in het bloed af. In afbeelding 2 geeft de dubbele pijl een indicatie van de zuurstofafgifte in de organen en weefsels als de zuurstofspanning er is gedaald tot 4,2 kPa.
Een klimmer, op weg naar de top van de Mount Everest, verblijft enige tijd in kamp 1 (zie afbeelding 1) waar veel minder zuurstof in de lucht aanwezig is dan op zeeniveau. Hierdoor is de zuurstofspanning in het bloed van de lichaamsslagaders ongeveer de helft van normaal. In afbeelding 3 zijn drie diagrammen A, B en C getekend met daarin in grijs opgenomen het diagram met hulplijnen van afbeelding 2.
[afbeelding 3: zie het originele examen] Diagram A 100
% verzadigd Hb 75
50
25
0
0 2 4 6 8 10 12 14 16 pO2 (kPa)
Diagram B 100 % verzadigd Hb
75
50
25
0
0 2 4 6 8 10 12 14 16 pO2 (kPa)
Diagram C 100 % verzadigd Hb
75
50
25
0
0 2 4 6 8 10 12 14 16 pO2 (kPa)
In de diagrammen is op drie manieren getracht de zuurstofspanning in de lichaamsaders van deze klimmer ter hoogte van kamp 1 te schatten. Ga ervan uit dat alle andere factoren (zoals hematocrietwaarde, pH, hartminuutvolume, ademfrequentie) gelijk blijven.
Vraag 3 2 punten
Welk diagram (in afbeelding 3) laat op een juiste manier zien wat de zuurstofspanning van het aderlijk bloed van deze klimmer zou zijn?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Een laag zuurstofgehalte in de longblaasjes beïnvloedt de doorbloeding van de longen. In longdelen met een lage pO2 vernauwen de slagadertjes. Hierdoor wordt de bloedstroom verlegd naar zuurstofrijkere longblaasjes. Als gevolg van deze veranderde doorbloeding kan echter longoedeem ontstaan. De situatie verslechtert dan snel.
Vraag 4 3 punten
− Leg uit hoe vaatvernauwing in longslagadertjes kan leiden tot longoedeem,
- en hoe als gevolg daarvan de zuurstofverzadiging van het bloed in de longen verder verslechtert.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- (als gevolg van de vaatvernauwing) de bloeddruk stijgt (1)
- (waardoor er) meer vocht (dan normaal) uit de haarvaten treedt (1)
- (als gevolg van de vochtophoping in het longweefsel) de diffusie vermindert / de diffusieafstand toeneemt / de diffusiecoëfficiënt verandert / het diffusieoppervlak afneemt (1)
De precieze oorzaak van hersenoedeem, een ander symptoom van hoogteziekte, is nog onbekend. Klimmers met beginnend hersenoedeem zijn te herkennen aan een ‘dronkemansloop’ als gevolg van een gebrekkige coördinatie van spierbewegingen. Ook verandert het gedrag; ze zijn verward en kunnen hun aandoening ontkennen en behandeling weigeren.
Vraag 5 2 punten
Welk deel van de hersenen van een klimmer met hoogteziekte functioneert vooral minder goed bij een dronkemansloop? En welk deel bij verward gedrag?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: F (2)
dronkemansloop verward gedrag
A hersenstam grote hersenen
B hersenstam kleine hersenen
C grote hersenen hersenstam
D grote hersenen kleine hersenen
E kleine hersenen hersenstam
F kleine hersenen grote hersenen
Een veel gebruikt medicijn om een snellere aanpassing aan hoogte mogelijk te maken en daardoor de kans op hoogteziekte te verkleinen, is acetazolamide. Acetazolamide remt het enzym koolzuuranhydrase. Dit enzym is in veel typen cellen aanwezig, zoals rode bloedcellen. In de epitheelcellen van de nierbuisjes is koolzuuranhydrase betrokken bij de regulatie van de pH van het inwendig milieu (zie afbeelding 4).
[afbeelding 4: zie het originele examen]
In dit schema zijn twee tussenproducten met respectievelijk nummer 1 en nummer 2 aangegeven.
Vraag 6 1 punt
Noteer de formules van deze twee tussenproducten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking De schrijfwijze OH in plaats van OH- is hier toegestaan, de termen koolstofdioxide en hydroxide niet.
Door het gebruik van acetazolamide daalt de pH van het bloed.
Vraag 7 2 punten
Leg dit uit aan de hand van de gegevens in afbeelding 4.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- door acetazolamide er (minder koolzuuranhydrase-activiteit is en dus) minder resorptie van HCO3- is (1)
- (daardoor) in het bloed minder H+ gebonden wordt / het bloed minder zuur kan neutraliseren (waardoor de pH daalt) (1)
Een klimmer neemt even pauze en slikt een acetazolamidetablet. Door de verlaagde pH van zijn bloed gaat hij dieper ademhalen en verbetert de zuurstofverzadiging van het slagaderlijk bloed.
Vraag 8 2 punten
Welk te meten longvolume van de klimmer wordt dan vergroot?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Q-koorts
Vanaf 2007 werden in Nederland voor het eerst veel mensen getroffen door de Q-koorts. Zij waren besmet met de bacterie Coxiella burnetii. In
2010 werd vaccinatie van geiten en schapen verplicht, waardoor er nu nauwelijks nog nieuwe besmettingen gemeld worden.
Coxiella burnetii is een sporevormende intracellulaire bacterie die zeer besmettelijk is: iemand kan al ziek worden van slechts één bacterie. De bacterie komt voor in geiten maar ook in runderen, schapen en vogels, terwijl deze dieren daar zelden ziek van worden. Mensen worden meestal besmet via stofdeeltjes in de lucht, afkomstig van de droge mest van besmette dieren. Besmetting veroorzaakt in ongeveer de helft van de gevallen koorts, hoofdpijn en andere klachten. Dit wordt acute Q-koorts genoemd. Maanden daarna kan chronische afbeelding 1 Q-koorts ontstaan als de bacteriën zich vermeerderen in macrofagen. Dit leidt tot vermoeidheidsklachten en is gevaarlijk voor zwangere vrouwen en voor mensen met hartklepproblemen. In afbeelding 1 is een macrofaag afgebeeld met een blaasje vol met C. burnetii bacteriën.
De opname van een bacterie afbeelding 2 door een macrofaag is in afbeelding 2 weergegeven. Na opname kan zich een fagolysosoom vormen.
Fagocytose van een bacterie door een macrofaag leidt doorgaans tot de activatie van het specifieke immuunsysteem.
Vraag 9 2 punten
Leg uit wat de rol is van een fagolysosoom in dit proces.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- in het fagolysosoom de bacterie wordt verteerd (1)
- zodat delen/antigenen van de bacterie kunnen worden gepresenteerd (op het celmembraan van de macrofaag) (1)
In het geval van C. burnetii kan er iets anders gebeuren: de bacterie blijft in leven in het fagolysosoom en vermeerdert zich daar. Gevolg hiervan is dat de cellulaire immuunrespons wordt verhinderd.
Vraag 10 2 punten
Welke afweerreactie wordt door deze verhindering van de cellulaire immuunrespons voorkomen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C. burnetii kan worden verspreid via voedsel, drinkwater en via de lucht. Dat laatste is het gevaarlijkst.
Vraag 11 2 punten
− Waardoor is de kans dat je ziek wordt kleiner wanneer de bacterie je bereikt via voedsel of drinkwater?
- Waardoor is de kans dat je ziek wordt groter wanneer de bacterie je bereikt via de lucht?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het antwoord dat bacteriën bij inademing niet door het verteringsstelsel afgebroken worden, wordt het tweede scorepunt niet toegekend.
Het antibioticum tetracycline is werkzaam tegen de bacterie C. burnetii. Deze stof bindt aan bacteriële ribosomen waardoor deze minder goed functioneren. De bacteriën kunnen zich daardoor niet meer vermenigvuldigen en verdwijnen uit het lichaam.
Vraag 12 2 punten
Leg uit hoe tetracycline de vermenigvuldiging van de bacteriën stopt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- Tetracycline voorkomt de translatie, waardoor bouwstoffen voor nieuwe cellen niet kunnen worden gemaakt.
- Doordat er nu geen eiwitten kunnen worden gevormd aan de ribosomen kunnen ook de onderdelen die nodig zijn voor de deling van de bacterie niet worden gevormd.
Dankzij de verplichte vaccinatie van jonge schapen en geiten tegen Q-koorts en hervaccinatie van de oudere dieren komt de ziekte nog maar zelden voor.
Vraag 13 1 punt
Waarom moet elk jaar hervaccinatie van alle oudere dieren plaatsvinden?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen Voor het antwoord dat de Q-koortsbacterie muteert waardoor het vaccin steeds aangepast moet worden, wordt 1 scorepunt toegekend.
Stress versnelt evolutie van Mexicaans visje
Evolutie gaat sneller als epigenetische mechanismen een rol spelen. Dit is aangetoond bij een zoetwatervisje, de Mexicaanse tetra.
Stress blijkt de evolutie van de afbeelding 1 Mexicaanse tetra Astynax mexicanus te versnellen. In pikdonkere grotten, onderdeel van een ondergronds rivierenstelsel, wordt een variant van de vis aangetroffen die zijn ogen heeft verloren door een bijzonder evolutionair mechanisme. Afbeelding 1 toont twee tetra’s met normale ogen (riviertetra) en de variant zonder ogen (grottentetra).
Een Amerikaans team van ontwikkelingsbiologen en genetici onderzocht of de mutaties die leiden tot de oogloze vissen pas in de populatie in de grotten zijn ontstaan of al (verborgen) aanwezig waren in de populatie riviertetra’s met normale ogen.
De oogloze grottentetra is ontstaan uit een tetra mét ogen. Kennelijk is in grotten het bezit van ogen een evolutionair nadeel.
Vraag 14 1 punt
Geef hiervoor een verklaring.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen Voor het antwoord dat overbodige ogen wel kwetsbare lichaamsdelen zijn, wordt 1 scorepunt toegekend. Voor het antwoord dat ogen schitteren en daardoor te zien zijn voor predatoren, wordt geen scorepunt toegekend.
Het komt regelmatig voor dat een riviertetra bij toeval een grot inzwemt. De plotselinge overgang naar een leven in een ondergrondse rivier leidt tot stress bij de vissen. Ze komen terecht in omstandigheden waar minder voedsel is en een lagere zuurstofspanning. Het water in de grotten heeft bovendien een lagere osmotische waarde dan in de bovengrondse rivier.
Vissen doen aan osmoregulatie door netto meer of minder zouten op te nemen via de kieuwen en uit het voedsel in de darmen. Ook kunnen ze de mate van reabsorptie van zouten uit de voorurine regelen. Wanneer A. mexicanus migreert van een bovengrondse naar een ondergrondse rivier moet hij zich snel aanpassen aan de veranderde osmotische waarde van zijn nieuwe leefomgeving.
Vraag 15 2 punten
Op welke wijze kan zo’n migrerende riviertetra zijn osmotische waarde trachten te handhaven in de grotten?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Nadat riviertetra’s in grotten terechtkwamen en daar bleven, ontstonden er onverwacht snel oogloze varianten. Het snelle ontstaan van de oogloze dieren kan niet verklaard worden door nieuwe mutaties. Er zijn namelijk zo’n 15 tot 20 mutaties nodig voor het kleiner worden en verliezen van de ogen. De onderzoekers veronderstelden dat deze mutaties al in de riviertetra’s aanwezig waren, maar onderdrukt werden door een overmaat van het eiwit Hsp90 (Heat shock protein). Hsp90 behoort tot de chaperonnes: eiwitcomplexen die helpen bij het tot stand brengen en herstellen van de correcte vouwing van andere eiwitten, die daardoor weer functioneel worden. In afbeelding 2 is weergegeven hoe dat gebeurt.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Een Hsp90 complex gaat een binding aan met een verkeerd gevouwen eiwit en ATP (1). Hierna worden p23-eiwitten aan het complex gebonden (2). Na verbruik van ATP kan het chaperonnecomplex de correcte vouwing van het eiwit herstellen. Het correct gevouwen eiwit wordt losgelaten (3), de p23-eiwitten komen los en Hsp90 kan opnieuw een verkeerd gevouwen eiwit binden.
Bij de riviertetra’s leidt de aanwezigheid van een overmaat Hsp90 tot minder afwijkende eiwitten in de cel en een onderdrukking van de fenotypische variatie.
Vraag 16 2 punten
Welke structuur van een disfunctioneel eiwit (zie afbeelding 2 op pagina 11) kan door Hsp90 worden hersteld?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: E
De stress ten gevolge van het milieu in de grotten leidt tot meer verkeerd gevouwen eiwitten. De cellen van de grottentetra hebben dan te weinig Hsp90 om de correcte vouwing van alle eiwitten uit te voeren. Om het effect van een tekort aan functioneel Hsp90 te onderzoeken, werden embryo’s van zowel de riviertetra als de grottentetra blootgesteld aan radicicol, een Hsp90-remmer. Toen deze embryo’s uitgegroeid waren tot volwassen tetra’s van ongeveer gelijke grootte werden de lichaamsgrootte en de grootte van de oogholte gemeten. De resultaten van deze metingen zijn weergegeven in afbeelding 3.
[afbeelding 3: zie het originele examen] ** diameter oogholte/
0,06 grottentetra lichaamslengte
0,05
0,04
0,03
0,02 Legenda: controle radicicol ** significant verschil *** in gemiddelde diameter oogholte/
0,12 *** significant verschil lichaamslengte
riviertetra in variatie 0,11
0,10
0,09
0,08 controle radicicol
Twee beweringen over de experimenten met radicicol zijn:
1 Een lage concentratie werkzaam Hsp90 tijdens de embryonale ontwikkeling leidt tot een gemiddeld kleinere oogholtediameter bij volwassen grottentetra’s;
2 Een lage concentratie werkzaam Hsp90 tijdens de embryonale ontwikkeling leidt tot een beperkte variatie in oogholtediameter bij volwassen riviertetra’s.
Vraag 17 2 punten
Welke bewering wordt of welke beweringen worden ondersteund door de resultaten weergegeven in afbeelding 3?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
De hoeveelheid Hsp90 in cellen heeft volgens de onderzoekers invloed op de snelheid van de evolutie. Vier situaties die leiden tot het ontstaan van de grottentetra uit de riviertetra (met de 15 à 20 in dit verband relevante mutaties) zijn hieronder weergegeven:
1 De vissen ervaren stress;
2 De vissen hebben een overmaat aan Hsp90;
3 De vissen hebben een tekort aan Hsp90;
4 De vissen migreren naar grotten.
Vraag 18 1 punt
Welke volgorde van situaties verklaart de snelle aanpassing van een riviertetra die leidt tot het fenotype grottentetra? Noteer de vier nummers van de gebeurtenissen in de juiste volgorde.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 2-4-1-3 / 4-2-1-3 (1)
Uit de experimenten met tetra’s leiden de onderzoekers af dat omgevings- stress bij riviertetra’s die in grotten terechtkomen, aanvankelijk leidt tot een vergrote fenotypische variatie. Bij de populaties grottentetra’s die in de grotten leven, wordt echter maar weinig fenotypische variatie gevonden.
Vraag 19 3 punten
− Leg uit waardoor bij tetra’s die in de grotten gaan leven er aanvankelijk in de populatie een vergrote fenotypische variatie ontstaat.
- Verklaar dat bij de tetra’s die langdurig in de grotten verblijven, de fenotypische variatie gering is geworden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de stress (van het verhuizen naar de grotten) leidt tot een Hsp90-tekort (1)
- (en daardoor) tot meer verkeerd gevouwen eiwitten / tot meer variatie in (de vorm van) eiwitten (waardoor mutaties vaker tot uiting komen) (1)
- door selectiedruk de minder aangepaste fenotypes in de populatie (die langdurig in de grotten verblijft) minder overlevingskans/voortplantings- succes hebben (en de genotypische en fenotypische variatie verdwijnt) (1)
Bruin vet
In de winter kun je een minder warme trui aantrekken en de thermostaat een graadje lager zetten. Bruin vet zorgt er dan voor dat je extra vet verbrandt om warmte op te wekken. Maar lukt het ook om zo af te vallen?
Wij hebben twee soorten vetweefsel. Wit vetweefsel met witte vetcellen dient vooral voor het aanleggen van een reservevoorraad brandstof die bij schaarste weer wordt afgegeven. Bruin vetweefsel met bruine vetcellen slaat ook vet op, maar dat is bedoeld om actief te verbranden en zo extra warmte op te wekken. De bouw van witte en bruine vetcellen is schematisch weergegeven in afbeelding 1.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
mitochondria
kern
vet
witte vetcel bruine vetcel
Het verschil in functie van witte en bruine vetcellen komt tot uiting in de verschillen in bouw van beide celtypen.
Vraag 20 2 punten
Leg uit, aan de hand van twee typische kenmerken van de bruine vetcel (afbeelding 1), hoe deze is aangepast aan de beschreven functie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als alleen de twee typische kenmerken van de bruine vetcel worden genoemd, wordt 1 scorepunt toegekend.
Warmte komt vrij bij het transport van energierijke elektronen in mitochondria. De mitochondria in de bruine vetcellen kunnen meer warmte opwekken doordat ze een speciaal membraaneiwit bezitten: thermogenine. Thermogenine is een protonkanaal dat zich, net als de membraancomplexen van de ademhalingsketen, bevindt in het mitochondriale binnenmembraan. Via thermogenine diffunderen protonen (H+) terug naar de matrix, waardoor alleen warmte ontstaat.
In de uitwerkbijlage is schematisch het dubbele membraan van een mitochondrium weergeven, met een aantal eiwitcomplexen van de ademhalingsketen, ATP-synthetase en het thermogenine. Bij de versnelde aerobe dissimilatie waarbij zowel extra warmte als ATP wordt opgewekt, passeren grote hoeveelheden protonen het mitochondriale binnenmembraan.
Vraag 21 2 punten
Geef in de uitwerkbijlage met vijf pijlen de richting aan waarin de protonenstromen zich dan door de vijf eiwitcomplexen verplaatsen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor een schema met alle pijlen de verkeerde kant op (verwisseling intermembraanregio met mitochondriale matrix), wordt 1 scorepunt toegekend.
Bruin vetweefsel wordt actief in de kou. Bij lage temperaturen ontstaan er, aangestuurd door de hypothalamus, impulsen in neuronen die verbonden zijn met bruin vetweefsel (zie afbeelding 2, overzicht). Daar wordt noradrenaline afgegeven, dat de bruine vetcellen stimuleert tot meer dissimilatie (zie afbeelding 2, detail). Het vetweefsel wordt al geactiveerd bij een luchttemperatuur van
18 graden Celsius en wordt actiever wanneer de temperatuur verder daalt.
[afbeelding 2: zie het originele examen] overzicht detail
De activiteit van de bruine vetcellen wordt onder andere door het zenuwstelsel geregeld.
Vraag 22 2 punten
Welk deel van het zenuwstelsel is voor stimulatie van de bruine vetcellen verantwoordelijk?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Bruin vetweefsel is beter doorbloed dan wit vetweefsel. Dat is onder andere van belang voor de aanvoer van zuurstof en glucose.
Vraag 23 2 punten
Geef twee andere redenen waarom voor de specifieke functie van bruin vetweefsel een goede doorbloeding van belang is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het antwoord dat er meer afvoer van afvalstoffen of meer aanvoer van voedingsstoffen of hormonen vanuit het bloed nodig is, wordt geen scorepunt toegekend.
De activatie van de bruine vetcellen door koude kan ook in gang gezet worden door een verhoogde afscheiding van schildklierstimulerend hormoon (TSH). De mechanismen die vervolgens leiden tot meer warmteproductie zijn in afbeelding 3 weergegeven. Door de aanwezigheid van vetzuren wordt het in de mitochondria ingebouwde thermogenine geopend.
[afbeelding 3: zie het originele examen] TSH koude prikkel (nor)adrenaline + +
schildklier T4 WEEFSELVLOEISTOF celmembraan bruine vetcel GRONDPLASMA adrenaline T3 T4 receptor
KERN +
thermogenine-gen second messengers mRNA mRNA actief lipase inactief lipase vetdruppel thermogenine- vetzuren triglyceriden eiwit triglyceriden glycerol
Legenda: beïnvloeding/omzetting verplaatsing
Een toename van thyroxine (T4) in het bloed leidt na omzetting in T3 tot meer warmteproductie.
Vraag 24 2 punten
Wat is het werkingsmechanisme van dit T3?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
De bij koude afgegeven (nor)adrenaline leidt tot een verhoogde warmteproductie in bruine vetcellen.
Vraag 25 2 punten
Beschrijf hoe de afgifte van (nor)adrenaline op twee manieren leidt tot een verhoogde warmteproductie in deze cellen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het antwoord dat de afbraak van vet door lipase een dissimilatieproces is waarbij warmte vrijkomt, wordt geen scorepunt toegekend.
Kunnen mensen geholpen worden met afvallen door de leefomgeving kouder te maken? Door toediening van radioactief gemerkte glucose (18Fluoro-Deoxy-Glucose) aan proefpersonen kan de metabolische activiteit van weefsel met een PET/CT-scan gemeten worden. De activiteit van het bruin vetweefsel na een koudeprikkel varieert sterk tussen mensen onderling, en blijkt gerelateerd aan hun BMI (afbeelding 4). De BMI is een maat voor de verhouding tussen gewicht en lichaamslengte.
[afbeelding 4: zie het originele examen] totale activiteit 1200 over- ernstig ziekelijk bruin vetweefsel gewicht overgewicht obees (kBq) 1000
800
600
400
200
0
20 25 30 35 40 45 50 BMI
Vraag 26 2 punten
Beredeneer aan de hand van de resultaten van dit experiment (afbeelding 4) in hoeverre het regelmatig verblijven in een koudere omgeving, bijvoorbeeld door in de winter de thermostaat in de kamer lager te zetten, kan helpen bij het afvallen. Beschrijf het resultaat waarop je je conclusie baseert.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juiste redenering:
- Mensen met een BMI onder 35 kunnen het uitproberen, maar er is geen garantie op resultaat. Met een BMI boven de 35 heeft het weinig zin, want dan is er nauwelijks activiteit van het bruin vetweefsel.
- Het zal waarschijnlijk niet helpen, want juist de mensen met ernstig overgewicht (en de ziekelijk obese mensen) hebben relatief weinig actief bruin vetweefsel.
- Dat is niet te zeggen, want de activiteit van het bruin vet verschilt heel sterk bij mensen met (ernstig) overgewicht. Bij de een zal het wel helpen, bij de ander niet.
Opmerking Voor een conclusie over de totale hoeveelheid bruin vet (de aan- of afwezigheid daarvan) bij de verschillende categorieën proefpersonen, wordt het eerste scorepunt niet toegekend.
Groene soep door blauwalgen voorkomen
In de provincie Zeeland werden in een warme zomer duizenden dode watervogels uit het Volkerak-Zoommeer gevist. Volgens het ministerie van Verkeer en Waterstaat waren ze gestorven door toxines van de blauwalgen in het water. Onderzocht wordt hoe zo’n calamiteit kan worden voorkomen.
De hoeveelheid blauwalgen in het Volkerak-Zoommeer wordt door verschillende andere organismen beïnvloed. Afbeelding 1 toont deze beïnvloeding in een vereenvoudigd voedselweb.
[afbeelding 1: zie het originele examen] zoöplankton
fytoplankton
blauwalgen
mossels
vissen
Vraag 27 2 punten
Beargumenteer dat je aan de hand van dit voedselweb (afbeelding 1)niet kunt bepalen of een toename van het aantal vissen een toename of een afname van de blauwalgen zal veroorzaken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- vissen zoöplankton eten dat zelf blauwalgen eet. Daardoor zal (bij een toename van het aantal vissen) de populatie blauwalgen kunnen toenemen (1)
- vissen zelf ook blauwalgen eten, waardoor (bij een toename van het aantal vissen) het aantal blauwalgen kan afnemen (en het is onduidelijk welk effect het grootst is) (1)
De blauwalgen in het Volkerak-Zoommeer produceren microcystines: kleine eiwitten die schadelijk zijn voor de lever. In de levers van de dode watervogels werden hoge concentraties microcystines gevonden, ook bij watervogels die geen blauwalgen eten.
Vraag 28 1 punt
Verklaar waardoor hoge concentraties microcystines ook gevonden worden in watervogels die geen blauwalgen eten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat in deze vogels de microcystines uit hun voedsel (bijvoorbeeld uit vissen of schelpdieren) zich hebben opgehoopt. (1)
In de zomer kan het zuurstofgehalte in plassen en meren gevaarlijk dalen als gevolg van de blauwalgenbloei. Milieudeskundigen denken dat er daardoor ook massale vissterfte zal optreden.
Vraag 29 2 punten
Beschrijf hoe algenbloei uiteindelijk kan leiden tot een verlaging van het zuurstofgehalte in het water.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- Bij het afsterven van de algen ontstaat er veel organisch materiaal dat door reducenten wordt afgebroken. Daarbij wordt veel O2 verbruikt.
- Door de microcystines van blauwalgen gaan vissen dood, die naar de bodem zinken. De afvalopruimers verbruiken veel zuurstof bij het opruimen van de kadavers.
- De drijflaag van (blauw)algen neemt licht weg waardoor de ondergedoken waterplanten minder O2 kunnen produceren.
Opmerkingen Voor het antwoord dat ’s nachts door de dissimilatie van de grote massa blauwalgen het O2-gehalte in het water daalt, wordt het tweede scorepunt gegeven. Voor het antwoord dat in de zomer in het warme water minder zuurstof oplost, wordt geen scorepunt gegeven.
In 1987 werden dammen geplaatst die het Volkerak-Zoommeer van de zee (Oosterschelde) scheidden. In eerste instantie leek dit een gunstige maatregel voor de natuur in het gebied. Er groeiden zeldzame waterplanten en er kwamen veel vogels op af. Maar op den duur kwamen er ook steeds meer blauwalgen. Jolanda Verspagen, aquatisch microbioloog van het onderzoeksinstituut IBED, onderzocht hoe de blauwalgenbloei kan worden bestreden.
Microcystis blauwalgen die de problemen veroorzaken, gedijen het best in zoet water en zomerse temperaturen. Verspagen stelde voor de blauwalg te bestrijden door zeewater met een zoutconcentratie van 32 gram per liter binnen te laten in het Volkerak-Zoommeer, waar de zoutconcentratie 1,0 g per liter is. In een laboratoriumexperiment (temperatuur 20ºC) werd bij verschillende zoutconcentraties van het water de relatieve groeisnelheid van Microcystis bepaald ten opzichte van de groeisnelheid in het meer. De resultaten van het experiment zijn weergegeven in afbeelding 2.
[afbeelding 2: zie het originele examen] 1,5
1,0
0,5 relatieve groeisnelheid 0,0 -0,5
-1,0
-1,5
-2,0
0 5 10 15 20 25 30 -1 zoutconcentratie (g L ) Door het binnenlaten van zeewater in het Volkerak-Zoommeer zou in de zomerperiode een zoutconcentratie van maximaal 26 gram per liter kunnen worden bereikt. In de winter vindt er echter ook afwatering van de Rijn en de Maas plaats, waardoor de zoutconcentratie dan zou variëren tussen 7 en 18 gram per liter.
Uit bovenstaande gegevens is af te leiden dat het inlaten van zeewater in de winter geen zinvolle maatregel is.
Vraag 30 2 punten
Geef twee argumenten hiervoor.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- In de winter wordt een zoutconcentratie bereikt (variërend tussen 7 en 18 gram per liter) waarbij de blauwalgen niet afsterven / nog steeds groeien (1)
- De blauwalgenbloei vindt niet in de winterperiode plaatst / vindt vooral in de zomerperiode plaats (1)
Een andere mogelijkheid om algenbloei te voorkomen, is het wegspoelen van de algen, door vanuit het Hollands Diep extra rivierwater het Volkerak-Zoommeer in te laten stromen. Met behulp van een computermodel berekende Verspagen de concentratie van Microcystis in het Volkerak-Zoommeer bij het doorspoelen in de zomer en in de winter met verschillende hoeveelheden water. De resultaten van drie berekende scenario’s (1, 2 en 3), vergeleken met de praktijksituatie zonder extra doorspoelen (scenario 0) zijn weergegeven in afbeelding 3. De stippellijn geeft de maximale concentratie Microcystis aan die volgens de WHO (wereldgezondheids- organisatie) verantwoord is voor de gezondheid van mensen.
[afbeelding 3: zie het originele examen] 100 A Microcystis concentratie (mg chlorofyl-a m-3)
80 scenario 1 doorspoeling: zomer 75 m3/sec
60 winter 75 m3/sec
40
20
0 jan/00 jul/00 jan/01 jul/01 jan/02 jul/02 jan/03 jul/03 jan/04
80 scenario 2 doorspoeling:
B zomer 65 m3/sec
60 winter 125 m3/sec 40
20
0 jan/00 jul/00 jan/01 jul/01 jan/02 jul/02 jan/03 jul/03 jan/04
80 scenario 3 doorspoeling:
C zomer 17 m3/sec
60 winter 300 m3/sec 40
20
0 jan/00 jul/00 jan/01 jul/01 jan/02 jul/02 jan/03 jul/03 jan/04 tijd Legenda: scenario 0 berekende scenario richtlijn WHO
In de huidige situatie kan maximaal 125 m3 water per seconde worden doorgespoeld, voor hogere waardes moeten de sluizen aangepast worden.
Over het tegengaan van door de WHO als ongezond beschouwde algenconcentraties in het Volkerak-Zoommeer wordt een aantal uitspraken gedaan:
1 Het doorspoelen volgens scenario 2 kan ongezonde concentraties algen voorkomen;
2 In de winter is een doorspoeling van 300 m3 per seconde nodig om ongezonde algenconcentraties te voorkomen.
3 Het verhogen van de doorspoeling is vooral in de winter belangrijk om ongezonde concentraties algen te voorkomen.
Vraag 31 2 punten
Noteer de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en schrijf erachter of de betreffende uitspraak wel of niet wordt ondersteund door de computersimulaties van Verspagen (afbeelding 3).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- het juiste antwoord: 1 wel 2 niet 3 niet indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)
De wolf komt eraan
Het gaat goed met de wolf (zie afbeelding 1). Sinds zijn terugkeer in Duitsland rukt hij met een gemiddelde snelheid van 50 kilometer per jaar op richting ons land. Nederland zal zich moeten voorbereiden op de komst van de wolf. Wat zijn de mogelijkheden?
Na 150 jaar afwezigheid worden de afbeelding 1 laatste jaren steeds vaker wolven of wolvensporen waargenomen. In 2015 trok een jonge wolf enige dagen door Noordoost-Nederland. Uit DNA- onderzoek bleek deze afkomstig te zijn van een roedel uit Duitsland. Een roedel is een familiegroep bestaande uit ten minste een mannetje en een vrouwtje, met hun jongen. Als de jongen rond de twee jaar oud zijn, gaan ze vaak in hun eentje op stap. Zenders hebben aangetoond dat ze dan 1000 tot 1500 kilometer ver kunnen lopen.
Soms wordt het opduiken van een dier, zoals de wolf in Nederland, gelijk gesteld aan vestiging van een soort. Dat is biologisch gezien niet juist.
Vraag 32 1 punt
Aan welke eis moet ten minste worden voldaan om te kunnen spreken van de vestiging van de wolf als soort in Nederland?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het antwoord dat er in Nederland ten minste een roedel moet leven, wordt 1 scorepunt gegeven.
De komst van een exoot, een plantensoort of diersoort die eerder nog niet voorkwam, leidt soms tot ecologische problemen.
Vraag 33 2 punten
Beschrijf twee ecologische problemen die na vestiging van een exoot kunnen ontstaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeelden van een juiste beschrijving van een probleem: − Als het dier een predator is, kunnen bepaalde prooisoorten verdwijnen. − Het dier kan een nieuwe ziekte overdragen aan inheemse dieren. − De nieuwe soort kan, door gebrek aan predatoren, een plaag vormen. − Het dier kan de niche bezetten van een inheems dier, waardoor de overlevingskans van deze soort kleiner wordt. − Een nieuwe plantensoort kan een bepaalde plantensoort wegconcurreren. per juiste beschrijving (1) (2)
Voor de vestiging van een gezonde populatie zijn niet veel wolven nodig wijst onderzoek in Zweden uit. Daar was de wolf in 1960 verdwenen, totdat in 1983 een wolvenpaar werd aangetroffen, 900 kilometer van de dichtstbijzijnde Fins-Russische populatie. Jarenlang bleef het bij één kleine roedel, maar vanaf 1991 begon de populatie snel te groeien. Momenteel leven er in Zweden ongeveer tweehonderd exemplaren. Uit genetisch onderzoek van weefsel- en bloedmonsters verzameld tussen
1984 en 2001, bleek dat alle Zweedse wolven geboren vóór 1991 afkomstig waren van dat ene wolvenpaar.
Het onderzoek was gebaseerd op het vergelijken van marker-allelen: stukjes niet-coderend DNA die verschillen tussen niet-verwante individuen. De onderzoekers vergeleken marker-allelen van verschillende delen van het DNA uit de monsters:
- autosomale chromosomen;
- X-chromosomen;
- Y-chromosomen;
- mitochondriaal DNA. De onderzoekers baseren hun conclusie op het aantal verschillende allelen van een marker die in het DNA zijn aangetroffen. Eventuele recombinatie binnen de marker-locus wordt buiten beschouwing gelaten.
Vraag 34 3 punten
Noteer het maximale aantal verschillende marker-allelen (minimaal één, maximaal vier) dat bij de Zweedse wolven, geboren vóór 1991, op een bepaalde locus is aangetroffen:
- van een autosomale marker;
- van een X-chromosomale marker;
- van een Y-chromosomale marker.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- autosomale marker: 4 (marker-allelen) (1)
- X-chromosomale marker: 3 (allelen) (1)
- Y-chromosomale marker: 1 (allel) (1)
In de Zweedse wolvenpopulatie van ná 1991 dook ineens ‘vers bloed’ op. Er werden nieuwe allelen aangetroffen van de onderzochte markers, die afkomstig moeten zijn van één geïmmigreerde wolf, waarvan het DNA nog niet was bemonsterd. De komst van dit mysterieuze mannetje ging gepaard met een versnelde groei van de populatie.
Vraag 35 2 punten
Leg uit waardoor de komst van ‘vers bloed’ goed is voor een dergelijke kleine wolvenpopulatie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- Er is dan meer genetische diversiteit waardoor de kans op adaptatie (bij verandering van milieu-omstandigheden) groter is.
- Er is dan minder inteelt waardoor de kans dat nadelige eigenschappen (bij homozygoot recessieve individuen) tot uiting komen kleiner is.
Opmerking Voor een antwoord dat aan de hand van een voorbeeld, zoals verbeterde afweer, een positief effect van heterosis beschrijft, worden 2 scorepunten toegekend.
Genen kunnen liggen
1 op autosomale chromosomen;
2 op X-chromosomen;
3 op Y-chromosomen;
4 op mitochondriaal DNA.
Vraag 36 2 punten
Noteer de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar op je antwoordblad en schrijf erachter of dit deel van de genenpoel is veranderd door de nakomelingen van dit mannetje.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- het juiste antwoord: 1 wel 2 wel 3 wel 4 niet indien vier nummers juist (2) indien drie nummers juist (1) indien minder dan drie nummers juist (0) (2)
Inmiddels leven er in Duitsland enkele roedels wolven op zo’n
200 kilometer van de Nederlandse grens. Ook Nederland heeft gebieden waar de wolf zich zou kunnen vestigen. Op de Veluwe leven ongeveer 12.000 hoefdieren zoals reeën, edelherten en zwijnen. Een schatting uit Rusland is dat daar gemiddeld één wolf per
100 hoefdieren leeft. Dat zou kunnen betekenen dat op de Veluwe plaats is voor ongeveer 120 wolven. In Zweden werd het aantal van 120 wolven veel sneller bereikt dan op de Veluwe mogelijk zou zijn. Gegevens over de situatie in Zweden en op de Veluwe zijn:
1 In Zweden is het leefgebied groter dan op de Veluwe;
2 In Zweden is er een hogere dichtheid prooidieren dan op de Veluwe;
3 In Zweden is de draagkracht van het ecosysteem groter dan die van de Veluwe.
Vraag 37 2 punten
Welk gegeven kan of welke gegevens kunnen verklaren dat de waargenomen groei van de wolvenpopulatie in Zweden sneller is dan de hypothetische groei op de Veluwe?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: F
In Nederland gaat het steeds beter met de wilde hoefdieren. Om de aantallen hoefdieren te reguleren vindt jaarlijks afschot plaats. Zo werden in de winter van 2012-2013 in de Oostvaardersplassen bijna duizend edelherten afgeschoten. De wolf zou geïntroduceerd kunnen worden om op een natuurlijke manier het aantal edelherten in de Oostvaardersplassen te reguleren en de biodiversiteit te verhogen.
Vraag 38 2 punten
Noteer nog twee biologische argumenten, met een toelichting, om de wolf in te zetten als alternatief voor het afschieten van dieren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen Voor het argument dat door het inzetten van de wolf loodvergiftiging door de hagel in het milieu wordt voorkomen, wordt 1 scorepunt toegekend. Voor twee juiste argumenten, zonder toelichting, wordt 1 scorepunt toegekend. Voor het antwoord dat het ‘natuurlijker’ is, of dat de wolf een aanwinst is voor de biodiversiteit, wordt geen scorepunt gegeven.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2018, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-1/vw-1018-a-18-1-o
Andere examens biologie vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2018, tijdvak 1?
Het centraal examen biologie vwo 2018, tijdvak 1 loopt tot vraag 38. Van 37 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ademhaling (9), ecologie (9) en zenuwstelsel en hormonen (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2018, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2018, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-1/vw-1018-a-18-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2018, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.