Eindexamen biologie vwo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opwinding door kattenkruid, Waterspreeuw duikt op in dierentuin, Vitamine D, Moleculair gereedschap tegen erfelijk oedeem, Flamingo’s op Bonaire.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie vwo 2026, tijdvak 2 telt 39 vragen. De meeste vragen gaan over ecologie (8), DNA en eiwitsynthese (7) en erfelijkheid (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie vwo 2026, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Ecologie7-9, 35-398
DNA en eiwitsynthese6, 19, 27-30, 327
Erfelijkheid1-2, 5, 25-265
Ademhaling10-134
Evolutie4, 14, 343
Bloedsomloop15, 17, 233
Cellen16, 312
Voeding en vertering18, 242
Afweer21-222
Planten en fotosynthese31
Zenuwstelsel en hormonen201
Voortplanting331

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg minder over zenuwstelsel en hormonen (3% van de vragen, gemiddeld 10%) en planten en fotosynthese (3% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Opwinding door kattenkruid

Veel katten raken opgewonden als ze afbeelding 1 kattenkruid ruiken (afbeelding 1).

De geur van kattenkruid wordt veroorzaakt door stoffen (nepetalactonen) die de plant produceert als afweer tegen insecten.

afbeelding 1
afbeelding 1

Wetenschappers onderzochten de reactie op kattenkruid van katten die familie van elkaar zijn. Met de gegevens stelden ze een stamboom op (afbeelding 2). Daaruit leidden ze af dat de reactie op kattenkruid een autosomale dominante eigenschap is die wordt veroorzaakt door één gen.

afbeelding 2
afbeelding 2

Uit afbeelding 2 is af te leiden dat het reageren op kattenkruid dominant overerft.

Vraag 1 1 punt

Geef een combinatie van ouders en nakomeling waaruit dit blijkt. Noteer de nummers.

Bekijk het antwoord

(ouders) 2 en 14 met (nakomeling) 19 of

(ouders) 21 en 22 met (nakomeling) 24

Het gen voor de gevoeligheid voor kattenkruid ligt op een autosoom.

Vraag 2 2 punten

Uit het fenotype van welke nakomeling (afbeelding 2) blijkt dat het gen niet op het X-chromosoom ligt?

  1. A 9
  2. B 19
  3. C 24
  4. D 26
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B (2)

Voor de aanmaak van de nepetalactonen heeft kattenkruid verschillende enzymen. Afbeelding 3 geeft de laatste stappen weer van de aanmaak van nepetalactonen met de daarbij betrokken enzymen ISY en NEPS.

afbeelding 3
afbeelding 3

Bij de omzetting die door ISY wordt gekatalyseerd, is NADPH de elektronendonor.

Vraag 3 1 punt

Bij welk stofwisselingsproces in de plant wordt NADPH geproduceerd?

  1. A bij de donkerreactie
  2. B bij de lichtreactie
  3. C bij de citroenzuurcyclus
  4. D bij de glycolyse
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B (1)

Kattenkruid behoort tot de lipbloemigen. Ook basilicum, munt en rozemarijn horen bij deze familie.

Bij een voorouder van kattenkruid is het ISY-gen door een deletie verloren gegaan. Hierdoor kan een deel van de lipbloemigen geen nepetalactonen aanmaken. Kattenkruid heeft de mogelijkheid om het ISY-enzym te produceren opnieuw verkregen.

Afbeelding 4 is een fylogenetische stamboom van een aantal soorten uit de lipbloemigenfamilie. Daarin is aangegeven welke soorten het ISYenzym produceren.

afbeelding 4
afbeelding 4

In de uitwerkbijlage staat dezelfde stamboom met daarin een aantal cirkels.

Vraag 4 2 punten

Noteer in een cirkel

  • een letter X op de plaats waar de eigenschap ‘productie van ISYenzym’ verloren is gegaan;
  • een letter N op de plaats of op de plaatsen waar de eigenschap opnieuw is ontstaan.
uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

de juist aangevulde stamboom:

Antwoordfiguur bij vraag 4 (cv-p5-2-4.webp).
  • X op de juiste plaats (1)
  • (alleen één) N op de juiste plaats (1)

Afbeelding 5 laat zien hoe bij kattenkruid een nieuw ISY-gen is ontstaan. Hierbij waren twee loci betrokken: de P5βR-locus en de NEPS-locus. Ongeveer 20 miljoen jaar geleden trad een verdubbeling op in de P5βRlocus. In de 10 miljoen jaar daarna is door veranderingen in de coderende sequenties het Anc3-gen ontstaan. Het Anc3-gen werd daarna gekopieerd en verplaatst naar de NEPS-locus. Door nog enkele veranderingen in de coderende gebieden is het ISY-gen ontstaan.

afbeelding 5
afbeelding 5

Hieronder staan twee zinnen over de mutaties in afbeelding 5. Op twee plaatsen ontbreekt een woord.

De verdubbeling die rond 20 miljoen jaar geleden optrad in de P5βR-locus is een ...(1)... .

De verplaatsing die rond 8 miljoen jaar geleden optrad in de NEPS-locus is een ...(2)... .

Vraag 5 2 punten

Wat moet worden ingevuld bij 1 en bij 2?

bij 1bij 2
Achromosoommutatieinsertie
Bchromosoommutatieleesraamverschuiving
Cgenoommutatieinsertie
Dgenoommutatieleesraamverschuiving
  1. A chromosoommutatie; insertie
  2. B chromosoommutatie; leesraamverschuiving
  3. C genoommutatie; insertie
  4. D genoommutatie; leesraamverschuiving
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A (2)

Vraag 6 1 punt

Beredeneer dat het ISY-gen een andere promotor heeft dan het NEPSgen.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat de genen een verschillende afleesrichting hebben.

Opmerking

Als de kandidaat antwoordt dat elk (eukaryoot) gen (dat codeert voor een eiwit) zijn eigen promotor heeft, het scorepunt toekennen.

Waterspreeuw duikt op in dierentuin

In het buitenverblijf van de olifanten in de dierentuin in Emmen is ’s winters soms een waterspreeuw te zien. Dat is bijzonder, omdat de soort in Nederland nauwelijks voorkomt.

De waterspreeuw (Cinclus cinclus, afbeelding 1) is een kleine zwarte zangvogel met een witte borst en een bruine kop. De vogel komt van nature vooral voor rond beken met helder, snelstromend water. In Nederland is hij zeer zeldzaam. De vogel wordt het meest waargenomen in Zuid-Limburg (afbeelding 2).

afbeelding 1 afbeelding 2
afbeelding 1 afbeelding 2

De waterspreeuw eet voornamelijk de larven van haften, steenvliegen en schietmotten. Deze larven leven van de algen in het water. De larven worden ook gegeten door kleine visjes. De waterspreeuw eet ook kleine visjes.

Vraag 7 1 punt

Is de waterspreeuw in de dierentuin in Emmen een exoot? Licht je antwoord toe.

Bekijk het antwoord

nee / geen exoot, met een juiste toelichting

voorbeelden van een juiste toelichting: − Hij komt van nature voor in Nederland.

− Hij is namelijk inheems.

− Hij is in Nederland gekomen zonder hulp van de mens. − Het is een wintergast.

De larven van haften, steenvliegen en schietmotten zijn indicatorsoorten voor waterkwaliteit, omdat ze gevoelig zijn voor vervuiling. De waterspreeuw is geen betrouwbare indicatorsoort in Nederland.

Vraag 8 2 punten

Beargumenteer dat

  • de aanwezigheid van de waterspreeuw niet altijd betekent dat de waterkwaliteit goed is;
  • de afwezigheid van de waterspreeuw niet altijd betekent dat de waterkwaliteit slecht is.
Bekijk het antwoord

voorbeelden van een juist antwoord:

− Als de waterspreeuw ergens voedsel kan vinden, leven er mogelijk larven van haften, steenvliegen en schietmotten en zou het water schoon zijn. Maar waterspreeuwen eten ook vissen. Die leven ook in water dat minder schoon is.

Als je geen waterspreeuwen ziet, kan dat ook komen omdat ze zeer zeldzaam zijn en niet omdat de waterkwaliteit er slecht is. − De waterspreeuw kan ook aan het jagen zijn op andere diertjes, die wel in vuil water kunnen leven.

In Nederland leven bijna nergens waterspreeuwen, dus is het niet gek dat je hem niet ziet.

  • het inzicht dat de waterspreeuw ook van kleine visjes / andere organismen (dan de genoemde insectenlarven) leeft (1)
  • het inzicht dat de waterspreeuw zeldzaam is (1)

Hieronder staan uitspraken over de waterspreeuw en het beschreven voedselweb.

1 De waterspreeuw behoort tot de consumenten van de 1e orde.

2 Het snelstromende water behoort tot de habitat van de waterspreeuw.

3 De kans op accumulatie van persistente gifstoffen in waterspreeuwen is groter wanneer ze visjes eten, dan wanneer ze larven eten.

Vraag 9 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.

Bekijk het antwoord

1 onjuist 2 juist 3 juist

indien drie nummers correct (2)

indien twee nummers correct (1)

indien minder dan twee nummers correct (0)

De waterspreeuw kan bij het jagen een halve minuut onder water blijven. Dit is mogelijk doordat hij meer hemoglobine in het bloed heeft dan verwante soorten, zoals de zanglijster. Zie de tabel hieronder.

gehalte hemoglobine (gram per 100 mL bloed)
waterspreeuw19
zanglijster16

Afbeelding 3 is een zuurstofverzadigingscurve. Deze geldt voor beide vogelsoorten.

afbeelding 3
afbeelding 3

De zanglijster heeft op een bepaald moment de volgende zuurstofspanning in longen en spierweefsel:

  • pO₂ longen: 12 kPa
  • pO₂ spierweefsel: 6 kPa

Neem aan dat het bloed van de zanglijster 20 mL zuurstof per 100 mL bloed bevat bij een zuurstofverzadiging van 100%.

Vraag 10 3 punten

− Bereken hoeveel mL zuurstof er per 100 mL bloed aan het spierweefsel van de zanglijster wordt afgegeven.

  • Bereken hoeveel mL zuurstof er per 100 mL bloed extra aan het spierweefsel van de waterspreeuw wordt afgegeven in een vergelijkbare situatie. Rond af op één decimaal.
Bekijk het antwoord

voorbeelden van een juist antwoord:

− In de longen van de zanglijster is het bloed voor 93% verzadigd met zuurstof; in het spierweefsel is dat 38%.

93 – 38 = 55% van de zuurstof wordt dan afgegeven.

Als 100% gelijk is aan 20 mL zuurstof per 100 mL, dan is 55% = 11 mL zuurstof afgeven per 100 mL bloed.

Er werd 11 mL afgegeven bij 16 g hemoglobine/100mL dus 11 × 19 / 16 = 13,1 mL zuurstof afgegeven in de waterspreeuw. 13,1 – 11 = 2,1 mL per 100 mL bloed extra afgegeven.

− 94 – 37 = 57% ; als 100% = 20 mL, dan is 57% = 11,4 mL. 11,4 mL was bij 16 gram Hb, dus bij 19 gram Hb = 13,5 mL. 13,5 – 11,4 = 2,1 mL/100mL werd extra afgegeven.

− 93% → 18,6 ; 38% → 7,6 ; 18,6 – 7,6 = 11,0 De waterspreeuw heeft 3/16 meer hemoglobine, en kan dus 3/16 meer zuurstof afgeven: 3/16 x 11 = 2,1

  • het juist aflezen van de grafiek: 92/93/94% en 37/38/39% (of nauwkeuriger) (1)
  • het juist berekenen van het aantal mL O₂ per 100 mL bloed dat werd afgegeven in het spierweefsel van de zanglijster (1)
  • het juist berekenen van de extra hoeveelheid mL O₂ per 100 mL bloed die kan worden afgegeven aan het spierweefsel van de waterspreeuw (1)

Wanneer de waterspreeuw onder water aan het jagen is, neemt de pCO₂ in de weefsels toe.

Vraag 11 1 punt

Noteer of de zuurstofverzadigingscurve hierdoor naar links of naar rechts verschuift, en licht toe welk gevolg dit heeft voor de zuurstofafgifte.

Bekijk het antwoord

naar rechts met een toelichting waaruit blijkt dat (bij eenzelfde pO₂) er meer O₂ vrijkomt (in de weefsels) / dat er meer O₂ wordt afgeven (door de rode bloedcellen)

Als een waterspreeuw jaagt, loopt hij over de bodem en gebruikt hij zijn vleugels om vooruit te komen. Zijn staart gebruikt hij daarbij als roer.

Onder water daalt de hartslagfrequentie van de waterspreeuw. Ook trekken de spiertjes rond de slagadertjes van de huid en de poten samen. Hieronder staan uitspraken over deze regulatie.

1 Deze regulatie leidt ertoe dat de huid en poten kouder worden.

2 Deze regulatie wordt veroorzaakt door het animale zenuwstelsel.

3 Het samentrekken van de spiertjes rond de slagadertjes van de huid en de poten is onderdeel van een reflexboog.

Vraag 12 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.

Bekijk het antwoord

1 juist 2 onjuist 3 juist

indien drie nummers correct (2)

indien twee nummers correct (1)

indien minder dan twee nummers correct (0)

Onder water daalt ook de stofwisseling van de waterspreeuw sterk. Hierdoor wordt de ademprikkel uitgesteld en kan de waterspreeuw langer onder water blijven.

Vraag 13 2 punten

Leg uit hoe de lagere stofwisseling ertoe leidt dat het ademcentrum later wordt gestimuleerd.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • (door de lagere stofwisseling) de CO₂-concentratie in het bloed daardoor laag blijft, / daardoor minder snel stijgt, (1)

of

  • (door de lagere stofwisseling) de pH van het bloed / concentratie O₂ in het bloed daardoor hoog blijft, / daardoor minder snel daalt, (1)
  • (waardoor) de (chemo)receptoren (in de halsslagaders en aorta) minder (snel) signalen doorgeven (aan het ademcentrum). (1)

De waterspreeuw is de enige zangvogel die onder water zwemt. Er zijn wel andere vogels die onder water kunnen zwemmen, zoals pinguïns en papegaaiduikers. Ook bij de stormvogels komen geslachten (genera) voor die dit kunnen. Deze vogels hebben – net als waterspreeuwen – eigenschappen die het mogelijk maken om onder water te zwemmen, zoals een extra dicht verenkleed. De andere geslachten stormvogels hebben deze eigenschappen niet.

Vraag 14 1 punt

Is het ontstaan van een extra dicht verenkleed bij waterspreeuwen en stormvogels een voorbeeld van convergente evolutie of van divergente evolutie? Licht je antwoord toe.

Bekijk het antwoord

convergente evolutie, met een juiste toelichting

voorbeelden van een juiste toelichting:

− Het dichte verenkleed is een aantal keer afzonderlijk van elkaar ontstaan.

− De eigenschap is steeds opnieuw ontstaan bij de verschillende soorten.

− Dezelfde eigenschap bij niet-verwante geslachten is ontstaan. − De eigenschap niet afkomstig van een gemeenschappelijke voorouder.

Opmerking

Als de kandidaat alleen toelicht dat het geen divergente evolutie is, het scorepunt niet toekennen.

Vitamine D

Onderzoekers ontdekken steeds meer over de rol van vitamine D voor ons immuunsysteem. Veel mensen hebben een gebrek aan deze vitamine.

De vetoplosbare vitamines D2 en D3 zijn belangrijk voor mensen. Vitamine D2 zit in planten en schimmels, en vitamine D3 in dierlijke producten. Vitamine D3 wordt ook aangemaakt uit provitamine D3 wanneer de huid wordt blootgesteld aan ultraviolette straling. Provitamine D3 wordt gevormd uit cholesterol. In de lever worden vitamine D2 en D3 beide omgezet in calcidiol. De nieren zetten die stof vervolgens om in calcitriol. Zie afbeelding 1.

afbeelding 1
afbeelding 1

Om vitamine D3, calcidiol en calcitriol te vervoeren via het bloed, worden deze stoffen gebonden aan het plasma-eiwit DBP.

Vraag 15 1 punt

Verklaar dat binding aan DBP noodzakelijk is voor het vervoer van vitamine D3 in het bloed.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat vitamine D3 gebonden aan een eiwit oplosbaar is in bloed. / dat vitamine D3 niet oplost in bloed. / dat vitamine D3 niet oplosbaar is in water.

In de levende cellen van de opperhuid is provitamine D3 aanwezig. Onder invloed van uv-straling wordt deze stof omgezet in vitamine D3.

Vraag 16 1 punt

In welke laag van de huid (afbeelding 1) wordt het meeste vitamine D3 geproduceerd?

  1. A in laag P
  2. B in laag Q
  3. C in laag R
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B (1)

De vitamine D3 die wordt aangemaakt in de huid, wordt via het bloed naar de lever vervoerd.

De vitamine D3 die wordt opgenomen in de darmen, wordt voornamelijk vervoerd in chylomicronen (vetbolletjes). Deze worden eerst via de lymfe en vervolgens via het bloed vervoerd naar de lever.

Vraag 17 2 punten

Via welk bloedvat bereikt vitamine D3 vanuit de huid de lever via de kortste weg? En via welk bloedvat bereikt vitamine D3 in chylomicronen de lever via de kortste weg?

vanaf de huid via devanaf de darmen in chylomicronen via de
Aleverslagaderleverslagader
Bleverslagaderpoortader
Cpoortaderleverslagader
Dpoortaderpoortader
  1. A leverslagader; leverslagader
  2. B leverslagader; poortader
  3. C poortader; leverslagader
  4. D poortader; poortader
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A (2)

Bijna alle cellen van het lichaam hebben vitamine D-receptoren. Calcitriol uit het bloed bindt aan een vitamine D-receptor (VDR) in de cel. VDR transporteert calcitriol naar de kern. Daar vormt het een complex met cofactoren. Dit complex bindt aan het vitamine D-respons-element (VDRE). Op deze manier wordt de expressie van bepaalde doelgenen gereguleerd. Zie afbeelding 2.

afbeelding 2
afbeelding 2

Hieronder staan uitspraken over het proces in afbeelding 2.

1 VDR is een second messenger.

2 VDRE is een specifieke DNA-sequentie.

3 Het VDR-calcitriolcomplex is een transcriptiefactor.

Vraag 18 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.

Bekijk het antwoord

1 onjuist 2 juist 3 juist

indien drie nummers correct (2)

indien twee nummers correct (1)

indien minder dan twee nummers correct (0)

Wetenschappers proberen de effecten van vitamine D op specifieke cellen op te helderen door in het laboratorium onderzoek te doen aan celkweken. Ze doen dit door bepaalde genen in de cellen uit te schakelen, en daarna calcitriol toe te dienen aan de cellen in de kweek. De effecten worden vergeleken met de effecten van toediening van calcitriol aan cellen met intacte genen.

Hieronder staan drie genen. 1 het gen voor DBP 2 het gen voor VDR 3 het gen voor het enzym dat calcidiol omzet in calcitriol.

Vraag 19 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of uitschakeling van het bijbehorende gen wel of geen informatie zal opleveren over het effect van vitamine D op de gekweekte cellen.

Bekijk het antwoord

1 geen 2 wel 3 geen

indien drie nummers correct (2)

indien twee nummers correct (1)

indien minder dan twee nummers correct (0)

Een van de functies van calcitriol is de regeling van de calciumhomeostase. Hierbij zijn meerdere hormonen en organen betrokken. Hieronder staat een schematische weergave van de calciumregulatie. Het schema is nog niet compleet.

Afbeelding bij vraag 20 (opgaven-p11-1.webp).

Vraag 20 2 punten

Schrijf P, Q, R, S en T uit het schema onder elkaar en

  • noteer achter P en Q de namen van de bijbehorende hormonen;
  • noteer achter R, S en T de namen van de bijbehorende processen. Kies bij de processen uit de volgende namen: filtratie; resorptie; terugresorptie (reabsorptie). Gebruik elke naam één keer.
Bekijk het antwoord

P parathormoon/PTH Q calcitonine/CT R resorptie

S filtratie

T terugresorptie/reabsorptie

  • P en Q juist (1)
  • R, S en T juist (1)

In afbeelding 3 is te zien dat calcitriol de activiteit van bepaalde afweercellen beïnvloedt. Eén cel is aangegeven met de letter P. Ook beïnvloedt calcitriol de differentiatie van geactiveerde T-cellen. Bij voldoende calcitriol is er een goede balans tussen T-cellen die ontstekingsstimulerende cytokinen afgeven en T-cellen die ontstekingsremmende cytokinen afgeven. Zo kan het afweersysteem reageren op ziekteverwekkers, zonder dat het risico op aanvallen op eigen lichaamscellen stijgt.

afbeelding 3
afbeelding 3

Cel P behoort tot de aangeboren afweer. De dendritische cel (APC) presenteert antigenen aan een T-helpercel.

Vraag 21 2 punten

Welk type cel is cel P? En welk type MHC-molecuul van de APC bindt met een T-helpercel?

cel P

(MHC van APC)/(MHC-I)

  1. A macrofaag
  2. B macrofaag MHC-II
  3. C plasmacel MHC-I
  4. D plasmacel MHC-II
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B (2)

Vraag 22 2 punten

Beredeneer hoe een tekort aan calcitriol de afgifte van ontstekingsstimulerende cytokinen beïnvloedt. Maak gebruik van afbeelding 3.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • de remming op de differentiatie van T-helper type 1-cellen afneemt, (1)
  • waardoor meer ontstekingsstimulerende cytokinen aangemaakt worden. (1)

Opmerking

Het tweede scorepunt alleen toekennen als het tweede deel van het antwoord van de kandidaat een logisch gevolg is van het eerste deel van het antwoord van de kandidaat.

Moleculair gereedschap tegen erfelijk oedeem

In 2022 behandelde Danny Cohn als eerste arts in Nederland een patiënt met erfelijk oedeem met crispr-cas. De patiënt kon dezelfde dag al het UMC te Amsterdam verlaten.

Hereditair angio-oedeem type 1 (HAE-1) is een zeldzame erfelijke aandoening. De aandoening veroorzaakt aanvallen van zwellingen bij stress of infectie. Deze zwellingen kunnen op allerlei plaatsen ontstaan, bijvoorbeeld in het gezicht, de handen, of de darmen.

Afbeelding 1 laat zien hoe een aanval rond de mond zich ontwikkelt. Zo’n aanval duurt gemiddeld drie dagen.

afbeelding 1
afbeelding 1

Oedeem kan ook andere oorzaken hebben. Hieronder staan drie situaties. 1 een lage bloeddruk 2 een hoge colloïd-osmotische waarde van het bloed 3 een verstopping van de lymfevaten

Vraag 23 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende situatie wel of geen oorzaak van oedeem kan zijn.

Bekijk het antwoord

1 geen 2 geen 3 wel

indien drie nummers correct (2)

indien twee nummers correct (1)

indien minder dan twee nummers correct (0)

Als het darmslijmvlies is opgezwollen, ontstaan aanvallen van ernstige buikpijn. De patiënt heeft dan ook last van diarree (waterige ontlasting).

Vraag 24 2 punten

Beredeneer aan de hand van een factor uit de wet van Fick hoe de zwelling van het darmslijmvlies leidt tot verminderde opname van water.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • door een dikker/gezwollen darmslijmvlies de diffusieafstand / Δx toeneemt, (1)
  • (waardoor) de diffusie(snelheid) van water afneemt (waardoor de opname van water vermindert). (1)

Opmerking

Als de kandidaat noemt dat doordat darmvlokken tegen elkaar gedrukt zitten, het opnameoppervlak / A afneemt, het eerste scorepunt toekennen.

HAE-1 erft autosomaal dominant over.

De frequentie van het allel dat HAE-1 veroorzaakt, is in Nederland 0,000028. Ga ervan uit dat de wet van Hardy-Weinberg van toepassing is en dat Nederland 18 miljoen inwoners heeft.

Vraag 25 2 punten

Hoeveel mensen in Nederland zullen dan HAE-1 hebben?

  1. A 0
  2. B 504
  3. C 1008
  4. D 95.247
  5. E 190.494
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (2)

[p = 0,000028 → q = 0,999972; p² + 2pq = 1 – q² = 1 – 0,99994 = 0,0000559992; 0,0000559992 × 18 miljoen = 1007,985 → 1008]

Bij HAE-1 is er een mutatie in het gen voor C1-esteraseremmer. Hierdoor is er een verminderde activiteit van C1-esteraseremmer. Deze stof is een remmer van het kininesysteem, en wordt geproduceerd door levercellen. Het kininesysteem beïnvloedt de vorming van weefselvloeistof.

In een kwart van de gevallen is er sprake van een spontane mutatie. Hieronder staan uitspraken over deze spontane mutaties.

1 Een puntmutatie die HAE-1 veroorzaakt, leidt tot een verandering in de primaire structuur van het eiwit.

2 Een mutatie in één allel is voldoende om een verminderde activiteit van C1-esteraseremmer te krijgen in de betreffende cel.

3 Het ontstaan van een spontane mutatie in een volledig gedifferentieerde levercel leidt bij een volwassen persoon tot HAE-1.

Vraag 26 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.

Bekijk het antwoord

1 juist 2 juist 3 onjuist

indien drie nummers correct (2)

indien twee nummers correct (1)

indien minder dan twee nummers correct (0)

Bij de vorming van weefselvloeistof zijn ook de stoffen factor XII, prekallikreïne en kininogeen betrokken. In het bloedplasma vinden verschillende omzettingen plaats:

  • Een prikkel, zoals stress of een infectie, activeert factor XII.
  • Geactiveerde factor XII zet prekallikreïne om in kallikreïne.
  • Kallikreïne knipt kininogeen waarbij het eiwit bradykinine ontstaat.
  • Bradykinine bindt zich vervolgens aan bradykinine-receptoren op endotheelcellen. Hierdoor wijken deze cellen uiteen en lekt vocht vanuit het bloedvat naar het omliggende weefsel.
  • Kallikreïne activeert factor XII waardoor uiteindelijk meer bradykinine wordt aangemaakt.

In gezonde mensen leidt bradykinine tot zwelling bij ontstekingsreacties. Een C1-esteraseremmer laat de zwelling weer afnemen. Deze remmer stopt de omzetting van factor XII en remt de activiteit van kallikreïne.

Hieronder is de regulatie die leidt tot de vorming van weefselvloeistof in een schema weergegeven. Het schema is niet compleet.

Afbeelding bij vraag 27 (opgaven-p15-1.webp).

In de uitwerkbijlage staat hetzelfde schema.

Vraag 27 2 punten

Maak dat schema compleet door

  • pijlen te maken van de zes lijnen, om de richting van de invloed aan te geven;
  • in de cirkels bij deze pijlen aan te geven of het effect stimulerend (+) of remmend (–) is.
uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

het juist aangevulde schema:

Antwoordfiguur bij vraag 27 (cv-p10-2-27.webp).
  • de zes pijlen in de juiste richting (1)
  • de vier plussen en twee minnen juist (1)

Opmerking

Het tweede scorepunt kan alleen worden toegekend als het eerste scorepunt is behaald.

Sommige mensen maken geen prekallikreïne aan. Dit blijkt geen effect te hebben op hun gezondheid. Cohn kwam zo op het idee om patiënten met HAE-1 te behandelen door de productie van het prekallikreïne-eiwit te verhinderen. Hij ontwikkelde een speciaal stukje enkelstrengs DNA: een AON (antisense oligonucleotide). Na toediening bindt deze AON in het grondplasma van levercellen aan het mRNA voor prekallikreïne. Het DNAmRNA-complex dat dan ontstaat, is het substraat voor een enzym dat het mRNA doorknipt. Door deze AON-therapie wordt de translatie geremd.

Hieronder staat een deel van de coderende streng van het prekallikreïnegen waarop de AON is gebaseerd.

5’- TGTTTGCCAAGAGACTTGGCA - 3’

Vraag 28 2 punten

Wat is de sequentie van de AON?

  1. A 5’- ACGGTTCAGAGAACCGTTTGT - 3’
  2. B 5’- ACGGUUCAGAGAACCGUUUGU - 3’
  3. C 5’- TGCCAAGTCTCTTGGCAAACA - 3’
  4. D 5’- TGTTTGCCAAGAGACTTGGCA - 3’
  5. E 5’- UGCCAAGUCUCUUGGCAAACA - 3’
  6. F 5’- UGUUUGCCAAGAGACUUGGCA - 3’
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (2)

Vraag 29 1 punt

Bindt de AON aan een deel van een exon of aan een deel van een intron? Licht je antwoord toe.

Bekijk het antwoord

aan een exon, met een toelichting waaruit blijkt dat (rijp) mRNA geen introns bevat / alleen uit exons bestaat

Bij AON-therapie moet de toediening van AON’s regelmatig worden herhaald.

Vraag 30 1 punt

Licht toe waarom de toediening herhaald moet worden.

Bekijk het antwoord

voorbeelden van een juist antwoord:

− De AON’s worden afgebroken, waardoor weer prekallikreïne geproduceerd kan worden.

− Er blijft steeds mRNA geproduceerd worden waar nieuwe AON’s voor nodig zijn.

Om HAE-1 effectiever te behandelen, ontwikkelde Cohn een therapie met behulp van de crispr-cas-techniek. De HAE-1-patiënt kreeg deze therapie door middel van een infuus in de bovenarm. De crispr-cas-techniek schakelt het gen voor prekallikreïne uit, waardoor de aanmaak van het eiwit niet meer mogelijk is.

Hieronder staat een beschrijving van de techniek. Zie ook afbeelding 2. Het infuus bevat liposomen waarvoor alleen de levercellen receptoren hebben. De liposomen bevatten een stukje mRNA dat codeert voor het Cas9-eiwit (crispr-associated nuclease) en een stukje gids-RNA. Na opname door de cel wordt met het mRNA het Cas9-eiwit gevormd. Het gids-RNA leidt het eiwit vervolgens naar een specifieke plaats op het prekallikreïne-gen. Daar knipt het Cas9-eiwit het DNA door. De cel zal proberen de breuk in het DNA te herstellen. Hierbij ontstaan vaak mutaties waardoor er geen werkend prekallikreïne meer kan worden gevormd.

afbeelding 2
afbeelding 2

Vraag 31 1 punt

Noteer de naam van het transportproces waarmee een liposoom wordt opgenomen in de levercel.

Bekijk het antwoord

endocytose

Opmerking

Aan het antwoord fagocytose het scorepunt toekennen.

Hieronder staan uitspraken over de beschreven AON-therapie en de beschreven crispr-cas-therapie.

1 De AON-therapie is een vorm van RNA-interferentie.

2 De crispr-cas-therapie zorgt ervoor dat de aandoening niet kan worden overgedragen aan de volgende generatie.

3 De crispr-cas-therapie is een vorm van recombinant-DNA-techniek.

Vraag 32 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.

Bekijk het antwoord

1 juist 2 onjuist 3 onjuist

indien drie nummers correct (2)

indien twee nummers correct (1)

indien minder dan twee nummers correct (0)

Flamingo’s op Bonaire

De inwoners van Bonaire vinden vaak verdwaalde, zieke en dode flamingokuikens. Wetenschappers onderzochten of de flamingo-populatie (Caraïbische flamingo, Phoenicopterus ruber) op Bonaire in gevaar is.

Caraïbische flamingo’s filteren afbeelding 1 onder andere kleine garnaaltjes en schelpdiertjes uit het water en de modderige bodem. Dit voedsel bevat de carotenoïden die hun veren de roze kleur geven. Flamingo’s nestelen op open moddervlaktes in de buurt van de zee. Ze bouwen verhoogde nesten van modder (afbeelding 1).

afbeelding 1
afbeelding 1

afbeelding 2

Flamingo’s kruipen als witte, pluizige

afbeelding 2
afbeelding 2

kuikens uit het ei (afbeelding 2). Na twee jaar ontwikkelen de jongvolwassen flamingo’s hun karakteristieke roze kleur.

Het verhoogde nest beschermt het ei tegen overstroming, en de vochtige modder koelt het ei af. Dat is gunstig voor de ontwikkeling van het embryo.

Vraag 33 2 punten

Licht op molecuulniveau toe dat het belangrijk is

  • dat het embryo niet te warm wordt;
  • dat het embryo niet te koud wordt.
Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • (bij te hoge temperaturen) enzymen/eiwitten denatureren/stukgaan. (1)
  • (bij te lage temperaturen) stofwisselingsprocessen traag verlopen / enzymen langzamer werken (waardoor er te weinig energie wordt vrijgemaakt). (1)

Op Bonaire zijn ongeveer 1500 flamingo-broedparen. Experts vragen zich af of deze populatie groot genoeg is om op lange termijn te overleven.

Vraag 34 1 punt

Wat gebeurt er met de kans op genetic drift als een populatie kleiner wordt?

  1. A Die kans blijft gelijk.
  2. B Die kans neemt af.
  3. C Die kans neemt toe.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C (1)

Een flamingokuiken blijft een paar dagen op het nest. Daarna leeft het enkele weken in een grote groep kuikens: een crèche. De crèche wordt bewaakt door volwassen vogels.

De laatste jaren zijn er steeds vaker eenzame, verzwakte kuikens gevonden. Mogelijk komt dit doordat de kuikens door verstoring de crèche hebben verlaten. Het kan ook veroorzaakt worden doordat in de zoutmeren en baaien waar de flamingo’s leven, eutrofiëring optreedt. Flamingo-ouders kunnen daardoor mogelijk niet voldoende voedsel vinden.

Vraag 35 3 punten

Beredeneer hoe eutrofiëring kan leiden tot een afname van voedsel voor flamingo’s.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • door eutrofiëring algenbloei optreedt. / een sterke toename/groei van algen optreedt. (1)
  • afbraak optreedt (van algen door reducenten), waardoor het water geen/minder zuurstof bevat, (1)
  • (waardoor) sterfte optreedt van dieren die als voedsel dienen voor flamingo’s. (1)

Opmerkingen: − Als de kandidaat antwoordt dat de algenbloei leidt tot vorming van gifstoffen, het tweede scorepunt toekennen.

− Als de kandidaat antwoordt dat de eutrofiëring leidt tot overschrijding van tolerantiegrenzen, het tweede scorepunt toekennen.

Onderzoekers wilden weten of de grote sterfte van kuikens een bedreiging is voor de populatie flamingo’s op Bonaire. Met een wiskundig model onderzochten ze de impact van de sterfte van de kuikens op de populatiedynamiek.

In afbeelding 3 is het model grafisch weergegeven. De cirkels geven de leeftijdsklassen weer van 0 tot en met 5 jaar, en de volwassen flamingo’s (A). De waardes bij de pijlen tussen de bolletjes zijn de overlevingskansen per jaar. De vetgedrukte waarde is de voortplantingscapaciteit: het aantal kuikens dat per jaar wordt geboren per individu van een bepaalde leeftijdsklasse.

afbeelding 3
afbeelding 3

Hieronder staan gegevens van de flamingosoort die nestelt op Bonaire.

1 De overlevingskans van een volwassen flamingo is groter dan die van een flamingokuiken.

2 Een flamingo wordt maximaal 43 jaar oud.

3 Een flamingo plant zich meestal pas voort vanaf het 6e levensjaar.

Vraag 36 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of het model in afbeelding 3 het bijbehorende gegeven juist of onjuist weergeeft.

Bekijk het antwoord

1 juist 2 juist 3 onjuist

indien drie nummers correct (2)

indien twee nummers correct (1)

indien minder dan twee nummers correct (0)

Vraag 37 2 punten

Hoe groot is volgens het model in afbeelding 3 de kans dat een flamingo een leeftijd van 7 jaar bereikt?

  1. A 2,3%
  2. B 31%
  3. C 40%
  4. D 97%
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B (2)

[0,8⁵ × 0,97² = 0,308 → 31%]

De onderzoekers concludeerden dat de hoge sterfte onder flamingokuikens geen grote bedreiging vormt voor de populatie op Bonaire. Met het model berekenden ze een populatiegroeisnelheid van 1,1. Dit betekent dat de populatie elk jaar met 10 procent toeneemt. In afbeelding 4 zie je dat de groei volgens dit model de eerste jaren (periode P) onbegrensd is. Na verloop van tijd zal de groeicurve afvlakken, omdat de groei begrensd raakt (periode Q).

afbeelding 4
afbeelding 4

Vraag 38 1 punt

Licht toe dat de groei in periode P exponentieel verloopt.

Bekijk het antwoord

voorbeelden van een juist antwoord:

− De (absolute) toename neemt steeds meer toe. − De lijn van de populatiegrootte loopt steeds steiler. − Het is een J-vormige groeicurve.

− De groei is de populatiegrootte * (1,1)ⁿ.

Vraag 39 1 punt

Geef een biologische verklaring voor afvlakking van de groei in periode Q.

Bekijk het antwoord

voorbeelden van een juist antwoord:

− De groei neemt uiteindelijk af door voedselgebrek.

− De groei zal dan worden geremd door predatoren.

− Door ruimtegebrek zal de populatie niet verder kunnen toenemen. − Als de draagkracht van het gebied wordt bereikt, neemt de populatie niet verder toe.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens biologie vwo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2026, tijdvak 2?

Het centraal examen biologie vwo 2026, tijdvak 2 telt 39 vragen. De meeste vragen gaan over ecologie (8), DNA en eiwitsynthese (7) en erfelijkheid (5).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2026, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2026, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-2/vw-1018-a-26-2-c).

Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.