Eindexamen biologie vwo 2021, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Alternatieven voor ‘de pil’, Trekganzen, Slim gemodificeerd eiwit tegen koolmonoxidevergiftiging, Huidmondjes in de middeleeuwen, De hielprik en PKU, Veroudering en verjonging.
Het centraal examen biologie vwo 2021, tijdvak 2 loopt tot vraag 39. Van 38 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (7), zenuwstelsel en hormonen (6) en ademhaling (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Ecologie | 8-11, 20, 26-27 | 7 |
| Zenuwstelsel en hormonen | 1-2, 6-7, 31-32 | 6 |
| Ademhaling | 14-17, 19 | 5 |
| Erfelijkheid | 21, 28, 34-35, 37 | 5 |
| DNA en eiwitsynthese | 4-5, 18, 29 | 4 |
| Afweer | 12, 38-39 | 3 |
| Planten en fotosynthese | 23-25 | 3 |
| Voeding en vertering | 30, 33 | 2 |
| Voortplanting | 3 | 1 |
| Gedrag | 13 | 1 |
| Evolutie | 22 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over zenuwstelsel en hormonen (16% van de vragen, gemiddeld 9%) en ademhaling (13% van de vragen, gemiddeld 7%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2021, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2021, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2021, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Alternatieven voor ‘de pil’
‘De pil’, het meest gebruikte anticonceptiemiddel, is vanwege bijwerkingen niet voor elke vrouw geschikt. Wetenschappers zijn op zoek naar alternatieven.
De pil is meestal een combinatiepreparaat. De twee hormonen in de pil remmen een hormoonklier en een bepaald deel van de hersenen. Hierdoor wordt de afgifte van hormonen die de ovaria stimuleren om een eicel te produceren, geblokkeerd.
Vraag 1 2 punten
− Noteer de naam van de hormoonklier die wordt geremd door de hormonen in de pil.
- En noteer de naam van het deel van de hersenen dat de hormoonafgifte door deze hormoonklier aanstuurt.
Bekijk het antwoord
- hypofyse/adenohypofyse / hypofyse voorkwab (1)
- hypothalamus (1)
De anticonceptiepil bevat meestal een combinatie van een progestageen hormoon (een synthetische variant van progesteron) en een oestrogeen hormoon. De pil wordt gedurende drie weken geslikt, gevolgd door een stopweek waarin geen pil wordt ingenomen. Meestal vindt in de stopweek een bloeding plaats. Na de stopweek wordt weer gestart met inname van de pil. Over het effect van deze hormonen worden de volgende beweringen gedaan:
1 Een hormoon in de pil stimuleert gedurende de slikweken de opbouw van het baarmoederslijmvlies.
2 Een hoge concentratie progestageen hormoon veroorzaakt de menstruatie.
Vraag 2 2 punten
Welke bewering is juist?
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Onderzoekers van een aantal academische ziekenhuizen in Massachusetts doen onderzoek naar een manier om de rijping van eicellen te voorkómen zonder gebruik te maken van oestrogenen of progestagenen. Zij testen het effect van het eiwithormoon MIS (Müllerian Inhibiting Substance) op de vruchtbaarheid. MIS wordt afgegeven door de granulosacellen van een rijpende follikel en remt de ontwikkeling van andere follikels
- de primordiale follikels
- in het ovarium.
Afbeelding 1 geeft de ontwikkeling van een follikel weer.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Vier cellen zijn:
1 de primaire oöcyt
2 de granulosacel
3 de secundaire oöcyt
4 de eicel, net na de ovulatie
Vraag 3 2 punten
Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende cel haploïd of diploïd is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 diploïd 2 diploïd 3 haploïd 4 haploïd indien vier nummers correct (2) indien drie nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)
Voor hun onderzoek gebruikten de onderzoekers vrouwelijke muizen. Bij één groep werd een gemodificeerd MIS-gen ingebracht. In deze muizen werd de concentratie MIS in het bloed zo hoog dat ze na zes weken onvruchtbaar bleken te zijn. Bij een andere groep werd tweemaal per dag MIS geïnjecteerd. Ook bij deze muizen stopte de follikelrijping na enige tijd.
Het gemodificeerde MIS-gen werd in de muizen ingebracht door middel van een virale vector: onderzoekers infecteerden de muizen met een virus waarin ze het gemodificeerde gen ingebouwd hadden. Of een bepaald virus hiervoor geschikt is, hangt af van een aantal voorwaarden. Enkele mogelijke voorwaarden zijn:
1 Het virus moet in staat zijn zich te hechten aan de cellen van de muis.
2 Het virus moet transcriptiefactoren bevatten.
3 Het virus moet dubbelstrengs DNA bevatten.
Vraag 4 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende voorwaarde wel of niet noodzakelijk is voor een geschikt virus.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 niet 3 niet indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Als MIS als anticonceptiemiddel bij mensen wordt toegepast, moet eerst nog onderzoek worden gedaan naar de manier van toediening.
Vraag 5 1 punt
Verklaar dat toediening van MIS in pilvorm waarschijnlijk niet effectief zal zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat MIS verteerd wordt (in het spijsverteringsstelsel) / niet in zijn geheel kan worden opgenomen (in het intern milieu). (1)
Een andere groep Amerikaanse onderzoekers probeert een vorm van anticonceptie te ontwikkelen die werkzaam is bij mannen. Hierbij bestuderen ze het effect van de stof BMS-189453 (verder BMS genoemd), die de ontwikkeling van zaadcellen verhindert.
BMS functioneert als een antagonist op een retinolzuurreceptor; het verhindert binding van retinolzuur. Stimulering van de retinolzuurreceptor leidt tot de expressie van bepaalde genen. In afbeelding 2 is schematisch weergegeven welke invloed BMS heeft op cellen die een rol spelen bij de spermatogenese. Met de letters P, Q, R en S zijn stoffen aangegeven.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Vier stoffen in dit proces zijn:
- BMS
- retinolzuur
- retinolzuurreceptor
- RNA-polymerase
Vraag 6 2 punten
Schrijf de letters P, Q, R en S onder elkaar en noteer erachter welk van deze stoffen wordt weergegeven met de betreffende letter in afbeelding 2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- P retinolzuur Q BMS R retinolzuurreceptor S RNA-polymerase indien vier nummers correct (2) indien drie of twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Een groep acht weken oude mannetjesmuizen kreeg een dosis van 1 mg BMS per kg lichaamsgewicht oraal toegediend. De muizen werden hierdoor steriel. Om te beoordelen hoelang de muizen steriel bleven, is twee, vier en zes weken nadat de toediening van BMS gestopt was, onderzocht of de muizen weer embryo’s konden verwekken. Ook werd onderzocht of de lengte van de periode waarin het middel toegediend werd, invloed heeft op het aantal verwekte embryo’s. De resultaten zijn weergegeven in afbeelding 3.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
Op basis van dit resultaat worden de volgende beweringen gedaan:
1 Langere toediening van BMS veroorzaakt vier weken na beëindiging van de toediening een geringere vruchtbaarheid dan een kortere toediening.
2 Een lagere dosis BMS verstoort de vruchtbaarheid langduriger dan een hogere dosis.
3 Zes weken na beëindiging van de toediening is de vruchtbaarheid volledig hersteld.
Vraag 7 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende bewering wel of niet ondersteund wordt door de gegevens in de grafiek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 niet 2 niet 3 niet indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Trekganzen
Als gevolg van klimaatverandering en verandering van landgebruik verandert de trek van ganzen. Wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen hebben de invloed van het toenemende aantal ganzen op het ecosysteem op Spitsbergen onderzocht.
Ganzenpopulaties in Europa zijn de laatste decennia sterk gegroeid. Van de brandgans (Branta leucopsis) zijn er zevenmaal zo veel als veertig jaar geleden en van de kleine rietgans (Anser brachyrhynchus) viermaal zo veel. Ganzen eten vooral grassen en kruidachtige planten. De voorjaarstrekbewegingen en de verblijfplaatsen van de populaties brandganzen en kleine rietganzen die op Spitsbergen broeden, zijn in afbeelding 1 weergegeven.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
De groei van de ganzenpopulaties in de afgelopen decennia heeft verschillende oorzaken. In Nederland zijn dit beperking van de jacht en een ander gebruik van landbouwgrond. Op Spitsbergen is met name klimaatverandering de oorzaak. Klimaatverandering leidt namelijk tot een stijging van de temperatuur en daarmee tot een stijging van het voedselaanbod.
Vraag 8 2 punten
Beschrijf twee gevolgen van temperatuurstijging op Spitsbergen waardoor de hoeveelheid voedsel voor ganzen kan zijn toegenomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- voorbeelden van een juist gevolg: − Er is minder sneeuw waardoor planten makkelijker te bereiken zijn. − Het groeiseizoen voor de planten is langer. − De groei van planten is sneller. per juist gevolg van temperatuurstijging op Spitsbergen dat de hoeveelheid voedsel voor ganzen positief beïnvloedt (1) (2)
In het kustgebied van Spitsbergen waar de ganzen voornamelijk nestelen, zijn talrijke ondiepe plassen en meertjes. De voedselketen in deze meertjes bestaat uit slechts twee trofische niveaus. Watervlooien van het geslacht Daphnia komen in grote aantallen in deze meertjes voor.
Vraag 9 1 punt
Tot welk trofisch niveau behoort Daphnia? Noteer de biologische term.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan het antwoord planteneters/herbivoren/heterotrofen geen scorepunt toekennen.
De meertjes op Spitsbergen bevatten weinig mineralen. De uitwerpselen van de steeds grotere populaties ganzen kunnen leiden tot eutrofiering van deze meertjes. In uitwerpselen van ganzen komen de volgende stoffen voor:
1 cellulose
2 chlorofyl
3 urinezuur
Vraag 10 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende stof wel of niet zal bijdragen aan eutrofiering.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 niet 2 wel 3 wel indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Vreemd genoeg leidt eutrofiering in de plassen en meertjes op Spitsbergen niet tot algenbloei. De onderzoekers veronderstelden dat dit veroorzaakt wordt door de aanwezigheid van de watervlooien.
Vraag 11 2 punten
Beschrijf een experiment om deze hypothese te toetsen. Geef hierbij aan door welk resultaat de hypothese bevestigd zou worden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een juist antwoord: Verdeel aquaria met water uit de meertjes op Spitsbergen in twee groepen. De ene groep krijgt water zonder Daphnia en de andere groep water met Daphnia. Houd de overige omstandigheden gelijk aan die op Spitsbergen. Vergelijk na enkele weken de algengroei. Als er minder algengroei is in de aquaria met Daphnia, is de hypothese juist.
Steeds meer brandganzen en kleine rietganzen blijven in de overwinteringsgebieden om te broeden. De kwaliteit van het gras is verbeterd door bemesting en ook zijn landbouwresten als voedsel beschikbaar. Om te onderzoeken of trekken toch nog voordelen heeft, hebben Groningse wetenschappers bloedwaardes van ganzen die op Spitsbergen broeden, vergeleken met die van soortgenoten die in Nederland broeden. Uit dit onderzoek bleek dat de activiteit van het afweersysteem bij ganzen die op Spitsbergen broeden, afwijkt van die bij ganzen die in Nederland broeden. Ganzen die op Spitsbergen broeden, hebben:
- minder complement-eiwitten
- minder fagocyten
- minder ‘natural killer’-cellen (NK-cellen)
Vraag 12 2 punten
Van welk deel van het afweersysteem is bij ganzen die broeden op Spitsbergen een verminderde activiteit aangetoond?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Volgens de onderzoekers wijzen de verschillen in gemeten bloedwaardes op een voordeel dat trekken voor de ganzen oplevert.
Vraag 13 2 punten
− Beschrijf een voordeel van trekken voor de ganzen dat is af te leiden uit het onderzoek.
- Beschrijf een nadeel van trekken voor de ganzen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist voordeel van trekken:
- Zij worden minder vaak blootgesteld aan ziekteverwekkers.
- Ganzen die trekken hoeven minder te investeren in de activiteit van het afweersysteem.
- Ze zijn minder vaak ziek.
voorbeelden van een juist nadeel van trekken:
- De tocht naar de overwinteringsgebieden voor (jonge) ganzen is risicovol zodat een aantal ganzen onderweg zal sterven.
- Het trekken kost veel energie (die dan niet in eigen groei/jongen geïnvesteerd kan worden).
- Ganzen die trekken missen de grote hoeveelheden voedsel in landbouwgebieden in het overwinteringsgebied.
Opmerking Als de kandidaat als nadeel van trekken noemt dat het immuunsysteem minder actief is, hieraan geen scorepunt toekennen.
Slim gemodificeerd eiwit tegen koolmonoxidevergiftiging
Koolmonoxidevergiftiging eist in Nederland elk jaar nog steeds slachtoffers. Onderzoekers van University of Pittsburgh (VS) hebben een medicijn ontwikkeld dat de giftige stof sneller en beter neutraliseert dan de huidige behandeling.
Koolmonoxide (CO) komt vrij bij onvolledige verbranding in bijvoorbeeld een slecht afgestelde gaskachel. Koolmonoxide bindt aan hemoglobine op dezelfde plaatsen als zuurstof. De affiniteit van hemoglobine voor koolmonoxide is echter veel groter dan de affiniteit voor zuurstof, waardoor een lage concentratie CO in de kamer al gevaarlijk kan zijn. Daarnaast gaat oxyhemoglobine in aanwezigheid van CO niet over in de ‘tight’ vorm, maar blijft in de ‘relaxed’ vorm waarin zuurstof gebonden blijft (afbeelding 1).
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Een van de symptomen van CO-vergiftiging is een verhoogde hartslag.
Vraag 14 2 punten
Leg uit dat het functioneel is dat een verhoogde hartslag optreedt bij CO- vergiftiging.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (CO-vergiftiging) leidt tot een afname van het zuurstoftransport (1)
- (om hiervoor te compenseren) de hoeveelheid bloed die moet worden rondgepompt moet toenemen / het hartminuutvolume moet toenemen (1)
De standaardbehandeling bij CO-vergiftiging is de patiënt 100% zuurstof te laten inademen. Het duurt dan ongeveer een uur voor de helft van de CO verdreven is. In die tijd kan iemand al neurologische schade hebben opgelopen.
Met behulp van de wet van Fick kan verklaard worden dat inademen van 100% zuurstof effectief is.
Vraag 15 1 punt
Noteer de factor uit de wet van Fick die verandert door de hoge zuurstofspanning.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Δc Aan het antwoord concentratiegradiënt of geen scorepunt toekennen. Δx
Iemand vergelijkt de gevolgen van een CO-vergiftiging waarbij 50% van de zuurstof-bindingsplaatsen door koolmonoxide bezet is, met de gevolgen van een zware bloedarmoede waarbij de totale hoeveelheid hemoglobine met 50% is afgenomen.
Vraag 16 2 punten
− Noteer of de zuurstofafgifte in de weefsels bij deze CO-vergiftiging hoger, lager of gelijk is in vergelijking met de zuurstofafgifte in de weefsels bij de beschreven bloedarmoede.
- Verklaar je antwoord.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- lager (1)
- voor een verklaring waaruit blijkt dat (bij CO-vergiftiging) zuurstof aan hemoglobine gebonden blijft / zuurstof bij bloedarmoede (bij lage pO 2) wel loskomt van hemoglobine (1)
De neurologische schade door CO-vergiftiging wordt niet alleen veroorzaakt door een tekort aan zuurstof als elektronenacceptor, maar ook door een verstoring van de werking van eiwitcomplex IV (het cytochroom-c-oxidasecomplex) in de mitochondriën van neuronen. Dit complex bevat een heemgroep die ook een hogere affiniteit heeft voor koolmonoxide dan voor zuurstof. Na binding met CO wordt dit complex inactief. Door inactivatie van het cytochroom-c-oxidasecomplex na een CO- vergiftiging wordt de ATP-productie in neuronen verstoord. De gevolgen hiervan op moleculair niveau leiden via gevolgen op cellulair niveau tot acute verlammingsverschijnselen op organisme-niveau. In afbeelding 2 is dit in een deels ingevuld schema weergegeven.
[afbeelding 2: zie het originele examen] moleculair cellulair organisme- niveau niveau niveau verminderde ATP- acute productie in …(1)… …(2)… verlamming neuronen
Vraag 17 2 punten
Schrijf de nummers 1 en 2 onder elkaar en noteer erachter welk gevolg op de betreffende plaats in afbeelding 2 moet worden ingevuld zodat een juist schema ontstaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- 1: minder activiteit Na-K-pompen 2: impulsgeleiding is geremd
- 1: motoreiwitten die blaasjes met neurotransmitters verplaatsen werken niet meer 2: verminderde impulsoverdracht
De onderzoekers van University of Pittsburgh ontwierpen een medicijn tegen CO-vergiftiging. Ze modificeerden neuroglobine, een eiwit dat in de hersenen voorkomt, en verwant is aan hemoglobine. Afbeelding 3 geeft de coderende DNA-sequentie van het gen voor neuroglobine (NGB-gen) en de aminozuurvolgorde van het eiwit weer.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
Voor de ontwikkeling van het medicijn werd het NGB-gen gemodificeerd. Door een puntmutatie wordt op aminozuurpositie 64 van het eiwit in plaats van het oorspronkelijke aminozuur nu glutamine ingebouwd.
Vraag 18 2 punten
− Noteer de DNA-sequentie van het NGB-gen die codeert voor de aminozuren op positie 63, 64 en 65.
- Noteer daaronder een mogelijke DNA-sequentie die ontstond nadat de onderzoekers de verandering hadden aangebracht.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- voor: GAC CAC ATC na: GAC CAA ATC
- GAC CAC ATC GAC CAG ATC
Opmerking Als de kandidaat, in plaats van de DNA-sequenties, de mRNA-sequenties weergeeft en daarbij de mutatie juist aangeeft, alleen het tweede scorepunt toekennen.
Door de veranderingen in het NGB-gen bindt koolmonoxide 500 keer sterker aan de gemodificeerde neuroglobine dan aan hemoglobine. In het laboratorium werd het gemodificeerde gen in E. coli-bacteriën tot expressie gebracht. Vervolgens werd het neuroglobine-eiwit geïsoleerd. Om te onderzoeken of de gemodificeerde neuroglobine de CO kan losmaken van hemoglobine, werden rode bloedcellen verzadigd met CO. Daarna werd de neuroglobine toegevoegd en werd de overdracht van CO van hemoglobine naar neuroglobine bepaald. In afbeelding 4 zijn vier diagrammen weergegeven.
[afbeelding 4: zie het originele examen]
De gemodificeerde neuroglobine bleek werkzaam.
Vraag 19 1 punt
Noteer welk diagram uit afbeelding 4 de resultaten van de onderzoekers juist weergeeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (diagram) 3 (1)
Huidmondjes in de middeleeuwen
Paleo-ecoloog Thomas van Hoof van Universiteit Utrecht vermoedt dat er een link is tussen de pestepidemie die heerste in de veertiende eeuw en de tijdelijke verlaging van de CO 2-concentratie in de atmosfeer in die tijd. Plantaardige resten uit een oude riviertak geven hiervoor aanwijzingen.
Van Hoof onderzocht de bodem van een verlande riviertak van de Roer (afbeelding 1). Met behulp van een grondboor nam hij bodemmonsters tot een diepte van vier meter. De bodem bleek voor een groot deel te bestaan uit organische resten uit de periode 1000-1500 na Chr.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Het aangetroffen organisch materiaal is zo goed bewaard gebleven, dat aan de hand van bladvormen en pollen (stuifmeelkorrels) de samenstelling van de vegetatie vastgesteld kon worden. Daarmee geven de bodemmonsters inzicht in de verandering van de vegetatie in de loop van de geschiedenis. Van de bladresten van de zomereik (Quercus robur) kon Van Hoof de dichtheid van de huidmondjes bepalen. De huidmondjesdichtheid is gerelateerd aan de CO 2-concentratie in de atmosfeer.
In de bodemmonsters waren eeuwenoude, maar nog steeds determineerbare plantenresten aanwezig.
Vraag 20 2 punten
Leg uit waardoor deze plantenresten in de bodem eeuwenlang bewaard zijn gebleven zonder afgebroken te worden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Als de kandidaat alleen aangeeft dat plantenresten niet afgebroken werden, het tweede scorepunt niet toekennen.
- Als de kandidaat aangeeft dat er geen of minder rotting kon optreden, het tweede scorepunt toekennen.
Een afname van de CO 2-concentratie in de atmosfeer leidt tot een toename van de huidmondjesdichtheid. Dit kan een epigenetische of een evolutionaire oorzaak hebben.
Vraag 21 1 punt
Beschrijf wat wordt bedoeld met een epigenetische oorzaak van de toename van de huidmondjesdichtheid.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat (er een epigenetische oorzaak is als) de activiteit/expressie van genen (die betrokken zijn bij de vorming van huidmondjes) verandert. (1)
Vraag 22 2 punten
Leg uit op welke manier evolutie de toename van de huidmondjesdichtheid kan veroorzaken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Als de kandidaat antwoordt dat door mutatie en/of recombinatie verschillen ontstaan in huidmondjesdichtheid, het eerste scorepunt toekennen.
- Als de kandidaat, in plaats van de huidmondjesdichtheid, het aantal huidmondjes noemt, dit niet fout rekenen.
Van Hoof wilde met de gegevens over de huidmondjesdichtheid van de middeleeuwse bladresten de CO 2-concentratie in de atmosfeer in die periode afleiden. Daarom heeft hij een ‘huidmondjesindex’ vastgesteld met materiaal van recentere zomereiken uit de twintigste eeuw . Hiervoor heeft hij gebruikgemaakt van bladresten uit veengebieden en van bladeren uit herbaria (verzamelingen van gedroogde planten). De precieze ouderdom van dit bladmateriaal is bekend, zodat de huidmondjesdichtheid vergeleken kon worden met metingen van de CO2- concentratie in de atmosfeer in die jaren (afbeelding 2).
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Van elk geanalyseerd blad is op verschillende plaatsen van een bepaalde oppervlakte het aantal huidmondjes en het aantal epidermiscellen geteld. Om de gemeten huidmondjesdichtheid van het herbariummateriaal te vergelijken met die van de ‘verse’ bladeren van de zomereik, moet gecorrigeerd worden vanwege krimp van de gedroogde herbariumbladeren.
De cellen van verse bladeren die in een herbarium worden opgenomen, doorlopen als gevolg van uitdroging achtereenvolgens: verlies van turgor, grensplasmolyse, plasmolyse, celdood.
Vraag 23 2 punten
Krimpt het blad als gevolg van verlies aan turgor? En krimpt het blad als gevolg van voortschrijdende plasmolyse?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: B (2)
krimpt blad door krimpt blad door verlies van turgor? voortschrijdende plasmolyse?
A ja ja
B ja nee
C nee ja
D nee nee
Vraag 24 2 punten
Zal de gemeten huidmondjesdichtheid bij het herbariummateriaal hoger of lager zijn dan toen de bladeren vers waren? En op welke wijze wordt de huidmondjesdichtheid uitgedrukt zodat hiervoor gecorrigeerd wordt?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: A (2)
huidmondjesdichtheid correctie door uitdrukken herbariummateriaal huidmondjesdichtheid als
aantal huidmondjes
A hoger aantal epidermiscellen + aantal huidmondjes aantal huidmondjes
B hoger aantal epidermiscellen
- aantal huidmondjes aantal huidmondjes
C lager aantal epidermiscellen + aantal huidmondjes aantal huidmondjes
D lager aantal epidermiscellen
- aantal huidmondjes
De resultaten in afbeelding 2 tonen een lineair verband tussen de huidmondjesdichtheid en de CO 2-concentratie. Het is onmogelijk dat hetzelfde lineaire verband ook zou gelden bij de huidige CO 2-concentratie van 400 ppm. Er blijft immers een minimumaantal huidmondjes nodig.
Vraag 25 2 punten
Geef twee redenen waarom het aantal huidmondjes niet nul kan zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- voorbeelden van juiste redenen: − het watertransport / (regulatie van) verdamping − opname van CO2 − opname van zuurstof (’s nachts) − afgifte van zuurstof per juiste reden (1) (2)
Aan het eind van de middeleeuwen, vanaf ongeveer het midden van de vijftiende eeuw, was het klimaat gedurende enkele decennia koeler. De frequentie van strenge winters op het noordelijk halfrond nam toe. Deze periode wordt de kleine ijstijd genoemd. De lage temperaturen gedurende de kleine ijstijd gingen gepaard met een lichte daling van de CO 2-concentratie in de atmosfeer. Uit analyses van de huidmondjesdichtheid in de bladresten uit de bodemmonsters blijkt de CO2-concentratie echter al af te nemen vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw.
De lagere CO2-concentratie in de atmosfeer in de kleine ijstijd kan bijgedragen hebben aan de daling van de temperatuur.
Vraag 26 1 punt
Verklaar dat een lagere CO2-concentratie in de atmosfeer een lagere temperatuur tot gevolg kan hebben.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat er (bij een lagere CO2-concentratie) minder broeikasgas is / dat er minder warmte wordt vastgehouden in de dampkring / dat de dampkring minder broeikaseffect veroorzaakt. (1)
Volgens Van Hoof is het aannemelijk dat de daling van de CO 2- concentratie in de atmosfeer vanaf 1350 is veroorzaakt door de pestepidemie die West-Europa toen teisterde. Door deze epidemie stierf een derde van de bevolking van Europa. Uit de pollenanalyses van de bodemmonsters blijkt dat er veranderingen in de vegetatie optraden tijdens de pestepidemie: er wordt steeds minder stuifmeel van granen en grassen aangetroffen, terwijl het aandeel stuifmeel van bomen en struiken toeneemt. Deze veranderingen in vegetatie zouden geleid hebben tot een afname van de CO2-concentratie in de atmosfeer.
Vraag 27 3 punten
Beredeneer hoe door de pestepidemie de veranderingen in de vegetatie en de afname van de CO 2-concentratie tot stand kunnen zijn gekomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Als de kandidaat antwoordt dat er minder bos werd gekapt, het eerste scorepunt toekennen.
- Als de kandidaat antwoordt dat er minder hout werd verstookt, het derde scorepunt toekennen.
De hielprik en PKU
Bianca heeft fenylketonurie (PKU). Al sinds zij een baby is, volgt ze daarom een streng dieet. Ze hoopt dat onderzoek leidt tot een nieuwe behandeling van PKU.
PKU wordt bijna altijd veroorzaakt door een mutatie op chromosoom 12. Ook bij Bianca is dit het geval. Als gevolg van deze mutatie ontbreekt het enzym fenylhydroxylase (PAH), waardoor het aminozuur fenylalanine niet omgezet kan worden in tyrosine. Fenylalanine hoopt daardoor op. Zonder behandeling leidt PKU tot blijvende hersenschade. Met behulp van de hielprik (bij baby’s van circa vier dagen oud) wordt in Nederland PKU opgespoord.
Een kleine hoeveelheid
- door de hielprik verkregen
- bloed van de baby wordt in de massaspectrometer gebracht voor analyse. Dit levert een patroon van pieken op die de hoeveelheden van de verschillende aminozuren in het bloed aangeven. Afbeelding 1 toont de analyseresultaten van de hielprik van twee baby’s.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Een van de baby’s heeft PKU, maar dat is aan het tyrosinegehalte niet te zien.
Vraag 28 2 punten
− Licht toe welke baby PKU heeft.
- Geef een verklaring voor het normale tyrosinegehalte bij deze baby.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat aminozuren van de moeder / via de placenta zijn overgedragen, het tweede scorepunt toekennen.
In afbeelding 2 is weergegeven hoe PAH betrokken is bij de omzetting van fenylalanine.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Vraag 29 1 punt
In welke cellen zal bij gezonde mensen het gen voor PAH vooral tot expressie komen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Eiwitten in ons voedsel bevatten essentiële en niet-essentiële aminozuren. Het belang van bepaalde aminozuren is bij PKU-patiënt Bianca anders dan bij mensen zonder PKU.
Vraag 30 2 punten
Zijn de aminozuren fenylalanine en tyrosine essentieel bij Bianca? En bij mensen zonder PKU?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: D (2)
bij Bianca (met PKU) bij mensen zonder PKU
A alleen tyrosine alleen tyrosine
B alleen tyrosine alleen fenylalanine
C alleen tyrosine fenylalanine en tyrosine
D tyrosine en fenylalanine alleen fenylalanine
E tyrosine en fenylalanine alleen tyrosine
F tyrosine en fenylalanine tyrosine en fenylalanine
Bij ongeveer 1% van de PKU-patiënten wordt de ziekte veroorzaakt door een mutatie die ertoe leidt dat de productie van het co-enzym BH4 wordt geremd. Deze vorm van PKU wordt de BH4-vorm genoemd. BH4 fungeert als co-enzym bij verschillende omzettingen. BH4 is betrokken bij de omzetting van fenylalanine in tyrosine (afbeelding 2) en bij de omzetting van tyrosine in dopamine. Dopamine is als inhiberend hormoon betrokken bij de afgifte van prolactine. De concentratie prolactine in het bloed wordt gebruikt om een onderscheid te maken tussen de klassieke vorm van PKU en de BH4-vorm.
Vraag 31 2 punten
Leg uit hoe een afwijkende prolactine-concentratie ontstaat bij de BH4- vorm.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Het tweede scorepunt alleen toekennen als dit deel van de uitleg een logisch gevolg is van het deel voor het eerste scorepunt.
Het mechanisme waardoor bij PKU neurologische schade optreedt, is niet helemaal duidelijk. Een hypothese is dat fenylalanine en metabolieten hiervan fungeren als neurotoxinen die schade veroorzaken in de hersenen.
De volgende fysiologische afwijkingen worden bij PKU waargenomen:
1 een tekort aan neurotransmitters
2 een verlaagde Ca2+-concentratie in de weefsels
3 een verminderde vorming van myeline
Vraag 32 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende afwijking de informatieverwerking in de hersenen wel of niet zal verstoren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 wel 3 wel indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Tot kort geleden was de enige behandeling van PKU het volgen van een streng dieet waarin fenylalanine ontbreekt en waaraan bepaalde aminozuren worden toegevoegd. Dit dieet is vooral voor een tiener als Bianca moeilijk vol te houden, omdat ze maar weinig voedingsmiddelen mag eten en de supplementen vies smaken. Fenylalanine is een van de grote neutrale aminozuren. Men onderzoekt nu of voedingssupplementen met een hoge dosering van andere grote neutrale aminozuren, een minder strikt dieet mogelijk maken. Grote neutrale aminozuren maken namelijk allemaal gebruik van dezelfde membraaneiwitten om de bloed-hersenbarrière te passeren.
Vraag 33 1 punt
Verklaar dat toevoeging van andere grote neutrale aminozuren de schadelijke effecten van PKU bij een minder strikt dieet kan helpen voorkomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat door (de overmaat aan) andere grote neutrale aminozuren de opname van fenylalanine (in de hersenen) wordt geremd. (1)
Bianca’s oudere broer Tom heeft de ziekte niet. Ook hun ouders zijn niet ziek. Tom heeft een vriendin Sandra. Zij wil weten wat de kans is dat zij samen een kind met PKU krijgen.
Vraag 34 2 punten
Leg uit hoe groot de kans is dat Tom drager is van PKU.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- de ouders van Tom heterozygoot zijn (1)
- (Tom zelf geen PKU heeft en dus) de kans dat hij heterozygoot is, is (1)
PKU komt in Nederland bij ongeveer 1 op de 18.000 mensen voor.
Vraag 35 2 punten
Bereken de kans dat Sandra drager is van het allel voor PKU. Neem aan dat de regel van Hardy-Weinberg geldt. Noteer je berekening en geef je antwoord als een percentage in één decimaal nauwkeurig.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord: 1
- q2= q = 0,00745; p = 0,99255 18.000 2pq 0,014796 De kans op drager: 2 = = 0,014797 p + 2pq 0,99994 1,5% 1
- q2= dus q = 0,0075 en p = 0,9925 18.000 De kans dat ze drager is, is 2pq = 0,0149 dus 1,5%
Veroudering en verjonging
Ouder worden gaat vaak gepaard met ziekten en lichamelijk ongemak. De wens om gezond ouder te worden is groot in onze samenleving, met mensen die een steeds hogere leeftijd bereiken. Er vindt daarom veel onderzoek plaats naar verouderings- en verjongingsprocessen. Spaanse en Amerikaanse onderzoekers zijn er samen in geslaagd om verouderde cellen in levende muizen te verjongen.
Bij onderzoek naar veroudering bij mensen is sprake van een methodologisch probleem. De gemiddelde levensduur van een mens is namelijk langer dan de gemiddelde carrièreduur van een wetenschapper. Een oplossing is om cross-sectioneel onderzoek te doen. Een grote groep proefpersonen wordt daarbij verdeeld in leeftijdscategorieën en gedurende een bepaalde korte periode, bijvoorbeeld een jaar, per leeftijdscategorie onderzocht op verouderingsverschijnselen. Aan dit cross-sectioneel onderzoek kleven nadelen. Twee aspecten van cross-sectioneel onderzoek zijn:
1 Doordat de proefpersonen niet allen in dezelfde periode zijn opgegroeid, kunnen gezondheidsverschillen tussen de leeftijdscategorieën ook veroorzaakt worden door verschillen in omgevingsfactoren.
2 Personen die op jonge leeftijd een slechtere gezondheid hadden, zijn minder vertegenwoordigd in de hogere leeftijdscategorieën.
Vraag 36 2 punten
Vermindert aspect 1 de betrouwbaarheid of de validiteit van het onderzoek? En aspect 2?
Bekijk het antwoord
- Antwoord: D (2)
aspect 1 aspect 2
A betrouwbaarheid betrouwbaarheid
B betrouwbaarheid validiteit
C validiteit betrouwbaarheid
D validiteit validiteit
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
Een aantal moleculaire veranderingen draagt bij aan veroudering van cellen. Zo is bekend dat telomeren, de uiteinden van chromosomen, gedurende het leven korter worden, waardoor celdeling uiteindelijk niet meer kan plaatsvinden. Ook treden er fouten op bij het vouwen van eiwitten en hopen mutaties op in kern-DNA en mtDNA. Daarnaast verandert de bouw van sommige weefsels en organen. Zo verschrompelt de thymus al vanaf de geboorte, waardoor die op oudere leeftijd nauwelijks nog aanwezig is.
Een van de ouderdomskwalen is het ontstaan van tumoren. Twee veranderingen die optreden bij veroudering zijn:
1 Schade aan het genoom accumuleert.
2 De telomeren worden korter.
Vraag 37 2 punten
Welke verandering kan leiden tot het ontstaan van tumoren?
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Door thymusdegeneratie worden er minder nieuwe T-cellen gevormd. De nieuwe T-cellen die wel gevormd worden, reageren bovendien minder goed bij activatie. Hieronder staan enkele processen in het immuunsysteem.
1 activatie van B-cellen
2 activiteit van cytotoxische T-cellen
3 presentatie van antigenen
Vraag 38 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende proces wel of niet verminderd zal zijn als gevolg van thymusdegeneratie.
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 wel 3 niet indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
De Spaanse en Amerikaanse onderzoekers zijn erin geslaagd om gedifferentieerde cellen zodanig te herprogrammeren, dat deze weer pluripotent worden. Het herprogrammeren vindt plaats door bepaalde transcriptiefactoren kunstmatig te activeren. Tijdens de normale celdifferentiatie worden verschillende genen geactiveerd. Over deze genexpressie worden de volgende uitspraken gedaan:
1 Onder invloed van omgevingsfactoren worden in embryonale stamcellen verschillende genen actief die de genexpressie reguleren.
2 Transcriptiefactoren zijn stukken niet-coderend DNA.
3 Door transcriptiefactoren wordt de transcriptie van een gen geactiveerd of geblokkeerd.
Vraag 39 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.
Bekijk het antwoord
- 1 juist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2021, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-2/vw-1018-a-21-2-o
Andere examens biologie vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2021, tijdvak 2?
Het centraal examen biologie vwo 2021, tijdvak 2 loopt tot vraag 39. Van 38 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (7), zenuwstelsel en hormonen (6) en ademhaling (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2021, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2021, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-2/vw-1018-a-21-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2021, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.