Eindexamen biologie vwo 2019, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Inleiding, Inleiding, Mambagif als pijnstiller, Aziatische genen verbeteren het Europees vleesvarken, Diarreebacterie slaat toe door antibioticagebruik, Kas vol koolstofdioxide.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie vwo 2019, tijdvak 1 loopt tot vraag 39. Van 38 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over erfelijkheid (10), afweer (7) en zenuwstelsel en hormonen (6). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie vwo 2019, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Erfelijkheid16-2510
Afweer6-7, 26, 28, 32-347
Zenuwstelsel en hormonen8-136
Planten en fotosynthese35-395
Ademhaling2-54
DNA en eiwitsynthese14-15, 30-314
Ecologie271
Cellen291

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over erfelijkheid (26% van de vragen, gemiddeld 10%) en afweer (18% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over ecologie (3% van de vragen, gemiddeld 18%) en voeding en vertering (0% van de vragen, gemiddeld 6%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2019, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2019, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2019, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Inleiding

(Deze vraag heeft geen inleidende tekst.)

Vraag 2 2 punten

Welke van deze ademhalingsspieren leveren een grote inspanning bij de eerste ademteug van een pasgeboren baby?

  1. A alleen 1 en 2
  2. B alleen 3 en 4
  3. C alleen 3 en 5
  4. D alleen 1, 2 en 4
  5. E alleen 1, 2 en 5
  6. F alleen 3, 4 en 5
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Inleiding

Hoe goed de gaswisseling verloopt na de geboorte is afhankelijk van het ontwikkelingsstadium van de longen. In afbeelding 3 zijn de anatomische veranderingen van bronchioli (waaruit zich de longblaasjes ontwikkelen) in verschillende ontwikkelingsfasen weergegeven.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

Vanaf de 26e week van de embryonale ontwikkeling wordt in de bronchioli een steeds grotere hoeveelheid surfactant geproduceerd. Surfactant is een mengsel van lipiden en eiwitten dat ervoor dient om de oppervlaktespanning in de longblaasjes te verlagen. Daardoor kunnen de longblaasjes makkelijker open blijven.

Bij een vroeggeboorte zijn de overlevingskansen voor een baby waarvan de longen in de sacculaire fase verkeren groter dan wanneer de longen nog in de canaliculaire fase zijn. Een verklaring hiervoor is de verbeterde gaswisseling door veranderingen in de bouw van het longweefsel.

Vraag 3 2 punten

Noteer twee veranderingen in de bouw van het longweefsel (afbeelding 3) die leiden tot een verbeterde gaswisseling in de sacculaire fase.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juiste verandering: − De haarvaten liggen steeds dichter bij de longblaasjes. − De epitheelcellen worden dunner. − Er komen meer bloedvaten. − De haarvaten worden wijder. − Er is een oppervlaktevergroting van de longblaasjes. per juiste verandering (1) (2)

Een te vroeg geboren baby met ernstige ademhalingsproblemen wordt behandeld met behulp van een mechanisch beademingsapparaat. De klassieke manier van beademen is dat de longen worden volgepompt en weer leeggezogen. Bij het leegzuigen kunnen longblaasjes dichtklappen. Ook bij het volpompen kan er schade ontstaan aan de tere longblaasjes.

Mogelijke gevolgen van de afbeelding 4 klassieke mechanische beademing zijn dat longblaasjes knappen en het longvlies wordt geperforeerd. Hierdoor laat het longvlies los van het borstvlies. Er is dan een klaplong ontstaan (afbeelding 4).

Enkele longwaarden zijn:

1 restvolume

2 totale longvolume

3 vitale capaciteit

Vraag 4 2 punten

Welke waarde is of welke waarden zijn bij een klaplong verminderd?

  1. A alleen 1
  2. B alleen 2
  3. C alleen 3
  4. D alleen 1 en 3
  5. E alleen 2 en 3
  6. F 1, 2 en 3

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: F

Om beschadiging van de nog niet goed ontwikkelde longen te voorkomen, wordt bij voorkeur CPAP (continuous positive airway pressure, afbeelding 1) toegepast: via een maskertje wordt continu lucht met een licht verhoogde luchtdruk naar de longen gevoerd. CPAP-beademing vergemakkelijkt het vullen van de longblaasjes. Het belangrijkste effect heeft het inblazen van de lucht echter tijdens de uitademing: er is minder risico op beschadiging aan de longblaasjes van vroeggeborenen dan bij klassieke beademing.

Vraag 5 1 punt

Waardoor voorkomt CPAP-beademing met name tijdens de uitademing schade?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat de licht verhoogde druk het dichtklappen van de longblaasjes (tijdens de uitademing) voorkomt. (1)

Bij alle behandelingen moet zo steriel mogelijk gewerkt worden, omdat ook het immuunsysteem van een vroeggeboren baby nog niet goed ontwikkeld is. De vroeggeborene bezit minder monocyten (voorlopers van macrofagen) dan een voldragen baby.

Vraag 6 2 punten

Leg uit dat als gevolg hiervan zowel de aspecifieke als de specifieke afweer minder goed is dan die van een voldragen baby.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • de aspecifieke afweer minder goed is doordat er minder macrofagen zijn (die ziekteverwekkers opruimen) (1)
  • de specifieke afweer minder goed is doordat minder macrofagen ook minder antigenen kunnen presenteren (aan Th-cellen) / doordat er (minder cytokinen zijn en dus) minder activatie is van T- en B-cellen (1)

Mambagif als pijnstiller

De zwarte mamba (Dendroaspis polylepis, afbeelding 1) is de giftigste slang van Afrika. Met een snelle beet injecteert zij een gifcocktail die een mens binnen 20 minuten kan doden.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Als je wordt gebeten door de zwarte mamba, moet je zo snel mogelijk een antiserum toegediend krijgen. Antiserum wordt verkregen uit dieren, vaak paarden, die geïmmuniseerd zijn door een injectie met het slangengif. Nadat je antiserum toegediend hebt gekregen, kan echter een allergische reactie ontstaan.

Een aantal processen van het afweersysteem zijn:

1 activatie van cytotoxische T-cellen

2 sensibilisatie van mestcellen

3 afgifte van mediatoren

Vraag 7 2 punten

Welke van deze processen kan of welke kunnen betrokken zijn bij het ontstaan van een allergische reactie?

  1. A alleen 1
  2. B alleen 2
  3. C alleen 3
  4. D alleen 1 en 2
  5. E alleen 2 en 3
  6. F 1, 2 en 3

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: E

Onderzoekers van het Moleculair en Cellulair Farmacologisch Instituut in Valbonne (Frankrijk) vonden twee krachtige pijnstillende eiwitten in het gif van de mamba. Pijn heeft een functie bij het beperken of vermijden van lichaamsschade en wordt veroorzaakt door stimulering van uiteinden van speciale sensorische neuronen. Deze pijnreceptoren kunnen reageren op thermische prikkels (hitte, kou), mechanische prikkels (aanraking, druk) en chemische prikkels. Wanneer pijnreceptoren worden gestimuleerd beschrijven mensen de pijn óf als een snelle, kortdurende scherpe pijn óf als een langdurige zeurende pijn. Scherpe pijn wordt ervaren bij stimulatie van Aδ-receptoren. Dit type pijn is niet voelbaar in de meeste diepliggende weefsels en organen. De zeurende pijn wordt ervaren bij stimulering van C-receptoren, bijvoorbeeld als gevolg van een ontsteking. Deze pijnreceptoren komen zowel in de huid als in de dieper liggende organen voor.

Vraag 8 2 punten

Leg uit, aan de hand van een voorbeeld, waarom het functioneel is dat aan de lichaamsoppervlakte vooral Aδ-receptoren aanwezig zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist antwoord:

  • Als het kraanwater te heet is, trek je dankzij deze snelle receptoren je handen snel terug waardoor ze niet verbranden.
  • Je bent groente aan het snijden en zodra je in je vinger snijdt, trek je de vinger en het mes terug omdat dat heel snel gesignaleerd wordt. Daardoor is de snijwond minder diep.

ASIC-kanalen (acid sensing afbeelding 2 ion channels, afbeelding 2) in het membraan van bepaalde neuronen zijn betrokken bij het genereren van pijnsignalen. Beschadigde cellen scheiden protonen (H+) uit. Deze protonen kunnen pijn opwekken doordat ze ASIC- kanalen van pijnreceptoren openen.

Als je door een slang in je hand gebeten wordt, doet dat pijn doordat in de pijnreceptoren impulsen ontstaan die via sensorische neuronen en schakelcellen naar de hersenen worden geleid.

Vraag 9 2 punten

Hoe leidt zo’n slangenbeet op celniveau tot het ontstaan van een impuls? +

  1. A Instroom van H -ionen leidt tot hyperpolarisatie van pijnreceptoren. +
  2. B Instroom van H -ionen leidt tot depolarisatie van pijnreceptoren. +
  3. C Instroom van Na -ionen leidt tot hyperpolarisatie van pijnreceptoren. +
  4. D Instroom van Na -ionen leidt tot depolarisatie van pijnreceptoren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Een dwarsdoorsnede door de grote hersenen en een dwarsdoorsnede door het ruggenmerg zijn schematisch weergegeven in afbeelding 3. Een aantal neuronen is aangegeven met de nummers 1 tot en met 8.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

2 3

4 1

5 6

7

8

Na een slangenbeet in de rechterhand worden impulsen naar de hersenen geleid.

Vraag 10 2 punten

Welke baan volgen de impulsen na opwekking in een pijnreceptor in de hand tot aan de pijngewaarwording? Schrijf de drie nummers die deze baan aangeven (in afbeelding 3) in de juiste volgorde op.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • 5-7-4 indien 5-6-1 of 5-7-3 (1) in alle andere gevallen (0) (2)

Welk type pijn ervaren wordt, kan het best worden onderzocht bij mensen, maar dat stuit op bezwaren. Daarom vindt in eerste instantie dierexperimenteel onderzoek plaats, met een beperkt bruikbaar resultaat.

Vraag 11 1 punt

Waardoor is het resultaat van dierexperimenteel onderzoek naar pijnbeleving beperkt bruikbaar?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan het antwoord dat dieren pijn anders beleven, of anders reageren op pijn, 1 scorepunt toekennen.

Om hevige pijn te onderdrukken wordt in het ziekenhuis soms morfine toegediend, maar morfine heeft een aantal vervelende bijwerkingen. In slangengif van de zwarte mamba vond de Franse onderzoeksgroep een alternatief voor morfine. Het slangengifeiwit mambalgine blijkt pijn bij muizen te onderdrukken, zonder zichtbare bijwerkingen. De onderzoekers bestudeerden de werking van dit mambalgine in een experiment met muizen. De muizen werden in drie groepen verdeeld die alle een injectie in de hersenvloeistof kregen:

  • Groep 1 kreeg een oplossing met 31 nanomol morfine.
  • Groep 2 kreeg een oplossing met 0,34 nanomol mambalgine.
  • Groep 3 kreeg een controlevloeistof ingespoten. Na de injectie werd op verschillende tijdstippen aan de staart van de muizen een pijnprikkel toegediend. Vervolgens werd genoteerd hoe snel de muizen daarop reageerden door hun staart terug te trekken. De resultaten van deze proef zijn weergegeven in afbeelding 4.

[afbeelding 4: zie het originele examen]

30 Legenda: reactietijd (sec) morfine 25 mambalgine controlevloeistof 20 controle vooraf 15

10

5

−15 15 30 45 60 75 tijd na injectie (min) injectie

Bij de muizen is op twee tijdstippen vóór het toedienen van een injectie de terugtrekreactie van de staart genoteerd. Over deze twee extra metingen worden drie beweringen gedaan:

1 Daarmee kun je controleren of het injecteren zelf een verandering in de terugtrekreactie geeft.

2 Daarmee kun je controleren of de toegediende prikkel een meetbaar effect heeft.

3 Daarmee kun je bepalen wat de (gemiddelde) ‘basissnelheid’ is van de terugtrekreacties.

Vraag 12 2 punten

Zet de drie nummers onder elkaar op je antwoordblad en noteer erachter of de bewering wel of niet een doel kan zijn van de extra metingen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 wel 2 wel 3 wel indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

Twee beweringen naar aanleiding van het muizenexperiment zijn:

1 Morfine heeft een sterker pijnstillend effect dan eenzelfde dosering mambalgine.

2 De pijnstilling door morfine is van kortere duur dan de pijnstilling door mambalgine.

Vraag 13 2 punten

Welke bewering wordt door het experiment ondersteund?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Als mambalgine een nieuw medicijn bij pijnbestrijding wordt, is het nodig om het grootschalig te produceren. Dit kan door het mambalgine-gen in te brengen in het genoom van een bacterie. Vervolgens zou deze bacterie onder gecontroleerde omstandigheden mambalgine kunnen produceren. Het DNA dat daartoe moet worden ingebouwd is een genconstruct dat onder andere cDNA (copy-DNA) van het mambalgine-gen omvat.

Het cDNA wordt verkregen door van mambalgine-mRNA, met behulp van het enzym reverse transcriptase, mambalgine-cDNA te maken.

Vraag 14 2 punten

− Wordt hiervoor pre-mRNA of rijp mRNA (na splicing) gebruikt?

  • Verklaar je keuze.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • rijp mRNA gebruikt wordt (1)
  • omdat daar de introns uit verwijderd zijn / omdat je alleen de exons nodig hebt / omdat bacteriën de splicing niet kunnen uitvoeren (1)

Voor het maken van het recombinant-DNA zijn levende cellen uit de gifklier van een slang nodig.

Vraag 15 1 punt

Waardoor zijn alleen cellen uit de gifklier bruikbaar?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat alleen in de gifklier het mambalgine-gen tot expressie komt / alleen daar mambalgine-RNA gevormd wordt. (1)

Aziatische genen verbeteren het Europees vleesvarken

Veel gunstige eigenschappen van het Europees vleesvarken zijn afkomstig van Chinese zeugen. Deze eigenschappen werden ingekruist om het Europese varkensras te verbeteren.

Na het ontstaan van het wild zwijn (Sus scrofa), ongeveer 4 miljoen jaar geleden, heeft deze voorouder van onze vleesvarkens zich vanuit Zuidoost-Azië over Eurazië verspreid. Domesticatie van varkens heeft zo’n 10.000 jaar geleden zowel in Europa als in Azië plaatsgevonden. Het huidige Europees vleesvarken (Sus scrofa domesticus) is ongeveer

200 jaar geleden ontstaan in het Verenigd Koninkrijk. De Engelse varkenshouders haalden destijds zeugen uit China die vruchtbaarder en vetter waren en kruisten die met hun eigen varkens. Dankzij de Aziatische genen produceren onze vleesvarkens nu meer biggetjes en beter vlees. In afbeelding 1 is dit in een vereenvoudigd cladogram weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Sus scrofa EUROPA AZIË

wild zwijn Europees Aziatisch tam vleesvarken varken

Vraag 16 2 punten

Welke term is van toepassing op het verkrijgen van nieuwe eigenschappen in het Europees vleesvarken, weergegeven door de pijl in afbeelding 1?

  1. A emergente eigenschap
  2. B flessenhalseffect
  3. C founder effect
  4. D genetic drift
  5. E gene flow
  6. F mutatie

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: E

De gedomesticeerde Aziatische en Europese varkensrassen leefden geografisch gescheiden van elkaar tot de mens ze bij elkaar bracht.

Vraag 17 2 punten

Beschrijf twee manieren waarop de grote uiterlijke verschillen tussen deze twee varkensrassen kunnen zijn ontstaan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan het antwoord dat de populaties niet onderling konden kruisen, geen scorepunt toekennen.

Gedomesticeerde dierenrassen hebben meestal een geringere genetische variatie dan populaties in het wild. Uit onderzoek blijkt dat de genetische variatie bij het Europees vleesvarken juist groot is.

Vraag 18 1 punt

Beschrijf aan de hand van een voorbeeld dat genetische variatie voordelig kan zijn voor de vleesvarkenproductie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − In geval van ziekte is er een grotere kans dat er ongevoelige individuen zijn waarmee de populatie weer op peil kan worden gebracht. − Als er vraag is naar een nieuw type vlees zijn er veel verschillende genen om op te kunnen selecteren. (1)

In afbeelding 2 is een energiestroomschema weergegeven dat voor vleesvarkens gebruikt kan worden. Hierin zijn vijf componenten met een letter aangegeven.

[afbeelding 2: zie het originele examen] P R Legenda:

A = assimilatie (resorptie) A P = productiviteit R = respiratie (dissimilatie)

F = feces (ontlasting) I = inname energie

I F

De voedsel-naar-vlees-conversiefactor geeft aan welk deel van de energie in het varkensvoer wordt omgezet in varkensvlees. Door gericht fokken heeft het huidige vleesvarken een heel gunstige conversiefactor gekregen, onder andere doordat component R kleiner is geworden.

Vraag 19 1 punt

Licht toe hoe door gericht fokken op een specifieke eigenschap component R kleiner kan worden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan het antwoord dat er gefokt wordt met varkens die weinig verbranden, geen scorepunt toekennen.

Als een varkenshouder streeft naar een bepaalde combinatie van eigenschappen kan dit bemoeilijkt worden door gekoppelde overerving. Tijdens de meiose kan de koppeling van genen verbroken worden.

Vraag 20 1 punt

Door welk proces tijdens de meiose kan recombinatie van gekoppelde genen plaatsvinden?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • door crossing-over (1)

In Japan is de vleeskwaliteit van het hoogproductieve varkensras Duroc verbeterd door genen van het Jinhua-varken in te kruisen. Jinhua-varkens hebben mals vlees, maar zijn weinig productief. In afbeelding 3 is weergegeven hoe door kruising en terugkruising op de klassieke manier het varkensras veredeld kan worden.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

− Stap 1: kruising tussen een Duroc-beer (mannetje) en Jinhua-zeugen (vrouwtjes) om een ‘hybride’ F1-generatie te produceren.

  • Stap 2: van deze F1 worden de zeugen gebruikt om terug te kruisen met een andere Duroc-beer. Uit deze kruising ontstaat een F2.
  • Stap 3 en 4: het terugkruisen met een Duroc-beer wordt nog twee keer herhaald en levert een groep F4-beren en F4-zeugen op.
  • Stap 5: de F4 wordt onderling gekruist.

In de uitwerkbijlage staat een vereenvoudigde versie van het kruisingsschema (afbeelding 3), waarin de gebruikte individuen en groepen varkens zijn weergegeven als rondjes. Een zwart rondje betekent dat dit varken of deze groep varkens een 100% Jinhua-genoom heeft, een wit rondje betekent een 100% Duroc- genoom. In het schema is het genoom van de dieren bij stap 1 en stap 2 al ingevuld.

Vraag 21 2 punten

Vul het schema aan zodat van elk varken en van elke groep varkens duidelijk wordt welk deel van het genoom (gemiddeld) afkomstig is van het ras Jinhua en welk deel (gemiddeld) afkomstig is van het ras Duroc. Ga ervan uit dat elk chromosoom evenveel kans heeft om aan de volgende generatie te worden doorgegeven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat in één of meer van de Duroc-beren zwart aangeeft, het eerste scorepunt niet toekennen.

Vraag 22 2 punten

Is het mitochondriaal DNA in de cellen van de varkens van de F5-generatie (afbeelding 3) afkomstig van het ras Duroc?

A nee

B in sommige cellen wel en in andere cellen niet

C bij sommige individuen wel en bij andere individuen niet

D ja, in alle cellen van alle individuen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Bij deze vraag moeten altijd 2 scorepunten worden toegekend, ongeacht of er wel of geen antwoord gegeven is, en ongeacht het gegeven antwoord.

Tegenwoordig kunnen eigenschappen van een ander ras dankzij DNA-technieken efficiënter ingekruist worden dan voorheen. Een recent voorbeeld komt uit Japan. De malsheid van varkensvlees wordt bepaald door een complex van genen op chromosoom 2 van het varkensgenoom. De Japanse onderzoekers voerden een serie kruisingen uit waarbij ze de zeugen selecteerden op basis van een DNA-test. Met behulp van genetische markers (bepaalde stukjes DNA of genen) selecteerden ze zeugen die de gewenste ‘malsheidgenen’ van het Jinhua-ras hadden, maar waarin het Duroc-genoom maximaal behouden was.

Bij de beschreven Japanse veredelingsmethode om malsheid te verbeteren in een hoogproductief varkensras, werd voor de selectie gebruikgemaakt van een DNA-techniek met markers. Dit werd gedaan omdat het heel lastig is om op malsheid te veredelen als het genotype voor malsheid van de varkens niet bekend is.

Vraag 23 1 punt

Verklaar waarom het lastig is deze veredeling uit te voeren op basis van fenotype.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Je zou dan van alle zeugen een (flink) biopt moeten nemen om te onderzoeken hoe mals het vlees is, voordat je het dier voor de fok gebruikt. − Om het vlees te proeven moet je het dier slachten, waardoor je het niet meer voor kruisingen kunt gebruiken. − Je kunt aan een levend varken niet zien (voelen) hoe mals het vlees zal smaken. (1)

Om alléén de malsheidgenen uit het Jinhua-genoom in het Duroc-genoom in te kruisen en voor de rest het Duroc-genoom zo veel mogelijk te behouden, zijn voor stap 3, 4 en 5 van het kruisings-programma (afbeelding 3) individuen geselecteerd op basis van genetische markers in het DNA. In afbeelding 4 zijn schematisch vier chromosomen van het varkens-genoom weergegeven. Met een wit blokje is de doelwitlocus op chromosoom 2 aangegeven: hier ligt het complex van genen dat de malsheid van het vlees bepaalt. Met pijltjes is de plaats van de verschillende markers aangegeven.

[afbeelding 4: zie het originele examen] marker markers markers type I type II type III

1 2 3 4 1 2 3 4 1 2 3 4

De drie typen markers (I, II, III), hebben elk een eigen selectiedoel. Dieren werden alleen gebruikt om mee verder te fokken als alle drie de typen markers aangetoond konden worden.

Vraag 24 3 punten

− Zet de markers type I, type II en type III

  • met een tussenregel
  • onder elkaar op je antwoordblad en noteer erachter met welk doel het betreffende markertype wordt gebruikt.
  • Noteer ook bij elk markertype of het wordt gebruikt om DNA van Jinhua of van Duroc aan te tonen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerkingen Als bij alle drie de markers vergeten is aan te geven of het Jinhua- of Duroc-DNA betreft, hiervoor 1 scorepunt in mindering brengen. Als bij alle drie de markers juist is aangegeven of het Jinhua- of Duroc- DNA betreft, echter zonder juiste selectiedoelen, hiervoor 1 scorepunt toekennen.

De Japanse onderzoekers hadden de malsheidgenen uit het Jinhua-DNA ook met behulp van recombinant-DNA-techniek in het genoom van een Duroc-varken kunnen brengen.

Vraag 25 2 punten

Is het malse vlees van zo’n Duroc-varken dan te beschouwen als genetisch gemodificeerd? En is het dier dan cisgeen, transgeen of geen van beide?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: E (2)

Diarreebacterie slaat toe door antibioticagebruik

Veel gezonde mensen dragen de darmbacterie Clostridium difficile bij zich zonder er last van te hebben. Bij ziekenhuispatiënten kan deze bacterie echter een levensgevaarlijke diarree veroorzaken die lastig te genezen is. Ziekenhuizen treffen maatregelen om besmetting op te sporen en te voorkomen.

Clostridium difficile is een anaerobe bacteriesoort die ongunstige omstandigheden kan overleven in de vorm van sporen (afbeelding 1). Sommige C. difficile-stammen produceren toxische eiwitten. Door deze toxines gaan epitheelcellen van het dikkedarmslijmvlies dood, wat afbeelding 1 leidt tot een hardnekkige diarree die CDAD (Clostridium difficile associated diarrhea) wordt genoemd. De bacterie slaat vooral toe bij mensen die breedspectrum-antibiotica gebruiken. Deze antibiotica zijn werkzaam tegen verschillende bacteriën en worden veel C. difficile met sporen toegepast in ziekenhuizen.

De bouw en werking van onderdelen van het spijsverteringsstelsel vormen bij een gezond mens een natuurlijke bescherming tegen ziekte- verwekkende bacteriën zoals C. difficile.

Vraag 26 2 punten

Beschrijf van deze bescherming:

  • een werkingsmechanisme op moleculair niveau;
  • een ander werkingsmechanisme op orgaan- of orgaanstelselniveau.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist werkingsmechanisme op moleculair niveau:

  • Antistoffen (IgA en IgG) in darmsap maken bacteriën onschadelijk.
  • In het speeksel zitten lysozymen met een antibacteriële werking.
  • Eiwitverterende enzymen breken (membranen van) bacteriën af.
  • Het door maagwandcellen geproduceerde HCl beschadigt bacteriën.

voorbeelden van een juist werkingsmechanisme op orgaan- of orgaanstelselniveau:

  • De peristaltische beweging in de dunne darm voert bacteriën af.
  • De binnenzijde van de darm is door een slijmlaag beschermd tegen bacteriën.
  • Bedorven voedsel met bacteriën kan worden uitgebraakt.
  • Door de lage pH in de maag worden bacteriën gedood.
  • Door diarree kan bedorven voedsel de darm snel verlaten.

Opmerking Als het gegeven voorbeeld op het moleculair niveau overlapt met dat van het niveau van orgaan/orgaanstelsel, maximaal 1 scorepunt toekennen.

In de dikke darm leven honderden verschillende soorten symbiotische bacteriën, de zogenoemde darmflora. Commensalisme, mutualisme en parasitisme zijn verschillende vormen van symbiose.

Vraag 27 2 punten

Welke vormen van symbiose kunnen bestaan tussen darmbacteriën en de mens?

  1. A alleen commensalisme en mutualisme
  2. B alleen commensalisme en parasitisme
  3. C alleen mutualisme en parasitisme
  4. D commensalisme, mutualisme en parasitisme

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

De darmbacteriën die deel uitmaken van een gezonde darmflora dragen bij aan de bescherming tegen ziekteverwekkende bacteriën. C. difficile is bij veel mensen aanwezig in de darmflora, zonder ziekteverschijnselen te veroorzaken.

Vraag 28 2 punten

Leg uit dat door een bepaalde eigenschap van C. difficile het gebruik van breedspectrum-antibiotica bij ziekenhuispatiënten een gevaarlijke vermeerdering van juist deze bacterie in hun darmen mogelijk maakt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • (door gebruik van deze antibiotica) vooral de C. difficile-sporen overleven (en een groot deel van de reguliere darmflora niet) (1)
  • (waardoor) tijdens/na de kuur er meer ruimte is voor C. difficile om zich te vestigen / er minder concurrentie is van andere bacteriën / waardoor C. difficile zich na de kuur als eerste zal vermeerderen (1)

De toxinen van C. difficile beschadigen in darmepitheelcellen het buitenmembraan van de mitochondriën. Dit leidt tot apoptose van deze darmcellen en dus tot verlies van darmepitheel.

Vraag 29 2 punten

Hoe leidt deze schade aan de mitochondriën tot apoptose?

  1. A Cytochroom-c komt in het cytoplasma terecht en activeert enzymen die het DNA afbreken. +
  2. B H -ionen komen in het cytoplasma terecht, waardoor de cel verzuurt.
  3. C NADH en FADH 2 komen in het cytoplasma terecht, waardoor geen ATP meer kan worden gevormd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Bij het vermoeden van een C. difficile-infectie wordt de ontlasting (feces) van de patiënt onderzocht op aanwezigheid van de bacterie en/of de toxinen. Daarnaast is er een DNA-strip ontwikkeld waarmee specifieke genen van C. difficile in het fecesmonster opgespoord kunnen worden. Het gaat om de genen die coderen voor toxine A, toxine B en voor binair toxine, en verder om bepaalde regulatorgenen (die de hoeveelheid toxine reguleren) en het resistentie-gen tegen het antibioticum moxifloxacine. Voorafgaand aan deze test wordt het fecesmonster geprepareerd, zoals schematisch is weergegeven in afbeelding 2. Daarbij worden DNA- strengen geproduceerd waaraan een biotinemolecuul (aan de 5’-kant van de primer) is gebonden. Hierna vindt de eigenlijke test plaats met een DNA-strip, zoals weergegeven in afbeelding 3.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

[afbeelding 3: zie het originele examen]

Vraag 30 2 punten

− Noteer de naam van de methode (afbeelding 2) waarmee het DNA kunstmatig wordt vermenigvuldigd.

  • Beschrijf de functie van de biotine in deze test (afbeelding 3).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan het antwoord DNA-replicatie (als naam voor de methode) geen scorepunt toekennen.

Vraag 31 2 punten

Welke bindingen worden gevormd tijdens de hybridisatie (stap 1 in afbeelding 3)?

  1. A deoxyribose-fosfaatbindingen
  2. B peptidebindingen
  3. C waterstofbruggen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Het resultaat van zo’n test met een DNA-strip is in afbeelding 4 als voorbeeld weergegeven, met daarbij aangegeven de plaats en betekenis van de verschillende bandjes.

[afbeelding 4: zie het originele examen]

kleuring controle DNA-vermeerdering controle

tpi locus controle C. difficile C. difficile tcdA probe toxinegenen A en B tcdB probe cdtA probe binair toxinegen cdtB probe tcdC 1 locus controle tcdC-18bp wildtype probe tcdC-39bp wildtype probe deletie in regulatorgen tcdC tcdC 2 locus controle tcdC-117 wildtype probe gyrA locus controle gyrA wildtype probe moxifloxacineresistentie gyrA mutatie probe 1A gyrA mutatie probe 1B

markering stripeinde

In dit voorbeeld zijn zes bandjes donker gekleurd. Daaruit blijkt dat in het fecesmonster van de patiënt een ongevaarlijke stam van C. difficile zit, die gevoelig is voor het antibioticum moxifloxacine.

Van vier patiënten met diarree wordt de ontlasting onderzocht met de DNA-striptest. De testuitslagen (bandjespatronen 1, 2, 3 en 4) van deze patiënten zijn in afbeelding 5 weergegeven.

[afbeelding 5: zie het originele examen]

kleuring controle DNA-vermeerdering controle

tpi locus controle C. difficile tcdA probe tcdB probe cdtA probe cdtB probe tcdC 1 locus controle tcdC-18bp wildtype probe tcdC-39bp wildtype probe tcdC 2 locus controle tcdC-117 wildtype probe gyrA locus controle gyrA wildtype probe gyrA mutatie probe 1A gyrA mutatie probe 1B

markering stripeinde

1 2 3 4

De testuitslagen leiden tot vier diagnoses van de bijbehorende patiënten, die hieronder in willekeurige volgorde zijn weergegeven. P: Bij deze patiënt wordt de diarree niet veroorzaakt door C. difficile. Q: Deze patiënt is besmet met een pathogene stam van C. difficile, die bestreden kan worden met moxifloxacine. R: Deze patiënt is besmet met een pathogene, moxifloxacine- resistente stam van C. difficile. S: Van deze patiënt is de test onbetrouwbaar.

Vraag 32 2 punten

Zet de letters van de patiënten (P, Q, R en S) onder elkaar op je antwoordblad en koppel elke patiënt aan een van de testuitslagen (nummer 1, 2, 3 of 4).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • P: 1 Q: 3 R: 4 S: 2 indien vier nummers juist (2) indien drie of twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

Het VU Medisch Centrum in Amsterdam treft extra maatregelen om een uitbraak van C. difficile te voorkomen. Daar ‘werkt’ de beagle Cliff (afbeelding 6), een speurhond die ruikt of een patiënt besmet is met C. difficile. Cliff is getraind om naast (het bed van) een besmette patiënt te gaan zitten.

[afbeelding 6: zie het originele examen]

Testen met hond Cliff gaat veel sneller dan de test met de DNA-strip, waardoor de behandeling van de patiënt ook snel kan beginnen.

Vraag 33 1 punt

Noteer nog een biomedisch voordeel van het gebruik van Cliff om C. difficile in het ziekenhuis op te sporen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan een antwoord dat een nadere aanduiding geeft van ‘het is sneller’, geen scorepunt toekennen.

Bij patiënten met hardnekkige CDAD is fecestransplantatie bijzonder effectief gebleken. Hierbij wordt na een darmspoeling een fecessuspensie van een gezonde donor via een katheter rechtstreeks in de dunne darm gebracht. In een vakblad wordt de succesvolle fecestransplantatie beschreven van een vrouw die al acht maanden leed aan zeer ernstige CDAD. Ze kreeg een eenmalige transplantatie met feces van haar echtgenoot. Aan de hand van genetische vingerafdrukken van haar darmflora en die van het transplantaat kon het resultaat gevolgd worden. Daartoe zijn op verschillende momenten vóór en na de transplantatie in totaal acht fecesmonsters verzameld van haarzelf (de patiënt) en haar man (de donor). Elk monster, genummerd 1 tot en met 8, werd twee keer geanalyseerd (a en b).

De resultaten zijn weergegeven in het dendrogram van afbeelding 7. Het dendrogram toont de mate van genetische overeenkomst tussen de monsters. [afbeelding 7: zie het originele examen] 0, overeenkomst

0,

0,

0,

0,

0,

0,

0, 12

24

36

48

60

72

84

96 0

2a

2b

3a patiënt, dag -7 (3 x 2 monsters) 3b

1a

1b

5a patiënt, dag 0 (2 monsters) 5b

4a donor, dag 0 (2 monsters) 4b

6a

6b patiënt, dag 14 (2 x 2 monsters) 7a

7b

8a patiënt, dag 33 (2 monsters) 8b

De behandeling was succesvol, want twee dagen na de transplantatie had de vrouw weer vaste ontlasting. In het dendrogram is het effect van de behandeling op de darmflora terug te zien.

Vraag 34 2 punten

Beschrijf hoe uit het dendrogram blijkt dat de behandeling succesvol was.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • na de behandeling er (op dag 14 en dag 33) minder overeenkomst is met de darmflora van voor de behandeling (dag -7 en dag 0) / na de behandeling de darmflora die haar ziek maakte verdwenen is (1)
  • na de behandeling de darmflora (op dag 14 en dag 33) meer overeenkomt met een gezonde darmflora / met de darmflora van haar man/donor (1)

Kas vol koolstofdioxide

Moderne tomatenteeltbedrijven maken gebruik van complexe regelsystemen die alle factoren voor de plantengroei optimaal houden. Wat optimaal is, wordt bepaald door wetenschappelijk onderzoek en de praktijkervaring van telers.

Een teler probeert in zijn kassen de productie van tomaten zo hoog mogelijk te maken door onder meer de temperatuur en de CO2- concentratie te reguleren. In een gesloten kas kan de CO2-concentratie dalen en daarmee de productie. Door in de zomer te ventileren wordt het niet te warm en blijft het CO2-gehalte op peil. In de winter wordt aardgas verstookt voor verwarming en het daarbij gevormde CO2 naar de kas geleid.

De invloed van de CO2-concentratie op de productie van tomatenplanten in experimenteerkassen is weergegeven in afbeelding 1. De productie bij de CO2-concentratie van de buitenlucht is op 100% gesteld.

[afbeelding 1: zie het originele examen] 160 relatieve productie 140 % 120 100 80 60 40 20 0 0 5 0 5 0 5 0 5 0 5 0 5 50 25 00 75 50 15 22 30 37 45 52 60 67 75 82 90 97 10 11 12 12 13

CO2-dosering (ppm)

In de experimenteerkassen blijkt een verhoging van de CO2-dosering boven de 1000 ppm nauwelijks te leiden tot een verdere verhoging van de opbrengst aan tomaten.

Vraag 35 3 punten

− Noteer twee andere abiotische factoren die dan beperkend kunnen zijn voor de opbrengst van de planten.

  • Beschrijf hoe een onderzoeker die beschikt over een aantal experimenteerkassen kan onderzoeken welke van de twee genoteerde factoren beperkend is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van juiste factoren zijn:

  • licht
  • water
  • voedingsstoffen
  • temperatuur

Opmerking Als de kandidaat in zijn beschrijving antwoordt dat de genoteerde beperkende factoren worden verlaagd in plaats van verhoogd (met een verder juist antwoord), het derde scorepunt toekennen.

In de tomatenteelt betekent ‘productie’ het aantal kilogram tomaten per oppervlakte in een bepaalde tijd. Dat is heel wat anders dan de in de ecologie gebruikte term netto primaire productie (NPP).

Vraag 36 2 punten

Waarin verschilt de door de telers gebruikte term productie van tomaten in een kas van het begrip NPP in dezelfde kas? Noteer twee aspecten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • de ‘productie’ betrekking heeft op alleen de vruchten van de plant / de NPP betrekking heeft op de (tomaten)planten als geheel (1)
  • bij ‘productie’ het versgewicht wordt gebruikt / de NPP het drooggewicht / de biomassa / het gewicht aan organische stof omvat (1)

Twee sectoren in de tomatenteelt zijn:

1 de gangbare teelt, waarbij de planten op steenwol groeien in een oplossing met voedingszouten

2 de biologische teelt, waarbij de planten groeien in aarde die regelmatig met compost wordt bijgemest Om een even hoog CO2-gehalte in de kas te handhaven hoeft bij de biologische teelt minder CO2 toegevoegd te worden dan bij de gangbare teelt.

Vraag 37 1 punt

Geef hiervoor een verklaring.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat in de biologische teelt de bodemorganismen/reducenten ook CO 2 produceren. (1)

Uitrolbare schermen kunnen warmteverlies in de kas verminderen als het buiten koud is. Deze schermen worden ook gebruikt om op zomerse dagen de felle zonnestraling te temperen. Bij te veel zonnestraling op zomerse dagen is er kans op opbrengstverlies als gevolg van een beperkte CO 2-opname van de planten.

Vraag 38 2 punten

Leg uit waardoor de CO2-opname van de planten op een warme zomerse dag wordt beperkt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerkingen Aan het antwoord dat de bladeren mogelijk verdorren waardoor diffusie niet meer mogelijk is, in totaal 1 scorepunt toekennen. Aan het antwoord dat bij grote hitte de enzymen van de fotosynthese onwerkzaam worden waardoor de plant geen CO2 verbruikt, 2 scorepunten toekennen.

Gewoonlijk doseren tomatentelers de CO2-concentratie in de kas tussen

800 en 1000 ppm. Onderzoekers van Wageningen University & Research hebben in twee experimenteerkassen de CO 2-dosering in de loop van de teeltperiode gehalveerd en het effect op de productie van tomaten onderzocht. Tegen de verwachting in bleek de productie vrijwel gelijk te blijven. Bij nader onderzoek bleek dat bij de gehalveerde CO2-dosering het aantal huidmondjes per cm2 bladoppervlak in de loop van het groeiseizoen groter was geworden.

Vraag 39 2 punten

Leg uit hoe de plant hierdoor de lagere CO2-dosering kan compenseren. Gebruik in je antwoord een van de factoren uit de wet van Fick die de diffusiesnelheid beïnvloeden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op de opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juiste uitleg:

  • Als er meer huidmondjes zijn, is het totale diffusieoppervlak groter, waardoor (per tijdseenheid) meer CO 2 het blad in kan diffunderen.
  • Als er meer huidmondjes zijn, is de afstand tussen een huidmondje en (fotosynthetiserende) cellen gemiddeld kleiner, zodat CO 2 sneller opgenomen wordt.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2019, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1018-a-19-1-o

Andere examens biologie vwo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2019, tijdvak 1?

Het centraal examen biologie vwo 2019, tijdvak 1 loopt tot vraag 39. Van 38 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over erfelijkheid (10), afweer (7) en zenuwstelsel en hormonen (6).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2019, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2019, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1018-a-19-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2019, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.