Eindexamen biologie vwo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Bloedplaatjes belaagd, Synthetische biologie: ombouwen van E. coli, Imker door bijensteken naar de eerste hulp, CRISPR in de strijd tegen overgewicht, Zetmeelmatten voor de kust.
Het centraal examen biologie vwo 2026, tijdvak 1 loopt tot vraag 41. Van 40 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over bloedsomloop (6), afweer (6) en ecologie (6). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Bloedsomloop | 1-4, 22, 27 | 6 |
| Afweer | 8, 10, 20-21, 25, 33 | 6 |
| Ecologie | 12, 37-41 | 6 |
| DNA en eiwitsynthese | 14, 17, 31-32, 34, 36 | 6 |
| Erfelijkheid | 5-6, 9, 11 | 4 |
| Planten en fotosynthese | 13, 15, 18-19 | 4 |
| Cellen | 23-24, 30 | 3 |
| Voortplanting | 7 | 1 |
| Evolutie | 16 | 1 |
| Zenuwstelsel en hormonen | 26 | 1 |
| Ademhaling | 28 | 1 |
| Voeding en vertering | 29 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over bloedsomloop (15% van de vragen, gemiddeld 5%) en afweer (15% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over zenuwstelsel en hormonen (3% van de vragen, gemiddeld 10%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Bloedplaatjes belaagd
Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale situaties en gezonde organismen.
Toen Rosie werd geboren, viel het de verloskundige op dat ze rode en paarse vlekjes had over haar hele lichaam.
In het ziekenhuis werd de samenstelling van Rosies bloed bekeken. Het bleek dat ze een vorm van trombocytopenie heeft, een tekort aan bloedplaatjes. De paarse vlekjes bij Rosie zijn kleine bloedingen in de huid (bloeduitstortinkjes).
Bloedplaatjes zorgen voor de instandhouding van de cell junctions: de verbindingen tussen de endotheelcellen (dekweefselcellen) van de bloedvaten.
Vraag 1 2 punten
Leg uit – aan de hand van dit gegeven – hoe de bloeduitstortinkjes in Rosies huid ontstaan.
Foto van een slapende pasgeboren baby, bij de casus over Rosie. Bekijk in Opgaven, pagina 2
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- door het tekort aan bloedplaatjes de hechting tussen endotheelcellen vermindert, / door het tekort aan bloedplaatjes de verbindingen tussen endotheelcellen worden afgebroken,
- (waardoor) bloed kan weglekken uit de bloedvaten/haarvaten.
Bloedplaatjes ontstaan in het rode beenmerg. Bij de differentiatie van megakaryoblasten ontstaan grote cellen die uiteindelijk uiteenvallen in kleine blaasjes zonder celkern: de bloedplaatjes. De rijping van de megakaryoblasten wordt gestimuleerd door het signaaleiwit TPO. Een terugkoppelingsmechanisme met het aantal bloedplaatjes zorgt ervoor dat in een gezonde situatie de concentratie bloedplaatjes in het bloed stabiel blijft.
Vraag 2 2 punten
Neemt door een toename van het aantal bloedplaatjes de TPO-concentratie af of toe? En is deze regulatie van de concentratie bloedplaatjes een voorbeeld van negatieve terugkoppeling of van positieve terugkoppeling?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
Om de trombocytopenie bij Rosie vast te stellen, is het aantal bloedplaatjes in het bloed bepaald. Door toevoeging van een kleurstof aan een microscopisch preparaat van bloed, worden bloedplaatjes zichtbaar als donkere vlekken.
In de afbeelding zijn een microscopisch preparaat van normaal bloed en een microscopisch preparaat van het bloed van Rosie weergegeven.
Vraag 3 2 punten
Hoeveel bloedplaatjes zijn ongeveer aanwezig in een mm³ bloed van Rosie? Gebruik je informatieboek.
Twee microscopische preparaten van bloed, normaal bloed en bloed van Rosie, met bloedplaatjes als donkere vlekken. Bekijk in Opgaven, pagina 3
Bekijk het antwoord
Antwoord: E
E
Door het tekort aan bloedplaatjes treedt bij Rosie tijdens een bloeding verminderde bloedstolling op. Interne bloedingen zouden daardoor ernstige gevolgen hebben voor Rosie.
Hieronder staan enkele stoffen die betrokken zijn bij bloedstolling.
- 1 protrombine
- 2 trombine
- 3 fibrinogeen
- 4 fibrine
Bij Rosie zal de concentratie van een aantal van deze stoffen lager zijn dan bij een gezonde persoon.
Vraag 4 2 punten
Noteer de nummers van die stoffen.
Bekijk het antwoord
2 en 4
Nadat andere oorzaken werden uitgesloten, vermoedden de artsen dat bij Rosie sprake was van een afweerreactie tegen de antigenen op haar bloedplaatjes. Deze antigenen worden HPA's (human platelet antigens) genoemd.
Elk bloedplaatje heeft een aantal verschillende HPA's. Van de genen die coderen voor deze HPA's, komen alle aanwezige allelen tot expressie. In tabel 1 zie je gegevens van twee van deze genen.
Tabel 1
| gen | chromosoomnummer | allel | antigeen | allelfrequentie in Noordwest-Europa |
|---|---|---|---|---|
| HPA1-gen | 17 | 1a | HPA-1a | 0,84 |
| 1b | HPA-1b | 0,16 | ||
| HPA5-gen | 5 | 5a | HPA-5a | 0,92 |
| 5b | HPA-5b | 0,08 |
Vraag 5 1 punt
Waarvan is sprake bij het HPA1-gen en het HPA5-gen op basis van de informatie?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
HPA-1a en HPA-1b bestaan beide uit 762 aminozuren. Het verschil tussen HPA-1a en HPA-1b is slechts één aminozuur: op positie 33 is bij HPA-1a leucine ingebouwd; bij HPA-1b proline. Dit is het gevolg van een puntmutatie in het HPA1-gen.
Hieronder staan uitspraken over de mutatie.
- 1 De mutatie kan een insertie zijn.
- 2 De mutatie bevindt zich in een intron.
- 3 De mutatie betreft de derde base in het coderende triplet.
Vraag 6 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist
- 2 onjuist
- 3 onjuist
Als de antigenen op de bloedplaatjes van het kind verschillen van die van de moeder, en er – bijvoorbeeld tijdens de bevalling – bloedplaatjes van het kind in het bloed van de moeder terechtkomen, ontstaat er bij de moeder een afweerreactie waarbij antistoffen worden gevormd. Hierdoor kan trombocytopenie optreden bij een volgend kind.
Vraag 7 1 punt
Verklaar waardoor bloedplaatjes van de foetus normaal gesproken niet terecht kunnen komen in het bloed van de moeder.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat de placenta bloedplaatjes niet doorlaat. / dat de bloedstromen (van moeder en foetus) van elkaar gescheiden zijn.
HPA-1a komt ook tot expressie in endotheelcellen van het placentaweefsel van de foetus. Hierdoor komt trombocytopenie soms al tijdens de eerste zwangerschap voor.
Als het immuunsysteem van de moeder geactiveerd wordt, zijn daarbij een antigeen, antigeen-presenterende cellen (APC's) en T-helpercellen betrokken.
Vraag 8 2 punten
Schrijf antigeen, APC's en T-helpercellen onder elkaar. Noteer erachter of deze dan van de foetus of van de moeder afkomstig zijn.
Bekijk het antwoord
- antigeen: foetus
- APC's: moeder
- T-helpercellen: moeder
Om het tekort aan bloedplaatjes op te vangen, kreeg Rosie een infuus met bloedplaatjes. Omdat nog niet bekend was welke antistoffen bij Rosie aanwezig waren, werd gekozen voor bloedplaatjes zonder HPA-1a. De kans is namelijk het grootst dat de trombocytopenie wordt veroorzaakt door antistoffen tegen HPA-1a.
Vraag 9 2 punten
Hoeveel procent van de Noordwest-Europese populatie heeft bloedplaatjes zonder HPA-1a? Neem aan dat de wet van Hardy-Weinberg geldt.
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
[q = 0,16; q² = 0,0256 → 2,6%]
Uit het bloedonderzoek bleek dat Rosies bloed antistoffen bevat tegen HPA-1a en tegen HPA-5b. Ook werd haar genotype en dat van haar ouders bepaald. Rosie bleek een ander genotype voor HPA-1 en HPA-5 te hebben dan haar moeder. Daaruit concludeerden de artsen dat de trombocytopenie bij Rosie werd veroorzaakt door antistoffen die ze van haar moeder had gekregen tijdens de zwangerschap.
De afweerreactie die door de antistoffen wordt veroorzaakt in het lichaam van Rosie wordt allo-immuniteit genoemd.
Vraag 10 2 punten
Is de allo-immuniteit bij Rosie een vorm van actieve immuniteit of van passieve immuniteit? En welk type antistof tegen HPA-1a en HPA-5b wordt bij haar aangetroffen?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
Rosies vader heeft genotype 1a1b 5a5b. Met de informatie in het kader boven vraag 10 zijn ook de genotypen van Rosie en van Rosies moeder af te leiden voor de genen die coderen voor HPA-1 en HPA-5.
Vraag 11 2 punten
Schrijf Rosie en moeder onder elkaar. Noteer het genotype van de betreffende persoon erachter. Gebruik de notatie uit tabel 1.
Bekijk het antwoord
- Rosie: 1a1b 5a5b
- moeder: 1b1b 5a5a
Synthetische biologie: ombouwen van E. coli
Biologen hebben onderzocht welke stappen nodig zijn om een heterotrofe bacterie om te bouwen tot een chemo-autotrofe bacterie.
De biologen gebruikten voor hun onderzoek de darmbacterie Escherichia coli. Het genoom van deze bacterie is bekend, en de bacterie is snel en eenvoudig te kweken. E. coli is heterotroof en kan zowel aerobe als anaerobe dissimilatie uitvoeren. In de darmen van mensen bevordert E. coli de vertering en produceert B-vitamines en vitamine K. Sommige varianten van de bacterie zijn voor mensen ziekmakend.
Vraag 12 2 punten
Uit de tekst blijkt dat er sprake is van symbiose tussen de verschillende E. coli-varianten en de mens:
- 1 tussen de mens en niet-ziekmakende varianten;
- 2 tussen de mens en ziekmakende varianten.
Schrijf de nummers 1 en 2 onder elkaar. Noteer erachter welke vorm van symbiose het meest passend is bij de bijbehorende relatie.
Bekijk het antwoord
- 1: mutualisme
- 2: parasitisme
Om E. coli autotroof te maken, brachten de biologen genen in die coderen voor enkele enzymen van de calvincyclus. Deze genen zijn afkomstig van de bacterie Pseudomonas. Ook werd een gen ingebracht dat codeert voor het enzym FDH. Door dit enzym kan de stof methaanzuur dienen als donor van energierijke elektronen.
In afbeelding 1 zijn de stofwisselingsprocessen in de autotrofe E. coli-bacterie weergegeven zoals de onderzoekers die ontworpen hadden. In het kweekmedium zijn methaanzuur en zuurstof voldoende aanwezig.
In afbeelding 1 staan de stoffen Q en R, en het proces S dat op de celmembraan plaatsvindt.
Vraag 13 2 punten
Schrijf de letters Q, R en S onder elkaar. Noteer de naam van de bijbehorende stoffen achter Q en R, en de naam van het bijbehorende proces achter S.
Schema van een autotrofe E. coli-cel met methaanzuur, CO₂, FDH, NAD⁺/NADH, stof Q, stof R, proces S, de calvincyclus en koolhydraten. Bekijk in Opgaven, pagina 6
Bekijk het antwoord
- Q: ADP én R: ATP
- S: oxidatieve fosforylering / ademhalingsketen
De aanpassingen die de biologen deden aan E. coli zijn een voorbeeld van genetische modificatie.
Vraag 14 1 punt
Is de gemodificeerde E. coli cisgeen of transgeen? Licht je antwoord toe.
Bekijk het antwoord
transgeen, met een toelichting waaruit blijkt dat de genen afkomstig zijn van een andere bacterie/soort
Bij de gemodificeerde E. coli is methaanzuur de donor van elektronen voor het verloop van de calvincyclus.
Vraag 15 1 punt
Wat is de elektronendonor bij foto-autotrofe organismen?
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
De volgende stap was het stimuleren van de autotrofe levenswijze van E. coli. Dit kan worden bereikt door ervoor te zorgen dat E. coli geen glucose meer kan gebruiken voor de productie van ATP. De biologen schakelden daartoe drie genen uit die coderen voor enzymen die betrokken zijn bij de glycolyse. Vervolgens werd deze gemodificeerde E. coli gekweekt in een bioreactor (afbeelding 2) waaraan continu een voedingsmedium werd toegevoegd. Dit bevatte onder andere methaanzuur en de monosacharide xylose.
Xylose was nodig om ervoor te zorgen dat de bacteriën niet meteen zouden sterven aan energiegebrek. E. coli kan xylose namelijk omzetten in pyrodruivenzuur zonder daarbij gebruik te maken van de glycolyse. Tijdens de kweekperiode werd de hoeveelheid xylose in het voedingsmedium geleidelijk afgebouwd naar nul. Vanaf de bodem van de reactor werd lucht met CO₂ toegevoegd.
De E. coli-bacteriën waarmee werd gestart, hadden nog veel stofwisselingsprocessen die passen bij een heterotrofe levenswijze. Na 300 dagen waren de bacteriën in de bioreactor echter volledig autotroof.
Vraag 16 2 punten
Leg uit hoe de E. coli-bacteriën in de bioreactor konden evolueren tot volledig autotrofe bacteriën. Benoem ook de selectiedruk die hierbij een rol speelde.
Schema van de bioreactor met voedingsmedium met xylose en methaanzuur, luchttoevoer met CO₂, roerder, ontluchting en afvoer. Bekijk in Opgaven, pagina 7
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- er genetische variatie is in de mate waarin E. coli-bacteriën (al) autotroof zijn. / er mutaties ontstaan die sommige E. coli-bacteriën meer autotroof maken.
- de lage concentratie xylose / de afnemende hoeveelheid xylose de selectiedruk vormt (die de meer autotrofe bacteriën een selectievoordeel geeft).
De biologen wilden weten of de gemodificeerde E. coli-bacteriën aan het einde van de kweekperiode alleen CO₂ gebruikten als koolstofbron. Om dat te onderzoeken, gebruikten ze koolstofverbindingen die gelabeld waren met de koolstofisotoop ¹³C.
Ze maakten vier groepen die ze gelabeld of ongelabeld CO₂, en gelabeld of ongelabeld methaanzuur gaven. Als positieve controle was er een vijfde groep met normale (wildtype) E. coli-bacteriën die gelabelde glucose kregen. De vijf groepen bacteriën werden in aparte proefopstellingen gedurende tien generaties verder gekweekt.
Na afloop werd het aandeel ¹³C in de aminozuren gemeten. De resultaten van deze proeven zijn weergegeven in afbeelding 3.
E. coli maakt aminozuren van glucose en anorganische stoffen uit het voedingsmedium. De positieve controle met wildtype E. coli laat zien dat de ¹³C uit de glucose inderdaad terechtkomt in aminozuren.
Vraag 17 2 punten
- Noteer de naam van het proces waarbij aminozuren geproduceerd worden van glucose en anorganische stoffen.
- Geef een voorbeeld van een anorganische verbinding die aan het voedingsmedium moet worden toegevoegd om dit proces mogelijk te maken.
Staafdiagram van het percentage ¹³C in aminozuren voor vijf groepen bacteriën. Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
- stikstofassimilatie / voortgezette assimilatie
- ammoniak / NH₃ / ammonium / NH₄⁺ / nitraat / NO₃⁻
Vraag 18 2 punten
Licht toe aan de hand van afbeelding 3 dat de gemodificeerde bacteriën niet of nauwelijks methaanzuur, maar wel CO₂ gebruiken voor de productie van aminozuren.
Staafdiagram van het percentage ¹³C in aminozuren voor vijf groepen bacteriën. Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- ¹³C in aminozuren wordt opgenomen als ¹³CO₂ wordt toegediend.
- ¹³C niet in aminozuren wordt opgenomen als ¹³C alleen in methaanzuur voorkomt.
De biologen maten bij gebruik van CO₂ en ¹³C-methaanzuur aanvankelijk een hoger percentage ¹³C in aminozuren. De waarde die je ziet in afbeelding 3 is hiervoor gecorrigeerd.
Vraag 19 1 punt
Verklaar aan de hand van afbeelding 1 dat bij gebruik van CO₂ en ¹³C-methaanzuur toch ¹³C in aminozuren terecht kan komen.
Schema van de stofwisseling in de autotrofe E. coli-cel, zie ook vraag 13. Bekijk in Opgaven, pagina 6
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat de CO₂ die afkomstig is van methaanzuur dan ¹³C bevat (die terechtkomt in aminozuren).
Imker door bijensteken naar de eerste hulp
Imker Bert werd bij de spoedeisende hulp van een ziekenhuis binnengebracht nadat hij meerdere keren was gestoken door zijn bijen. Dit veroorzaakte een allergische reactie waardoor zijn hele gezicht opzwol.
De allergische reactie bij Bert was het gevolg van het binden van antigenen uit het bijengif aan bepaalde witte bloedcellen, waardoor de mediator histamine vrijkomt.
De zwellingen in Berts gezicht zijn het gevolg van oedeemvorming.
Vraag 20 2 punten
Leg uit hoe een allergische reactie oedeem veroorzaakt. Gebruik je informatieboek.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- histamine / de mediator ervoor zorgt dat kleine bloedvaten verwijden, / lek raken,
- (waardoor) de hoeveelheid weefselvloeistof toeneemt.
Bert was al enkele keren eerder door zijn bijen gestoken, maar toen was er geen sprake van een allergische reactie.
Vraag 21 1 punt
Verklaar waardoor er bij de eerste steek geen allergische reactie op bijengif kan ontstaan.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat dan (nog) geen sensibilisatie heeft plaatsgevonden. / dat dan (nog) geen antistoffen zijn aangemaakt.
Opmerking: als de kandidaat antwoordt dat er geen geheugencellen zijn gevormd, geen scorepunt toekennen.
Na een bijensteek kan de bloeddruk zo ver dalen dat er geen polsslag te voelen is. In de ambulance werden Berts hartslag en bloeddruk gemeten. Zijn bloeddruk was heel laag.
Vraag 22 2 punten
Welke verandering in de slagader van de pols is normaal voelbaar als de polsslag? En welke druk heerst op dat moment in die slagader?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
De pijn van een bijensteek wordt veroorzaakt door mellitine, het hoofdbestanddeel van bijengif.
Mellitine is opgebouwd uit 26 aminozuren. De aminozuurvolgorde van mellitine is:
GIGAVLKVLTTGLPALISWIKRKRQQ
Hiernaast zie je de ruimtelijke structuur van dit eiwit. Daarin zijn zes aminozuren met hun letters aangegeven.
In de volgende afbeelding zie je hoe de tertiaire structuur van eiwitten wordt gevormd door hydrofobe interacties (1), door zwavelbruggen (2) en door waterstofbruggen (3).
Uit de primaire structuur van mellitine is af te leiden dat een van deze interacties geen rol speelt bij de vorming van de tertiaire structuur.
Vraag 23 1 punt
Noteer welk type interactie niet aanwezig is bij mellitine. Verklaar je antwoord.
Ruimtelijke structuur van mellitine en een schema van de drie interacties: hydrofobe interacties (1), zwavelbruggen (2) en waterstofbruggen (3). Bekijk in Opgaven, pagina 10
Bekijk het antwoord
(nummer) 2 / zwavelbruggen, met als verklaring dat er geen zwavelhoudende restgroepen aanwezig zijn / dat er geen cysteïne aanwezig is
Opmerking: als de kandidaat naast cysteïne ook methionine in het antwoord noemt, dit niet aanrekenen.
Het middelste deel van het eiwit (met de sequentie GLPALI) bestaat uit aminozuren met apolaire restgroepen. Mellitine komt terecht in de celmembraan. Een deel van het eiwit bevindt zich dan binnen de cel, en een ander deel steekt uit buiten de cel.
Vraag 24 1 punt
Verklaar deze positie aan de hand van het apolaire deel van het eiwit.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat (het midden van) de membraan hydrofoob/apolair is (waardoor de aminozuren met apolaire restgroepen zich in dit deel van de membraan bevinden).
Nadat mellitine is opgenomen in de celmembraan van een pijnreceptor, opent die – via een aantal stappen – de calciumkanaaltjes. De diffusie van Ca²⁺ door calciumkanaaltjes leidt bij pijnreceptoren tot het ontstaan van een impuls.
De onderstaande afbeelding toont hoe na binding van mellitine het signaal wordt doorgegeven zodat de calciumkanaaltjes opengaan.
De stoffen P en Q in de afbeelding vervullen een bepaalde functie in de signaaloverdracht.
Vraag 25 1 punt
Wat is de biologische term voor stoffen met deze functie?
Schema van de signaaloverdracht na binding van mellitine aan een pijnreceptor, met de stoffen P en Q en een calciumkanaaltje. Bekijk in Opgaven, pagina 11
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
De diffusie van Ca²⁺ door de calciumkanaaltjes leidt tot een verandering van de membraanpotentiaal.
Vraag 26 2 punten
Welke verandering van de membraanpotentiaal kan leiden tot een impuls? En is dit het gevolg van een Ca²⁺-instroom of van een Ca²⁺-uitstroom?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
De arts schrijft een adrenalinepen voor. Als Bert dan nog eens gestoken wordt, kan hij zichzelf daarmee meteen adrenaline toedienen zodat er geen levensbedreigende verlaging van de bloeddruk kan optreden.
Vraag 27 2 punten
Hieronder staan enkele effecten van adrenaline.
- 1 samentrekking van glad spierweefsel in de slagadertjes
- 2 toename van de doorbloeding van skeletspieren
- 3 toename van de hartslagfrequentie
- 4 verwijding van de bronchiën
Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar. Noteer erachter of het bijbehorende effect wel of geen toename van de bloeddruk zal veroorzaken.
Bekijk het antwoord
- 1 wel
- 2 geen
- 3 wel
- 4 geen
CRISPR in de strijd tegen overgewicht
Obesitas (een ernstige vorm van overgewicht) is een aandoening die kan leiden tot hart- en vaatziekten en diabetes type 2. Wetenschappers hebben onderzocht of de CRISPR-techniek kan worden gebruikt om diabetes type 2 tegen te gaan. Met deze techniek veranderden ze menselijke witte vetcellen in beige vetcellen.
In het menselijk lichaam komen drie typen vetcellen voor:
- 1 Witte vetcellen: deze slaan vet op als reservestof voor ATP-productie.
- 2 Bruine vetcellen: deze slaan vet op voor warmteproductie. Bij blootstelling aan kou wordt het vet verbrand om warmte te produceren. Bruine vetcellen zijn geclusterd aanwezig tussen de schouderbladen, rond het hart en langs de grote bloedvaten.
- 3 Beige vetcellen: deze vetcellen hebben dezelfde functie als bruine vetcellen, maar zijn verspreid aanwezig in andere weefsels (zoals in spierweefsel). Deze vetcellen waren oorspronkelijk witte vetcellen die door een toename van het aantal mitochondriën lichtbruin zijn geworden.
Vraag 28 1 punt
Verklaar op organisme-niveau dat het functioneel is dat bruin vetweefsel zich rond het hart en de grote bloedvaten bevindt.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat (het bloed opgewarmd wordt en) het warme bloed wordt verspreid door het lichaam.
Bij obese mensen is bruin vetweefsel niet tot nauwelijks aanwezig. In afbeelding 1 is de activiteit van bruin vetweefsel zichtbaar gemaakt bij twee proefpersonen, nadat zij twee uur lang zijn blootgesteld aan kou. In de linker foto is bij een slanke persoon de aanwezigheid van bruin vetweefsel goed zichtbaar. De rechter foto is van een obese persoon.
Obesitas zou een oorzaak, maar ook een gevolg kunnen zijn van de afwezigheid van bruin vetweefsel bij obese mensen.
Vraag 29 2 punten
- Verklaar hoe obesitas zou kunnen bijdragen aan de afwezigheid van bruin vetweefsel.
- Verklaar hoe de afwezigheid van bruin vetweefsel zou kunnen bijdragen aan het ontstaan van obesitas.
Twee scans van bruin vetweefsel na blootstelling aan kou: links van een slanke persoon, rechts van een obese persoon. Bekijk in Opgaven, pagina 12
Bekijk het antwoord
- (bruin vetweefsel afwezig zou kunnen zijn doordat) obese mensen het minder koud hebben dankzij de isolerende vetlaag / dankzij hun relatief kleine lichaamsoppervlak.
- (obesitas zou kunnen ontstaan doordat bij afwezigheid van bruin vetweefsel) minder vetten worden verbrand / (een overschot aan) vetten worden opgeslagen.
Opmerking: aan een antwoord als 'Er is minder warmteproductie, waardoor meer isolatie nodig is', het tweede scorepunt toekennen. Aan een antwoord als 'Er is meer energie/brandstof nodig voor warmteproductie, met als gevolg meer eten, waardoor er ook meer reserves worden aangelegd', het tweede scorepunt toekennen.
In bruine en beige vetcellen komt het UCP1-gen tot expressie. Het UCP1-eiwit (uncoupling protein 1) komt terecht in de mitochondriën. Tijdens de oxidatieve fosforylering kunnen H⁺-ionen dan via het UCP1-eiwit terug naar de matrix diffunderen, waardoor er geen ATP maar alleen warmte wordt geproduceerd.
Vraag 30 1 punt
Verklaar op moleculair niveau dat bruine en beige vetcellen bij de oxidatieve fosforylering geen ATP produceren.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat (als gevolg van UCP1-activiteit bij de oxidatieve fosforylering) H⁺-ionen niet via ATP-synth(et)ase terugstromen. / de H⁺-gradiënt niet groot genoeg wordt om de ATP-synth(et)ase te laten werken.
Het UCP1-gen bevindt zich op chromosoom 4. Na de translatie komt het eiwit in ongevouwen toestand terecht in het grondplasma. Daar wordt het herkend door speciale eiwitten op de mitochondriën. Deze eiwitten brengen het daarna in de mitochondriën, en plaatsen het met de juiste vouwing in de binnenmembraan.
Vraag 31 2 punten
Vindt translatie van UCP1-RNA plaats aan ribosomen op het ER of aan vrije ribosomen? En is de UCP1-polypeptideketen in het golgi-systeem geweest?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
Als obese mensen meer bruin of beige vetweefsel zouden hebben, zou dat misschien kunnen helpen tegen overgewicht. Onderzoekers zijn erin geslaagd om in het laboratorium menselijke witte vetcellen te veranderen in beige vetcellen. Ze gebruikten hiervoor een variant van de CRISPR-techniek, waarmee ze in witte vetcellen het UCP1-gen tot expressie kunnen brengen. De witte vetcellen worden op deze manier veranderd in beige vetcellen.
De onderzoekers brachten met een virus een stuk DNA in het genoom van witte vetcellen. Dit DNA bevat:
- de genetische code voor een speciaal Cas-eiwit met activator-eiwitten (transcriptiefactoren);
- de genetische code voor het RNA dat aan de promotor van het UCP1-gen kan hechten (gids-RNA).
Wanneer het Cas-eiwit met de activator-eiwitten en het gids-RNA door een cel zijn gemaakt, schakelen deze moleculen het UCP1-gen aan. Hierdoor gaat een witte vetcel het UCP1-eiwit produceren (afbeelding 2).
Vraag 32 1 punt
Verklaar wat de rol is van de activator-eiwitten bij het tot expressie komen van het UCP1-gen in een beige vetcel.
Schema van het Cas-eiwit met gids-RNA en activator-eiwitten bij de UCP1-promotor en het UCP1-gen. Bekijk in Opgaven, pagina 14
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat de activator-eiwitten (van het Cas-eiwit) betrokken zijn bij de binding van RNA-polymerase (aan de promotor) / binden aan een enhancer (waardoor de transcriptie kan plaatsvinden).
Het effect van de beige vetcellen werd getest in muizen die al twaalf weken lang een vetrijk dieet hadden gekregen en inmiddels obees waren geworden. Deze muizen werden in drie groepen verdeeld en kregen verschillende menselijke cellen getransplanteerd tussen de schouderbladen:
- groep 1: witte vetcellen;
- groep 2: beige vetcellen (met CRISPR gemaakt);
- groep 3: bruine vetcellen.
Gedurende vier weken werd het lichaamsgewicht bepaald. De muizen werden gehouden bij kamertemperatuur en hielden al die tijd hun vetrijke dieet.
De muizen die voor dit onderzoek zijn gebruikt, hebben een uitgeschakeld immuunsysteem: ze zijn immunodeficiënt.
Vraag 33 1 punt
Licht toe dat het voor het onderzoek van belang is dat de muizen immunodeficiënt zijn.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat (het uitschakelen van het immuunsysteem ertoe leidt dat) de muizen de (getransplanteerde menselijke) cellen niet afstoten.
De verandering in lichaamsgewicht van de drie groepen is weergegeven in afbeelding 3.
Vraag 34 1 punt
Beschrijf op basis van afbeelding 3 waaruit blijkt dat deze CRISPR-techniek mogelijk succesvol gebruikt kan worden voor de behandeling van obesitas.
Lijngrafiek van de verandering van het lichaamsgewicht (%) in de weken na transplantatie voor witte, beige en bruine vetcellen. Bekijk in Opgaven, pagina 15
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat (bij een vetrijk dieet) de muizen met (getransplanteerde) beige (CRISPR-)vetcellen minder gewichtstoename hebben (na vier weken) dan de muizen met (getransplanteerde) witte vetcellen.
of
dat de muizen met (getransplanteerde) beige (CRISPR-)vetcellen in de eerste week een gewichtsafname hebben en de muizen met (getransplanteerde) witte vetcellen niet.
Opmerking: als de kandidaat alleen een vergelijking maakt tussen muizen met (getransplanteerde) beige vetcellen en bruine vetcellen, geen scorepunt toekennen.
Vraag 35 1 punt
Draagt het toevoegen van de derde groep (met bruine vetcellen) bij aan de betrouwbaarheid of aan de validiteit van het onderzoek? Licht je antwoord toe.
Bekijk het antwoord
validiteit, met een toelichting waaruit blijkt dat door deze groep kan worden bepaald of het effect van de (CRISPR-)behandeling lijkt op het effect van bruine vetcellen / of het effect van beige vetcellen lijkt op het effect van bruine vetcellen
Obesitas kan leiden tot ongevoeligheid voor insuline (diabetes type 2). Bij de muizen in het experiment werd na vier weken een glucosetolerantietest uitgevoerd. De muizen kregen zes uur lang geen eten en kregen daarna een injectie met een standaardhoeveelheid glucose. Tot 90 minuten na de injectie werd het verloop van de glucoseconcentratie van het bloed gemeten (afbeelding 4). Ook werd de concentratie insuline bepaald. Hierin was geen verschil tussen de drie groepen.
Vraag 36 2 punten
Licht toe – aan de hand van afbeelding 4 – dat de beschreven CRISPR-techniek het ontstaan van diabetes type 2 in de muizen heeft tegengegaan.
Lijngrafiek van de glucoseconcentratie in het bloed (mg/dL) tot 90 minuten na een glucose-injectie voor witte, beige en bruine vetcellen. Bekijk in Opgaven, pagina 15
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- bij diabetes type 2 de glucoseconcentratie (na een glucose-injectie) hoger zou blijven.
- bij muizen met (getransplanteerde) beige vetcellen (na een glucose-injectie) de glucoseconcentratie lager is dan bij muizen met (getransplanteerde) witte vetcellen.
Opmerking: als de kandidaat antwoordt dat insuline de glucoseconcentratie in het bloed verlaagt, het eerste scorepunt toekennen.
Zetmeelmatten voor de kust
Wereldwijd worden kust-ecosystemen aangetast door klimaatverandering en andere menselijke invloeden. Wetenschappers van de Rijksuniversiteit Groningen doen onderzoek naar de effectiviteit van het gebruik van zetmeelmatten bij het herstel van deze ecosystemen.
Kust-ecosystemen zijn belangrijk als kraamkamer voor mariene organismen en voor kustbescherming en recreatie. Veel kust-ecosystemen worden gevormd door 'biobouwers' (ecosystem engineers). Dit zijn soorten die het milieu waarin zij voorkomen in sterke mate positief beïnvloeden. Voorbeelden zijn zeegrassoorten (Zostera sp., afbeelding 1) die uitgestrekte velden vormen op ondiepe plekken langs de kust, en slijkgrassoorten (Sporobolus sp., afbeelding 2) die alleen bij hoogwater onder water staan.
Zeegras- en slijkgrasvelden zijn een belangrijk onderdeel van kust-ecosystemen. Deze velden remmen de waterstroming, waardoor zand en slib kunnen bezinken. Hun wortelstelsels stabiliseren het sediment, waardoor ook andere planten zich kunnen vestigen. Hierdoor neemt de biodiversiteit toe.
Klimaatverandering heeft verschillende gevolgen die een negatieve invloed hebben op biobouwers zoals zeegras en slijkgras. Hierdoor worden kust-ecosystemen aangetast.
Vraag 37 1 punt
Noteer zo'n voorbeeld van een gevolg van klimaatverandering en licht toe hoe dit biobouwers zoals zeegras en slijkgras negatief kan beïnvloeden.
Foto's van een zeegrasveld (afbeelding 1) en van slijkgrasvelden (afbeelding 2). Bekijk in Opgaven, pagina 16
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een juist antwoord:
- Door de stijging van de zeespiegel zullen de zeegras- en slijkgrasplanten te diep komen te liggen.
- Het zeewater warmt op, waardoor de stofwisseling van planten kan worden verstoord.
- Door de klimaatopwarming kunnen bepaalde plantenziekten vaker voorkomen.
- Het zal meer gaan stormen, waardoor het water troebeler wordt en zeegras minder licht krijgt.
- Doordat stormen krachtiger worden, worden zeegras- en slijkgrasvelden sneller weggeslagen.
- Door meer CO₂ verzuurt het zeewater, wat ongunstig kan zijn voor de groei van zulke planten.
- De temperatuur wordt hoger, waardoor deze boven de maximumwaarde komt, en de planten doodgaan.
De netto primaire productie (NPP) in kust-ecosystemen is hoger dan die van een gelijke oppervlakte midden op de oceaan. Dat komt doordat in kust-ecosystemen veel meer fotosynthese plaatsvindt.
Vraag 38 2 punten
Hieronder staan uitspraken over kust-ecosystemen.
- 1 Kust-ecosystemen dragen meer bij aan de opname van koolstof in organische stoffen dan een gelijke oppervlakte midden op de oceaan.
- 2 De BPP van kust-ecosystemen is hoger dan die van de open oceaan.
- 3 De aanwezigheid van biobouwers vergroot het aantal niches in een kust-ecosysteem.
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.
Bekijk het antwoord
- 1 juist
- 2 juist
- 3 juist
Aantasting van zeegrasvelden kan ertoe leiden dat het ecosysteem compleet verandert. In afbeelding 3 is deze verandering weergegeven. Als een zeegrasveld (fase 1) wordt aangetast, kan dit leiden tot een omslagpunt (fase 2). Hierdoor raakt het ecosysteem blijvend veranderd (fase 3), en is herstel naar fase 1 heel erg moeilijk.
Vraag 39 2 punten
Hieronder staan uitspraken over het aantastingsproces van zeegrasvelden.
- 1 In fase 2 is sprake van een evenwichtssituatie.
- 2 De groei van zeegras stimuleert de opwerveling van sediment.
- 3 Fase 3 is een climax-ecosysteem.
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.
Grafiek van de bedekkingsgraad van zeegras en de hoeveelheid algen in drie fasen, met foto's van zeegras, zeegras met algen en algen. Bekijk in Opgaven, pagina 17
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist
- 2 onjuist
- 3 onjuist
Het herstel van zeegras- en slijkgrasvelden mislukt vaak doordat structuren ontbreken waaraan zij zich kunnen hechten. Bij de kust van Bonaire en de kust van Texel werd onderzocht of het plaatsen van zetmeelmatten (afbeelding 4) effectief is voor het herstel van zeegras- en slijkgrasvelden.
De zetmeelmatten zijn gemaakt van aardappelafval. Daardoor worden er geen producten gebruikt die anders als eten voor mensen of dieren gebruikt zouden kunnen worden.
Vraag 40 1 punt
Geef een ander argument waaruit blijkt dat het gebruik van deze zetmeelmatten een ecologisch duurzame manier is om kust-ecosystemen te herstellen.
Foto's van een zetmeelmat van bovenaf gezien (links) en vanaf de zijkant gezien (rechts), met plantjes erin. Bekijk in Opgaven, pagina 18
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een juist antwoord:
- De zetmeelmatten zijn (biologisch) afbreekbaar.
- Het gebruik ervan levert geen milieuvervuiling op.
- Als vogels of vissen ervan eten is dat niet schadelijk.
- Het materiaal van halfvergane zetmeelmatten hoopt niet op in de voedselketen.
- De matten dragen niet bij aan het versterkt broeikaseffect, doordat er bij de productie geen aardolie wordt gebruikt.
Zetmeelmatten kunnen op de zeebodem geplaatst worden om de waterbeweging af te zwakken. Ze kunnen ook net onder het bodemoppervlak geplaatst worden om het sediment te stabiliseren.
De onderzoekers hadden twee hypothesen geformuleerd:
- 1 Zetmeelmatten op de zeebodem hebben een positief effect op de overleving en de groei van slijkgras.
- 2 Zetmeelmatten onder het bodemoppervlak hebben een positief effect op de overleving en de groei van zeegras.
Om deze hypotheses te testen, werden zetmeelmatten aangebracht in de proefgebieden en werden er daarna jonge planten (slijkgras of zeegras) geplant in de matten. Als controle werd hetzelfde aantal jonge planten op een oppervlak zonder zetmeelmatten geplant. Na ruim twaalf maanden werd de overleving van de jonge planten bepaald. De groei werd bepaald door het aantal nieuwe scheuten van deze planten te tellen per zetmeelmat of per controle-oppervlak.
De resultaten van het experiment bij Bonaire en bij Texel zijn weergegeven in afbeelding 5.
Vraag 41 2 punten
Hieronder staan uitspraken over de resultaten in afbeelding 5.
- 1 De resultaten ondersteunen hypothese 1 en hypothese 2.
- 2 De resultaten bewijzen dat zetmeelmatten onder het bodemoppervlak het sediment stabiliseren.
- 3 De resultaten laten zien dat bij Texel beter kan worden gekozen voor zeegras dan voor slijkgras.
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.
Staafdiagrammen van de overleving (%) en het aantal nieuwe scheuten van jonge zeegras (Bonaire) en slijkgras (Texel) per behandeling. Bekijk in Opgaven, pagina 19
Bekijk het antwoord
- 1 juist
- 2 onjuist
- 3 onjuist
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens biologie vwo
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2026, tijdvak 1?
Het centraal examen biologie vwo 2026, tijdvak 1 loopt tot vraag 41. Van 40 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over bloedsomloop (6), afweer (6) en ecologie (6).
Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2026, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2026, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-1/vw-1018-a-26-1-c).
Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.