Eindexamen biologie vwo 2022, tijdvak 3: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Meldonium, Zwart door springend gen, Fosfietbemesting in strijd tegen onkruid, Domesticatiesyndroom, Planten maken nieuw poliovaccin.
Het centraal examen biologie vwo 2022, tijdvak 3 loopt tot vraag 40. Van 37 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (6), erfelijkheid (5) en zenuwstelsel en hormonen (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Ecologie | 14, 17-19, 22-23 | 6 |
| Erfelijkheid | 8-9, 12-13, 20 | 5 |
| Zenuwstelsel en hormonen | 29-33 | 5 |
| DNA en eiwitsynthese | 5, 10-11, 39 | 4 |
| Afweer | 34, 37-38, 40 | 4 |
| Ademhaling | 3, 35-36 | 3 |
| Evolutie | 7, 26-27 | 3 |
| Planten en fotosynthese | 15-16, 21 | 3 |
| Voeding en vertering | 1-2 | 2 |
| Bloedsomloop | 4 | 1 |
| Cellen | 28 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
De verdeling over de onderwerpen ligt dicht bij het gemiddelde van de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018. Geen enkel onderwerp wijkt meer dan zes procentpunten af.
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2022, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2022, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2022, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Meldonium
In 2016 kwam het medicijn meldonium op de dopinglijst te staan. Een aantal sporters, onder wie tennisster Maria Sjarapova, werd betrapt op het gebruik van dit middel.
Meldonium is een medicijn dat gebruikt wordt bij hartaandoeningen waarbij de doorbloeding van de hartspier aangetast is. De werking van meldonium berust op de verlaging van de hoeveelheid carnitine in het lichaam. Carnitine is een klein organisch molecuul dat een rol speelt bij het transport van vetzuren de mitochondriën in, en bij het dissimileren van vetzuren. Carnitine wordt door het lichaam aangemaakt, maar het merendeel krijgen we binnen door het eten van dierlijk voedsel. Meldonium remt zowel de synthese van carnitine als het transport van carnitine via transportenzymen.
Na het eten van dierlijk voedsel kan er al na twee uur carnitine worden teruggevonden in de urine. In afbeelding 1 is weergegeven hoe het transportenzym OCTN2 in de epitheelcellen van het nierbuisje reabsorptie van carnitine uit de voorurine bewerkstelligt. OCTN2 is een symporter: carnitine wordt alleen de cel in getransporteerd als er ook een Na+-ion via OCTN2 de cel in stroomt. Dit transport verloopt passief: OCTN2 verbruikt geen ATP.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Vraag 1 2 punten
Leg uit, aan de hand van afbeelding 1, dat reabsorptie van carnitine in de nieren toch ATP kost.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan een antwoord als: “De Na-K-pomp zorgt ervoor dat de meegekomen Na+ weer uit de cel gaat”, het eerste scorepunt niet toekennen.
Tabel 1 toont de hoeveelheden bloedplasma en urine en de waarden van carnitine in bloedplasma, urine en skeletspierweefsel.
[tabel 1: zie het originele examen] hoeveelheid carnitinewaarden bloedplasma mannen 3,4 L 50,6 μmol/L vrouwen 2,7 L 44,7 μmol/L urine mannen 1,7 L/dag 420 μmol/dag vrouwen 1,7 L/dag 266 μmol/dag skeletspierweefsel volwassenen 4,0 μmol/g
Naar aanleiding van afbeelding 1 en tabel 1 worden de volgende beweringen gedaan:
1 Door het transport door de epitheelcellen van de nierbuisjes wordt carnitine uitgescheiden.
2 Per dag wordt er meer carnitine uitgescheiden dan de hoeveelheid die gemiddeld in het bloedplasma aanwezig is.
3 Een vrouw van 65 kilogram met een skeletspierpercentage van 35% heeft in haar skeletspierweefsel een carnitinevoorraad van 91 μmol.
Vraag 2 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende bewering juist of onjuist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Afbeelding 2 toont de dissimilatie en het transport van het vetzuur palmitinezuur en de rol van carnitine daarbij.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Ga ervan uit dat de oxidatie van NADH 3 ATP opbrengt, de oxidatie van FADH2 2 ATP opbrengt en dat elke GTP wordt omgezet in 1 ATP.
Vraag 3 3 punten
Bereken hoeveel moleculen ATP de aerobe dissimilatie van 1 molecuul palmitinezuur dan netto oplevert. Noteer je berekening.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- NADH en FADH2 uit oxidatie leveren 7 x 5 = 35 ATP. Opbrengst citroenzuurcyclus is 8 x (3 x 3 + 1 x 2 + 1) ATP = 96 ATP. De koppeling van CoA kost 2 ATP; totaal 35 + 96
- 2 = 129 ATP.
- Er wordt in totaal (7 + 8 x 3 =) 31 NADH, (7 + 8 x 1 =) 15 FADH2 en
8 GTP gevormd. Dat levert (31 x 3 + 15 x 2 + 8 =) 131 ATP op. De koppeling van palmitinezuur aan CoA kost 2 ATP, dus netto levert het (131
- 2 =) 129 ATP op.
- voor 31 NADH, 15 FADH2 en 8 GTP/ATP (1p)
- voor een berekening van het aantal moleculen ATP dat bruto gevormd is (passend bij de hoeveelheden NADH, FADH2 en GTP) (1p)
Doordat meldonium de opname van carnitine in skeletspiercellen en hartspiercellen remt, wordt de concentratie carnitine in deze spiercellen lager. Hierdoor gaan de spiercellen voornamelijk glucose gebruiken als brandstof. Dit is een deel van de verklaring voor het positieve effect van het medicijn bij vaatvernauwingen in de hartspier. Dissimilatie van glucose levert per zuurstofmolecuul namelijk meer ATP op dan dissimilatie van vetzuren.
Vraag 4 1 punt
Verklaar dat de grotere ATP-opbrengst per zuurstofmolecuul ertoe leidt dat bij vaatvernauwing minder snel hartklachten ontstaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwood moet blijken dat er minder snel een tekort aan zuurstof/ATP/energie zal ontstaan. (1)
Bij gebruik van meldonium wordt ook een verhoogde productie van de stof PPARα waargenomen in onder andere hartspiercellen.
PPARα stimuleert de expressie van verschillende genen.
Vraag 5 1 punt
Welke functie heeft PPARα?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
PPARα stimuleert onder andere de expressie van genen die de oxidatieve capaciteit vergroten: de mitochondriën kunnen ‘harder werken’. Tennis is een combinatie van duursport en krachtsport. Bij wedstrijden die wel vier uur kunnen duren speelt uithoudingsvermogen een grote rol. Bij de service en korte sprintjes speelt explosieve spierkracht een grote rol.
Vraag 6 1 punt
Waarop zou het meldoniumgebruik van Maria Sjarapova een gunstig effect kunnen hebben gehad?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Zwart door springend gen
Het schoolvoorbeeld van natuurlijke selectie is de kleurverandering van de berkenspanner. Britse biologen hebben aangetoond dat de donkere kleur wordt veroorzaakt door een springend stukje DNA: een transposon.
De berkenspanner (Biston betularia) is een nachtvlinder die overdag rust op de zwart-witte stammen van berkenbomen. Door een mutatie ontstond in de negentiende eeuw in Engeland een zwarte variant van deze nachtvlinder. Toen tijdens de industriële revolutie de berkenstammen in industriegebieden volledig donker kleurden door roetaanslag, nam de frequentie van de zwarte vorm in deze gebieden sterk toe. De oorspronkelijke vorm wordt typica genoemd, de zwarte vorm carbonaria (afbeelding 1). De kleurverandering blijkt veroorzaakt te zijn door een specifieke mutatie in het cortex-gen, dat een rol speelt in de vleugelaanleg van de berkenspanner.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Vraag 7 2 punten
Leg uit waardoor de frequentie van de carbonaria-vorm in de populatie sterk toenam in industriegebieden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat een juiste redenatie maakt vanuit de typica-vorm, scorepunten toekennen naar analogie met het correctievoorschrift.
De veranderingen in de frequentie van het carbonaria-fenotype en het carbonaria-allel zijn weergegeven in afbeelding 2. De grafieken zijn het resultaat van simulaties op basis van enkele tellingen.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Met de informatie uit afbeelding 2 en de aanname dat de regel van Hardy- Weinberg van toepassing is, is af te leiden of het carbonaria-allel dominant of recessief is.
Vraag 8 3 punten
− Bereken aan de hand van de allelfrequentie in 1900 wat de fenotypefrequentie van carbonaria zou zijn, ervan uitgaande dat het allel recessief is. Noteer je berekening en geef je antwoord in twee decimalen nauwkeurig.
- Bereken zo ook wat de fenotypefrequentie zou zijn, ervan uitgaande dat het allel dominant is.
- Licht toe, gebruikmakend van deze berekeningen en afbeelding 2, of het allel recessief of dominant is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een juist antwoord: De allelfrequentie in 1900 = 0,70. Indien het carbonaria-allel recessief is, bestaat het zwarte fenotype alleen uit homozygoot recessieve individuen en is de frequentie dus 0,702 = 0,49. Indien het carbonaria-allel dominant is, bestaat het zwarte fenotype uit homozygoot dominante én heterozygote individuen en is de frequentie dus 0,702 + 2 x 0,30 x 0,70 = 0,91. Uit grafiek a blijkt dat de fenotypefrequentie van carbonaria in 1900 ongeveer 0,9 is, dus is het carbonaria-allel dominant.
Opmerkingen
- De afgelezen allelfrequentie in 1900 moet 0,7 ± 0,05 zijn; indien de afgelezen allelfrequentie meer dan 0,05 afwijkt, 1 scorepunt in mindering brengen.
- Als de kandidaat de letter p gebruikt voor weergave van het recessieve allel en de letter q voor weergave van het dominante allel, met een verder juiste berekening, dit niet fout rekenen.
Uit de informatie is af te leiden dat het discutabel is dat er in 1900 sprake was van een hardy-weinberg-evenwicht in de populatie in de industriegebieden. Daarom zou de regel van Hardy-Weinberg eigenlijk niet toegepast mogen worden.
Vraag 9 1 punt
Licht toe waardoor er in 1900 waarschijnlijk geen sprake was van een hardy-weinberg-evenwicht.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat mutaties zijn opgetreden, het scorepunt niet toekennen.
Een transposon of springend gen is een mobiel stukje dubbelstrengs DNA dat binnen het hele genoom van plaats kan veranderen. Dat gebeurt met behulp van het enzym transposase, dat de nucleotidesequentie uit de DNA-streng knipt en op een nieuwe plaats er weer in plakt. Een transposon bevat minimaal een stuk DNA waarin het transposase-gen aanwezig is. Aan elk uiteinde van het transposon bevindt zich een nucleotidesequentie met een aantal herhalingen (terminal repeats). Het verplaatsen van een transposon verloopt in een aantal stappen (afbeelding 3).
[afbeelding 3: zie het originele examen]
1 Door de werking van het enzym transposase is het transposon losgemaakt uit de oorspronkelijke plaats.
2 Transposase knipt het doel-DNA open.
3 Transposase plaatst het transposon in het doel-DNA, waarbij aan weerszijden enkelstrengs DNA overblijft.
4 De DNA-keten wordt weer volledig dubbelstrengs gemaakt.
Het cortex-gen blijkt door een transposon veranderd te zijn.
Vraag 10 1 punt
Welk type mutatie wordt in stap 3 weergegeven?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Door het vermogen om gedeeltes van het DNA over chromosomen te verplaatsen, zijn de transposons een belangrijke bron van genetische variatie. Ook crossing-over veroorzaakt genetische variatie. Over beide bronnen van genetische variatie worden de volgende beweringen gedaan:
1 Beide vinden vooral plaats tijdens mitose.
2 Bij beide verandert een deel van een nucleotideketen van plaats.
3 Bij beide vindt uitwisseling van informatie alleen plaats tussen twee homologe chromosomen.
Vraag 11 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende bewering juist of onjuist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Met behulp van PCR en gel-elektroforese hebben de onderzoekers de aanwezigheid of afwezigheid van het transposon dat verantwoordelijk is voor het carbonaria-fenotype vastgesteld bij een familie berkenspanners. Bij de PCR is gebruikgemaakt van de drie primers X, Y en Z. In afbeelding 4 is schematisch weergegeven hoe het allel waarin het transposon is ingevoegd (carb) en het oorspronkelijke allel zonder dit transposon (typ), zijn opgebouwd. Met pijlen is de richting van de replicatie aan de primers weergegeven.
[afbeelding 4: zie het originele examen]
Bij gel-elektroforese worden de DNA-fragmenten gescheiden die met behulp van PCR zijn gevormd. Het resultaat is weergegeven in afbeelding 5. De eenheid kb (kilobase) is een maat voor de lengte van een DNA-fragment.
[afbeelding 5: zie het originele examen]
De onderzoekers geven aan dat de primers X en Z bij het carb-allel te ver van elkaar verwijderd zijn om een DNA-fragment op te leveren. De DNA- fragmenten die wel worden gevormd, zijn zichtbaar als oplichtende bandjes na gel-elektroforese.
Vraag 12 2 punten
Wat zijn de genotypen van beide ouders en van nakomeling 4?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: C (2)
beide ouders nakomeling 4
A carb carb carb carb
B carb carb typ typ
C carb typ carb carb
D carb typ typ typ
E typ typ carb carb
F typ typ typ typ
In afbeelding 2 is te zien dat de frequentie van het carbonaria-fenotype in de populatie sterk is afgenomen tussen 1980 en 1990. De totale populatie berkenspanners is ongeveer gelijk gebleven. Drie gegevens zijn:
1 De luchtverontreiniging is tussen 1980 en 1990 verminderd.
2 Het transposon kan uit het cortex-gen ‘springen’.
3 Tussen 1980 en 1990 is het aantal berkenbomen afgenomen.
Vraag 13 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende gegeven de grote afname in fenotypefrequentie wel of niet kan verklaren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 niet 3 niet indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Fosfietbemesting in strijd tegen onkruid
Sinds het ontstaan van de landbouw strijden boeren tegen onkruid: planten die zonlicht, voedingsstoffen en water ‘wegkapen’ van de geteelde gewassen. Naast de bekende methoden van onkruidbestrijding is er nu een nieuwe methode ontwikkeld: uithongeren.
De soorten die door landbouwers als onkruid worden gezien zijn voornamelijk pioniersoorten. Door bepaalde eigenschappen van pioniersoorten komen deze soorten veel voor op akkers.
Vraag 14 1 punt
Noteer zo’n kenmerkende eigenschap van pioniersoorten en licht toe dat een pioniersoort door deze eigenschap veel kan vóórkomen op akkers.
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan een antwoord als “Pioniersoorten vestigen zich als eerste op de kale bodem, dus door het ploegen ontstaat veel geschikt leefgebied”, het scorepunt toekennen.
In de reguliere landbouw is het toedienen van herbiciden (onkruidbestrijdingsmiddelen) de meest gebruikte methode om groei van onkruid tegen te gaan. Herbiciden worden ingedeeld op hun werking. Zo zijn er bijvoorbeeld fotosysteem-II-remmers (PSII-remmers).
PSII-remmers verstoren de lichtreactie doordat het elektronentransport in fotosysteem II wordt geblokkeerd. Drie beweringen over fotosysteem II zijn:
1 Fotosysteem II bevindt zich op het buitenmembraan van chloroplasten.
2 Een blokkade van het elektronentransport in fotosysteem II leidt tot een verminderde splitsing van water.
3 Een remming van fotosysteem II zal leiden tot een remming van de donkerreactie.
Vraag 15 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende bewering juist of onjuist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist 2 juist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Er zijn ook herbiciden die het enzym EPSPS remmen. Een plant heeft dit enzym nodig om aromatische aminozuren te synthetiseren. Het biotechnologisch bedrijf Monsanto introduceerde de EPSPS-remmer glyfosaat onder de naam Roundup. Gebruik van dit middel is toegenomen nadat Monsanto genetisch gemodificeerde landbouwgewassen op de markt bracht waarin resistentie tegen glyfosaat was ingebouwd.
In planten zonder glyfosaat-resistentie zorgt glyfosaat voor een remming van bijna alle stofwisselingsprocessen.
Vraag 16 1 punt
Verklaar deze remming.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat (aromatische) aminozuren nodig zijn als bouwstenen voor eiwitten die de stofwisseling mogelijk maken / voor enzymen. (1)
Glyfosaat is schadelijk voor organismen die in water leven. De concentratie glyfosaat die aanwezig is in het oppervlaktewater, is echter laag. Uit een onderzoek blijkt dat de halveringstijd van glyfosaat in het aquatisch milieu 7 tot 14 dagen is.
Vraag 17 1 punt
Licht toe of deze informatie erop wijst dat glyfosaat een persistent bestrijdingsmiddel is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat alleen de halveringstijd herhaalt, het scorepunt niet toekennen.
Gebruik van pesticiden leidt
- als gevolg van evolutie
- tot ontwikkeling van resistentie bij onkruidsoorten. In het diagram in afbeelding 1 is de ontwikkeling van resistentie tegen de beschreven herbiciden bij onkruidsoorten in de VS weergegeven.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
In afbeelding 1 is te zien dat steeds meer onkruidsoorten resistentie hebben ontwikkeld tegen een van beide typen herbiciden. De resistenties bij verschillende soorten binnen één groep zijn een voorbeeld van analogie.
Vraag 18 1 punt
Licht dit toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat deze resistenties (tegen hetzelfde bestrijdingsmiddel) onafhankelijk van elkaar ontwikkeld zijn / dat deze soorten geen gemeenschappelijke voorouder hebben met deze resistentie. (1)
Om het resistentieprobleem te omzeilen hebben wetenschappers gezocht naar een andere aanpak om onkruid te bestrijden. Voor de assimilatie van fosforhoudende organische stoffen kunnen planten alleen fosfaat (PO43-) gebruiken. Deze stof is een van de hoofdbestanddelen van kunstmest. Fosfor in de vorm van fosfiet (PO33-) kan door plantencellen wel worden opgenomen via de fosfaat- transportenzymen, maar kan niet worden gebruikt voor assimilatieprocessen. Als een landbouwgewas zo kan worden aangepast dat het gewas fosfiet wel kan benutten, zou het een groot voordeel hebben ten opzichte van onkruid.
Enkele organische stoffen zijn:
1 chlorofyl
2 NADH
3 RNA
Vraag 19 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende stof wel of geen fosfor bevat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 geen 2 wel 3 wel indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Amerikaanse onderzoekers zijn erin geslaagd het bacteriële ptxD-gen in te bouwen in een chromosoom van katoenplanten (Gossypium sp.). Dit gen codeert voor een enzym dat de oxidatie van fosfiet tot fosfaat katalyseert. Transgene planten, waarin de expressie van het ptxD-gen was vastgesteld, werden onderling gekruist. De zaden uit deze kruisingen werden na kieming opgekweekt. Een gedeelte kreeg hierbij fosfaat als fosforbron, een ander gedeelte kreeg fosfiet. Als controle werden wildtype katoenplanten op dezelfde manier gekweekt. Uit de resultaten (afbeelding 2) werd duidelijk dat door het inbrengen van het ptxD-gen de planten fosfiet als fosforbron konden gebruiken.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
In de F1 van de transgene planten met fosfiet als fosforbron, komt een groep slechte groeiers voor.
Vraag 20 2 punten
Leg uit hoe het komt dat er in de F1 een groep slechte groeiers is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- de transgene (ouder)planten het ptxD-gen maar op één chromosoom hebben / heterozygoot zijn (1)
- slechte groeiers chromosomen zonder ptxD hebben geërfd / het transgen niet hebben / wildtype zijn / homozygoot recessief zijn (1)
In een vervolgexperiment werden zaden van transgene katoenplanten ingezaaid, samen met zaden van het grasachtige onkruid Brachypodium distachyon. De planten werden opgekweekt in een proefopstelling met een bodem zonder fosforbron, in een proefopstelling met een bodem met fosfaat, en in twee proefopstellingen met bodems met verschillende hoeveelheden fosfiet. In afbeelding 3 zijn de planten te zien na zes weken (gezien vanaf schuin-boven en vanaf de zijkant). In afbeelding 4 is het totale drooggewicht na zes weken van de bovengrondse delen van drie representatieve planten uit elke proefopstelling weergegeven.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
[afbeelding 4: zie het originele examen]
Een milligram fosfiet bevat meer fosfor dan een milligram fosfaat, maar dit is niet voldoende om het verschil in groei van de transgene katoenplanten op de proefopstellingen met fosfaat (80 mg/kg) en fosfiet (80 mg/kg) te verklaren.
Vraag 21 2 punten
− Geef de oorzaak van het verschil in nettoproductie van B. distachyon in deze twee proefopstellingen.
- Geef de voornaamste oorzaak van het verschil in nettoproductie van de transgene katoenplanten in deze twee proefopstellingen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (productie van B. distachion op fosfiet lager is / op fosfaat hoger is doordat) B. distachion alleen fosfaat / geen fosfiet (als P-bron) kan gebruiken (1)
- (productie van transgene katoenplanten op fosfiet hoger is doordat) de transgene katoenplanten met fosfiet (als fosforbron) geen last hebben van concurrentie / met fosfaat (als fosforbron) moeten concurreren (om water/licht/mineralen) (1)
Om fosfiet in de akkerbouw toe te passen als effectieve onkruidbestrijdingsmethode zal de bemesting moeten worden aangepast. Na de oogst moet met fosfiet bemest worden en moet de stikstofvoorraad worden aangevuld. Twee manieren om de stikstofvoorraad aan te vullen zijn:
- drijfmest (urine en uitwerpselen van vee) uitrijden
- groenbemesting toepassen door er vlinderbloemigen te laten groeien die in symbiose leven met knolletjesbacteriën, en die vervolgens onder te ploegen
Vraag 22 2 punten
Beredeneer dat:
- drijfmest niet geschikt is als aanvulling op fosfietbemesting in de strijd tegen onkruid.
- groenbemesting niet toepasbaar is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- er bij gebruik van drijfmest fosfaat wordt toegevoegd (waardoor onkruid nog steeds kan groeien) (1)
- groenbemesters niet (goed) kunnen groeien met fosfiet als fosforbron / er (voor groei van groenbemesters) onvoldoende fosfaat aanwezig is (1)
Als gevolg van kunstmestgebruik in de landbouw komt veel fosfaat in het oppervlaktewater, wat leidt tot algenbloei.
Vraag 23 1 punt
Beargumenteer of algenbloei zal optreden bij gebruik van fosfiet in plaats van fosfaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Een juist antwoord geeft aan of algenbloei wel of niet zal optreden, met een daarbij passende verklaring.
Domesticatiesyndroom
Het was Charles Darwin al opgevallen dat onze huisdieren een verzameling eigenschappen vertonen die je niet ziet bij hun wilde verwanten. Dit wordt het domesticatiesyndroom genoemd. Een internationale groep evolutiebiologen denkt hiervoor de verklaring te hebben gevonden.
Domesticatie is het proces waarmee de mens door selecteren en kruisen de eigenschappen van dieren heeft veranderd, zodat deze dieren steeds geschikter zijn voor het leven dicht bij en in dienst van de mens. Gedomesticeerde dieren (huisdieren) zijn tam: zij hebben geen angstige of agressieve reacties op hun menselijke verzorgers. Gedomesticeerde dieren delen echter ook eigenschappen waar in eerste instantie niet op geselecteerd was. Ze hebben vaak witte vlekken in de vacht (afbeelding 1), kleine tanden, een korte snuit, hangoren en/of een krulstaart; eigenschappen die hun wilde soortgenoten niet hebben.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Darwin veronderstelde dat het domesticatiesyndroom verband houdt met de milde abiotische omstandigheden en de ruime voedselvoorziening van huisdieren.
Uit Darwins veronderstelling volgt de verwachting dat nakomelingen van ontsnapte huisdieren hun typische witte vlekken binnen enkele generaties in het wild weer zullen verliezen. Om te weten te komen of dit echt zo is, zouden de eigenschappen van nakomelingen van ontsnapte huisdieren onderzocht moeten worden. Dit is lastig, want huisdieren die ontsnappen en verder leven in het wild komen maar weinig voor. Andere problemen van zo’n onderzoek zouden zijn:
1 Ontsnapte huisdieren kunnen ook paren en nakomelingen krijgen met wilde soortgenoten.
2 Er zullen maar weinig nakomelingen van ontsnapte huisdieren teruggevonden worden.
3 Dieren met witte vlekken vallen eerder ten prooi aan predatoren. Goed onderzoek is betrouwbaar en valide.
Vraag 24 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende probleem invloed heeft op de betrouwbaarheid of op de validiteit van zo’n onderzoek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 validiteit 2 betrouwbaarheid 3 validiteit indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Het domesticatiesyndroom creëren is relatief eenvoudig. Dit is aangetoond bij vossen. Uit de wilde populatie kunnen binnen vijftien generaties tamme vossen met witte vlekken in de vacht gefokt worden door steeds de tamste dieren te selecteren om te kruisen. Het domesticatiesyndroom verklaren is echter niet eenvoudig. Voor de genetische oorsprong van het domesticatiesyndroom zijn er drie mogelijke verklaringen:
1 Het domesticatiesyndroom komt tot uiting als er een combinatie van recessieve allelen van een aantal verschillende genen aanwezig is.
2 Het domesticatiesyndroom komt tot uiting als er een combinatie van (onvolledig) dominante allelen van een aantal verschillende genen aanwezig is.
3 Het domesticatiesyndroom wordt bepaald door een mutatie van een enkel gen.
Eukaryote genomen muteren naar schatting met een snelheid van ongeveer 1 x 10-6 mutaties per gen per generatie. Deze mutatiesnelheid in combinatie met de bevinding bij vossen, maakt verklaring 3 niet aannemelijk.
Vraag 25 1 punt
Licht toe dat verklaring 3 hierdoor niet aannemelijk is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Als de kandidaat antwoordt dat als er een mutatie optreedt dit niet altijd leidt tot een ander fenotype, het scorepunt niet toekennen.
- Als de kandidaat alleen aangeeft dat de mutatiesnelheid te laag is, het scorepunt niet toekennen.
Stel dat je tamme vossen met het domesticatiesyndroom kruist met niet- tamme vossen uit een wilde populatie en dat de eerste generatie nakomelingen alle het domesticatiesyndroom hebben.
Vraag 26 1 punt
Licht toe of verklaring 1 of verklaring 2 dan het meest aannemelijk is als verklaring voor het domesticatiesyndroom.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat verklaring 2 het meest aannemelijk is, omdat deze kruising (heterozygote) nakomelingen oplevert waarbij het domesticatiesyndroom tot uiting komt / omdat in de heterozygote nakomelingen (met het domesticatiesyndroom) recessieve allelen niet tot uiting komen. (1)
De evolutiebiologen veronderstellen dat het domesticatiesyndroom bij verschillende zoogdiersoorten dezelfde oorzaak heeft, namelijk de manier waarop de neurale-lijstcellen zich ontwikkelen. Vroeg in de embryonale ontwikkeling van zoogdieren ontstaat de neurale buis. Deze buis bevindt zich aan de rugzijde en zal later in de ontwikkeling uitgroeien tot het centraal zenuwstelsel. Aan weerszijden van deze buis ontstaat een groep neurale-lijstcellen (afbeelding 2). Deze cellen migreren naar andere plaatsen in het embryo. Daar groeien ze uit tot verschillende weefsels en beïnvloeden ze de ontwikkeling van naburige weefsels.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Er wordt verondersteld dat bij gedomesticeerde dieren het aantal neurale- lijstcellen en de migratie ervan anders zijn dan bij wilde soortgenoten.
Neurale-lijstcellen behoren tot de multipotente stamcellen. Multipotente stamcellen zijn verder gedifferentieerd dan pluripotente stamcellen. Drie beweringen over multipotente stamcellen in het algemeen zijn:
1 Multipotente stamcellen ontstaan bij de klievingsdelingen.
2 Multipotente stamcellen kunnen differentiëren tot omnipotente (totipotente) stamcellen.
3 Multipotente stamcellen kunnen nieuwe multipotente stamcellen vormen.
Vraag 27 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende bewering juist of onjuist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
De evolutiebiologen veronderstellen dat we, door te selecteren op tam gedrag bij het fokken van onze huisdieren, onbewust hebben geselecteerd op dieren met minder neurale-lijstcellen op de plaats van bestemming. In afbeelding 3 is met pijlen afbeelding 3 weergegeven wat de routes zijn van de migrerende neurale- lijstcellen in een embryo. Enkele celtypen die uit neurale-lijstcellen ontstaan, zijn:
- beencellen
- kraakbeencellen
- tandbeenvormende cellen
- cellen van de bijnier
- bepaalde neuronen
- pigmentcellen
De neurale-lijstceltheorie van de evolutiebiologen biedt een verklaring voor het verband tussen de afwijkende fysiologie (via zenuwstelsel en bijnierhormonen) en de afwijkende uiterlijke kenmerken van onze huisdieren (pigmentatie en vorm van oren, staart, schedel en tanden).
Vraag 28 1 punt
Verklaar met de neurale-lijstceltheorie waardoor witte vlekken bij huisdieren vooral vóórkomen op plekken als de snuit, de staartpunt, de buik en de poten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat deze delen het verst van de neurale lijst liggen / dat de (voorlopercellen van) de pigmentcellen hier nooit zijn aangekomen. (1)
Bij veel gedomesticeerde dieren ontbreekt de ‘stressrespons’ (de fysiologische reactie op een stressprikkel) bij contact met mensen vrijwel geheel. De stressrespons bestaat uit een snelle respons en een langzamere respons.
De snelle respons leidt tot de afgifte van een hormoon onder invloed van het autonome zenuwstelsel.
Vraag 29 2 punten
− Noteer de naam van dit hormoon.
- Noteer de naam van het deel van het autonome zenuwstelsel dat de afgifte van dit hormoon stimuleert.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan het antwoord “grensstreng” het tweede scorepunt toekennen.
De langzamere respons leidt tot de afgifte van het hormoon cortisol. De afgifte hiervan gebeurt onder invloed van de hypothalamus en de hypofyse.
Vraag 30 2 punten
− Noteer de naam van het hormoon dat door de hypothalamus wordt afgegeven om uiteindelijk de afgifte van cortisol te stimuleren.
- Verklaar waardoor bij de stressrespons de afgifte van cortisol langzamer op gang komt dan de afgifte van het hormoon van de snelle respons.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- CRH/ACTH-RH (1)
- een antwoord waaruit blijkt dat het transport van de hormonen via het bloed verloopt / deze route meerdere stappen heeft (in vergelijking met de adrenaline-afgifte die via het zenuwstelsel wordt gereguleerd) (1)
Planten maken nieuw poliovaccin
Polio of kinderverlamming is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door het poliovirus. Al in 1988 is de WHO (World Health Organization) een campagne gestart om het poliovirus wereldwijd uit te roeien, maar nog steeds is dit doel niet gehaald. Productie van een goedkoop poliovaccin met behulp van planten kan mogelijk het laatste zetje geven.
Besmetting met het poliovirus vindt vooral plaats via water of voedsel dat met ontlasting besmet is. Hierna vermenigvuldigt het virus zich in de cellen van de darmwand, waarna het wekenlang in de ontlasting aangetroffen kan worden. Meestal treedt een lokale immuunrespons op zodat geen of slechts griepachtige verschijnselen optreden. In één tot twee procent van de gevallen gebeurt dit niet en bereikt het virus via het lymfestelsel het centraal zenuwstelsel waar het vervolgens het ruggenmerg en/of de hersenstam aantast. In afbeelding 1a zijn gezond ruggenmerg, neuronen en een spier te zien; in 1b en 1c de gevolgen na aantasting van het ruggenmerg door een polio-infectie.
[afbeelding 1: zie het originele examen] a b c
De weergegeven neuronen in afbeelding 1 zijn motorische neuronen.
Vraag 31 2 punten
− Beschrijf waaraan je kan zien dat de neuronen geen schakelneuronen zijn.
- Beschrijf waaraan je kan zien dat de neuronen geen sensorische neuronen zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juiste beschrijving waaruit blijkt dat de cellen geen schakelneuronen zijn:
- Deze cellen zijn verbonden met spieren.
- Ze hebben uitlopers naar de spieren.
- Ze liggen niet geheel binnen het centraal zenuwstelsel.
voorbeelden van een juiste beschrijving waaruit blijkt dat de cellen geen sensorische neuronen zijn:
- Het cellichaam van deze cellen ligt in het ruggenmerg.
- Sensorische neuronen komen het ruggenmerg via de rugzijde binnen.
Opmerking Aan een antwoord als: “Het neuron is verbonden met een spier”, het tweede scorepunt niet toekennen.
Acht jaar na de polio-infectie is de spierfunctie weer gedeeltelijk hersteld.
Vraag 32 1 punt
Verklaar dit aan de hand van afbeelding 1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat er nieuwe/meer neuronen gevormd worden, het scorepunt niet toekennen.
Een polio-infectie kan effect hebben op het autonome zenuwstelsel en op het animale zenuwstelsel. Enkele effecten van polio zijn:
1 lage bloeddruk
2 versnelde darmperistaltiek
3 aantasting van de kniepeesreflex
4 moeite met hoesten
Vraag 33 2 punten
Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende effect wel of niet het gevolg kan zijn van aantasting van het animale zenuwstelsel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 niet 2 niet 3 wel 4 wel indien vier nummers correct (2) indien drie nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)
Het poliovirus infecteert alleen een bepaald type neuronen.
Vraag 34 2 punten
Wat is hiervoor een mogelijke verklaring?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Polio kan leiden tot verlamming van de ademhalingsspieren. In de vorige eeuw werden poliopatiënten die niet meer zelfstandig konden ademen in een ‘ijzeren long’ geplaatst. Dit is een luchtdichte stalen buis met een isolatie-ring rond de nek van de patiënt (afbeelding 2). Door de luchtdruk in de buis te regelen kan de werking van de ademhalingsspieren worden overgenomen.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Door polio kunnen de middenrifspieren verlamd raken.
Vraag 35 2 punten
Moet de borstholte worden vergroot of verkleind om werking van de middenrifspieren na te bootsen? En moet de druk in de ijzeren long daarvoor worden verhoogd of verlaagd?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: B (2)
borstholte moet worden druk in ijzeren long moet worden
A vergroot verhoogd
B vergroot verlaagd
C verkleind verhoogd
D verkleind verlaagd
Het poliovirus is een enkelstrengs positief-sense RNA-virus. Positief- sense (+) betekent dat de enkele streng RNA de coderende basenvolgorde bevat. Na aankomst in de darmen wordt het virus vermenigvuldigd in darmwandcellen. De vermenigvuldiging van het poliovirus is weergegeven in afbeelding 3.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
Over de vermenigvuldiging van het poliovirus worden de volgende beweringen gedaan:
1 Het poliovirus wordt in de cel opgenomen door middel van endocytose.
2 De polymerase die ontstaat na translatie is een RNA-polymerase.
3 Als matrijs van nieuw viraal RNA wordt positief-sense RNA gebruikt.
Vraag 36 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende bewering juist of onjuist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 juist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Tot nu toe is slechts één veroorzaker van een menselijke infectieziekte uitgeroeid, namelijk het pokkenvirus. Ook het poliovirus is mogelijk uit te roeien omdat de mens de enige gastheer is. Het uitblijven van waarneembare verschijnselen bij een polio-infectie maakt het uitroeien van polio echter moeilijker.
Vraag 37 1 punt
Beredeneer dat het uitblijven van waarneembare verschijnselen het uitroeien van polio moeilijker maakt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat (doordat waarneembare verschijnselen uitblijven) geïnfecteerde personen niet herkend worden en anderen kunnen besmetten. (1)
Door vaccinatiecampagnes is het aantal gevallen van polio sinds 1988 met 98% afgenomen. Toch worden elk jaar nog steeds tientallen ziektegevallen waargenomen. Wereldwijd worden twee vaccins gebruikt: het salkvaccin en het sabinvaccin. Het salkvaccin wordt in een spier geïnjecteerd en bevat ‘dode’ virussen die geen cellen kunnen binnendringen, maar wel een immuunrespons kunnen oproepen. Het sabinvaccin wordt via de mond (op een suikerklontje) toegediend en bevat ‘levende’ verzwakte virussen die nog wel in geringe mate vermenigvuldigd kunnen worden, maar niet meer ziekteverwekkend zijn. In afbeelding 4 is de concentratie immunoglobulinen na vaccinatie met het salkvaccin en na vaccinatie met het sabinvaccin weergegeven. De eenheden op de y-assen zijn hetzelfde (arbitraire eenheid).
[afbeelding 4: zie het originele examen]
Vraag 38 2 punten
Welke conclusie over de immuunrespons na vaccinatie met het salkvaccin en na vaccinatie met het sabinvaccin is af te leiden uit de gegevens in afbeelding 4?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Doordat het sabinvaccin verzwakte ‘levende’ virussen bevat, is uitroeiing van polio met behulp van dit vaccin niet mogelijk. Er moeten daarom nieuwe vaccins worden ontwikkeld die goed, goedkoop en veilig zijn. Onderzoekers in Norwich (VK) hebben transgene planten ontwikkeld die eiwitten produceren die op poliovirusdeeltjes lijken. Dit zijn VLP’s (virus- like particles). Deze VLP’s roepen wel dezelfde immuunrespons op als het poliovirus, maar bevatten geen genetisch materiaal van dat virus. De productie van VLP’s is schematisch weergegeven in afbeelding 5.
[afbeelding 5: zie het originele examen]
1 inbrengen van het gen in een plasmide
2 inbrengen van de plasmide en vermenigvuldiging ervan in de bacterie Escherichia coli
3 isoleren van de plasmiden uit E. coli
4 inbrengen van de plasmiden in de bacterie Agrobacterium tumefaciens
5 besmetting van planten met gemodificeerde A. tumefaciens
6 expressie van het gen in planten
7 extractie en zuivering van de geproduceerde eiwitten
In stap 1 wordt het gen dat nodig is voor de immuunrespons, ingebracht in een plasmide uit E. coli.
Vraag 39 1 punt
Waarvoor moet dit gen coderen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
De vaccins met de VLP’s zouden oraal of door injectie toegediend kunnen worden. Voordeel van injectie is dat de VLP’s zeker het inwendig milieu bereiken. Wanneer de VLP’s oraal toegediend worden, bijvoorbeeld op een suikerklontje, is dat onzeker. Enkele factoren in het spijsverteringskanaal zijn:
1 lage pH
2 aanwezigheid van lipase
3 aanwezigheid van trypsine
Vraag 40 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende factor wel of niet van invloed zal zijn op de werkzaamheid van oraal toegediende VLP’s.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 niet 3 wel indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2022, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1018-a-22-3-o
Andere examens biologie vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2022, tijdvak 3?
Het centraal examen biologie vwo 2022, tijdvak 3 loopt tot vraag 40. Van 37 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (6), erfelijkheid (5) en zenuwstelsel en hormonen (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2022, tijdvak 3?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2022, tijdvak 3?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1018-a-22-3-c).
Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2022, tijdvak 3 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.