Eindexamen biologie vwo 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: De lauwbloedige koningsvis, Nieuwe eilandjes voor de alvleesklier, 08:00 12:00 16:00 20:00 24:00 04:00 08:00, Een bijzondere band tussen grootvader en kleinkind, Biologische productie van waterstofgas, Wat te doen aan de muizenplagen?.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie vwo 2018, tijdvak 2 telt 38 vragen. De meeste vragen gaan over ecologie (10), zenuwstelsel en hormonen (8) en ademhaling (7). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie vwo 2018, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Ecologie29-3810
Zenuwstelsel en hormonen10-15, 18, 258
Ademhaling1-5, 7-87
Erfelijkheid19-22, 245
DNA en eiwitsynthese16-17, 23, 264
Voeding en vertering27-282
Bloedsomloop61
Afweer91

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over zenuwstelsel en hormonen (21% van de vragen, gemiddeld 9%) en ademhaling (18% van de vragen, gemiddeld 6%). Minder over planten en fotosynthese (0% van de vragen, gemiddeld 9%) en afweer (3% van de vragen, gemiddeld 10%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

De lauwbloedige koningsvis

Sommige vissen zijn ‘lauwbloedig’: ze produceren relatief veel warmte in hun lichaam, waardoor ze warmer zijn dan het koude water waarin ze leven. Welke aanpassingen hebben dergelijke vissen en hoe zijn die in de loop van de evolutie tot stand gekomen? Wetenschappers zoeken naar antwoorden.

De koningsvis (Lampris guttatus, afbeelding 1) afbeelding 1 is zo’n lauwbloedige (endotherme) vis. Amerikaanse visbiologen hebben ontdekt dat koningsvissen hun temperatuur in vrijwel het hele lichaam ongeveer vijf graden hoger kunnen houden dan hun omgeving. De koningsvis komt voor in alle wereldzeeën. Hij wordt tot twee meter lang en 60 kilo zwaar. Hij heeft een afgeplatte vorm en beweegt zich voornamelijk voort door bewegingen van de borstvinnen. De koningsvis ziet er misschien niet echt uit als een predator, maar hij is wel degelijk een succesvol jager.

Endothermie komt alleen bij grote vissoorten voor.

Vraag 1 2 punten

Leg uit dat het voor kleine vissoorten, door hun grotere oppervlakte- inhoud verhouding, ongunstig is om endotherm te zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • kleine vissen (door hun relatief grotere lichaamsoppervlak) meer warmteverlies hebben (dan grote vissen) (1)
  • er (naar verhouding) meer voedsel/energie nodig is (voor endothermie) (1)

De koningsvis is extreem gespierd en zijn spieren zijn opvallend donkerrood, door een grote hoeveelheid myoglobine.

Vraag 2 2 punten

Leg uit hoe de aanwezigheid van myoglobine in de spieren bijdraagt aan het jachtsucces van de koningsvis.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • er (een extra hoeveelheid) O 2 in het myoglobine is opgeslagen / er vanuit het myoglobine (extra) O 2 beschikbaar komt (als de pO 2 te laag wordt) (1)
  • de zwemspieren (daardoor) meer energie kunnen vrijmaken / (daardoor) langer (aeroob) kunnen dissimileren (en de vis daardoor sneller/langer kan jagen) (1)

De onderzoekers vingen koningsvissen vanaf een visserij- onderzoeksschip. Bij 22 vissen werd direct na de vangst de temperatuur gemeten van de borstvinspier en van een aantal andere lichaamsgebieden. Vier andere gevangen vissen werden uitgerust met meetapparatuur (datarecorders) en daarna weer vrijgelaten. De datarecorders verzamelden gegevens over de temperatuur van de borstvinspier, de zwemdiepte en de watertemperatuur op die diepte. Enkele resultaten van deze metingen staan in tabel 1.

[tabel 1: zie het originele examen] temperatuurverschil aantal gem. temperatuur (°C) lichaamsgebied t.o.v. zeewater (°C) onderzochte ± standaardafwijking ± standaardafwijking vissen aan dek gemeten koningsvissen borstvinspier 13,8 ± 1,5 3,8 ± 0,8 22 hart 13,2 ± 1,7 3,2 ± 0,7 21 schedel 16,1 ± 3,9 6,0 ± 3,0 22 buikholte 13,5 ± 1,6 3,5 ± 1,0 19 vrij zwemmende koningsvissen met datarecorder borstvinspier 14,4 ± 0,4 4,8 ± 1,2 4

Volgens de onderzoekers is de samentrekking van de borstvinspieren de grootste bron van warmteproductie. In de buikholte wordt veel minder warmte geproduceerd.

Vraag 3 1 punt

Verklaar waardoor de buikholte toch vrijwel dezelfde temperatuur heeft als de borstvinspier.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat de (door de borstvinspieren) opgewekte warmte door de bloedsomloop wordt vervoerd (naar de buikholte) / de warmte die de organen in de buikholte opwekken, (door het grote volume) goed vastgehouden wordt. (1)

Twee uitspraken over de gegevens in tabel 1 zijn:

1 Naast de borstvinspier is er nog een ander gebied waar veel warmte wordt geproduceerd.

2 Uit de grote spreiding in de gemeten temperaturen van de schedel blijkt dat deze metingen niet valide zijn.

Vraag 4 2 punten

Welke van deze uitspraken wordt of worden ondersteund door de gegevens in tabel 1?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

In afbeelding 2 staan de resultaten van een meetperiode van ruim drie uur bij één van de vrij zwemmende koningsvissen, uitgerust met een datarecorder.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

18 0 temperatuur (°C)

diepte (m) 16 20

14 1

12 40 2 10

3 60 8

6 80

4 100 2 19:00 19:40 20:20 21:00 21:40 22:20 tijd van de dag

De drie genummerde lijnen in het diagram hebben betrekking op metingen van de zwemdiepte, de watertemperatuur op die diepte en de temperatuur van de borstvinspier.

Vraag 5 1 punt

Noteer de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en schrijf erachter welke gemeten grootheid (zwemdiepte, watertemperatuur of temperatuur van de borstvinspier) bij de betreffende lijn hoort.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 1 temperatuur (van de) borstvinspier 2 watertemperatuur 3 zwemdiepte (1)

Net als zeehonden en pinguïns hebben ook koningsvissen een onderhuidse vetlaag om warmteverlies in koud water te reduceren. Vissen hebben echter een enorm ‘warmtelek’ in de kieuwen, waar het bloed door een haarvatennet in nauw contact komt met het koude water. Zonder aanpassingen zouden endotherme vissen hierdoor het overgrote deel van de geproduceerde warmte verliezen. Afbeelding 3 toont schematisch de bouw van een kieuw. Achter het kieuwdeksel zitten honderden dunne kieuwplaatjes aan halfronde kieuwbogen van bot. Dwars op elk kieuwplaatje staan weer honderden kleine lamellen met haarvaatjes waarin zuurstof uit het passerende water wordt opgenomen en koolstofdioxide uit het bloed wordt afgegeven.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

De onderzoekers vonden bij koningsvissen twee aanpassingen die het warmteverlies in de kieuwen beperken.

1 In de kieuwbogen ligt een ‘wondernet’: een kluwen van verstrengelde bloedvaatjes waarin het bloed dat naar de kieuwplaatjes gaat steeds vlak naast het bloed stroomt dat vanaf de kieuwplaatjes terug naar het lichaam gaat.

2 Rond de kieuwbogen zit een laagje vetweefsel.

Vraag 6 3 punten

− Leg uit hoe de tegengestelde stromingsrichtingen van het bloed in de bloedvaatjes van het wondernet het warmteverlies bij de koningsvis beperkt.

  • Wat is de toegevoegde waarde van het vetweefsel op die plaats?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een juist antwoord: Het bloed dat richting de kieuwen stroomt is warm en het bloed dat uit de kieuwplaatjes terugstroomt is koud. Doordat het warme en koude bloed in de kieuwboog tegengesteld en vlak naast elkaar stroomt, wordt de warmte uit het aangevoerde bloed afgegeven aan het bloed dat terugstroomt naar het lichaam. Doordat de kieuwboog waarin dit gebeurt geïsoleerd is met een vetlaagje gaat daar ook weinig warmte verloren.

Een werknemer van een visgroothandel in Hawaii merkte op dat sommige koningsvissen grotere ogen hadden dan andere. Dat leidde bij geraadpleegde visbiologen tot de hypothese dat de koningsvis niet één soort is. Om dat te onderzoeken sequensten de visbiologen het mtDNA van 480 koningsvissen uit alle wereldzeeën en van de verwante soort Lampris immaculatus. Op grond van variaties in het CO1-gen (dat codeert voor cytochroom c oxidase1) van de verschillende individuen concludeerden de onderzoekers dat er vijf afstammingslijnen zijn van de koningsvis Lampris guttatus. Dit is weergegeven in het cladogram van afbeelding 4.

[afbeelding 4: zie het originele examen]

afstammingslijn 5

afstammingslijn 4

afstammingslijn 3

afstammingslijn 2 afstammingslijn 1 Lampris immaculatus

Op basis van dit cladogram worden drie beweringen gedaan:

1 Lampris immaculatus is de gemeenschappelijke voorouder van alle koningsvissen.

2 Afstammingslijn 2 is meer verwant met 4 dan met 1.

3 Afstammingslijn 3 is meer verwant met 4 dan met 5.

Vraag 7 2 punten

Noteer de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en schrijf erachter of de betreffende bewering wel of niet juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 1 niet 2 wel 3 niet indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

Op de website van het tijdschrift National Geographic staat een bericht over de warmbloedige koningsvis. Donald reageert daarop: “Ik geloof dit niet! Als deze vis warmbloedig is, is hij dan geëvolueerd uit een zoogdier?” Op school bespreken leerlingen het idee van Donald. Drie reacties zijn:

1 Als lauwbloedige vissen, net zoals walvissen, uit zoogdieren zouden zijn geëvolueerd, dan zouden ze longen hebben en geen kieuwen.

2 Er heeft co-evolutie plaatsgevonden, waardoor zowel de koningsvissen als de zeezoogdieren endotherm werden en hierin op elkaar lijken.

3 Koningsvissen zijn de lauwbloedige evolutionaire schakel tussen de koudbloedige vissen en de warmbloedige zoogdieren.

Vraag 8 2 punten

Noteer de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en schrijf erachter of de betreffende reactie wel of niet juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 1 wel 2 niet 3 niet indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

Nieuwe eilandjes voor de alvleesklier

Ruth is één van de ruim 10.000 Nederlandse diabetes type 1 patiënten jonger dan 25 jaar. Gelukkig voor Ruth is deze vorm van suikerziekte sinds de ontdekking van insuline niet meer levensbedreigend. In het verleden was het onderzoek gericht op het verbeteren van de kwaliteit van de insuline en de wijze van toediening; de uitdaging is nu om diabetes type 1 te genezen.

Toen Ruth vijf jaar was, kreeg zij de eerste symptomen van diabetes type 1: veel dorst en veel plassen. Meting van de bloedglucosewaarde door de huisarts wees uit dat deze was verhoogd. Ook werd glucose in haar urine aangetoond. Diabetes type 1 is een auto-immuunziekte. Het immuunsysteem maakt antistoffen tegen de insulineproducerende β-cellen van de eilandjes van Langerhans.

Tijdens de embryonale ontwikkeling wordt het insuline-gen ook in de thymus afgelezen. In de thymuscellen van kinderen met diabetes type 1 blijkt de expressie van het insuline-gen lager te zijn dan bij gezonde kinderen.

Vraag 9 2 punten

Leg uit dat een normale productie van insuline in de thymus nodig is om een auto-immuunrespons van T-cellen tegen β-cellen in de alvleesklier te voorkomen.

Bekijk het antwoord
  • als gevolg van blootstelling aan insuline de juiste T-cellen geselecteerd worden / de T-cellen ‘leren’ wat (lichaamsvreemd en) lichaamseigen is / T-cellen die een auto-immuunrespons tegen insuline op gang zouden brengen, niet uitrijpen (1)
  • zodat (β-)cellen die insuline produceren (in de alvleesklier) door het afweersysteem niet worden aangevallen/vernietigd (1)

Bij gezonde personen veroorzaakt een tijdelijk hogere glucosewaarde in het bloed via regulatie van de ADH-afgifte een afname van de hoeveelheid geproduceerde urine.

Vraag 10 2 punten

Neemt de ADH-afgifte door een hogere bloedsuikerspiegel toe of af? Neemt de resorptie van water in de nieren dan toe of af?

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (2)

ADH-afgifte Resorptie van water

A neemt af neemt af

B neemt af neemt toe

C neemt toe neemt af

D neemt toe neemt toe

Als de diabetes van Ruth niet wordt behandeld zal zij, ondanks het hoge glucosegehalte in haar bloed, gewicht verliezen.

Vraag 11 2 punten

Leg uit waardoor Ruth gewicht zal verliezen als ze geen insuline gebruikt.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het antwoord dat er onvoldoende energie/bouwstof is voor de bouw van cellen maar er wel steeds cellen worden afgebroken, wordt het tweede scorepunt toegekend.

08:00 12:00 16:00 20:00 24:00 04:00 08:00

tijdstip

ontbijt lunch avondeten Legenda: injectie met snelwerkende insuline injectie met langzaamwerkende insuline

Ook bij patiënten zoals Ruth die zich goed aan dit schema houden, komt het voor dat de bloedglucosewaarden ernstig schommelen. Zoals een lage bloedglucosewaarde (hypoglycemie) in de nacht en het ‘dageraadfenomeen’: een stijging van de bloedglucosewaarde in de vroege ochtend, vóór het ontbijt.

Vraag 12 2 punten

Hoe is het ‘dageraadfenomeen’ bij diabetespatiënten het beste te verklaren?

  1. A Doordat er minder insuline in het bloed is, neemt de aerobe dissimilatie af.
  2. B Doordat er minder insuline in het bloed is, slaat de lever minder glucose op.
  3. C Doordat het glucosegehalte is gedaald, maakt de alvleesklier glucagon aan.
  4. D Tijdens de slaap wordt minder glucose verbruikt dan overdag.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Sinds haar 14e gebruikt Ruth een insulinepompje (afbeelding 2). Het pompje is geprogrammeerd om via een klein naaldje in de buik voortdurend insuline af te geven. Wanneer Ruth eet, berekent het pompje op basis van de koolhydraathoeveelheid die zij invoert, hoeveel insuline er dan extra nodig is (de maaltijdbolus). De insulinetoediening door het pompje en het effect daarvan op bloedglucosewaarden gedurende een etmaal zijn vereenvoudigd weergegeven in de diagrammen van afbeelding 2.

[afbeelding 2: zie het originele examen] insuline afgifte

ontbijt lunch avondeten waarde (mmol L-1)

20 bloedglucose-

15

10 5 0 08:00 12:00 16:00 20:00 24:00 04:00 08:00 tijdstip

Op basis van de gegevens over het gebruik van een insulinepompje worden de volgende beweringen gedaan:

1 De bloedglucosewaarden kunnen bij gebruik van een insulinepompje nooit hoger worden dan 10 mmol per liter.

2 De hoeveelheid insuline die het pompje bij het avondeten afgeeft is ongeveer de helft van de hoeveelheid bij de lunch.

3 Gebruik van het insulinepompje voorkomt het dageraadfenomeen.

Vraag 13 2 punten

Noteer de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en schrijf erachter of de betreffende bewering wel of niet juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 1 niet 2 niet 3 wel indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

Er is goede hoop op een doorbraak waardoor Ruth genezen kan worden. Onderzoekers van de universiteiten van Leiden, Maastricht, Utrecht en Eindhoven werken samen aan een onder de huid implanteerbare capsule, een soort theezakje van een gelatineachtige stof, waarin zich insuline producerende β-cellen bevinden. De cellen komen niet van een donor, maar zijn gevormd uit lichaamseigen stamcellen van de patiënt. De capsule voorkomt het optreden van een auto-immuunrespons tegen deze β-cellen.

Voor het succes van deze behandeling is het noodzakelijk dat de capsule die de β-cellen omhult, aan bepaalde eisen voldoet. Zo mogen de poriën erin niet te groot, maar ook niet te klein zijn, zodat bepaalde stoffen wél naar buiten en bepaalde andere stoffen niét naar binnen kunnen.

Vraag 14 2 punten

− Welke stof is bepalend voor de minimale grootte van de poriën in de gelcapsule?

  • En welk type stoffen bepaalt de maximale grootte van de poriën?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen Als de twee juiste antwoorden zijn omgedraaid, wordt 1 scorepunt toegekend. Aan het antwoord dat immuuncellen de poriën niet mogen passeren, wordt geen scorepunt toegekend.

Ook mag de gellaag die de β-cellen omhult niet te dik zijn. De diffusieafstand mag het goed functioneren van de β-cellen niet hinderen.

Vraag 15 2 punten

Leg uit dat voor het goed functioneren van de β-cellen de diffusiesnelheid door de gellaag voor glucose zo hoog mogelijk moet zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • snel een verhoging/verandering van de glucoseconcentratie (in het bloed) moeten opmerken (1)
  • om tijdig insuline af te kunnen geven / om de bloedsuikerspiegel te normaliseren (1)

Een bijzondere band tussen grootvader en kleinkind

Duizenden grootvaders liepen rond met onbegrepen neurologische klachten totdat de Amerikaanse kinderarts Randi Hagerman een verband legde tussen de klachten van de grootvaders en de verstandelijke beperking van hun kleinkinderen.

De grootvaders waren tot middelbare leeftijd gezond, maar vanaf hun 50ste levensjaar kregen zij geleidelijk meer last van bevingen, motorische problemen en achteruitgang van verstandelijke vermogens. Deze aandoening heet nu het fragiele X-gerelateerde ataxie syndroom (FXTAS). De aandoening van hun zwakbegaafde kleinkinderen wordt het fragiele X-syndroom (FXS) genoemd. De namen verwijzen naar de ‘fragiele’ plaats op het X-chromosoom die ontstaat door een mutatie in het FMR1-gen, namelijk de toename van het aantal CGG-herhalingen (repeats) aan het begin van het gen. Deze plaats is tijdens een mitose onder een gewone microscoop als een dun stukje van het chromosoom zichtbaar.

Mutaties waarbij ergens in een gen een aantal extra repeats ontstaat, komen regelmatig voor. Mutaties waardoor het aantal trinucleotide- repeats (herhalingen van drie nucleotiden) verandert, zijn vaak minder ingrijpend dan die van het aantal dinucleotide-repeats (herhalingen van twee nucleotiden).

Vraag 16 2 punten

Leg uit waardoor een verandering van het aantal dinucleotide-repeats op moleculair niveau grote gevolgen kan hebben.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Uit het antwoord moet blijken dat (door verandering van het aantal dinucleotiden)

Direct achter de promotor van het FMR1-gen liggen bij gezonde personen

6 tot 54 CGG-repeats. De volledige mutatie, met meer dan 200 CGG- repeats, leidt tot methylering en heeft FXS tot gevolg. Bij de premutatie, die kan leiden tot symptomen van FXTAS, ligt het aantal repeats tussen de 55 en 200. Opvallend is dat als gevolg van de premutatie ongewoon veel mRNA gevormd wordt, wat soms leidt tot ophoping van RNA-eiwitcomplexen, waardoor dit RNA nauwelijks getransleerd wordt. In afbeelding 1 is een indeling van deze mutaties in het FMR1-gen en hun gevolgen in zenuwcellen weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen] ATG TAA FMR1− CGG 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 3´ UTR gen

methylering CGG- CGG CGG CGG repeats normaal premutatie volledige mutatie <55 55-200 >200

mRNA

FMRP eiwit

fenotype normaal soms FXTAS 100% FXS

Vraag 17 1 punt

Waardoor wordt bij een volledige mutatie het eiwit FMRP niet gevormd?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat er door methylering (van de promotor) geen transcriptie / dat er zonder mRNA geen translatie plaats kan vinden. (1)

De ophoping van RNA-eiwitcomplexen in zenuwcellen van iemand met de premutatie heeft een toxisch effect op deze cellen.

Vraag 18 1 punt

Verklaar dat de uitval van zenuwcellen in de kleine hersenen kan leiden tot een deel van de symptomen van FXTAS.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat de kleine hersenen spierbewegingen coördineren (en bij uitval bevingen en motorische problemen kunnen ontstaan). (1)

Hoewel de premutatie recessief is, kunnen vrouwen met een heterozygoot genotype toch symptomen van FXTAS krijgen. Dit hangt samen met het feit dat bij hen in elke cel willekeurig één van de twee X-chromosomen geïnactiveerd is.

Vraag 19 2 punten

Leg uit dat hierdoor de ernst van FXTAS bij vrouwen met één gemuteerd X-chromosoom onderling kan variëren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen Voor een antwoord met de strekking dat ‘indien toevallig in een overmaat van cellen van een orgaan het intacte X-chromosoom is geïnactiveerd, kunnen er uitvalsverschijnselen optreden van dat orgaan’, worden

2 scorepunten toegekend. Voor het antwoord dat het aantal repeats verschilt, worden geen scorepunten toegekend.

In afbeelding 2 is een stamboom weergegeven van een familie waarin de aandoeningen FXS en FXTAS voorkomen. De getallen onder de symbolen van de familieleden geven het aantal CGG-repeats in het FMR1-gen op de X-chromosomen aan.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

1 2 I

25 30/70

1 2 3 4 5 II

120 23/32 25/30 85 17/30

1 2 3 4 5 6 7 III 28/132 30 32/126 30 17 32 17/85

1 2 3 4 5 6 7 8 9 IV

28 30/252 32 272 29 37/100 17 30 32/257

1 2 3 4 5 6 V 28/30 406 29/32 32 30/32 278

Legenda: pre-mutatie volledige mutatie

Als het aantal CGG-repeats groter is dan 55, is het aantal dat aan de volgende generatie wordt doorgegeven vaak niet stabiel. Er kan dan zowel afname als toename van het aantal repeats plaatsvinden.

Uit de stamboom (afbeelding 2) is af te leiden dat de premutatie in één generatie kan leiden tot een volledige mutatie in de daaropvolgende generatie.

Vraag 20 2 punten

Tijdens welk proces of welke processen heeft deze verandering van premutatie naar mutatie in deze familie plaatsgevonden?

  1. A alleen tijdens de vorming van eicellen
  2. B alleen tijdens de vorming van zaadcellen
  3. C tijdens de vorming van eicellen en tijdens de vorming van zaadcellen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

De diagnose FXTAS bij grootvaders is aan het licht gekomen door de verstandelijke beperking van hun kleinkinderen met FXS.

Vraag 21 3 punten

Beschrijf aan de hand van gegevens in de stamboom (afbeelding 2) hoe de premutatie van een bepaalde grootvader stapsgewijs heeft geleid tot een volledige mutatie bij een bepaald kleinkind.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • grootvader II-1 de premutatie doorgeeft aan zijn dochter (III-3) (1)
  • bij het doorgeven naar haar kind het aantal repeats toeneemt (1)
  • waardoor het aantal bij zijn kleinkind (IV-2) tot boven de 200 is gestegen / gestegen is tot 252 (1)

De locus van het FMR1-gen is Xq27.3 (q-arm van het X-chromosoom, positie 27.3). In afbeelding 3 is het X-chromosoom met verschillende loci afgebeeld.

[afbeelding 3: zie het originele examen] p22.33 p22.32 p22.31 p22.2 p22.13 p22.11 p21.2 p11.4 p11.3 p11.23 p11.22 p11.1 q11.2 q13.1 q13.2 q21.1 q21.2 q21.31 q21.33 q22.1 q22.2 q23 q24 q25

q26.1 q26.3 q27.1 q27.3 q28 In afbeelding 4 zijn X-chromosomen getekend die onder een gewone lichtmicroscoop te zien kunnen zijn. De fragiele plek is in een chromosoom met een volledige FMR1-mutatie als een insnoering zichtbaar.

[afbeelding 4: zie het originele examen]

Vraag 22 2 punten

Noteer de nummers van de X-chromosomen die te zien zijn in een karyogram van persoon IV-9 uit de familiestamboom in afbeelding 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • (chromosoom) 1 (1)
  • (chromosoom) 3 (1)

Ongeveer 30% van de mannen is drager van FXTAS. Om dit aan te tonen is het aantal CGG-repeats in het FMR1-gen bepaald. Onderdeel van deze FXTAS-test is de PCR-techniek.

Vraag 23 2 punten

Waarop berust het principe van de PCR-techniek?

  1. A bepalen van de genexpressie
  2. B hybridiseren van RNA
  3. C op grootte scheiden van DNA-fragmenten
  4. D repliceren van DNA-fragmenten

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

In afbeelding 5 is het resultaat van een FXTAS-test van twaalf mannen en vrouwen afgebeeld. Van elke persoon zijn stukjes DNA met het FMR1-gen gesorteerd op lengte. Bij een volledige methylering zijn geen bandjes zichtbaar, maar verschijnt er een diffuse streep.

[afbeelding 5: zie het originele examen]

Vraag 24 2 punten

Wie van deze personen is een man die FXTAS zou kunnen krijgen ?

  1. A persoon 6
  2. B persoon 7
  3. C persoon 9
  4. D persoon 11

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Uit onderzoek bleek dat bij knock-out-muizen die het eiwit FMRP niet maken, de ontwikkeling van de hersenschors in de embryonale fase wordt vertraagd. Na de geboorte leidt het ontbreken van FMRP tot veranderingen in synapsen in de hersenen waardoor leer- en geheugen- problemen ontstaan.

Normaliter worden tijdens het leren de contacten tussen zenuwcellen in de hersenen sterker door de vermeerdering van receptoren voor neurotransmitters in het celmembraan. Zo leidt stimulering van bepaalde glutamaatreceptoren (mGluR5) tot de synthese van eiwitten die de hoeveelheid van andere glutamaatreceptoren (AMPA) van zenuwcellen in het celmembraan beïnvloeden. In afbeelding 6 is links een normaal functionerende synaps in de hersenen weergegeven, rechts een synaps van iemand met FXS.

[afbeelding 6: zie het originele examen]

Vraag 25 2 punten

Leg uit aan de hand van de gegevens in afbeelding 6 waardoor bij personen met FXS de synaps verzwakt raakt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • bepaalde eiwitten die gevormd worden (na stimulering van de mGluR5- receptoren) normaal door FMRP (in hun activiteit) worden geremd (1)
  • zonder FMRP (als gevolg van de activiteit van die eiwitten) de AMPA- receptoren uit het (postsynaptisch) celmembraan worden verwijderd (waardoor de synaps verzwakt) (1)

Onderzoekers hopen een medicijn te vinden dat de symptomen van FXS kan verminderen.

Vraag 26 2 punten

Leg uit hoe gebruik van muizen met een knock-out-gen voor dit onderzoek nuttig kan zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • in deze muizen het FMR1-gen/FMRP-gen kan worden uitgeschakeld / deze muizen geen FMRP maken (1)
  • zodat de effectiviteit van stoffen in het verminderen van FXS- symptomen op deze muizen getest kan worden (1)

Biologische productie van waterstofgas

Vanwege de opwarming van de aarde wordt naarstig gezocht naar alternatieven voor fossiele brandstoffen. Waterstofgas (H2) is zo’n alternatief, want bij de verbranding van H2 komt uitsluitend water vrij. De industriële productie van dit gas is echter nog verre van CO2-neutraal.

Door de inzet van H2-producerende bacteriën is het in de toekomst misschien wel mogelijk om op een milieuvriendelijke wijze waterstofgas te produceren. Een opstelling hiervoor met twee reactoren wordt getest door procestechnologen. In de eerste reactor zetten bacteriën organisch stoffen (bijvoorbeeld uit aardappelschillen) om in organische zuren, H2 en CO2. In een tweede reactor worden de organische zuren onder invloed van licht door andere bacteriën omgezet in nog meer H2 en CO2. Een schematische weergave van deze opstelling is te zien in afbeelding 1.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

GASOPVANG

biomassa GASSCHEIDER CO2 H2 + CO2 H2 + CO2 H2 organische stoffen organische licht zuren organische zuren Reactor 1 Reactor 2

Doel van het testprogramma is het optimaliseren van het proces, onder andere door een geschikte vorm van biomassa te vinden. Zo is er geëxperimenteerd met aardappelschillen, een restproduct van de industriële verwerking van aardappelen tot frites. Dit restproduct bevat verschillende typen polysachariden.

Vraag 27 1 punt

Noteer de namen van twee typen polysachariden in dit restproduct.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen Voor het noteren van zowel amylose als amylopectine, wordt 1 scorepunt toegekend. Voor het noteren van lignine, chitine of glycogeen, wordt geen scorepunt toegekend.

Een ander onderdeel van het testprogramma is het selecteren van geschikte micro-organismen. Voor reactor 1 lijkt de anaerobe thermofiele Caldicellulosiruptor saccharolyticus een geschikte kandidaat. Deze bacterie bevat het enzym hydrogenase dat in reactor 1 de onderstaande reactie versnelt:

H+ + NADH → H2 + NAD+

Vraag 28 1 punt

Wat is het belang van de vorming van NAD+ voor C. saccharolyticus?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat hierdoor de glycolyse / de anaerobe dissimilatie kan blijven verlopen / dat hierdoor het NAD+ weer elektronen kan opnemen. (1)

Bacteriën kunnen chemo-autotroof, chemo-heterotroof, foto-autotroof of foto-heterotroof zijn. Door de aanwezigheid van organische zuren in reactor 2 wordt er in de daar aanwezige purperbacteriën geen CO 2 verbruikt.

Vraag 29 2 punten

Welke leefwijze hebben de purperbacteriën in reactor 2?

  1. A chemo-autotroof
  2. B chemo-heterotroof
  3. C foto-autotroof
  4. D foto-heterotroof

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

In beide reactoren van de proefopstelling (afbeelding 1) komt CO2 vrij.

Vraag 30 1 punt

Verklaar dat de processen die in reactor 1 en 2 plaatsvinden CO2-neutraal genoemd kunnen worden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat de CO 2 die vrijkomt (kort daarvoor) was opgenomen bij de fotosynthese / voor de assimilatie van biomassa / door aardappelplanten. (1)

Wat te doen aan de muizenplagen?

In 2014 en 2015 was er in Friesland veel schade door grote aantallen veldmuizen (afbeelding 1). Graslanden die er in augustus nog goed uitzagen, waren in maart kaal en vol met muizengangen (afbeelding 2). In opdracht van verschillende organisaties, zoals het Wetterskip Fryslân, onderzochten ecologen hoe de veldmuizenpopulaties te beheersen zijn.

afbeelding 1 afbeelding 2

Veldmuizen (Microtus arvalis) leven bij voorkeur in graslanden, wegbermen, slootkanten en dijken, waar ze eten van de grassen en kruiden. Ze graven meterslange gangenstelsels in de grond, met diepliggende nesten en voorraadkamers. De populatiegrootte varieert gedurende het jaar. Omdat de meeste veldmuizen de winter niet overleven zijn de aantallen in het voorjaar relatief klein. In de zomer, wanneer de omstandigheden gunstiger zijn en het gras hard groeit, neemt de populatie snel toe. Als dan in het najaar ook de nieuwe generaties veldmuizen aan de voortplanting deelnemen, kan de toename enorm zijn. Soms komen er zo veel veldmuizen dat ze zich ook vestigen in landbouwpercelen, waar ze eten van de gewassen die er groeien.

Er is een grens aan het aantal individuen van een soort dat zich in een bepaald gebied langdurig kan handhaven.

Vraag 31 1 punt

Welke vakterm gebruiken ecologen hiervoor?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan het antwoord ‘verzadigingspopulatie’ of ‘draagvlak’ wordt 1 scorepunt toegekend.

Tijdens het hoogtepunt van de plaag hebben boeren geprobeerd de veldmuizen te verdrijven door het land tijdelijk onder water te zetten. Het zou echter beter zijn om de veldmuizen te bestrijden voordat er overlast en schade is.

Veronderstel dat in een bepaald gebied begin mei 10 veldmuizen leven en dat dit aantal zal stijgen tot 6000 individuen begin november. Zou in dit gebied al in een vroeg stadium worden ingegrepen, dan kan dit het aantal individuen in november aanzienlijk beperken. Een mogelijkheid is om al begin juli het land enkele dagen onder water te zetten, waardoor de populatie halveert. In de uitwerkbijlage is een assenstelsel getekend. Om een beeld te geven van het verschil tussen wel en niet ingrijpen, kan in dit assenstelsel het verloop van de aantallen veldmuizen in de twee beschreven situaties vergeleken worden.

Vraag 32 2 punten

− Schets in de uitwerkbijlage het verloop van het aantal veldmuizen wanneer er niet ingegrepen wordt,

  • en schets het verloop als er wél ingegrepen wordt door het enkele dagen onder water zetten van het land begin juli.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voor een doorgetrokken lijn die begint bij ongeveer 10 muizen (tussen 0 en 100) in mei en eindigt bij 6000 in november met (min of meer) het verloop van een J-curve (1)
  • voor een stippellijn (eventueel vanuit de doorgetrokken lijn) die in juli aanvangt op ongeveer de helft van het aantal van de doorgetrokken lijn en eindigt op ongeveer 3000 (tussen 1500 en 4000) in de maand november met (min of meer) het verloop van een J-curve (1)

Het is de vraag of bestrijding door het onder water zetten van het land op het hoogtepunt van de plaag beter is dan de plaag op zijn beloop laten en de winter afwachten.

Vraag 33 2 punten

− Verklaar dat afwachten wel eens een goede oplossing zou kunnen zijn,

  • en verklaar dat door het land onder water te zetten op het hoogtepunt van de plaag, de plaag het volgende jaar juist erger zou kunnen worden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist antwoord:

  • Doe je niets dan stort de populatie vanzelf in door overbevolking. Als je het land onder water zet verdrinken veel muizen, maar als er een paar het overleven hebben deze, als het water is weer weg is, meer kans om de winter te overleven.
  • Als je niets zou doen, kunnen ze massaal doodgaan door voedselgebrek. Als je het land onder water zet, trekken sommige muizen weg. Als het weer droog is komen ze terug en dan is er meer voedsel voor dat kleine aantal waardoor de populatie weer kan groeien.

Boeren kunnen de veldmuizenpopulatie ook terugdringen met muizengif zoals bromadiolon, een vitamine-K-antagonist. Vitamine K is nodig voor de vorming van trombine in het bloed.

Vraag 34 2 punten

Waaraan sterven muizen na het eten van bromadiolonkorrels? Ze sterven aan

  1. A de gevolgen van trombose doordat er minder fibrine gevormd wordt.
  2. B de gevolgen van trombose doordat er minder fibrinogeen gevormd wordt.
  3. C inwendige bloedingen doordat er minder fibrine gevormd kan worden.
  4. D inwendige bloedingen doordat er minder fibrinogeen gevormd kan worden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

In een gebied met grote aantallen muizen komen meer stikstofverbindingen in het oppervlaktewater terecht. In sommige gebieden met muizenschade was de concentratie stikstof in de sloten met 70% toegenomen. Er worden drie uitspraken gedaan om dit te verklaren:

1 Veldmuizen bevorderen door hun gegraaf de ammonificatie en nitrificatie;

2 Veldmuizen verspreiden poep en urine met daarin stikstof- verbindingen;

3 Veldmuizen tasten het gras aan waardoor het minder nitraat opneemt.

Vraag 35 2 punten

Welke van deze uitspraken geeft of geven een juiste verklaring? Noteer de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en schrijf erachter of de betreffende verklaring wel of niet juist kan zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 1 wel 2 wel 3 wel indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

In het onderzoek naar het ontstaan van veldmuizenplagen is bepaald wat de invloed is van de openheid van het landschap (hoe ver je kunt kijken zonder dat er struiken en bomen in het zicht staan) en de drooglegging (verlaging van het grondwaterpeil ten opzichte van het maaiveld). Deze variabelen staan in een database met landschapsgegevens. In deze database is heel Nederland opgedeeld in zeshoeken met een grootte van 1 km2. Van alle zeshoeken met dezelfde openheids- en droogleggingsklasse is bepaald in hoeveel procent hiervan melding was gemaakt van muizenschade. Het resultaat is weergegeven in het diagram van afbeelding 3.

[afbeelding 3: zie het originele examen] 80 percentage schademeldingen 70

60

50

40

30

20

10

0 0-20 cm 20-40 cm 40-60 cm 60-80 cm 80-100 cm 100-120 cm drooglegging in cm Legenda: openheid 0-15 m 30-300 m 15-30 m 300-900 m

Twee beweringen naar aanleiding van dit onderzoek zijn:

1 De drooglegging is als factor belangrijker voor het ontstaan van schade door veldmuizen dan de openheid van het grasland.

2 Schade in een klein en door struiken en bomen beschut grasland wordt eerder opgemerkt dan schade in een weids grasland.

Vraag 36 2 punten

Welke bewering wordt of welke beweringen worden ondersteund door de gegevens in het diagram van afbeelding 3?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Ecologen onderscheiden twee typen predatoren:

1 Specialisten, zoals de wezel, die slechts op een of enkele prooisoorten prederen;

2 Generalisten, zoals de vos, die allerlei prooisoorten eten en makkelijk overschakelen. Veldmuizen worden gegeten door zowel specialisten als generalisten. In Nederland en Duitsland komen muizenplagen vooral voor in grote uitgestrekte graslanden. Een ingrijpende ecologische maatregel om deze plagen te voorkomen, is het omvormen van deze graslanden tot een heterogeen landschap bestaande uit kleinere graslanden afgewisseld met akkerbouwland, heggetjes en bosjes.

Vraag 37 2 punten

− Verklaar welk type predator hierdoor wordt aangetrokken.

  • Waardoor is juist dit type predator in staat veldmuizenplagen te voorkomen?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor een antwoord gebaseerd op de aanwezigheid van schuilplaatsen of nestgelegenheid voor de predator, of bij een keuze voor specialisten, wordt geen scorepunt toegekend.

Een melkveehouder in Friesland wil zijn percelen grasland enkele keren maaien om het gras als hooi op te slaan voor de winter. Maatregelen die ecologen voorstellen tegen een veldmuizenplaag zijn onder andere:

1 Nestkasten plaatsen, zodat roofvogels aangetrokken worden;

2 Bodembewerking, zoals het machinaal omploegen van het grasland.

Vraag 38 2 punten

− Licht toe dat hij maatregel 1 alleen preventief (ter voorkoming van een veldmuizenplaag) kan toepassen.

  • Licht toe dat hij maatregel 2 alleen curatief (ter bestrijding van een veldmuizenplaag) zal toepassen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het antwoord dat omploegen alleen curatief is als er veel (nesten van) veldmuizen zijn, wordt geen scorepunt toegekend.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1018-a-18-2-o

Andere examens biologie vwo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2018, tijdvak 2?

Het centraal examen biologie vwo 2018, tijdvak 2 telt 38 vragen. De meeste vragen gaan over ecologie (10), zenuwstelsel en hormonen (8) en ademhaling (7).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2018, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2018, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1018-a-18-2-c).

Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.