Eindexamen biologie vwo 2025, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Slangengifklieren uit het lab, Hoe planten overstroming overleven, De nijlpaarden van Pablo Escobar, Onderzoek naar pijnbeleving, Histamine-intoxicatie.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie vwo 2025, tijdvak 1 telt 40 vragen. De meeste vragen gaan over planten en fotosynthese (7), cellen (6) en ecologie (6). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie vwo 2025, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Planten en fotosynthese8-13, 197
Cellen1-2, 5-7, 346
Ecologie14-15, 18, 21-236
Zenuwstelsel en hormonen26-27, 31, 33, 365
Erfelijkheid24-25, 28, 324
Evolutie16-17, 293
Bloedsomloop38-403
Afweer3-42
Voeding en vertering20, 352
DNA en eiwitsynthese301
Ademhaling371

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over cellen (15% van de vragen, gemiddeld 4%) en planten en fotosynthese (18% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over DNA en eiwitsynthese (3% van de vragen, gemiddeld 13%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2025, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2025, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2025, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Slangengifklieren uit het lab

Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale situaties en gezonde organismen.

Wereldwijd sterven jaarlijks ruim 100.000 mensen door beten van giftige slangen. Het team van Hans Clevers van het Hubrecht Instituut in Utrecht is erin geslaagd om minigifklieren te kweken in het laboratorium. Hierdoor kan het eenvoudiger worden om antiserum tegen slangengif te produceren.

Gifklieren van slangen zijn aangepaste speekselklieren. Slangengif bevat een mix van verschillende eiwitten die een prooi kunnen verlammen en verteren. Als een slang bijt, trekt de compressie-spier rond de gifklier samen, waardoor het gif via een afvoerbuisje door de giftand (afbeelding 1) in de prooi terechtkomt.

De gifklier met afvoerbuisje bestaat uit drie typen cellen: epitheelcellen, mitochondria-rijke zuurproducerende cellen en gifproducerende cellen.

Vraag 1 2 punten

Hieronder staan uitspraken over de gifklier en het afvoerbuisje.

  • 1 De gifklier is een exocriene klier.
  • 2 De mitochondria-rijke cellen produceren ATP voor de cellen van de compressie-spier.
  • 3 De binnenkant van het afvoerbuisje bestaat voornamelijk uit epitheelcellen.

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.

Schema van de gifklier met het afvoerbuisje en de giftand van een slang. Bekijk in Opgaven, pagina 2

Bekijk het antwoord
  • 1 juist
  • 2 onjuist
  • 3 juist

De gifproducerende cellen bevatten een groot aantal ribosomen en een groot golgi-systeem.

Vraag 2 2 punten

Licht toe wat in de gifproducerende cellen de functie is van

  • het grote aantal ribosomen;
  • het grote golgi-systeem.
Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • aan ribosomen de synthese van eiwitten/gif plaatsvindt.
  • in het golgi-systeem eiwitten/gifmoleculen hun definitieve vorm (door modificatie) krijgen. / het golgi-systeem zorgt voor transport (van eiwitten/gif) naar buiten de cel.

Na een beet van een giftige slang is het heel belangrijk dat een antiserum wordt toegediend. Voor het maken van zo’n antiserum worden slangen gemolken (afbeelding 2). Het verkregen gif wordt sterk verdund en vervolgens ingespoten bij ‘productiedieren’, bijvoorbeeld paarden of schapen. Bij die dieren komt dan een immuunreactie op gang, waarna de antistoffen uit het bloedplasma geïsoleerd kunnen worden.

Vraag 3 1 punt

Door welke afweercellen worden deze antistoffen geproduceerd?

  1. A door macrofagen
  2. B door ‘natural killer’-cellen (NK-cellen)
  3. C door plasmacellen
  4. D door T-helpercellen

Foto van een slang die gemolken wordt voor het verkrijgen van gif. Bekijk in Opgaven, pagina 3

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

Tegen het gif van elke slangensoort moet een specifiek antiserum geproduceerd worden.

Vraag 4 1 punt

Verklaar dit op moleculair niveau.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord:

  • Het antiserum werkt alleen als het ruimtelijk past op het gif van een bepaalde slangensoort.
  • De antistoffen moeten kunnen binden aan de gifstoffen van een bepaalde slangensoort.
  • Elke slangensoort heeft ander gif, er moet dus voor elke slangensoort een ander antiserum worden gemaakt dat zich kan hechten aan dat gif.

Opmerkingen

  • Het antwoord van de kandidaat moet ingaan op de binding tussen gif(moleculen) en antistof/antiserum(-moleculen).
  • Als de kandidaat in het antwoord uitgaat van maar één gifstof in het gif van een slangensoort, dit niet aanrekenen.

De Utrechtse onderzoekers gebruikten voor het kweken van de minigifkliertjes de gifklieren van negen verschillende soorten slangen. De onderzoekers maakten cellen los uit het weefsel van de gifklier en brachten deze in een voedingsmedium met groeifactoren. Bepaalde cellen gingen zich delen en vormden spontaan bolletjes (afbeelding 3). Na een week begonnen de cellen van elk bolletje zich te differentiëren tot verschillende celtypen, waaronder gifproducerende cellen. De bolletjes ontwikkelden zich tot blaasjes die organoïden genoemd worden (doorsnede in afbeelding 4).

Dit was de eerste keer dat het wetenschappers lukte om organoïden te kweken uit stamcellen van reptielen.

Vraag 5 1 punt

Licht toe welk gegeven uit de tekst in het kader erop wijst dat er stamcellen bij de losgemaakte cellen zaten.

Afbeelding 3: bolletjes van cellen; afbeelding 4: doorsnede van een organoïde (blaasje). Bekijk in Opgaven, pagina 4

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat stamcellen / de cellen (van de bolletjes) zich kunnen differentiëren. / dat stamcellen / de cellen (van de bolletjes) zich kunnen ontwikkelen tot verschillende celtypen.

De onderzoekers vergeleken het mRNA van de organoïden met:

  • het mRNA uit gifproducerende cellen van een gifklier;
  • het mRNA uit cellen van de alvleesklier van dezelfde slangensoort.

Na dit onderzoek trokken zij de conclusie dat de organoïden minigifkliertjes zijn.

Vraag 6 2 punten

Beschrijf de resultaten van dit onderzoek.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • het mRNA(-profiel) / de genexpressie van de minigifklier(cellen) overeenkomt met dat/die van de gewone gifklieren.
  • het mRNA(-profiel) / de genexpressie verschilt van dat/die van de alvleesklier(cellen).

De onderzoekers willen een biobank oprichten met daarin bevroren gifklier-organoïden van vele soorten giftige slangen.

Hieronder staan uitspraken over de voordelen van zo’n biobank.

Vraag 7 2 punten

  • 1 Er hoeven dan minder gifslangen gemolken te worden.
  • 2 Het is dan niet meer noodzakelijk om dieren te gebruiken voor het maken van een antiserum.
  • 3 Een antiserum is dan direct beschikbaar.

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.

Bekijk het antwoord
  • 1 juist
  • 2 onjuist
  • 3 onjuist

Hoe planten overstroming overleven

Door klimaatverandering zullen rivieren vaker overstromen, waardoor oogsten verloren zullen gaan. Dit komt doordat de meeste landbouwgewassen slecht bestand zijn tegen overstroming. Maar er zijn ook plantensoorten die beter bestand zijn tegen overstroming. Onderzoekers van de Universiteit Utrecht hebben onderzocht hoe dat komt.

Wanneer landplanten in een natte bodem staan, levert dit vooral problemen op voor de wortels. Normaal nemen de wortels zuurstof op uit luchtholten in de bodem. Bij overstroming zijn deze holten echter gevuld met water.

Vraag 8 2 punten

Overstroming van de bodem leidt tot verminderde zuurstofopname door de wortels.

Leg dit uit aan de hand van een factor uit de wet van Fick.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord:

  • In water is minder zuurstof opgelost dan in de lucht, waardoor het concentratieverschil met de wortelcellen kleiner is.
  • Doordat de bodem is gevuld met water, wordt de afstand tot de lucht dx groter.
  • Normaal maakt de wortel veel contact met de lucht. Bij een overstroming is het contactoppervlak tussen lucht en wortels kleiner: de A wordt kleiner. Er is dus minder diffusie van zuurstof mogelijk.
  • De diffusieconstante voor water is lager: de zuurstof diffundeert minder snel door het water dan door de lucht.

Opmerkingen

  • Het tweede scorepunt alleen toekennen als het eerste scorepunt is behaald.
  • Het antwoord ‘c wordt kleiner’ of ‘de concentratiegradiënt wordt kleiner’, goed rekenen als ten minste een van de twee factoren uit de breuk juist is toegelicht.

Door het zuurstoftekort in de wortels zal het transport van water naar de bladeren afnemen.

Vraag 9 3 punten

Leg uit hoe transport van water naar de bladeren afneemt als gevolg van het zuurstoftekort in de cellen van de wortels.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • (door het zuurstofgebrek in de wortelcellen) de ATP-productie afneemt, / (aerobe) dissimilatie afneemt,
  • (waardoor) het actief transport afneemt, / de (actieve) opname van ionen/mineralen afneemt,
  • (waardoor) er minder wateropname/osmose plaatsvindt / de worteldruk afneemt (waardoor het transport van water naar de bladeren afneemt).

De Utrechtse biologen deden onderzoek naar het effect dat het plantenhormoon ethyleen (etheen) heeft als planten door overstroming onder water komen te staan. In hun onderzoek aan de zandraket (Arabidopsis thaliana, afbeelding 1) toonden ze aan dat ethyleen de plant in overlevingsmodus brengt, waardoor de plant beter bestand wordt tegen zuurstofgebrek. Ethyleen is een stof die snel kan verdampen. Als planten volledig onder water staan, blijkt ethyleen zich op te hopen in de plant.

Vraag 10 1 punt

Noteer via welk onderdeel van het blad het meeste ethyleen ontsnapt als de plant niet onder water staat.

Foto van een zandraketplant (Arabidopsis thaliana). Bekijk in Opgaven, pagina 5

Bekijk het antwoord

(via de) huidmondjes/stomata

Bepaalde transcriptiefactoren, de zogenoemde ERF7’s (ethyleen-responsfactoren), sturen het proces aan dat een plant in de overlevingsmodus brengt. Zolang stikstofoxide (NO) en zuurstof aanwezig zijn, worden de ERF7’s afgebroken door het enzym PRT6.

De onderzoekers ontdekten dat ethyleenophoping leidt tot een toename van de concentratie phytoglobine1 (PGB1) in de cellen van de groeipunten van de stengels en worteltoppen. PGB1 bindt stikstofoxide, waardoor de overstroomde plant in overlevingsmodus komt.

De onderzoekers hebben een model opgesteld (afbeelding 2) van het moleculaire mechanisme dat de cel in overlevingsmodus brengt. In afbeelding 2 zijn de toename van de concentratie ethyleen en PGB1, en de toename van overlevingsprocessen bij volledige overstroming weergegeven met een pijltje (↑). De overlevingsmodusgenen zijn aangegeven met OMG. De afbeelding is niet compleet: bij drie stoffen en een proces in de cel staat een vakje met een nummer.

Vraag 11 2 punten

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar. Geef achter elk nummer met een pijltje aan of het bijbehorende proces of de concentratie van de bijbehorende stof bij volledige overstroming toeneemt (↑) of afneemt (↓).

Schema van een plantencel met ethyleen, ERF7, PRT6, NO, PGB1, transcriptie, OMG en overlevingsprocessen. Bekijk in Opgaven, pagina 6

Bekijk het antwoord
  • 1 neemt toe
  • 2 neemt af
  • 3 neemt af
  • 4 neemt toe

De onderzoekers gebruikten de volgende typen zandraketplanten:

  • planten met een mutatie waardoor een bepaalde ERF7 niet werkzaam is: de ERF7-mutanten
  • planten met een mutatie waardoor het enzym PRT6 niet werkzaam is: de PRT6-mutanten
  • wildtype-planten (zonder de mutaties)

De onderzoekers plaatsten de planten in een ruimte waarin deze eerst werden blootgesteld aan lucht met ethyleen (nabootsing ethyleenophoping) of aan lucht zonder ethyleen (controle-voorbehandeling). Vervolgens stelden ze alle planten vier uur lang bloot aan lucht zonder zuurstof. Daarna werd de overleving van de worteltoppen van de planten bepaald (afbeelding 3).

Vraag 12 2 punten

Hieronder staan uitspraken over de resultaten in afbeelding 3.

  • 1 De worteltoppen van het wildtype zijn beter bestand tegen zuurstofgebrek na een voorbehandeling met ethyleen.
  • 2 Zowel met als zonder ethyleen-voorbehandeling is er bij ERF7-mutanten minder overleving van de worteltoppen dan bij wildtype-planten.
  • 3 Het enzym PRT6 verhoogt de overleving bij volledige overstroming.

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak wel of niet ondersteund wordt door de resultaten in afbeelding 3.

Staafdiagram van het percentage overlevende worteltoppen van wildtype, ERF7-mutanten en PRT6-mutanten, zonder en met ethyleen. Bekijk in Opgaven, pagina 7

Bekijk het antwoord
  • 1 wel
  • 2 niet
  • 3 niet

De onderzoekers hopen de opgedane kennis te kunnen gebruiken om door middel van genetische modificatie landbouwgewassen te beschermen tegen overstromingen. Met genetische modificatie kunnen in landbouwgewassen de volgende veranderingen worden aangebracht:

  • 1 het PGB1-gen knock-out maken
  • 2 cisgene PGB1-genen toevoegen
  • 3 genen voor ethyleenproductie knock-out maken
  • 4 cisgene genen voor ethyleenproductie toevoegen

Vraag 13 1 punt

Noteer de nummers van de twee veranderingen die landbouwgewassen beter bestand zouden kunnen maken tegen overstroming.

Bekijk het antwoord

(alleen de nummers) 2 en 4

De nijlpaarden van Pablo Escobar

Toen de beruchte drugsbaron Pablo Escobar in 1993 was doodgeschoten, legde de Colombiaanse regering beslag op zijn landgoed en privédierentuin. De meeste dieren kregen een ander onderkomen, maar de nijlpaarden werden aan hun lot overgelaten, met grote gevolgen voor de aquatische ecosystemen in Colombia.

Rond 1980 haalde Escobar vier nijlpaarden (Hippopotamus amphibius, afbeelding 1) uit Zuid-Afrika. Na 1993 nam de populatie op het landgoed sterk in grootte toe en verspreidde zich vanuit daar over het uitgestrekte merengebied langs de rivier de Magdalena. Nijlpaarden zijn semi-aquatische herbivoren: overdag verblijven ze in het water, ’s nachts verlaten ze het water om te gaan grazen.

[Afbeelding 1: foto van twee nijlpaarden in het water bij de oever.]

In 2019 is de groei van de Colombiaanse nijlpaardenpopulatie in kaart gebracht en is er een voorspelling gemaakt van de groei van de populatie in de komende jaren. In afbeelding 2 geven gesloten bolletjes de waargenomen aantallen weer, en open bolletjes de voorspelde aantallen. In 2019 waren er tussen de 65 en 80 nijlpaarden.

Vraag 14 2 punten

Hieronder staan uitspraken over de populatiegroei van de nijlpaarden (afbeelding 2).

  • 1 De invloed van dichtheidsafhankelijke factoren neemt af naarmate de populatie groter wordt.
  • 2 De sterke groei is mogelijk doordat er een passende niche aanwezig is.
  • 3 Als de groei zich zo doorzet, zal het aantal in 2080 tussen de 13.000 en 15.000 zijn.

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.

Grafiek van het aantal nijlpaarden in Colombia per jaar, met waargenomen (gesloten bolletjes) en voorspelde aantallen (open bolletjes). Bekijk in Opgaven, pagina 8

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist
  • 2 juist
  • 3 onjuist

In Afrika veroorzaken droge perioden een hoge sterfte onder nijlpaarden. In Colombia zijn er geen ernstige droogteperioden. De populatiegrootte zal daar waarschijnlijk op termijn gereguleerd worden door biotische factoren.

Vraag 15 1 punt

Licht aan de hand van een voorbeeld toe hoe een biotische factor de groei van de populatie nijlpaarden in Colombia zou kunnen beperken.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord:

  • Er breekt een ziekte uit, waardoor dieren sterven.
  • Door voedselgebrek overleven er minder jongen.
  • Door concurrentie is er minder voedsel voor nijlpaarden beschikbaar, waardoor nijlpaarden minder vruchtbaar zijn.
  • Door jacht gaan er dieren dood.

Opmerking

Aan het antwoord predatie met een bijpassende toelichting, het scorepunt toekennen.

Doordat de nijlpaardenpopulatie in Colombia afstamt van slechts vier individuen, is de genenpool van deze populatie anders dan die van populaties in Afrika.

Vraag 16 1 punt

Noteer de biologische term voor deze vorm van genetic drift.

Bekijk het antwoord

stichtereffect / founder effect

Opmerking

Aan het antwoord bottleneck effect of flessenhalseffect geen scorepunt toekennen.

Sommige wetenschappers denken dat de populatie nijlpaarden in Colombia zich zal ontwikkelen tot een aparte soort.

Vraag 17 1 punt

Is dat een voorbeeld van sympatrische soortvorming of van allopatrische soortvorming? Licht je antwoord toe.

Bekijk het antwoord

allopatrische (soortvorming), met een toelichting waaruit blijkt dat er een (ruimtelijke) scheiding / geen contact is tussen de populaties (in Afrika en Colombia)

Nijlpaarden worden ‘ecosystem engineers’ genoemd, omdat zij water- en landecosystemen ingrijpend beïnvloeden. Grote grazers zoals nijlpaarden kunnen successie in landecosystemen tegengaan doordat ze de vestiging en/of groei van pioniersoorten en climaxsoorten beïnvloeden.

Vraag 18 2 punten

Beschrijf – aan de hand van een voorbeeld – hoe nijlpaarden de successie kunnen tegengaan. Geef hierbij aan hoe climaxsoorten worden beïnvloed.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord:

  • Doordat nijlpaarden bij het grazen ook jonge boompjes eten, kunnen die climaxsoorten niet groot worden.
  • Doordat nijlpaarden de bodem verdichten, kunnen climaxsoorten zich niet vestigen.
  • Nijlpaarden voeren nutriënten af, waardoor er vooral groeiplaatsen zijn waar climaxsoorten minder goed groeien.
  • Nijlpaarden vertrappen de vegetatie, waardoor climaxsoorten niet kunnen overleven.

Nijlpaarden eten op het land, maar poepen in het water. Ecologen wilden weten wat het effect hiervan is op ecosystemen in Colombia. Ze deden onderzoek in meren met nijlpaarden en in meren zonder nijlpaarden. De ecologen bepaalden daar van kleine organische moleculen:

  • de verhouding tussen de koolstofisotopen $^{13}$C en $^{12}$C
  • de verhouding tussen de stikstofisotopen $^{15}$N en $^{14}$N

De verhouding $^{13}$C/$^{12}$C verschilt tussen plantensoorten als gevolg van een verschil in fotosynthese. In gematigde streken zijn de meeste plantensoorten C3-planten. Het CO$_2$-fixerende enzym van C3-planten bindt voornamelijk CO$_2$ met de lichtere koolstofisotoop. C4-planten groeien alleen op land, en komen vaker voor in tropische gebieden zoals in Afrika en Colombia. Deze planten maken gebruik van een CO$_2$-fixerend enzym dat minder onderscheid maakt tussen de twee isotopen.

Uit de verhouding $^{15}$N/$^{14}$N van organische stoffen is af te leiden van welk trofisch niveau deze stoffen afkomstig zijn. In afbeelding 3 is de relatie tussen de verhouding $^{13}$C/$^{12}$C en de verhouding $^{15}$N/$^{14}$N weergegeven op drie trofische niveaus in twee voedselketens: een voedselketen gebaseerd op C3-planten en een voedselketen gebaseerd op C4-planten.

Vraag 19 1 punt

Het CO$_2$-fixerende enzym van C3-planten bindt CO$_2$, waardoor een C3-molecuul gevormd wordt.

Noteer de naam van dit C3-molecuul. Gebruik je informatieboek.

Bekijk het antwoord

glycerinezuur-3-fosfaat/3-glycerinezuurfosfaat

Opmerking

Aan het antwoord glycerinezuur, glycerinezuur-1,3-difosfaat of (3-)glyceraldehyde-3-fosfaat, het scorepunt toekennen.

Organismen die hoger in de voedselketen staan, bevatten relatief meer $^{15}$N.

Vraag 20 2 punten

Welk van de volgende processen kan dit verklaren?

Aminozuren met $^{14}$N worden relatief …

  1. A vaker afgebroken.
  2. B vaker omgezet in andere aminozuren.
  3. C minder vaak uitgescheiden.
  4. D minder vaak gevormd bij de stikstofassimilatie.

Spreidingsdiagram van de verhouding 15N/14N tegen 13C/12C voor organismen in voedselketens op C3- en C4-planten. Bekijk in Opgaven, pagina 10

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A

De resultaten van de bepalingen van de verhouding $^{13}$C/$^{12}$C en de verhouding $^{15}$N/$^{14}$N in de Colombiaanse meren zijn weergegeven in afbeelding 4. Elk bolletje geeft het gemiddelde aan van watermonsters die genomen zijn in een bepaald meer.

Vraag 21 2 punten

Beredeneer dat de metingen (afbeelding 4) een ondersteuning zijn voor de hypothese dat de nijlpaarden plantaardig materiaal van het land naar het water verplaatsen.

Spreidingsdiagram van 15N/14N tegen 13C/12C van watermonsters uit meren met en zonder nijlpaarden. Bekijk in Opgaven, pagina 11

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • de verhouding $^{13}$C/$^{12}$C in meren met nijlpaarden hoog is / hoger is dan in meren zonder nijlpaarden.
  • dat (waarschijnlijk) veroorzaakt wordt door materiaal afkomstig van C4-planten (van het land uit uitwerpselen van nijlpaarden).

Met de toename van het aantal nijlpaarden neemt ook de concentratie organische stoffen in het water toe. De verwachting is dat op den duur eutrofiëring zal ontstaan. In een tweede onderzoek werd gedurende 24 uur de zuurstofconcentratie in het water gemeten in meren met nijlpaarden en in meren zonder nijlpaarden. In afbeelding 5 zijn de resultaten van twee meren met en twee meren zonder nijlpaarden weergegeven.

Vraag 22 2 punten

Verklaar waardoor in de meren met nijlpaarden het verloop van de O$_2$-concentratie

  • ’s nachts anders is dan in meren zonder nijlpaarden;
  • overdag anders is dan in meren zonder nijlpaarden.

Grafieken van de afwijking van de zuurstofconcentratie per tijdstip over 24 uur, voor twee meren met en twee meren zonder nijlpaarden. Bekijk in Opgaven, pagina 12

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat in meren met nijlpaarden

  • ’s nachts meer afbraak van organische stoffen plaatsvindt / ’s nachts meer afbraak door reducenten/bacteriën plaatsvindt (waarbij O$_2$ wordt verbruikt).
  • (meer voedingsstoffen aanwezig zijn voor algen/planten zodat) overdag meer fotosynthese plaatsvindt (en er daardoor meer O$_2$-productie is).

Wetenschappers veronderstellen dat de nijlpaarden ook de biodiversiteit in het gebied zullen beïnvloeden.

Vraag 23 2 punten

Hieronder staan gevolgen van de aanwezigheid van nijlpaarden.

  • 1 Nijlpaarden concurreren met inheemse soorten zoals zeekoeien, rivierschildpadden en otters.
  • 2 Nijlpaarden creëren meer verschillende habitats in de rivier.
  • 3 Er zijn nijlpaardkadavers aanwezig.
  • 4 Er treedt eutrofiëring op.

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar. Noteer erachter of het bijbehorende gevolg de biodiversiteit wel of niet zal verhogen.

Bekijk het antwoord
  • 1 niet
  • 2 wel
  • 3 wel
  • 4 niet

Onderzoek naar pijnbeleving

Het team van neurobioloog John Wood onderzoekt families waarin een afwijkende pijnbeleving veel voorkomt. In 2018 beschreef Wood een erfelijke aandoening in de familie Marsili die ongevoelig maakt voor pijn. De aandoening kreeg de naam Marsili-syndroom. Het onderzoek van Wood kan bijdragen aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen voor het behandelen van chronische pijn.

Letizia Marsili dacht dat ze gewoon stoer en sterk was: pijn, ijskou en bloedhete oppervlakken deden haar niets. Ook haar moeder Maria en vier andere leden van hun familie zijn nauwelijks gevoelig voor pijn, hitte en extreme kou. Wood en zijn team onderzochten Letizia en haar familie. Ze analyseerden het genoom van alle familieleden en vonden de oorzaak: een zeer zeldzame mutatie in het ZFHX2-gen, gelegen op chromosoom 14. Ze noemden deze mutatie de Marsili-mutatie.

In afbeelding 1 is de stamboom van de familie van Letizia weergegeven.

Vraag 24 2 punten

Beredeneer dat uit de informatie in de tekst en de stamboom blijkt dat de Marsili-mutatie

  • autosomaal overerft;
  • en zeer waarschijnlijk dominant overerft.

Stamboom van de familie van Letizia Marsili, met de leden met het Marsili-fenotype gearceerd. Bekijk in Opgaven, pagina 13

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • de mutatie autosomaal is, omdat deze op chromosoom 14 ligt.
  • de mutatie (zeer waarschijnlijk) dominant is, omdat anders de drie (aangetrouwde) mannen (die het fenotype niet hebben) alle drie drager zouden zijn (en dat is zeer onwaarschijnlijk als het zo zeldzaam is).

Opmerking

Als de kandidaat uit de stamboom afleidt dat het niet X-chromosomaal kan zijn, het eerste scorepunt niet toekennen.

Maria’s ouders voelden wel gewoon pijn. Ergens voor of tijdens het leven van Maria is er een moment geweest dat de Marsili-mutatie in een cel is ontstaan.

Hieronder staan drie perioden.

Vraag 25 2 punten

  • 1 de periode waarin de geslachtscellen zijn gevormd waaruit Maria is ontstaan
  • 2 de periode van de klievingsdelingen van de zygote waaruit Maria zich heeft ontwikkeld
  • 3 de periode na Maria’s geboorte

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de Marsili-mutatie wel of niet in de bijbehorende periode kan zijn ontstaan.

Bekijk het antwoord
  • 1 wel
  • 2 wel
  • 3 niet

Na bijvoorbeeld een botbreuk ervaren mensen met een normale pijnbeleving eerst een stekende pijn en daarna een zeurende pijn. De pijnsignalen bij stekende pijn worden doorgegeven door Aδ-sensorische neuronen; bij zeurende pijn door C-sensorische neuronen. In tabel 1 zijn enkele eigenschappen gegeven van deze twee typen neuronen.

tabel 1

Aδ-sensorische neuronenC-sensorische neuronen
type pijnstekende pijnzeurende pijn
diameter uitlopers (µm)1-50,2-2
geleidingssnelheid (m/s)6-300,5-2
onderdeel Paanwezigafwezig

Behalve de kleine diameter van de uitlopers is ook de afwezigheid van onderdeel P bepalend voor de trage geleidingssnelheid van de C-sensorische neuronen bij zeurende pijn.

Vraag 26 1 punt

Noteer de naam van onderdeel P.

Bekijk het antwoord

myeline(schede) / cellen van Schwann

Opmerking

Aan het antwoord insnoering van Ranvier, het scorepunt toekennen.

Maria brak eens haar enkel bij een val. Ze voelde wel een steek, maar ze had er verder geen last van. Alleen vanwege de zwelling bezocht ze haar huisarts.

Vraag 27 2 punten

Hoeveel tijd zit er bij mensen met een normale pijnbeleving minimaal tussen het begin van de stekende pijn van een enkelbreuk, en het begin van de zeurende pijn erna? Ga uit van een lengte van de sensorische uitlopers van 1,0 meter.

  1. A ongeveer 0,3 seconden
  2. B ongeveer 0,5 seconden
  3. C ongeveer 1,8 seconden
  4. D ongeveer 2,0 seconden
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A

De leden van de familie Marsili zijn ongevoelig voor zeurende pijn doordat hun C-sensorische neuronen anders werken als gevolg van een puntmutatie in het ZFHX2-gen. Het ZFHX2-eiwit is een transcriptiefactor. Door de puntmutatie komen in de C-sensorische neuronen bepaalde genen die betrokken zijn bij de verwerking van pijnsignalen minder tot expressie.

In afbeelding 2 is een doorsnede van het ruggenmerg weergegeven. De drie letters (P, Q en R) geven plaatsen aan waar zich cellichamen van neuronen bevinden.

Vraag 28 2 punten

  • Op welke plaats of plaatsen is het ZFHX2-gen aanwezig?
  • Op welke plaats of plaatsen leidt een afwijkende genexpressie van het ZFHX2-gen tot het Marsili-fenotype?

Noteer je antwoord als volgt:

gen aanwezig in: ...

afwijkende genexpressie in: ...

Doorsnede van het ruggenmerg met de plaatsen P, Q en R waar cellichamen van neuronen liggen. Bekijk in Opgaven, pagina 15

Bekijk het antwoord
  • (gen aanwezig in) P, Q en R
  • (afwijkende genexpressie in alleen) Q

In tabel 2 is de aminozuurvolgorde van het ZFHX2-eiwit rondom de Marsili-mutatie bij de mens en bij verschillende diersoorten weergegeven.

tabel 2

mens met Marsili-mutatieQVWFQNTRAREKKGQFRSTP
mens zonder de mutatieQVWFQNTRARERKGQFRSTP
chimpanseeQVWFQNTRARERKGQFRSTP
hondQVWFQNTRARERKGQFRSTP
huismuisQVWFQNTRARERKGQFRSTP

De Marsili-mutatie bevindt zich in een deel van het gen waarin normaal geen genetische variatie aanwezig is.

Vraag 29 2 punten

Beredeneer waardoor dit deel van het ZFHX2-gen in de loop van de evolutie hetzelfde is gebleven.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • het organisme niet goed reageert op lichaamsschade/pijn als het ZFHX2-gen (hier) gemuteerd raakt, / het organisme niet goed reageert op lichaamsschade/pijn als het ZFHX2-eiwit niet goed functioneert, (waardoor) de overlevingskans/fitness / het voortplantingssucces kleiner is (en de mutatie wordt weggeselecteerd).
  • een organisme zonder mutatie van het ZFHX2-gen beter reageert op lichaamsschade/pijn (dan een organisme met mutatie), / een organisme beter reageert op lichaamsschade/pijn als het ZFHX2-eiwit functioneert (dan een organisme waarbij dat niet zo is), (waardoor) de overlevingskans/fitness / het voortplantingssucces groter is (dan bij een organisme met de mutatie).

Het onderzoeksteam concludeerde na onderzoek aan huismuizen waarbij de Marsili-mutatie was aangebracht, dat de puntmutatie inderdaad het afwijkende fenotype veroorzaakt.

Vraag 30 2 punten

Welke puntmutatie is bij de huismuizen aangebracht in de coderende streng van het ZFHX2-gen?

  1. A C → A
  2. B C → T
  3. C G → A
  4. D G → T
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

John Wood heeft meer families opgespoord waarin een afwijkende pijnbeleving voorkomt. Hij vond families met leden die bij de geringste warmte extreme pijn ervaren; deze aandoening heet IEM (inherited erythromelalgia). Ook vond hij families met leden die juist helemaal geen pijn ervaren; deze aandoening wordt CIP genoemd (congenital insensitivity to pain). Beide aandoeningen worden veroorzaakt door een puntmutatie in het SCN9A-gen dat codeert voor een bepaald type Na$^+$-kanaaltje dat aanwezig is in C-sensorische neuronen. Toen bekend was hoe een mutatie de pijn bij IEM veroorzaakt, kon naar een stof gezocht worden die het Na$^+$-kanaaltje zo beïnvloedt dat het CIP-fenotype wordt nagebootst.

Bij leden van één van de hierboven beschreven families openen de Na$^+$-kanaaltjes in de C-sensorische neuronen zich bij een kleinere stijging van de membraanpotentiaal dan normaal.

Vraag 31 2 punten

Is de drempelpotentiaal van deze Na$^+$-kanaaltjes hoger of lager dan normaal? En hebben deze personen de aandoening CIP of IEM?

  1. A drempelpotentiaal hoger; aandoening CIP
  2. B drempelpotentiaal hoger; aandoening IEM
  3. C drempelpotentiaal lager; aandoening CIP
  4. D drempelpotentiaal lager; aandoening IEM
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D

Als een mutatie tot gevolg heeft dat een eiwit niet meer goed functioneert, heet dit functieverlies, zoals bij CIP. Er is sprake van functiewinst als door een mutatie een eiwit zodanig verandert dat het een nieuwe of versterkte werking heeft, zoals bij IEM. Bij heterozygote genotypen wordt het type overerving van deze mutaties duidelijk.

Vraag 32 2 punten

Erft een functieverlies-mutatie gewoonlijk dominant of recessief over? En een functiewinst-mutatie?

  1. A functieverlies-mutatie: dominant; functiewinst-mutatie: dominant
  2. B functieverlies-mutatie: dominant; functiewinst-mutatie: recessief
  3. C functieverlies-mutatie: recessief; functiewinst-mutatie: dominant
  4. D functieverlies-mutatie: recessief; functiewinst-mutatie: recessief
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

C

Een stof die Na$^+$-kanaaltjes in C-sensorische neuronen blokkeert, zou een pijnstillend medicijn zijn voor mensen met IEM en voor mensen met andere vormen van chronische pijn. Het is relatief eenvoudig om een stof te ontwerpen die de porie van het Na$^+$-kanaaltje blokkeert. Het probleem is echter dat deze porie gelijk is aan de poriën van andere typen Na$^+$-kanaaltjes, zoals de Na$^+$-kanaaltjes in het hart.

Vraag 33 1 punt

Welke aandoening zou dan door deze stof veroorzaakt kunnen worden?

  1. A een hartinfarct
  2. B een hartritmestoornis
  3. C een lekkende hartklep
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

B

Histamine-intoxicatie

In 2018 meldden enkele personeelsleden van een ziekenhuis zich bij de spoedeisende hulp. Een alerte arts herkende de symptomen van histamine-intoxicatie. Waarschijnlijk hadden ze dit opgelopen door het eten van een bedorven tonijnsalade in het personeelsrestaurant.

Histamine-intoxicatie kan ontstaan bij mensen die bedorven voedsel hebben gegeten dat veel histamine bevat. Bacteriën, in bijvoorbeeld tonijnsalade, zetten de stof histidine om in histamine met behulp van het enzym histidine-decarboxylase (afbeelding 1). In het menselijk lichaam is histamine een mediator bij allergische reacties. De symptomen bij histamine-intoxicatie zijn benauwdheid, een rode huid, hartkloppingen en koorts.

\text{histidine} \xrightarrow{\text{histidine-decarboxylase}} \text{histamine} + \text{CO}_2

De omzetting van histidine vindt vooral plaats boven de 4 °C.

Vraag 34 1 punt

Geef een verklaring op moleculair niveau waardoor enzymreacties onder deze temperatuur nauwelijks plaatsvinden.

Reactie waarbij histidine via histidine-decarboxylase wordt omgezet in histamine, met vrijkomend CO2. Bekijk in Opgaven, pagina 17

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat enzymen dan te weinig (effectieve) botsingen hebben met substraatmoleculen. / dat de kans dat enzymen aan substraatmoleculen binden kleiner is. / dat de beweging van moleculen te traag is.

Histamine-intoxicatie kan optreden na het eten van bedorven voedsel dat veel histidine bevat, zoals vis en kaas.

Vraag 35 1 punt

Verklaar dat histidine vooral in eiwitrijke producten aanwezig is.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat histidine een aminozuur is.

Op de membraan van gladde spiercellen in de bronchiolen is de histaminereceptor H1 (H1-receptor, afbeelding 2) aanwezig. Rechts in afbeelding 2 is de signaalcascade weergegeven die na binding van histamine aan de H1-receptor leidt tot samentrekking van de gladde spiercel.

Vraag 36 2 punten

Bij signaalcascades spelen second messengers een belangrijke rol. Hieronder staan moleculen die zijn betrokken bij de signaalcascade.

  • 1 H1-receptor
  • 2 histamine
  • 3 IP$_3$
  • 4 GDP

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar. Noteer erachter of het bijbehorende molecuul wel of niet als second messenger dient in deze signaalcascade.

Schema van de H1-receptor en de signaalcascade met activering van β-fosfolipase, omzetting van PIP2 in IP3 en toename van Ca2+ die leidt tot samentrekking van de gladde spiercel. Bekijk in Opgaven, pagina 18

Bekijk het antwoord
  • 1 niet
  • 2 niet
  • 3 wel
  • 4 niet

De zieke personeelsleden hadden onder andere last van benauwdheid. De benauwdheid wordt veroorzaakt doordat histamine het glad spierweefsel in de bronchiolen laat samentrekken. Tijdens de benauwdheid neemt de ademhalingsfrequentie toe doordat het ademcentrum wordt gestimuleerd.

Vraag 37 3 punten

Leg uit hoe samentrekking van het glad spierweefsel in de bronchiolen leidt tot de stimulering van het ademcentrum.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat

  • (door samentrekking van glad spierweefsel) de bronchiolen nauwer worden, / er minder lucht (per tijdseenheid) doorstroomt, / de ventilatie afneemt,
  • (waardoor) in het bloed de CO$_2$-concentratie toeneemt, / de pH afneemt, / de O$_2$-concentratie afneemt,
  • (waardoor) (chemo)receptoren een signaal doorgeven (zodat het ademcentrum wordt gestimuleerd).

In de gladde spiercellen rond de slagadertjes is een ander type histaminereceptoren aanwezig: de H2-receptoren. Binding van histamine aan H2-receptoren laat deze gladde spiercellen ontspannen. Bij histamine-intoxicatie wordt de bloeddruk van de patiënt bepaald.

Vraag 38 1 punt

Welke bloeddruk is passend bij dit effect van histamine?

  1. A 80/40 mmHg (11/5 kPa)
  2. B 120/80 mmHg (16/11 kPa)
  3. C 160/120 mmHg (21/16 kPa)
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

A

Twee andere symptomen van histamine-intoxicatie zijn koorts en een sterker doorbloede en daardoor rode huid. Deze symptomen zijn tegenstrijdig.

Vraag 39 1 punt

Verklaar dat het effect van een sterker doorbloede huid tegengesteld is aan het ontstaan van koorts.

Bekijk het antwoord

Uit het antwoord moet blijken dat bij een rode huid (er meer bloed wordt vervoerd door de huid zodat) het lichaam meer warmte kwijtraakt (en er bij koorts juist warmte wordt vastgehouden/geproduceerd).

De personeelsleden met de histamine-intoxicatie kregen clemastine-tabletten. Clemastine blokkeert de H1-receptoren. In de tabel staan enkele farmacologische eigenschappen van dit medicijn.

maximale werkingbinnen 5 tot 7 uur na inname
werkingsduurtot 12 uur na inname
resorptievolledig
tijdsduur tot maximale concentratie in het bloed2 tot 4 uur na inname
opname uit de darmenvanaf 30 minuten na inname
afbraakin sterke mate in de lever

Vraag 40 2 punten

Is anderhalf uur na inname de clemastine-concentratie in de leverader hoger of lager dan die in de poortader? En is de clemastine-concentratie in de leverslagader dan hoger of lager dan die in de poortader?

  1. A in leverader hoger; in leverslagader hoger
  2. B in leverader hoger; in leverslagader lager
  3. C in leverader lager; in leverslagader hoger
  4. D in leverader lager; in leverslagader lager
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

D

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2025, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens biologie vwo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2025, tijdvak 1?

Het centraal examen biologie vwo 2025, tijdvak 1 telt 40 vragen. De meeste vragen gaan over planten en fotosynthese (7), cellen (6) en ecologie (6).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2025, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2025, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-1/vw-1018-a-25-1-c).

Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2025, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.