Eindexamen biologie vwo 2023, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Maarten van der Weijden zwemt de Elfstedentocht, De kip als draagmoeder, Koorts en ziek zijn, Sorghum als alternatief voor mais, Vergiftigen pijlgifkikkers zichzelf niet?, Fosfor in een lekkende kringloop.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie vwo 2023, tijdvak 1 telt 39 vragen. De meeste vragen gaan over ecologie (7), zenuwstelsel en hormonen (5) en voortplanting (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie vwo 2023, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Ecologie22, 24, 27, 36-397
Zenuwstelsel en hormonen6, 17, 20, 29-305
Voortplanting8-10, 144
DNA en eiwitsynthese11-12, 21, 324
Cellen3-4, 193
Afweer16, 18, 233
Planten en fotosynthese25, 34-353
Bloedsomloop1, 72
Ademhaling2, 52
Erfelijkheid13, 152
Voeding en vertering26, 282
Evolutie31, 332

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over voortplanting (10% van de vragen, gemiddeld 3%). Minder over erfelijkheid (5% van de vragen, gemiddeld 11%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2023, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2023, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2023, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Maarten van der Weijden zwemt de Elfstedentocht

In 2018 deed olympisch afbeelding 1 zwemkampioen Maarten van der Weijden zijn eerste poging om de 200 kilometer lange Elfstedentocht te zwemmen om geld in te zamelen voor onderzoek naar de behandeling van kanker (afbeelding 1). Deze poging slaagde net niet, maar een jaar later lukte het wel.

Gedurende een intensieve trainingsperiode heeft Maarten zijn lichaam voorbereid op deze uitzonderlijke inspanning. Door de training is zijn maximale zuurstofopname vergroot. Dit is op weefselniveau te verklaren doordat de concentratie van rode bloedcellen in het bloed verhoogd is. Ook op andere organisatieniveaus zijn als gevolg van training veranderingen opgetreden die leiden tot een vergroting van de maximale zuurstofopname uit de lucht.

Vraag 1 1 punt

Noteer zo’n verandering op orgaanniveau.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Aan het antwoord ‘De longen worden groter’, het scorepunt toekennen.
  • Aan het antwoord ‘Het hart wordt groter’, het scorepunt toekennen.
  • Aan het antwoord ‘grotere spiermassa’, het scorepunt niet toekennen.
  • Aan het antwoord ‘De ademhalingsfrequentie neemt toe’, het scorepunt niet toekennen.

Door de training is ook het aantal haarvaten in Maartens skeletspieren toegenomen. Hierdoor kan in de skeletspieren meer aerobe dissimilatie plaatsvinden.

Vraag 2 2 punten

Leg dit uit aan de hand van de wet van Fick.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat • Δx / de diffusieafstand / de afstand tussen het bloed en de spiercellen kleiner is (1) of • A / het diffusieoppervlak groter is (1) • (waardoor) de diffusiesnelheid van zuurstof groter wordt / de hoeveelheid zuurstof die (per tijdseenheid) diffundeert groter wordt (waardoor meer aerobe dissimilatie kan plaatsvinden) (1) (2)

Spiervezels kunnen worden ingedeeld op type. In tabel 1 staan enkele eigenschappen van twee typen spiervezels.

[tabel 1: zie het originele examen] type I-spiervezels type II-spiervezels aantal mitochondriën groot klein voorraad glycogeen groot klein myoglobinegehalte hoog laag dichtheid myofibrillen laag hoog

Type I-spiervezels zijn voor Maarten essentieel bij zijn zwemprestaties.

Vraag 3 2 punten

Kies twee eigenschappen van type I-spiervezels uit tabel 1 en licht voor elke eigenschap toe waardoor deze functioneel is voor Maarten bij zijn Elfstedentocht.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van eigenschappen met juiste toelichting: − aantal mitochondriën groot: veel aerobe dissimilatie mogelijk − veel mitochondriën zodat meer ATP kan worden geproduceerd − voorraad glycogeen groot: glycogeen kan worden omgezet in glucose − veel glycogeen dat als brandstofvoorraad dient − myoglobinegehalte hoog: bij heel lage zuurstofspanning komt extra zuurstof beschikbaar − een hoog myoglobinegehalte waardoor veel zuurstof in de spieren gebonden kan worden − dichtheid myofibrillen laag: een hoge dichtheid zou leiden tot een hoger gewicht van de spieren − weinig myofibrillen: minder ATP-verbruik per beweging per eigenschap met juiste toelichting (1) (2)

Tijdens de Elfstedentocht zwom Maarten op een rustig tempo om het risico op de ophoping van melkzuur in de spieren zo laag mogelijk te houden. Stofwisselingsprocessen waarbij ATP wordt gevormd zijn:

1 glycolyse

2 citroenzuurcyclus

3 oxidatieve fosforylering

Vraag 4 2 punten

Van welke situatie is sprake bij ophoping van melkzuur in spiercellen?

  1. A Proces 1 vindt meer plaats dan 2 en 3.
  2. B Processen 1 en 2 vinden meer plaats dan 3.
  3. C Proces 2 vindt meer plaats dan 1 en 3.
  4. D Processen 2 en 3 vinden meer plaats dan 1.
  5. E Proces 3 vindt meer plaats dan 1 en 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Halverwege zijn eerste Elfstedentocht was Maarten het dieet van koolhydraatrijke energierepen en sportsnacks even zat. Door een oproepje via sociale media kon hij binnen een half uur van een pizza genieten. Een pizza bevat veel vet (triglyceriden) en koolhydraten (zetmeel). Over het verschil tussen vertering van triglyceriden en van zetmeel worden de volgende uitspraken gedaan:

1 De vertering van zetmeel start eerder in het spijsverteringsstelsel.

2 Voor de vertering tot opneembare producten zijn bij zetmeel minder verschillende enzymen nodig.

3 Een deel van de opgenomen verteringsproducten van triglyceriden wordt via een andere route naar het bloed vervoerd.

Vraag 5 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 juist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Voorafgaand aan zijn Elfstedentocht had Maarten een thermometerpil ingeslikt. Daardoor kreeg zijn coach continu informatie over Maartens kerntemperatuur. Als die onder de 35 °C zou komen, zou er sprake zijn van onderkoeling en zou Maarten moeten stoppen. Verschillende processen, aangestuurd door het autonome en het animale zenuwstelsel, zorgden er tijdens het zwemmen voor dat Maartens lichaamstemperatuur niet te snel daalde.

Vraag 6 1 punt

Noteer zo’n proces dat direct aangestuurd wordt door het animale zenuwstelsel.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • (zwem)bewegingen / rillingen (1)

Bij zijn eerste poging moest Maarten afbeelding 2 van zijn arts enkele kilometers voor Dokkum het water verlaten. In de media verschenen al gauw de foto’s van zijn handen en voeten, die een bizar uiterlijk hadden gekregen (afbeelding 2). De rimpels zijn het resultaat van een reactie van het zenuwstelsel die ervoor zorgt dat de hoeveelheid weefselvloeistof in de huid afneemt.

In afbeelding 3 is een haarvatennetwerk in de huid van een teen schematisch weergegeven. Twee bloedvaten zijn met P en Q aangegeven.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

De afname van de hoeveelheid weefselvloeistof in de huid wordt veroorzaakt door een verandering van de filtratie in het weefsel. Deze veranderde filtratie wordt veroorzaakt door een toename van de spierspanning in een van de bloedvaten (P of Q).

Vraag 7 2 punten

Is de filtratie in het weefsel toegenomen of afgenomen? En in welk bloedvat heeft de toename van de spierspanning plaatsgevonden?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: A (2)

De kip als draagmoeder

Onderzoekers van het Roslin-instituut in Edinburgh zijn erin geslaagd haantjes zo te modificeren dat zij dochters krijgen die onvruchtbaar zijn. Deze hennen kunnen daardoor als ‘draagmoeder’ fungeren voor zeldzame kippenrassen zoals Rumpless Game (afbeelding 1).

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Het transgeen maken van vogels is erg moeilijk. Genetisch gemodificeerde embryo’s kunnen bijvoorbeeld niet geïmplanteerd worden in een ei. Daarom wordt nu onderzoek gedaan naar het genetisch modificeren van de embryonale stamcellen van vogels. Vroeg in de embryonale ontwikkeling zijn bij vogels twee typen embryonale stamcellen aanwezig. Het ene type kan zich differentiëren tot alle celtypen behalve geslachtscellen. Het andere type, de primordiale geslachtscel (PGC), kan zich juist alleen ontwikkelen tot geslachtscellen. Beide typen stamcellen kunnen in een vroeg stadium uit kippenembryo’s gehaald worden en genetisch gemodificeerd worden. De Schotse onderzoekers wilden genetisch gemodificeerde embryonale stamcellen inbrengen bij kippenembryo’s, om deze kippen

  • als ze volwassen zijn
  • transgeen nageslacht te laten produceren.

De Schotse onderzoekers kozen ervoor om PGC’s te modificeren, en niet het andere type embryonale stamcellen.

Vraag 8 1 punt

Licht toe waarom in dit onderzoek is gekozen voor embryonale stamcellen die zich kunnen ontwikkelen tot geslachtscellen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat (alleen) hiermee de (genetische) aanpassing aan een volgende generatie kan worden doorgegeven / dat hiermee genetisch gemodificeerd nageslacht kan ontstaan. (1)

Om de PGC’s genetisch te modificeren, werkten de onderzoekers van het Roslin-instituut met een genetische techniek die gebruikmaakt van TALEN (Transcription Activator-Like Effector Nucleases). TALEN zijn eiwitten die het DNA op een specifieke plaats kunnen knippen. Zo’n eiwit is opgebouwd uit twee delen: een herkenningssequentie die bindt aan een bepaald stuk DNA en een endonuclease (Fok1). Om het DNA te knippen zijn twee TALEN-eiwitten nodig: een linker en een rechter. De twee Fok1-delen van deze eiwitten maken de knip (afbeelding 2). Op de knipplaats kan vervolgens een gewenst nieuw stuk DNA ingebouwd worden.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Een TALEN-eiwit bindt op dezelfde manier aan DNA als de transcriptiefactor die bindt aan de TATA-box. Over de binding van deze transcriptiefactor worden de volgende uitspraken gedaan:

1 De transcriptiefactor bindt aan het DNA door middel van basenparing.

2 De transcriptiefactor bindt aan de promotor van een gen.

3 De transcriptiefactor bindt aan een stukje niet-coderend DNA.

Vraag 9 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 juist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Om haantjes te verkrijgen die onvruchtbare dochters krijgen, probeerden de onderzoekers in PGC’s het DDX4-gen uit te schakelen. Het DDX4-gen codeert voor een eiwit dat noodzakelijk is voor de ontwikkeling van PGC’s tot geslachtscellen. Het DDX4-gen ligt op het Z-chromosoom. Het Z-chromosoom is een van de twee geslachtschromosomen bij vogels. Vrouwtjes hebben een Z- chromosoom en een W-chromosoom. Mannetjes hebben twee Z-chromosomen. Vrouwtjes waarbij het DDX4-gen is uitgeschakeld, zijn onvruchtbaar. Mannetjes waarbij slechts één allel is uitgeschakeld, zijn nog wel vruchtbaar. De onderzoekers bouwden met behulp van TALEN-eiwitten in het DDX4- gen een genconstruct in. Het genconstruct (afbeelding 3) codeert voor twee eiwitten: voor het groen fluorescerende eiwit GFP en voor een eiwit dat resistentie geeft tegen de gifstof puromycine (Pu). Het construct eindigt met een sequentie (PA) waardoor de transcriptie stopt.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

In afbeelding 4 zijn het normale DDX4-gen en het gemodificeerde DDX4- gen schematisch weergegeven, met daarin de exons aangegeven als blokjes (E1, E2 enzovoorts).

[afbeelding 4: zie het originele examen]

Over het gemodificeerde DDX4-gen worden de volgende uitspraken gedaan:

1 De transcriptie stopt na E4 (exon 4).

2 Exon 3 ontbreekt in het mRNA.

3 Er treedt geen splicing op van het pre-mRNA.

Vraag 10 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

In afbeelding 5 zijn de stappen weergegeven die de onderzoekers uitvoerden om onvruchtbare hennen te verkrijgen.

[afbeelding 5: zie het originele examen]

stap 1: isolatie van PGC’s uit het bloed van embryo’s in een vroeg stadium stap 2: inbrengen van het genconstruct in het DDX4-gen van de PGC’s met behulp van TALEN-eiwitten stap 3: selectie en vermeerdering van transgene PGC’s door middel van een voedingsmedium stap 4: injectie van transgene heterozygote PGC’s in de bloedsomloop van embryo’s stap 5: kruising van de uitgekomen haantjes met een niet- gemodificeerde hen stap 6: screening van de nakomelingen op de expressie van het GFP-gen

Om PGC’s te selecteren waarin het genconstruct tot expressie is gekomen, werden alle behandelde PGC’s gekweekt in een speciaal voedingsmedium (afbeelding 5, stap 3).

Vraag 11 2 punten

Moet het voedingsmedium GFP bevatten? En moet het de gifstof puromycine bevatten?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

GFP puromycine

A niet niet

B niet wel

C wel niet

D wel wel

De onderzoekers wilden vervolgens aantonen dat de TALEN-eiwitten het genconstruct op de juiste plaats in het DDX4-gen hadden aangebracht. Daarvoor isoleerden ze het DNA uit een aantal transgene PGC’s uit stap 3 en knipten het DNA met het restrictie-enzym Mfe1. In afbeelding 6 zijn de knipplaatsen van het enzym Mfe1 in het DDX4-gen weergegeven.

[afbeelding 6: zie het originele examen]

Vervolgens werden de DNA-fragmenten met het genconstruct en de DNA- fragmenten zonder het genconstruct gesorteerd op lengte door middel van gel-elektroforese. Als controle werden niet-gemodificeerde PGC’s gebruikt. Het resultaat is te zien in afbeelding 7.

[afbeelding 7: zie het originele examen]

De onderzoekers concludeerden dat het genconstruct op de juiste plaats was ingebouwd.

Vraag 12 1 punt

Licht toe hoe deze conclusie kan worden getrokken aan de hand van de gel in afbeelding 7.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat het betreffende fragment/bandje bij de mannetjes aanwezig is, het scorepunt toekennen.

De transgene hennetjes die ontstonden uit de kruising (afbeelding 5, stap 6) bleken geen eicellen te ontwikkelen en zijn dus onvruchtbaar. Hiermee werd aangetoond dat de methode werkt. De transgene haantjes die ontstonden uit deze kruising, kunnen worden gekruist met een wild-type hen om een volgende generatie onvruchtbare hennetjes te produceren.

Vraag 13 2 punten

− Maak van deze laatste kruising een kruisingstabel. Gebruik daarbij Z

  • voor het Z-chromosoom met het normale DDX4-gen, en Z+ voor het Z-chromosoom met het gemodificeerde DDX4-gen.
  • Omcirkel in de tabel het genotype van de onvruchtbare hennetjes.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als de kandidaat uitgaat van mannetjes met genotype Z+Z+ (die onvruchtbaar zijn), het eerste scorepunt niet toekennen.
  • Als de kandidaat het genotype van de vrouwtjes aanduidt met Z +– en Z––, dit niet fout rekenen.

De onvruchtbare hennen kunnen dienen als ‘draagmoeder’ voor kuikens die genetisch niet van hen zijn. Zo zouden hennen van het veel- voorkomende ras barnevelder gebruikt kunnen worden om kuikens van het zeldzame ras Rumpless Game voort te brengen. Met de beschreven techniek zou een barnevelder hen eicellen kunnen vormen die genetisch van het Rumpless Game-ras zijn. Om dit te bereiken moeten PGC’s van Rumpless Game-embryo’s worden ingebracht bij een vrouwelijk barnevelder embryo.

Vraag 14 2 punten

Zullen de PGC’s van Rumpless Game-embryo’s transgeen of niet- transgeen zijn? En het vrouwelijke barnevelder embryo?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

PGC’s Rumpless Game vrouwelijk barnevelder embryo

A transgeen transgeen

B transgeen niet-transgeen

C niet-transgeen transgeen

D niet-transgeen niet-transgeen

De onderzoekers willen PGC’s van zeldzame kippenrassen opslaan als een ‘frozen aviary’ (bevroren volière), die is te vergelijken met de zaadbanken van plantenrassen.

Vraag 15 1 punt

Beschrijf wat het belang kan zijn van deze frozen aviary.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat het woord ‘soort’ gebruikt in plaats van ‘ras’, geen scorepunt toekennen.

Koorts en ziek zijn

Australische wetenschappers hebben onderzocht hoe cellen tegengaan dat schade optreedt door koorts.

Als bij de mens de lichaamstemperatuur (kerntemperatuur) ten gevolge van een infectie boven 38,3 °C stijgt, wordt dat koorts genoemd. Koorts begint met een verhoging van de normtemperatuur in de hypothalamus. Die verhoging kan worden veroorzaakt door macrofagen als zij in reactie op ziekteverwekkers bepaalde stoffen (pyrogenen) afgeven. Een voorbeeld van zo’n pyrogeen is interleukine-1 (IL-1).

Afbeelding 1 laat zien hoe IL-1 in de hypothalamus een reactie in de temperatuurgevoelige neuronen veroorzaakt.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

1 IL-1 bindt aan een IL-1-receptor op een endotheelcel.

2 IRAK en MyD88 activeren een reeks aan enzymatische omzettingen.

3 Er komt een grote hoeveelheid arachidonzuur vrij.

4 Cyclo-oxygenase zet arachidonzuur om in PGE2.

5 PGE2 bindt aan een PGE2-receptor op een gliacel.

6 De gliacel geeft cAMP af.

7 Het temperatuurgevoelig neuron geleidt impulsen naar het temperatuurcentrum.

Over de rol van de stoffen in de celcommunicatie in afbeelding 1 worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Activatie van IRAK en MyD88 zet een signaalcascade in gang.

2 Arachidonzuur is het substraat van cyclo-oxygenase.

3 PGE2 is een second messenger.

Vraag 16 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 juist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

De stijging van de temperatuur bij koorts en de daling na afloop zijn schematisch weergegeven in afbeelding 2. Twee perioden zijn aangegeven met de letters a en b. Op twee tijdstippen, aangegeven met pijltjes, treden veranderingen op in de instelling van de normtemperatuur in de hypothalamus.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

In de perioden a en b vinden processen plaats die de kerntemperatuur beïnvloeden:

1 toename van de zweetproductie

2 verhoogde afgifte van schildklierhormoon

3 verwijding van de bloedvaten van de huid

Vraag 17 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende proces bijdraagt aan de verandering van de kerntemperatuur tijdens periode a of tijdens periode b.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 periode b 2 periode a 3 periode b indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Enkele effecten van koorts zijn:

1 toename van de differentiatie van cytotoxische T-cellen

2 verhoging van de activiteit van fagocyten

3 verhoging van de activiteit van natural-killercellen (NK-cellen)

4 verhoging van de productie van antistoffen

Vraag 18 2 punten

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende effect onderdeel is van het aangeboren (aspecifieke) afweersysteem of van het verworven (specifieke) afweersysteem.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 verworven / specifieke 2 aangeboren / aspecifieke 3 aangeboren / aspecifieke 4 verworven / specifieke indien vier nummers correct (2) indien drie nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)

Langdurig hoge koorts is schadelijk voor het lichaam.

Vraag 19 1 punt

Verklaar hoe hoge koorts leidt tot celschade.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − De eiwitten denatureren. − Enzymen raken beschadigd. − Er ontstaan meer schadelijke zuurstofradicalen. − Membranen raken beschadigd. − Er is een afname van de eiwitsynthese. − Enzymen werken minder goed. (1)

De Australische wetenschappers ontdekten dat bij temperatuurverhoging de productie van het eiwit RBM3 in macrofagen wordt verlaagd. RBM3 remt normaal gesproken de aanmaak van temperatuurgevoelige micro- RNA’s (thermo-miRNA’s). Thermo-miRNA’s veroorzaken RNA- interferentie in het cytoplasma en remmen zo de productie van pyrogenen.

Uit de resultaten van dit onderzoek kan een terugkoppelingssysteem afgeleid worden. In afbeelding 3 is dit terugkoppelingssysteem gedeeltelijk weergegeven.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

In afbeelding 3 zijn vier plaatsen genummerd.

Vraag 20 2 punten

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of op de betreffende plaats in de regelkring stimulering (+) of remming (–) optreedt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 stimulering / + 2 remming / − 3 remming / − 4 remming / − indien vier nummers correct (2) indien drie nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)

De thermo-miRNA’s grijpen in op de productie van pyrogenen.

Vraag 21 1 punt

Op welk moment grijpen de thermo-miRNA’s in?

  1. A tussen transcriptie en splicing
  2. B tussen splicing en translatie
  3. C tussen translatie en eiwitvouwing

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Sorghum als alternatief voor mais

In Nederland wordt afbeelding 1 snijmais op grote schaal geteeld als veevoer. Onderzoekers bekijken of de problemen die samenhangen met de grootschalige teelt van mais kunnen worden vermeden door de introductie van sorghum (afbeelding 1).

Een van de problemen bij maisteelt is de maisstengelboorder, de rups van de nachtvlinder Ostrinia nubilalis. Deze rups vreet gangen in de stengels en kolfstelen van de maisplanten, met als gevolg uitgeholde en geknikte stengels en een verminderde groei van de maiskolven.

De maisstengelboorder komt oorspronkelijk uit Zuid-Europa. Vanaf het begin van de twintigste eeuw komt hij voor in Noord-Amerika, en sinds

2010 wordt hij ook in Nederlandse maisvelden waargenomen. De maisstengelboorder wordt in Noord-Amerika als exoot beschouwd, maar in Nederland niet.

Vraag 22 1 punt

Geef een argument waarom de maisstengelboorder in Nederland niet als exoot wordt beschouwd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat de soort zich nog niet heeft gevestigd of dat de soort als dwaalgast aanwezig is, het scorepunt toekennen.

De vraat van de maisstengelboorder leidt ertoe dat de schimmel Fusarium graminearum gemakkelijk maisplanten kan infecteren. De schimmelinfectie heeft tot gevolg dat de maiskolven zich niet volledig ontwikkelen. Bovendien kunnen maisstengelboorders zich sneller ontwikkelen in maisplanten die geïnfecteerd zijn met F. graminearum.

Vraag 23 1 punt

Noteer welk type afweer door de maisstengelboorder wordt verminderd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat aspecifieke of aangeboren (afweer) noteert, het scorepunt toekennen.

Vraag 24 1 punt

Noteer de naam van de vorm van symbiose tussen de maisstengelboorder en F. graminearum.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • mutualisme (1)

Onderzoekers van het Louis Bolk Instituut onderzochten of sorghum (Sorghum bicolor) een geschikt alternatief is voor mais. Op een aantal proefvelden werden mais en twee sorghumrassen geteeld.

Van de geoogste gewassen werden het versgewicht per hectare en het droge-stofgehalte (ds) bepaald (tabel 1), zodat de productie van droge stof per hectare kon worden berekend.

[tabel 1: zie het originele examen] droge- versgewicht stofgehalte (ton/ha) (g/kg) mais 44,6 354 sorghum HHD2 63,2 315 sorghum C7 62,5 341

Een van de twee sorghumrassen produceert per hectare veel meer droge stof dan mais.

Vraag 25 2 punten

Bereken van het meest productieve sorghumras hoeveel meer droge stof per ha dit ras oplevert ten opzichte van mais. Noteer je berekening.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juiste berekening:

  • opbrengst mais per ha 44,6 × 354 / 1000 = 15,8 ton opbrengst sorghum C7 per ha: 62,5 × 341 / 1000 = 21,3 ton verschil: 5,5 ton
  • (62500 × 341 / 1000) - (44600 × 354 / 1000) = 5524 kg

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat sorghum C7 1,35 keer zoveel of 35 % meer droge-stof-productie heeft in plaats van het verschil te benoemen, dit niet fout rekenen.

De onderzoekers bepaalden ook hoeveel procent van de droge stof van mais en van sorghum door het verteringsstelsel van runderen kan worden geresorbeerd (VCOS: verteringscoëfficiënt van de organische stof, tabel 2).

[tabel 2: zie het originele examen] VCOS (%) mais 76 sorghum HHD2 75,3 sorghum C7 73,8

De energie die via voeding is ingenomen (I) is op te delen in drie energiestromen: P (productiviteit), F (energieverlies in de vorm van feces) en R (energieverlies door dissimilatie).

Vraag 26 2 punten

Welk energiestroomschema past bij runderen die met sorghum C7 gevoerd zijn?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

A B

C D

Behalve de hogere opbrengst hebben de sorghumrassen nog een voordeel ten opzichte van mais: de melkproductie en vleesproductie van runderen die met sorghum gevoerd worden, nemen toe. Dit is te verklaren door het hogere percentage eiwitten in sorghum (tabel 3).

[tabel 3: zie het originele examen] eiwit (g/kg ds*) mais 71 sorghum HHD2 76 sorghum C7 77 * ds = droge stof

In het spijsverteringsstelsel van runderen leven de micro-organismen van koolhydraten uit het voer. Hierbij ontstaat methaan (afbeelding 2).

[afbeelding 2: zie het originele examen]

De omzetting door methaanbacteriën leidt ertoe dat de rundveeteelt een sterke bijdrage levert aan klimaatverandering.

Vraag 27 1 punt

Verklaar hoe methaan bijdraagt aan klimaatverandering.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat methaan wordt omgezet in CO2, het scorepunt niet toekennen.

Mogelijk zou het gebruik van sorghum als veevoer in plaats van mais, kunnen leiden tot een verlaging van de uitstoot van methaan door runderen.

Vraag 28 1 punt

Verklaar hoe gebruik van sorghum als veevoer kan leiden tot vermindering van de uitstoot van methaan door een rund.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat (doordat sorghum relatief meer eiwit bevat) het dier minder voer hoeft te krijgen / er minder koolhydraten gegeten worden die kunnen worden omgezet in methaan (waardoor de methaanuitstoot afneemt). (1)

Vergiftigen pijlgifkikkers zichzelf niet?

Pijlgifkikkers gebruiken gif als verdediging tegen predatoren. Rebecca Tarvin van de University of Texas onderzocht hoe het komt dat de kikkers zichzelf niet vergiftigen.

Als een pijlgifkikkertje zoals Epipedobates tricolor afbeelding 1 (afbeelding 1) belaagd wordt, scheiden gifklieren in de huid een dodelijk neurotoxine uit. Een veelvoorkomend neurotoxine bij pijlgifkikkers is epibatidine. In het lichaam van een predator bindt epibatidine aan de acetylcholine-receptoren op het postsynaptisch membraan van neuronen. Net als acetylcholine veroorzaakt epibatidine het openen van Na+-kanaaltjes.

Over de invloed van epibatidine op het postsynaptisch neuron worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Door binding van epibatidine aan de receptor wordt de drempelpotentiaal verlaagd.

2 Door binding van epibatidine aan de receptor treedt depolarisatie op.

3 Epibatidine werkt als antagonist van acetylcholine.

Vraag 29 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

In vergelijking met binding van acetylcholine blijven bij binding van epibatidine de Na+-kanaaltjes in de synaps veel langer openstaan, zelfs bij zeer lage concentraties.

Vraag 30 1 punt

Geef een mogelijke verklaring waardoor de Na+-kanaaltjes langer open blijven staan in aanwezigheid van epibatidine.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Epibatidine bindt sterker aan de receptor. − Epibatidine blijft langer aan de receptor gebonden. − Er is geen enzym dat epibatidine afbreekt. − Er is geen transportenzym dat epibatidine afvoert. (1)

De onderzoeksgroep van Tarvin vergeleek de genen die coderen voor de acetylcholine-receptoren van verschillende soorten kikkers met die van de mens. De onderzoekers vonden bij de kikkers verschillende puntmutaties die mogelijk ongevoeligheid voor epibatidine veroorzaken. In afbeelding 2 is naast een cladogram de aminozuurvolgorde weergegeven van een deel van de humane acetylcholine-receptor. Bij kikkers zijn in de loop van de evolutie mutaties opgetreden die hebben geleid tot verschillende varianten van de acetylcholine-receptor, onder andere FCAI en LCAI. Bij de kikkers zijn alleen de aminozuren weergegeven die verschillen van die bij de mens.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Tarvin beweert dat sommige veranderingen van de receptor door convergente evolutie zijn ontstaan. Dit wil zeggen dat dezelfde adaptaties onafhankelijk van elkaar zijn ontstaan.

Vraag 31 2 punten

Bij welke aminozuurveranderingen (afbeelding 2) is er waarschijnlijk sprake geweest van convergente evolutie?

  1. A S → C in Dendrobates sylvaticus en Ameerega parvula
  2. B A → V in Ameerega parvula en Ameerega bilinguis
  3. C Y → H in Epipedobates tricolor en Dendrobates sylvaticus

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Om aan te tonen dat de mutaties bij pijlgifkikkers verantwoordelijk zijn voor de epibatidine-ongevoeligheid, bouwden de onderzoekers deze mutaties in het gen voor de humane acetylcholine-receptor in. Zo maakten ze een FCAI-variant en een LCAI-variant.

Vraag 32 2 punten

− Noteer welke aminozuurveranderingen er moeten worden aangebracht in de humane acetylcholine-receptor om de FCAI-variant te verkrijgen.

  • Noteer het minimale aantal nucleotiden dat in totaal veranderd moet worden in de coderende streng van het gen voor de receptor om deze aminozuurveranderingen te bewerkstelligen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Het scorepunt voor de tweede deelvraag alleen toekennen als het gegeven antwoord past bij het antwoord op de eerste deelvraag.

De onderzoekers analyseerden de gevoeligheid voor acetylcholine en voor epibatidine van de humane receptor, van de FCAI-variant en van de LCAI-variant. Ze bouwden de genen voor deze receptoren in verschillende cellen in en bepaalden vervolgens de mate van depolarisatie van deze cellen bij verschillende concentraties acetylcholine en epibatidine. In afbeelding 3 is deze respons weergegeven als percentage van de maximale respons op acetylcholine van de humane receptor.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

Over de resultaten die zijn weergegeven in de diagrammen van afbeelding 3 worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Bij cellen met een humane receptor is de respons op acetylcholine sterker dan die op een gelijke concentratie epibatidine.

2 De humane receptor is gevoeliger voor epibatidine dan de FCAI- variant en de LCAI-variant.

3 De FCAI-mutatie vermindert de gevoeligheid voor acetylcholine.

Vraag 33 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 juist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Fosfor in een lekkende kringloop

Onderzoekers van de Universiteit Twente hebben in samenwerking met andere wetenschappers de wereldwijde kringloop van het element fosfor in kaart gebracht. Ze ontdekten dat de hoeveelheid fosfor die in het oppervlaktewater terechtkomt op veel plaatsen te hoog is.

Het element fosfor (P) komt vrij bij verwering van gesteente en wordt gewonnen in fosfaatmijnen. Fosfor kan in de vorm van fosfaat door planten worden opgenomen. Een deel van de fosforverbindingen die in het water terechtkomen, slaat neer en kan op de lange termijn weer onderdeel worden van gesteente. In afbeelding 1 is de fosforkringloop vereenvoudigd weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Fosfaat wordt opgenomen door planten.

Vraag 34 2 punten

Via welk type vaten komt het opgenomen fosfaat terecht bij cellen waar het wordt ingebouwd in een organische stof? En hoe wordt het proces genoemd waarbij deze organische stof wordt gevormd?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (2)

type vaten proces

A bastvaten koolstofassimilatie

B bastvaten voortgezette assimilatie

C houtvaten koolstofassimilatie

D houtvaten voortgezette assimilatie

Fosfor is onderdeel van verschillende organische stoffen die deel uitmaken van de lichtreactie en de donkerreactie in chloroplasten.

Vraag 35 1 punt

Noteer de twee fosforhoudende stoffen die ontstaan bij de lichtreactie én worden gebruikt in de donkerreactie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat NADPH2 noteert in plaats van NADPH, dit niet fout rekenen.

In afbeelding 2 is een grote mondiale stroom van fosfor weergegeven. Voor de productie van kunstmest wordt gebruikgemaakt van fosfaaterts uit China. Deze kunstmest wordt onder andere gebruikt op sojaplantages in Brazilië. Een groot deel van de soja die daar geproduceerd wordt, komt in Nederland terecht als varkensvoer. Varkensvlees uit Nederland wordt geëxporteerd naar China.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Vraag 36 2 punten

Leg uit aan de hand van afbeelding 2 hoe in Nederland een verhoogd fosfaatgehalte van het oppervlaktewater kan ontstaan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat alleen antwoordt dat fosfor via menselijke consumptie en het riool in het oppervlaktewater terechtkomt, het 2e scorepunt niet toekennen.

Omdat de hoeveelheid fosfaaterts beperkt is, werd enkele jaren geleden een tekort aan fosfaat voorspeld. Uit berekeningen van de Wageningen Universiteit blijkt echter dat het meevalt: in West-Europa zal de fosfaatopname door gewassen weliswaar tot 2050 licht stijgen, maar de benodigde fosfaatbemesting daalt (afbeelding 3).

[afbeelding 3: zie het originele examen]

Vraag 37 1 punt

Noteer een mogelijke oorzaak waardoor er toch een afname van de benodigde fosfaatbemesting kan zijn ondanks de toenemende fosfaatopname.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − De fosfaatbemesting wordt efficiënter (bijvoorbeeld door het tijdstip van bemesting beter af te stemmen op de groeiperiode van het gewas). − De bodem is verrijkt met fosfaat (door fosfaatbemesting in het verleden). − Door veredeling zijn planten beter in staat het beschikbare fosfaat uit de bodem op te nemen. − Er is een afname van de uitspoeling van fosfaat. − Er worden meer gewasresten op de akker achtergelaten. (1)

Het toegediende fosfaat kan in het oppervlaktewater terechtkomen en bijdragen aan algenbloei. Hierover worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Fosfaat draagt alleen bij aan algenbloei als de fosfaatconcentratie in het oppervlaktewater een beperkende factor voor de groei van algen is.

2 Algenbloei treedt op als de maximumtolerantiegrens van algen voor fosfaat wordt overschreden.

Vraag 38 2 punten

Welk van deze uitspraken is juist?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Om het fosfaatprobleem bij de bron aan te pakken moet de fosfaatbemesting worden beperkt en moet fosforhoudend afvalwater worden gezuiverd. Om de gevolgen van het probleem aan te pakken, zijn er andere methoden. Een voorbeeld hiervan is het verlagen van de fosfaatconcentratie van het oppervlaktewater, door slib met neergeslagen fosfaat te verwijderen uit sloten en kanalen. Een andere manier is de oogstmethode, waarbij waterplanten worden geoogst uit meren. Waterplanten nemen namelijk fosfaat op uit het water.

Onderzoekers willen weten in hoeverre waterplanten in staat zijn een hoge fosfaatconcentratie van het oppervlaktewater te verlagen. Hiervoor ontwerpen ze een experiment. Ze hebben de beschikking over een aantal aangelegde vijvers die even groot en even diep zijn.

Vraag 39 3 punten

Beschrijf de proefopzet van dit experiment. Geef aan:

  • waarin de behandeling van de vijvers overeenkomt;
  • waarin de behandeling van de vijvers verschilt;
  • welke metingen moeten worden gedaan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat alleen een meting van het fosfaatgehalte van de planten noemt, het derde scorepunt niet toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2023, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-1/vw-1018-a-23-1-o

Andere examens biologie vwo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2023, tijdvak 1?

Het centraal examen biologie vwo 2023, tijdvak 1 telt 39 vragen. De meeste vragen gaan over ecologie (7), zenuwstelsel en hormonen (5) en voortplanting (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2023, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2023, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-1/vw-1018-a-23-1-c).

Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2023, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.