Eindexamen biologie vwo 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Hoe wild blijft de nieuwe wildernis?, Insecten bestrijden met RNAi, Leven met cystic fibrosis, Zijn bittere spruitjes lekker?, Vaccineren tegen mazelen.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie vwo 2019, tijdvak 2 telt 38 vragen. De meeste vragen gaan over afweer (8), ecologie (7) en DNA en eiwitsynthese (7). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie vwo 2019, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Afweer16-17, 33-388
Ecologie1-77
DNA en eiwitsynthese9-157
Ademhaling20-245
Erfelijkheid25, 29-30, 324
Zenuwstelsel en hormonen26-283
Voeding en vertering18-192
Planten en fotosynthese81
Evolutie311

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over afweer (21% van de vragen, gemiddeld 9%) en ademhaling (13% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over planten en fotosynthese (3% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie vwo 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie vwo 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie vwo 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Hoe wild blijft de nieuwe wildernis?

De Oostvaardersplassen, waar de film ‘De nieuwe wildernis’ werd opgenomen, zijn met zo’n 5000 ha een van de grootste natuurgebieden van Nederland. Onderzoeker Perry Cornelissen heeft onderzocht hoe de flora en fauna zich hier in een kwart eeuw ontwikkelden.

De Oostvaardersplassen liggen in de Flevopolder, die in 1968 werd drooggemalen. In het gebied ontstond op de laagste plek spontaan een rietmoeras van 3600 ha (afbeelding 1). Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werd het inmiddels omheinde natuurgebied uitgebreid met een hoger gelegen gebied van zo’n 2400 ha. Populaties van grote grazers zoals edelherten, heckrunderen en konikpaarden die in het gebied zijn uitgezet, konden zich er zonder menselijk ingrijpen ontwikkelen.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

De grote grazers hebben invloed gehad op de ontwikkeling van de samenstelling van de flora en fauna in het natuurgebied. De vraag is in hoeverre de successie in de Oostvaardersplassen natuurlijk is verlopen.

Vraag 1 2 punten

− Geef een argument vóór de stelling dat deze successie natuurlijk is verlopen.

  • Geef een argument tegen deze stelling.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist argument vóór de stelling:

  • De grazers zijn een onderdeel van het ecosysteem.
  • Er is niet gemaaid.
  • Er werd niet ingegrepen door mensen.
  • De planten hebben zich spontaan gevestigd.

voorbeelden van een juist argument tegen de stelling:

  • De grote grazers zijn door mensen uitgezet.
  • Er zijn geen grote predatoren aanwezig.
  • Tijdens strenge winters zijn de grazers bijgevoerd.

Vraag 2 2 punten

Beschrijf hoe de aanwezigheid van grote grazers de biodiversiteit in een gebied kan bevorderen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juiste beschrijving:

  • De grote grazers eten (voor hen geschikte) vegetatie, waardoor andere planten meer groeimogelijkheden hebben.
  • Doordat de paarden de vegetatie openhouden, ontstaan er niches waar specifieke dieren kunnen voorkomen.
  • Grote grazers zorgen dat nutriënten (via onverteerde voedselresten) weer in de bodem terechtkomen, waardoor de variatie aan reducenten toeneemt.
  • Door de poep van runderen ontstaan er voedselrijke plekken waar andere plantensoorten kunnen groeien.
  • De grote grazers kunnen een voedselbron vormen voor grote carnivoren die dan in het gebied kunnen gaan leven.
  • Door activiteit van grazers ontstaan verschillen in betreding, waardoor verschillende planten een kans krijgen.

Vanaf begin jaren tachtig zijn 32 heckrunderen, 18 konikpaarden en 52 edelherten in het gebied uitgezet. De populatieontwikkeling wordt sinds die tijd gevolgd (afbeelding 2).

[afbeelding 2: zie het originele examen] aantal 3000 dieren (N) 2500

2000

1500

1000

500

0 83

85

87

89

91

93

95

97

99

01

03

05

07

09

11

13

15 20 19

19

19

19

19

19

19

19

19

20

20

20

20

20

20

20 Legenda: jaar edelhert konikpaard heckrund

De fluctuaties in populatiegroottes van de grote grazers worden door verschillende factoren beïnvloed. Sommige factoren zijn afhankelijk van de populatiedichtheid, andere niet. Vier factoren zijn:

1 de beschikbaarheid van voedsel

2 de verspreiding van een besmettelijke ziekte

3 een hoge waterstand

4 een zeer koude winter

Vraag 3 2 punten

Zet de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar op je antwoordblad en noteer erachter of de betreffende factor wel of niet afhankelijk is van de populatiedichtheid.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 wel 2 wel 3 niet 4 niet indien vier nummers juist (2) indien drie nummers juist (1) indien minder dan drie nummers juist (0) (2)

Het landschap dat zich in een kwart eeuw heeft ontwikkeld, is minder gevarieerd geworden dan de natuurbeheerders hadden verwacht. In plaats van een afwisselende begroeiing van grasland met hier en daar bosjes met doornstruiken, kruiden en jonge bomen, is er voornamelijk grasland met kort gras ontstaan.

Volgens Cornelissen is dit te verklaren door de hoge begrazingsdruk.

Vraag 4 2 punten

− Leg uit hoe een hoge begrazingsdruk de vestiging van doornstruiken tegenhoudt,

  • en hoe daardoor de ontwikkeling naar een gevarieerdere vegetatie wordt geremd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • grazers de jonge doornstruiken opvreten/vertrappen (1)
  • onder/rondom grotere doornstruiken andere vegetatie zich (beschermd tegen vraat of betreding) had kunnen ontwikkelen / bepaalde planten niet beschermd zijn (tegen vraat of betreding) (1)

In het onderzoek van Cornelissen zijn de jaarlijkse geboorte- en sterftecijfers van verschillende grazers in relatie gebracht met de hoogte van het gras in augustus. Diagram 1 in afbeelding 3 geeft de resultaten weer van de konikpaarden. Diagram 2 en 3 geven de resultaten weer van de twee andere grote grazers.

[afbeelding 3: zie het originele examen] diagram 1 konikpaarden geboorte 50 Legenda: en sterfte geboorte (%) 40 sterfte R* evenwichtspunt 30

20 R* 10

0

0 5 10 15 20 25 lengte grasschede in augustus (cm)

diagram 2 geboorte 50 Legenda: en sterfte geboorte (%) 40 sterfte R* evenwichtspunt 30 R* 20

10

0

0 5 10 15 20 25 lengte grasschede in augustus (cm)

diagram 3 geboorte 50 Legenda: en sterfte geboorte (%) 40 sterfte R* evenwichtspunt 30

20 R*

10

0

0 5 10 15 20 25 lengte grasschede in augustus (cm)

De graslengte waarbij geboorte en sterfte in de populatie in evenwicht zijn (R*) ligt bij de konikpaarden veel dichter bij nul dan bij de andere grazers. Twee gegevens over het voedsel van de paarden en van de andere grazers zijn:

1 Paarden kunnen zeer kort gras eten, de andere grote grazers niet.

2 Paarden eten bij afwezigheid van voldoende gras ook wortels van brandnetel en riet, de andere grote grazers niet.

Vraag 5 2 punten

Welk van deze gegevens kan een verklaring zijn voor de lage R*-waarde bij paarden?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Bij diagram 2 en 3 in afbeelding 3 staat niet vermeld welk diagram gegevens van heckrunderen en welk diagram gegevens van edelherten weergeeft. Met behulp van de gegevens over de populatieontwikkeling (afbeelding 2, pagina 3) is dat af te leiden.

Vraag 6 2 punten

− Welk diagram in afbeelding 3 geeft de gegevens van edelherten weer?

  • Beargumenteer je keuze, met een verwijzing naar de gegevens in afbeelding 2 én afbeelding 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Uit het antwoord moet blijken dat diagram 3 de gegevens van edelherten weergeeft

Cornelissen heeft berekend dat de dichtheid van grote grazers moet verminderen van 1,1 per hectare naar ongeveer 0,2 per hectare om een grotere biodiversiteit te bereiken. Jaarlijks grote grazers afschieten past niet in het oorspronkelijke beheer en de grazers kunnen ook niet elders in Nederland terecht.

Vraag 7 2 punten

Noteer twee beheermaatregelen waarmee een lagere dichtheid van grote grazers in het gebied bereikt kan worden, zonder dieren af te schieten of te verplaatsen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan het antwoord ‘een ziekte introduceren’ 1 scorepunt toekennen.

Insecten bestrijden met RNAi

De insecten die een bedreiging vormen voor voedselgewassen worden steeds meer resistent tegen insecticiden. Een nieuwe bestrijdingstechniek maakt gebruik van RNAi (RNA-interferentie). Het is onderzoekers van het Max Planck Instituut gelukt om hiermee de Coloradokever, wereldwijd de grootste bedreiger van de aardappeloogst, uit te schakelen.

De Coloradokever (Leptinotarsa afbeelding 1 decemlineata, afbeelding 1) werd in

1922 per ongeluk vanuit de VS geïntroduceerd in Europa. Ook in Nederland vinden de kever en zijn larven een overmaat aan voedsel. Ze eten bladeren van de aardappel en verwante soorten zoals de tomaat, en hebben weinig last van natuurlijke vijanden. Coloradokevers hebben resistentie ontwikkeld tegen verschillende veelgebruikte insecticiden en inmiddels ook tegen de nieuwere middelen uit de groep van de neonicotinoïden.

Wilde planten beschikken vaak over hun eigen chemische bescherming tegen vraat. Bij het ontwikkelen van voedselgewassen is deze bescherming door de veredeling vaak verminderd.

Vraag 8 2 punten

Leg uit hoe veredeling ertoe kan leiden dat de chemische afweer tegen vraat bij een voedselgewas vermindert.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist antwoord:

  • Sommige planten maken van nature giftige stoffen tegen vraatinsecten. Bij het selecteren van exemplaren om mee te kruisen wordt steeds gekozen voor de planten die het minst van deze gifstoffen vormen, waardoor ze in de voedselgewassen niet meer voorkomen.
  • De wilde plantensoort heeft bijvoorbeeld een bittere smaak om vraat tegen te gaan. Bij het veredelen kies je alleen die individuen om mee te kruisen die geen bittere stoffen maken. De nakomelingen die uiteindelijk ontstaan, zijn veel lekkerder om te eten (voor mensen, maar dus ook voor insecten).
  • Als er bij het selecteren niet gelet is op vraatbestendigheid, kunnen (allelen voor) afweerstoffen verdwenen zijn bij de nakomelingen.
  • door te selecteren op andere eigenschappen dan vraatbestendigheid (of een voorbeeld hiervan) / door het wegvallen van selectiedruk door vraat (1p)
  • (allelen voor) afweerstoffen tegen vraat (door toeval) verdwenen kunnen zijn (bij voedselgewassen) (1p)

Insecticiden uit de groep van neonicotinoïden blokkeren de acetylcholine- receptoren in het centrale zenuwstelsel van insecten.

Vraag 9 2 punten

Welk proces wordt hierdoor direct onmogelijk gemaakt?

  1. A afgifte van neurotransmitters
  2. B impulsgeleiding
  3. C impulsoverdracht
  4. D productie van neurotransmitters

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

De onderzoekers maakten met behulp van DNA-technieken aardappel- planten die dubbelstrengs-RNA (dsRNA) konden produceren gericht tegen het ACT-gen van de Coloradokever. Het ACT-gen codeert voor β-actine, een belangrijk onderdeel van het cytoskelet van cellen van de kever. Het dsRNA van de aardappelplant kan in de cellen van de kever het mechanisme van RNAi in gang zetten waardoor de genexpressie van het ACT-gen wordt geremd. RNAi werkt als volgt (afbeelding 2):

1 dsRNA wordt in het cytoplasma door het enzym dicer geknipt in stukjes van ongeveer 21 nucleotiden, die siRNA (short interfering RNA) worden genoemd.

2 De antisense-streng van het siRNA vormt vervolgens, samen met een complex van eiwitten, het RISC (RNA-induced silencing complex).

3 Zodra RISC een mRNA met een complementaire code bindt, wordt dit mRNA vernietigd. [afbeelding 2: zie het originele examen] dsRNA

stap 1 dicer

siRNA

RISC-eiwitten

sense-RNA antisense-RNA

stap 2 RISC met antisense-RNA

mRNA stap 3 mRNA wordt vernietigd

Vraag 10 2 punten

Op welk moment vindt beïnvloeding van de genexpressie van het ACT- gen door RNAi plaats?

  1. A voor de transcriptie
  2. B tijdens de transcriptie
  3. C tussen de transcriptie en de translatie
  4. D na de translatie

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Het dsRNA van de aardappelplant is gericht tegen een deel van een exon in het ACT-gen.

Vraag 11 1 punt

Licht toe dat dsRNA gericht tegen een deel van een intron, niet effectief kan zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat splicing / verwijdering van introns uit het mRNA plaatsvindt (in de kern) / dat introns niet in het cytoplasma terechtkomen (waar RNAi plaatsvindt). (1)

De onderzoekers maakten twee typen transgene planten: aardappelplanten waarbij het genconstruct voor het maken van dsRNA gericht tegen het ACT-gen was ingebouwd in de chloroplasten en aardappelplanten waarbij het genconstruct was ingebouwd in de celkern. Er bleek een groot verschil in overleving wanneer de kevers en hun larven van het ene type plant aten of van het andere type plant. Het veronderstelde RNAi-mechanisme en de gevolgen voor de kevers is vereenvoudigd weergegeven in afbeelding 3.

[afbeelding 3: zie het originele examen] methode 1: methode 2:

Vraag 12 2 punten

Beschrijf aan de hand van de gegevens in afbeelding 3

  • waardoor RNAi wel plaatsvindt in kevers die eten van aardappelplanten met het genconstruct in de chloroplasten,
  • en waardoor RNAi niet plaatsvindt in kevers die eten van aardappelplanten met het genconstruct in de celkern.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • in chloroplasten het enzym dicer ontbreekt / het dsRNA niet in het cytoplasma terechtkomt, waardoor dsRNA intact in cellen van de kever terechtkomt (waardoor RNAi in gang wordt gezet) (1)
  • dsRNA geproduceerd door de celkern (in het cytoplasma) wordt afgebroken tot siRNA, dat vervolgens (na consumptie) in de keverdarm blijft / dat vervolgens wordt afgebroken / dat vervolgens niet uit de keverdarm wordt opgenomen (en dus geen RNAi-respons geeft) (1)

De beschreven RNAi-techniek gericht tegen het ACT-gen heeft een groter effect op de larven van insecten dan op volwassen exemplaren.

Vraag 13 1 punt

Verklaar aan de hand van de functie van het ACT-gen waardoor de beschreven RNAi-techniek vooral effect heeft op de larve.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat de larven nog groeien / zich nog ontwikkelen en daardoor veel nieuwe cellen / meer actine (moeten) produceren. (1)

Insectenbestrijding met RNAi is selectiever dan bestrijding met reguliere insecticiden.

Vraag 14 1 punt

Verklaar waardoor bestrijding met RNAi selectief is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat alleen insecten die echt van de plant eten het binnenkrijgen / dat RNAi gericht kan worden op een unieke basenvolgorde / dat RNAi gericht kan worden op (een deel van) een specifiek gen van de plaagsoort. (1)

Aardappelplanten worden ongeslachtelijk vermeerderd via knollen (de aardappels). Daarnaast vormt de plant bloemen en vruchten. De vruchtjes worden echter niet rijp omdat aardappels voor die tijd worden geoogst. Bij voedselgewassen waarbij het genconstruct in het kern-DNA is ingebouwd, kan het gebeuren dat het genconstruct zich in de natuur verspreidt en terechtkomt in een nauwverwante soort. In het geval van de transgeen gemaakte chloroplasten is die kans nihil doordat plastiden bij aardappelplanten op dezelfde manier overerven als mitochondriën.

Vraag 15 2 punten

− Beredeneer dat een genconstruct in het kern-DNA van een aardappelplant massaal kan worden verspreid in de natuur.

  • En beredeneer dat de kans dat een genconstruct in het chloroplast- DNA van een aardappelplant wordt verspreid in de natuur, nihil is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • een genconstruct in kern-DNA dan met het stuifmeel kan worden verspreid (en daardoor een grote afstand kan afleggen) (1)
  • een genconstruct in chloroplast-DNA (via de eicel) in het zaad terechtkomt, dat niet verspreid wordt (doordat al is geoogst voordat de bessen rijp zijn) / in aardappels terechtkomt, die niet verspreid worden (doordat die worden geoogst) / niet via stuifmeel in (hybride) zaden/planten terechtkomt (doordat chloroplasten niet worden overgedragen) (1)

Leven met cystic fibrosis

Taaislijmziekte of cystic fibrosis (CF) is een ernstige en veelvoorkomende erfelijke aandoening. Doordat de ziekte complex is, wordt de behandeling in Nederlandse CF-centra multidisciplinair aangepakt. Zo ook bij Bram, een CF-patiënt van 16 jaar. Minimaal een keer in de drie maanden bezoekt Bram het CF-centrum voor controle, en jaarlijks vindt een uitgebreid onderzoek plaats.

De basis van CF ligt in een defect in het gen voor het eiwit CFTR. Dit eiwit vormt normaliter een chloridekanaal in het celmembraan van epitheelcellen. Door het gendefect worden geen of slecht werkende chloridekanalen gemaakt. Daardoor is ook het transport van water in alle weefsels met epitheelcellen verstoord. Slijm dat op diverse plaatsen in het lichaam, zoals in de longen, wordt afgescheiden is door deze aandoening abnormaal taai. De defecte chloridekanaaltjes hebben gevolgen voor het functioneren van verschillende organen. Door het taaie slijm raken afvoergangen van organen verstopt, onder andere in het spijsverteringsstelsel.

CF-patiënten hebben een verhoogd risico op infecties. Bram heeft hierdoor al een paar keer in het ziekenhuis gelegen met een longontsteking.

Vraag 16 2 punten

Leg uit hoe het taaie slijm in de luchtwegen van Bram de kans op een bacteriële longontsteking vergroot.

Bekijk het antwoord
  • het slijm (met bacteriën) in de luchtwegen niet door de trilharen kan worden afgevoerd / moeilijk kan worden opgehoest (1)
  • (waardoor) bacteriën zich ophopen/vermenigvuldigen in de luchtwegen (met longontsteking tot gevolg) (1)

Bij een bezoek aan het CF-centrum mag Bram niet in contact komen met andere CF-patiënten. Dit segregatiebeleid voorkomt dat Bram een bacterie oploopt van een andere CF-patiënt. Bacteriën die algemeen voorkomen in bijvoorbeeld tuinaarde, zoals Pseudomonas aeruginosa, veroorzaken bij gezonde mensen zelden problemen, maar kunnen bij CF-patiënten chronische infecties veroorzaken, die met antibiotica behandeld worden.

Vraag 17 1 punt

Verklaar waardoor besmetting met een P. aeruginosa-bacterie afkomstig uit de luchtwegen van een andere CF-patiënt gevaarlijker is voor Bram dan besmetting met een P. aeruginosa-bacterie uit tuinaarde.

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat P. aeruginosa uit tuinaarde nog gevoelig zal zijn voor antibiotica / dat P. aeruginosa van een CF-patiënt (waarschijnlijk) resistentie heeft tegen antibiotica / dat P. aeruginosa van een CF-patiënt (door mutatie en selectie) aangepast is geraakt aan het milieu in de longen en zich daardoor sneller in de luchtwegen vermenigvuldigt. (1)

Doordat ook de alvleessapafgifte belemmerd is bij CF-patiënten, is de omzetting van bepaalde bestanddelen in de voeding beperkt. Bram slikt daarom enzymsupplementen, zodat deze omzettingen wel goed kunnen plaatsvinden.

Drie omzettingen in het darmkanaal van een gezond persoon zijn:

1 glycogeen → maltose

2 dipeptiden → aminozuren

3 triglyceriden → monoglyceriden

Vraag 18 2 punten

Zet de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en noteer erachter of de betreffende omzetting wel of niet door enzymen uit alvleessap wordt bewerkstelligd.

Bekijk het antwoord
  • 1 wel 2 niet 3 wel indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

De enzymsupplementen die Bram bij elke maaltijd slikt werken goed maar toch is zijn vetvertering niet optimaal: hij heeft een vettige ontlasting.

Vraag 19 2 punten

Leg uit waardoor de ontlasting bij CF-patiënten vaak vettig is.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat de enzymen deels in de maag worden verteerd, het tweede scorepunt toekennen.

Bram moet zijn best doen om niet af te vallen. Net als veel andere CF- patiënten heeft hij een verhoogde ruststofwisseling. De ruststofwisseling kan worden afgeleid uit de meting van het CO 2- gehalte én het O2-gehalte van de lucht die in- en uitgeademd wordt tijdens rust. Gegevens met betrekking tot de dissimilatie zijn:

1 In spieren kan anaerobe dissimilatie optreden, waarbij melkzuur wordt gevormd maar geen CO2.

2 Bij de dissimilatie van eiwitten en vetten wordt meer O2 verbruikt dan er aan CO2 wordt gevormd.

Vraag 20 2 punten

Welk van deze gegevens verklaart dat de meting van het CO2-gehalte in de uitademingslucht alleen niet voldoende is om de ruststofwisseling te bepalen?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

De lichamelijke conditie van Bram wordt goed gecontroleerd. Een maat voor de conditie is de VO2-max: het maximale volume zuurstof dat bij maximale lichamelijke inspanning per tijdseenheid getransporteerd en verbruikt wordt. Hoe hoger de VO2-max is, hoe beter de conditie is.

Drie orgaanstelsels beïnvloeden de VO 2-max. In afbeelding 1 is de samenhang tussen deze drie orgaanstelsels schematisch weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

1 2 3 O2 lucht

CO2

mitochondriën

Vraag 21 2 punten

Welke orgaanstelsels zijn in afbeelding 1 als tandwielen voorgesteld? Zet de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en noteer de namen van de betreffende orgaanstelsels erachter.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 spierstelsel/bewegingsstelsel 2 bloedvatenstelsel/bloedsomloop 3 ademhalingsstelsel/luchtwegstelsel indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

De VO2-max kan worden berekend met de volgende waarden:

  • r het O2-gehalte in aders
  • s het O2-gehalte in slagaders
  • t de hartslagfrequentie
  • u het slagvolume van het hart

Vraag 22 2 punten

Met behulp van welke formule kan de VO 2-max dan berekend worden? r −s

A VO 2 -max = t×u

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (2)

s−r

B VO 2 -max = t×u

C VO 2 -max = (r

  • s) × t × u

D VO 2 -max = (s

  • r) × t × u

De VO2-max kan ook afgeleid worden uit een inspanningstest. Bram moet dan zo hard mogelijk fietsen op een hometrainer terwijl de samenstelling van de lucht die hij in- en uitademt voortdurend geregistreerd wordt. De VO2-max is bereikt als de hoeveelheid zuurstof die Bram opneemt niet meer toeneemt, ondanks een toenemende inspanning.

Om het resultaat van de VO2-max-meting te beoordelen en te vergelijken met dat van andere personen, wordt er doorgaans gecorrigeerd voor het lichaamsgewicht. De uitkomst wordt dan uitgedrukt in het maximale aantal milliliters opgenomen zuurstof per kilogram lichaamsgewicht per minuut. CF-kinderen hebben echter een lager lichaamsgewicht dan normaal door een relatief lage vetmassa. Er moet dus een extra correctie plaatsvinden om de VO2-max van Bram te kunnen vergelijken met die van gezonde leeftijdsgenoten. Anders geeft de VO2-max een verkeerde indruk van zijn conditie.

Vraag 23 2 punten

Als de VO2-max zonder extra correctie berekend wordt per kilogram lichaamsgewicht, is het resultaat dan een onderschatting of een overschatting van de conditie van Bram? En moet, om dit te corrigeren, de uitkomst van de VO2-max-meting worden berekend per kilogram vetmassa, of per kilogram vetvrije massa?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (2)

Brams conditie wordt correctie door zonder correctie berekening

A onderschat per kilogram vetmassa

B onderschat per kilogram vetvrije massa

C overschat per kilogram vetmassa

D overschat per kilogram vetvrije massa

Herhaalde longinfecties leiden tot schade aan de luchtwegwand. Dit geeft problemen doordat lucht wel makkelijk de longen inkomt, maar er door obstructie niet makkelijk uitgaat. Hierdoor wordt er telkens iets meer lucht ingeademd dan uitgeademd. Het gevolg is ‘hyperinflatie’. Bij elk bezoek aan het CF-centrum wordt de longfunctie van Bram onderzocht en worden de longparameters vergeleken met die van het vorige bezoek. Twee longparameters zijn:

  • het restvolume
  • de vitale capaciteit

Vraag 24 2 punten

Welke uitkomst van het onderzoek duidt op toegenomen hyperinflatie?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

het restvolume de vitale capaciteit

A is afgenomen is afgenomen

B is afgenomen is toegenomen

C is toegenomen is afgenomen

D is toegenomen is toegenomen

Genezing van CF zou op termijn wellicht mogelijk zijn met behulp van gentherapie. Een methode die is onderzocht, is het inbrengen van een intact CFTR-gen in de epitheelcellen van de luchtwegen van CF- patiënten. Die epitheelcellen gingen vervolgens het juiste CFTR-eiwit produceren. Hoewel de patiënten hierdoor een verbeterde longfunctie kregen, was er geen sprake van genezing van CF.

Vraag 25 1 punt

Verklaar waardoor deze vorm van gentherapie niet leidt tot genezing van CF.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Als oude cellen worden vervangen, krijgen de nieuwe cellen het intacte CFTR-gen niet. − Niet alle epitheelcellen zijn hiermee te bereiken. − Een deel van de cellen zal toch taai slijm blijven produceren. − De transgene cellen worden na een tijdje weer afgestoten. (1)

Zijn bittere spruitjes lekker?

Zijn spruitjes lekker of niet? Over smaak valt niet te twisten zegt men wel, en daar blijkt nu een wetenschappelijke verklaring voor te zijn.

Smaakpapillen op de tong bevatten vele afbeelding 1 smaakzintuigcellen, die samen gevoelig

2 3 zijn voor de vijf nu bekende smaken: zoet, zuur, zout, bitter en umami. 1 Smaakzintuigcellen zijn chemoreceptoren waarbij elk type op een eigen manier een bepaalde smaak PIP2 IP3 4 waarneemt. Ca2+- kanaal In afbeelding 1 is weergegeven hoe een Ca2+ bepaalde bittere stof uit spruitjes een smaakzintuigcel activeert: er wordt een signaalcascade in gang gezet die impulsen opwekt in het neuron dat aan smaak- de chemoreceptor verbonden is. zintuig- In de signaalcascade zijn met de cel nummers 1 tot en met 4 enkele stoffen neuron aangegeven.

De functies van de stoffen 1 tot en met 4 (afbeelding 1) zijn:

  • enzym
  • receptor
  • second messenger
  • signaalstof

Vraag 26 2 punten

Zet de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar op je antwoordblad en noteer erachter welke functie de betreffende stof heeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 receptor 2 signaalstof 3 enzym 4 second messenger indien vier nummers juist (2) indien drie nummers juist (1) indien minder dan drie nummers juist (0) (2)

De signaalcascade in de smaakzintuigcel leidt uiteindelijk via een verhoging van de Ca 2+-concentratie in het cytoplasma tot het ontstaan van impulsen in het aangrenzende neuron.

Vraag 27 2 punten

Hoe reageert het presynaptisch membraan op de verhoging van de Ca2+-concentratie? En hoe reageert als gevolg daarvan het postsynaptisch membraan?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

reactie presynaptisch membraan reactie postsynaptisch membraan

A synthese van neurotransmitter depolarisatie

B synthese van neurotransmitter hyperpolarisatie

C exocytose van neurotransmitter depolarisatie

D exocytose van neurotransmitter hyperpolarisatie

De meeste mensen zijn ‘gewone’ proevers. Sommige mensen proeven relatief weinig, zij houden van sterke smaken. En andere mensen zijn superproever: zij hebben meer smaakpapillen, met meer smaakzintuigcellen die ook nog gevoeliger zijn.

Superproevers vertonen soms bij het eten van een bittere stof een schrikreflex: ze knijpen de ogen dicht en spannen de nekspieren aan. In het stukje tekst hieronder wordt de betreffende reflexboog beschreven. Op de plaatsen 1, 2 en 3 ontbreekt een woord. “Informatie van smaakzintuigcellen wordt normaliter verwerkt in de …(1)… van het smaakcentrum in de hersenschors. Een bittere stof kan bij een superproever een reflexboog in gang zetten die via …(2)… leidt tot impulsen in …(3)… neuronen, waardoor de ogen dichtknijpen.”

Vraag 28 2 punten

Zet de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en noteer erachter welk van de volgende opties de tekst juist aanvult. bij 1 grijze stof / witte stof bij 2 de hersenstam / het ruggenmerg bij 3 motorische / sensorische

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 grijze stof 2 (de) hersenstam 3 motorische indien drie nummers juist (2) indien twee nummers juist (1) indien minder dan twee nummers juist (0) (2)

Het proeven van bittere stoffen kan getest worden met behulp van PTC, een bittere smaakstof. Lange tijd werd aangenomen dat het vermogen om PTC te proeven, berust op een enkel autosomaal gen met twee allelen. Niet-proevers zijn homozygoot voor het ene allel, superproevers zijn homozygoot voor het andere allel. Superproevers vinden PTC heel sterk smaken (en vaak ook heel vies). Iemand met het heterozygote genotype kan de stof wel proeven, maar proeft die niet heel sterk.

Door deze duidelijke genetische correlatie werd in het verleden het al dan niet proeven van PTC als vaderschapstest gebruikt. Deze test is echter niet altijd eenduidig. Stel dat een moeder PTC waarneemt, maar geen superproever is, en haar dochter de stof niet proeft.

Vraag 29 2 punten

Welke mannen kunnen op basis van de PTC-proeftest dan de vader van het meisje zijn?

  1. A alleen niet-proevers
  2. B alleen gewone proevers
  3. C alleen superproevers
  4. D zowel niet-proevers als gewone proevers
  5. E zowel gewone proevers als superproevers

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

In een rapport van het Amerikaanse NIDCD werd het percentage personen dat PTC niet proeft, in verschillende bevolkingsgroepen, landen en werelddelen gepresenteerd. Een deel is in afbeelding 2 weergegeven.

[afbeelding 2: zie het originele examen] percentage 50 Legenda: niet-proevers mediaan 40 32,8 spreiding

30 27,9 20 16,3 13,6 10 0 a

pa

a

na di

rik ro

hi In

Af

C Eu

Vraag 30 2 punten

Hoe groot is het percentage Europese PTC-superproevers? Ga er bij je berekening van uit dat de regel van Hardy-Weinberg geldt en gebruik de mediaanwaarde.

  1. A 22%
  2. B 24%
  3. C 48%
  4. D 50%
  5. E 53%
  6. F 72%

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Als er een sterk selectienadeel zou zijn voor het fenotype superproever of niet-proever, zou je verwachten dat een van beide allelen door natuurlijke selectie verdwenen zou zijn. Sommige wetenschappers denken daarom dat er een selectievoordeel is voor het intermediaire fenotype.

Vraag 31 2 punten

− Noteer een mogelijk selectievoordeel voor het intermediaire fenotype ten opzichte van het superproever-fenotype.

  • Noteer een mogelijk selectievoordeel voor het intermediaire fenotype ten opzichte van het niet-proever-fenotype.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist selectievoordeel ten opzichte van het superproever-fenotype:

  • Door het niet zo goed kunnen proeven van bittere stoffen is er een groter voedselaanbod.
  • Hierdoor kan er gevarieerder voedsel worden gegeten.

voorbeelden van een juist selectievoordeel ten opzichte van het niet- proever-fenotype:

  • Het kunnen waarnemen van bittere stoffen kan voorkomen dat giftig voedsel gegeten wordt.
  • Zo kan geproefd worden of voedsel is bedorven.

Het genetisch mechanisme voor het proeven van bittere stoffen blijkt complexer dan in eerste instantie werd gedacht. Waarschijnlijk zijn er meer genen bij betrokken. Bovendien kunnen er per gen meerdere allelen zijn. Hierdoor is er een grote variatie in receptoreiwitten voor de verschillende bittere stoffen. De smaak van bijvoorbeeld spruitjes kan hierdoor zeer verschillend worden waargenomen. Soms verschillen de allelen van één gen als gevolg van slechts één veranderd basenpaar. Een dergelijk SNP (single nucleotide polymorphism) kan leiden tot een niet-functioneel of een anderswerkend eiwit.

Een bepaald SNP leidt op moleculair niveau tot de vorming van een afwijkend eiwit, dat op niveau van het organisme een andere smaakwaardering tot gevolg heeft.

Vraag 32 2 punten

Leg uit hoe een afwijkend eiwit kan leiden tot een andere waardering van de smaak van spruitjes.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • als het receptoreiwit is veranderd de bittere stof mogelijk niet meer bindt / als het receptoreiwit is veranderd een andere stof mogelijk bindt / als een enzym is veranderd de signaalcascade niet meer plaatsvindt (1)
  • (waardoor) de smaak van de spruitjes (zoals die samengesteld wordt in de hersenen) is versterkt/verminderd (en dus de smaak als geheel is veranderd) (1)

Vaccineren tegen mazelen

Steeds meer ouders in Europese steden zien af van vaccinatie van hun kinderen, waardoor mazelenepidemieën steeds vaker zullen optreden. Mazelen is echter geen onschuldige kinderziekte.

Mazelen is een zeer besmettelijke virusziekte die het immuunsysteem langdurig verzwakt. Het virus wordt verspreid via de lucht door hoesten, niezen en praten. Eenmaal in de luchtwegen infecteert het virus een macrofaag of een dendritische cel die het virus naar het lymfesysteem vervoert, waar het vermenigvuldigd wordt in lymfocyten. Vanuit de lymfocyten komt het virus terecht in andere lichaamscellen, zoals die van de huid, wat te zien is aan de rode uitslag. Het kan ook cellen van de longen, lever en blaas en soms van de hersenen infecteren. Het grootste gevaar is dat door de ziekte het immunologisch geheugen van het lichaam grotendeels wordt gewist. Tot wel drie jaar later is hierdoor de kans op secundaire infecties, zoals een bacteriële longontsteking, veel groter.

Iemand ademt een mazelenvirus in en dit virus infecteert een macrofaag in de luchtwegen. Virusdeeltjes uit de macrofaag infecteren op hun beurt de lymfocyten in een lokale lymfeknoop. Via de lymfocyten bereikt het virus cellen in de milt.

Vraag 33 2 punten

Via welke weg gaat een geïnfecteerde macrofaag van het luchtwegepitheel naar de lokale lymfeknoop? En hoe komen geïnfecteerde lymfocyten uiteindelijk in de milt aan?

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (2)

luchtwegepitheel naar lymfeknoop bereiken milt

A via bloed met de lymfe

B via bloed met het bloed

C via weefselvocht met de lymfe

D via weefselvocht met het bloed

Vraag 34 1 punt

Welke twee celtypen zijn het immunologisch geheugen van het lichaam?

Bekijk het antwoord
  • B-geheugencellen en T(-helper/Tc)-geheugencellen (1)

Sinds 1963 is er een ‘levend’ vaccin tegen mazelen. Dit vaccin bevat mazelenvirussen die verzwakt zijn doordat het virus herhaaldelijk is gerepliceerd in verschillende celculturen: in menselijke niercellen en amnioncellen, en daarna in cellen van kippenembryo’s. De verzwakte virussen die zo ontstaan, wekken een goede immuunreactie op, maar worden veel minder vaak vermenigvuldigd en minder verspreid in menselijke gastheercellen. Je wordt daardoor niet tot nauwelijks ziek van het vaccin. In afbeelding 1 is het mazelenvirus schematisch weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen] H-eiwit

F-eiwit RNA

L-eiwit

Het virale genoom van het mazelenvirus bestaat uit RNA dat onder andere codeert voor de volgende structuureiwitten:

  • H-eiwit (hemagglutinine): voor hechting aan de gastheercel
  • F-eiwit (fusie-eiwit): voor fusie van het virus met de gastheercel
  • L-eiwit (large protein): enzymatisch deel van het RNA-polymerase- complex

Door het kweken van het mazelenvirus in de genoemde celtypen wijzigt de selectiedruk op het virus, waardoor varianten van virusgenen verdwijnen of juist behouden blijven.

Vraag 35 2 punten

Verklaar aan de hand van de werking van het vaccin dat van belang is

  • dat de genen voor het H-eiwit en het F-eiwit behouden blijven,
  • en dat het gen voor het L-eiwit veranderd is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat in zijn antwoord op de eerste deelvraag alleen ingaat op H-eiwitten of alleen op F-eiwitten, met een hierbij juiste verklaring, het eerste scorepunt toekennen.

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

De immuunrespons die opgewekt wordt door verzwakte virussen in een ‘levend’ vaccin is anders dan de immuunrespons die opgewekt wordt door virusdelen in een ‘dood’ vaccin. Twee immuunresponsen zijn:

1 rijping van cytotoxische T-cellen

2 rijping van plasmacellen

Vraag 36 2 punten

Welke immuunrespons kan geactiveerd worden door een ‘levend’ vaccin? En welke door een ‘dood’ vaccin?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: F (2)

‘levend’ vaccin ‘dood’ vaccin

A alleen 1 alleen 2

B alleen 1 zowel 1 als 2

C alleen 2 alleen 1

D alleen 2 zowel 1 als 2

E zowel 1 als 2 alleen 1

F zowel 1 als 2 alleen 2

Baby’s jonger dan vier weken worden niet gevaccineerd en de eerste vaccinatie tegen mazelen komt pas na een jaar. Heel jonge baby’s vaccineren heeft over het algemeen geen nut: het vaccin slaat niet aan. Dit is gedeeltelijk te wijten aan het onvoldoende uitgerijpte immuunsysteem.

Vraag 37 2 punten

Leg uit door welke andere oorzaak vaccinaties bij baby’s in de eerste weken na de geboorte geen immuunrespons oproepen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • van de moeder verkregen antistoffen aanwezig zijn in de baby (1)
  • (waardoor) de antigenen van het vaccin/virus onwerkzaam gemaakt worden (voordat het immuunsysteem erop kan reageren) (1)

Door tegenstanders van vaccinatie wordt soms het argument gebruikt dat bij een mazelenepidemie meer gevaccineerde kinderen de ziekte krijgen dan niet-gevaccineerde kinderen. Ga uit van een geboortecohort (jaargroep) van 200.000 kinderen. Van deze kinderen wordt 93% gevaccineerd en het vaccin geeft in 92% van de toedieningen een effectieve bescherming tegen mazelen.

Vraag 38 3 punten

− Laat aan de hand van berekeningen zien dat in dit cohort tijdens een epidemie inderdaad meer gevaccineerde kinderen ziek kunnen worden dan niet-gevaccineerde kinderen.

  • Licht toe dat dit als argument tegen vaccinatie niet houdbaar is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een juiste berekening:

  • Niet gevaccineerd: 7% x 200.000 = 14.000 Wel gevaccineerd en onbeschermd: (93% x 200.000) x 8% = 14.880

voorbeelden van een juiste toelichting:

  • Het overige en veel grotere deel van de kinderen is door vaccinatie wel beschermd.
  • Door vaccinatie zijn (200.000-14.000-14.880 =) 171.120 kinderen van dit cohort wel beschermd bij een mazelenepidemie.
  • Hoe meer kinderen niet gevaccineerd zijn, hoe meer niet- gevaccineerde kinderen ziek zullen worden.

Opmerking Als de kandidaat als toelichting noteert dat zodra de groepsimmuniteit daalt, het risico meer stijgt, het derde scorepunt toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Biologie 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1018-a-19-2-o

Andere examens biologie vwo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie vwo 2019, tijdvak 2?

Het centraal examen biologie vwo 2019, tijdvak 2 telt 38 vragen. De meeste vragen gaan over afweer (8), ecologie (7) en DNA en eiwitsynthese (7).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie vwo 2019, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie vwo 2019, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-2/vw-1018-a-19-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen biologie vwo 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.