Eindexamen filosofie vwo 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: naar: Ton Derksen, Onterecht levenslang, in: Wijsgerig Perspectief, 2016, naar: Ton Derksen, Onterecht levenslang, in: Wijsgerig Perspectief, 2016, naar: Ton Derksen, 2016, Opgave 2 Over zekerheid en pijn, naar: Wittgenstein ‘Filosofische onderzoekingen’, fragment 293, 1953, naar: Moore, A Defence of Common Sense, 1925, bron: Chirimuuta, The reality of color is perception, 2015, tekst 7.
Het centraal examen filosofie vwo 2018, tijdvak 2 telt 16 vragen. De meeste vragen gaan over kennisleer (13), wetenschapsfilosofie (2) en mens en techniek (1). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Kennisleer | 1-3, 6-15 | 13 |
| Wetenschapsfilosofie | 4-5 | 2 |
| Mens en techniek | 16 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens filosofie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over kennisleer (81% van de vragen, gemiddeld 14%) en wetenschapsfilosofie (13% van de vragen, gemiddeld 3%). Minder over mens en techniek (6% van de vragen, gemiddeld 42%) en politieke filosofie (0% van de vragen, gemiddeld 24%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen filosofie vwo 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen filosofie vwo 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen filosofie vwo 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
naar: Ton Derksen, Onterecht levenslang, in: Wijsgerig Perspectief, 2016
Derksen stuurt in tekst 1 aan op het gebruiken van de correspondentietheorie voor waarheid bij waarheidsvinding in de rechtspraak. Als je aan waarheidsvinding doet, is het van belang om te weten wanneer je iets voor waar houdt en wanneer niet.
Vraag 1 3 punten
Leg uit:
- wat de correspondentietheorie voor waarheid inhoudt,
- welk waarheidscriterium voor waarheid we volgens Derksen gebruiken bij onze cognitieve instincten en
- of Derksens houding tegenover waarheid aansluit bij het wetenschappelijk scepticisme of bij het pyrronisme.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg van de correspondentietheorie van waarheid: een uitspraak is waar als deze in overeenstemming is met de feiten (1) • een uitleg dat we volgens Derksen bij onze cognitieve instincten coherentie als criterium voor waarheid gebruiken omdat we iets geloven als het samenhangt met onze overtuigingen (1) • een uitleg dat Derksens houding tegenover waarheid aansluit bij het wetenschappelijk scepticisme omdat hij suggereert dat empirisch- wetenschappelijke waarheidsvinding de juiste is (1) voorbeeld van een goed antwoord: • Volgens de correspondentietheorie van waarheid is een uitspraak waar als deze in overeenstemming is met de feiten (1) • Volgens Derksen gebruiken we bij onze cognitieve instincten coherentie als criterium voor waarheid, aangezien we vanuit deze instincten informatie als waar beschouwen als deze samenhangt met onze overtuigingen (1) • Derksens houding past beter bij het wetenschappelijk scepticisme dan bij het pyrronisme. Hij wijst de alledaagse waarheidsvinding gebaseerd op cognitieve instincten af en wil dat rechters aan empirisch- wetenschappelijke waarheidsvinding gaan doen. Hij suggereert dat er dan een betrouwbaarder antwoord mogelijk is op de vraag wie de moordenaar is. Een pyrronist zou geen enkel antwoord overtuigender vinden dan een ander, ook al is dat via wetenschappelijke waarheidsvinding tot stand gekomen (1) (3)
Een van de rechtszaken die Derksen analyseert is de zaak Olaf H. Olaf H. kocht een tweedehandsauto en ging, nadat hij had betaald en de rekening door de autohandelaar had laten ondertekenen, even naar het toilet. Toen hij terugkwam, zag hij hoe de vrouw van de autohandelaar werd vermoord en ontdekte hij dat ook de autohandelaar zelf was doodgeschoten. In paniek reed Olaf H. weg in zijn net gekochte auto. Hij belde niet naar de politie, maar haalde onmiddellijk zijn Roemeense vriendin op en reed met haar naar Roemenië. Toen Olaf H. na twee dagen terugkwam, werd hij gearresteerd. Getuigen hadden hem op de plaats delict gezien en van de onbekende schutter werden geen sporen gevonden. Olaf H. werd veroordeeld tot levenslang. Volgens Derksen heeft het OM in deze rechtszaak vooral vanuit het eigen gelijk geredeneerd dat Olaf H. schuldig is. Het OM heeft volgens Derksen te weinig gekeken of het bewijsmateriaal ook passend kon zijn voor een sceptisch, alternatief scenario waarin er een andere dader is dan Olaf H. En daar zijn best redenen voor. Getuigen bevestigen bijvoorbeeld dat Olaf H. en zijn vriendin al maanden van plan waren om naar Roemenië te gaan omdat haar visum was verlopen. De reis was dus misschien geen vlucht. En Olaf H. belde niet naar de politie, omdat vrienden bij hem thuis een wietplantage hadden. Derksens opvatting zou je kunnen weergeven als een sceptische paradox, waarbij de eerste bewering luidt: ‘Het OM weet dat Olaf H. de moordenaar is’. Het contextualisme en het relevantisme hanteren verschillende methoden om vast te stellen of je iets weet. In bovenstaande context zou zowel vanuit het contexturalisme als vanuit het relevantisme de conclusie zijn dat het OM niet weet dat Olaf H. de moordenaar is.
Vraag 2 3 punten
Geef de zaak Olaf H. weer als sceptische paradox. Leg uit dat het OM niet weet dat Olaf H. de moordernaar is:
- volgens een contextualist en
- volgens een relevantist.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een weergave van de zaak Olaf H. als sceptische paradox: 1 Het OM weet dat Olaf H. de moordenaar is. 2 Het OM weet niet dat de onbekende schutter niet de moordenaar is. 3 Als het OM weet dat Olaf H. de moordenaar is, dan weet het OM dat de onbekende schutter niet de moordenaar is (1) • een uitleg dat het OM volgens een contextualist niet weet dat Olaf H. de moordenaar is: in een rechtszaak moeten volgens een contextualist hoge eisen worden gesteld aan kennis omdat de belangen groot zijn en moet bewering 2 daarom blijven staan (1) • een uitleg dat dat het OM volgens een relevantist niet weet dat Olaf H. de moordenaar is: een rechtszaak is volgens de relevantist een context waarin het sceptische alternatief altijd relevant is (1) voorbeeld van een goed antwoord: • De zaak Olaf H. is als volgt weer te geven als sceptische paradox: 1 Het OM weet dat Olaf H. de moordenaar is. 2 Het OM weet niet dat de onbekende schutter niet de moordenaar is. 3 Als het OM weet dat Olaf H. de moordenaar is, dan weet het OM dat de onbekende schutter niet de moordenaar is (1) • Volgens een contextualist zouden er in een rechtszaak hoge eisen worden gesteld aan ‘weten dat’ omdat bij een uitspraak in een rechtszaak de belangen groot zijn. De tweede bewering van de sceptische paradox is in deze context dus waar: het OM kan niet uitsluiten dat er een andere moordenaar kan zijn en kan volgens de derde bewering in de paradox dus ook niet weten dat Olaf H. de moordenaar is (1) • Volgens een relevantist bepaalt de context of een sceptisch alternatief relevant is en dus moet worden uitgesloten. En in de context van een rechtszaak is de mogelijkheid van een andere moordenaar altijd relevant. Aangezien dat in de zaak van Olaf H. niet uitgesloten kan worden, weet het OM niet dat Olaf H. de moordenaar is (1) (3)
naar: Ton Derksen, Onterecht levenslang, in: Wijsgerig Perspectief, 2016
De verdediging problematiseert in tekst 2 kennisclaims over het schuldscenario van het OM. Derksen concludeert uit deze dialoog dat zowel het onschuldscenario als het schuldscenario ‘gelijkelijk met het bewijsmateriaal overweg kunnen’ en dus niet discriminerend genoeg zijn om tot een uitspraak te komen. Kennisclaims kunnen onder andere pyrronistisch en cartesiaans worden geproblematiseerd. De ene manier is te herkennen in de benadering van de verdediging in tekst 2. De andere manier in de benadering van Derksen op basis van tekst 2.
Vraag 3 3 punten
Leg uit welke van de twee benaderingen pyrronistisch is en welke cartesiaans. Beargumenteer vervolgens of jij in het geval van deze rechtszaak de cartesiaanse manier nuttig of nadelig vindt voor de rechter.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg dat de verdediging alternatieven biedt voor het schuldscenario en dus cartesiaans te werk gaat (1) • een uitleg dat Derksens conclusie laat zien dat er voor zowel het onschuld- als het schuldscenario evenveel bewijzen zijn en dus pyrronistisch is (1) • een argumentatie of de cartesiaanse manier in het geval van deze rechtszaak nuttig of nadelig is voor de rechter (1) voorbeeld van een goed antwoord: • De verdediging biedt alternatieven voor het schuldscenario. Als iemand niet kan schieten is het niet aannemelijk dat hij met drie kogels drie mensen zo precies kon raken en als je een moord pleegt laat je niet zomaar een bon met je naam erop liggen op de plaats delict. Met deze redeneringen geeft de verdediging aan dat het alternatief dat Olaf H. onschuldig is en er dus een andere dader is, net zo goed kan. Het aangeven van alternatieven past bij de manier waarop een cartesiaanse scepticus te werk zou gaan (1) • Derksens conclusie luidt dat de bewijzen zowel passen bij het schuldscenario als bij het onschuldscenario. Dat past bij de manier waarop een pyrronist met deze kennisclaims zou omgaan. Die gaat er namelijk van uit dat het onmogelijk is om tegengestelde argumenten vanuit een neutraal standpunt tegen elkaar af te wegen (1) • De cartesiaanse manier is in het geval van deze rechtszaak nuttig. Methodische twijfel kan een rechter helpen om alternatieve scenario’s van de verdediging serieus te nemen en niet mee te gaan met de tunnelvisie van het OM dat zijn eigen gelijk probeert te bevestigen (1) of • De cartesiaanse manier is in het geval van deze rechtszaak nadelig, omdat daarmee ook compleet vergezochte, theoretische scenario’s uitgesloten zouden moeten worden. Dan moet een rechter zich er straks serieus over gaan buigen dat er wellicht helemaal geen moord is gepleegd, maar dat de autohandelaar het zelf heeft gedaan, of dat gewelddadige aliens zijn winkel waren binnengedrongen. Dergelijke scenario’s vallen (3)
Volgens Derksen zoekt het OM te veel naar bevestiging van wat het al denkt. Dit is volgens Derksen een methodologische fout. Karl Popper geeft een methode om tot een theorie of bewijs te komen.
Vraag 4 2 punten
Leg uit:
- dat de genoemde methodologische fout is op te lossen met een methode gericht op falsificatie en
- dat Derksens opvatting daarom aansluit bij de wetenschapsopvatting van Popper.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg dat de genoemde methodologische fout is op te lossen met een methode gericht op falsificatie: er moeten tegenvoorbeelden worden gezocht zoals bewijs voor een onschuldscenario (1) • een uitleg dat Derksens opvatting aansluit bij de wetenschapsopvatting van Popper omdat ook de opvatting van Derksen gericht is op weerlegging (1) voorbeeld van een goed antwoord: • De methodologische fout betreft het zoeken naar passend bewijsmateriaal als bevestiging van wat het OM al denkt. Terwijl het OM juist op zoek zou moeten naar mogelijke alternatieve scenario’s. Pas wanneer is geprobeerd dat wat het OM al denkt, te weerleggen en dit niet gelukt is, wordt het bewijs van het OM overtuigender (1) • Dit sluit aan bij de wetenschapsopvatting van Popper. Door uit te gaan van het falsificatiecriterium, waarbij wordt gezocht naar weerleggingen van een theorie of hypothese worden theorieën veel scherper getoetst aan experimenten/de werkelijkheid. De methodologische fout die het OM volgens Derksen maakt, kan dus voorkomen worden met deze wetenschapsopvatting van Popper (1) (2)
naar: Ton Derksen, 2016
Als Derksen gelijk heeft, zou je op basis van het sprongetje van Scholten Nederlandse rechters bij het tot standkomen van een veroordeling wellicht een gebrek aan integriteit ten opzichte van hun wereldbeeld kunnen verwijten.
Vraag 5 3 punten
Leg uit dat ‘het sprongetje van Scholten’ abductief is. Geef vervolgens met deze abductie een argument voor en een argument tegen bovenstaand verwijt.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg dat het sprongetje van Scholten abductief is: het is een intuïtieve sprong / denkstap naar een mogelijke verklaring (1) • een argument met deze abductie vóór de opvatting dat Nederlandse rechters niet integer zijn ten opzichte van hun wereldbeeld bij het tot stand komen van een veroordeling: door de abductieve sprong kunnen rechters tegenwerpingen negeren (1) • een argument op basis van deze abductie tegen de opvatting dat Nederlandse rechters niet integer zijn ten opzichte van hun wereldbeeld bij het tot stand komen van een veroordeling: de abductieve sprong is een afleiding naar de beste verklaring en brengt integriteit ten opzichte van hun wereldbeeld niet in gevaar (1) voorbeeld van een goed antwoord: • Het intuïtieve sprongetje van Scholten is abductief. Een rechter voelt ‘aan zijn water’ dat de bewijsmiddelen inderdaad overtuigend zijn als verklaring voor een moord of wat voor misdrijf dan ook. Dat is geen zekerheid, de intuïtieve sprong is een denkstap naar een mogelijke verklaring (1) • Als een rechter ‘aan zijn water’ voelt dat een verdachte schuldig is, kan deze intuïtieve zekerheid makkelijk tot stand komen door zelfbedrog: hij negeert nieuwe informatie in zijn wereldbeeld en doet zijn ogen dicht voor de tegenwerpingen die passen bij het onschuldscenario. Dan komt hij tot een veroordeling die weliswaar rationeel is, want weloverwogen via twee bewijsmiddelen en overtuigd-zijn, maar niet integer, want hij negeert de mogelijke tegenwerpingen in zijn wereldbeeld, in dit geval het geheel van zijn overtuigingen die betrekking hebben op de rechtszaak (1) • De abductieve sprong brengt de integriteit van de rechter ten opzichte van zijn wereldbeeld helemaal niet in gevaar. Het sprongetje van Scholten is namelijk een voorbeeld van een afleiding naar de beste verklaring en hoeft helemaal niet te betekenen dat de rechter zichzelf bedriegt door tegenwerpingen te negeren. Het ‘aan zijn water voelen’ komt zoals (3)
Omdat er vaak geen sluitend bewijs is voor een moord, komt het in het Nederlandse rechtssysteem bijna altijd aan op het overtuigd-zijn van de rechter. Volgens Derksen is het onmogelijk dat rechters hun overtuigingen zo verantwoorden dat onschuldige burgers nooit meer ten onrechte worden veroordeeld. Agrippa zou het met Derksen eens zijn over de onmogelijkheid van verantwoorde opvattingen. Volgens Derksen moet deze onmogelijkheid van verantwoorde overtuigingen van rechters ertoe leiden dat het Nederlandse rechtssysteem wordt aangepast. Hij wil dat zaken makkelijker heropend kunnen worden dan nu het geval is, zodat vonnissen ook vaker kunnen worden herroepen: liever een schuldige vrij dan een onschuldige in het gevang.
De vraag of het Nederlandse rechtssysteem moet worden aangepast zoals Derksen voorstelt, kan je benaderen vanuit verschillende ethische theorieën.
Vraag 6 4 punten
Leg met de drie onderdelen van Agrippa’s trillemma uit dat het onmogelijk is dat rechters nooit meer een onschuldige veroordelen. Geef vervolgens twee argumenten om het rechtssysteem aan te passen zodat zaken makkelijker heropend kunnen worden:
- één vanuit de plichtethiek en
- één vanuit de gevolgenethiek. Maak tot slot een afweging tussen deze twee ethische argumenten aan de hand van het onderscheid tussen de instrumentele en intrinsieke waarde van de mens.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Vanuit de gevolgenethiek is een handeling moreel juist als deze het grootste geluk voor het grootste aantal mensen oplevert. Onschuldigen achter de tralies leidt er eerder toe dat mensen bang en ongelukkig worden, ‘je kan zomaar onschuldig in de gevangenis belanden’. Als zaken vaker heropend worden en er dus minder onschuldigen achter tralies verdwijnen, zullen er dus meer mensen gelukkig zijn (1p)
- Wat mij betreft telt de intrinsieke waarde van de mens zwaarder dan de instrumentele waarde. Ik ben dan ook eerder een voorstander van de plichtethiek waarin de mens als doel op zich wordt gezien. In de gevolgenethiek heiligt het doel soms de middelen en wordt in die zin meer van de instrumentele waarde van de mens uitgegaan. Dat er bij het aanpassen van het rechtssysteem misschien meer schuldigen vrij rond komen te lopen, is natuurlijk een spijtige bijkomstigheid, maar de morele plicht om de intrinsieke waarde van de mens voorop te stellen en dus te voorkomen dat onschuldigen achter de tralies verdwijnen, staat voorop (1) of
- Ik ben een voorstander van de gevolgenethiek. De intrinsieke waarde van de mens vooropstellen, zoals in de plichtethiek gebeurt, levert niet altijd het grootste geluk voor het grootste aantal mensen op. Om dat te bereiken moet je soms iets, of zelfs iemand, offeren. Bij het al dan niet aanpassen van het rechtssysteem, waarbij geldt: liever een schuldige vrij dan een onschuldige achter de tralies, moet je volgens mij dus altijd kijken of dit uiteindelijk het geluk maximaliseert: worden er meer mensen gelukkig als er minder onschuldigen achter de tralies komen of worden er meer mensen gelukkig als er minder schuldigen vrij rondlopen? (1p)
Opgave 2 Over zekerheid en pijn
Veel mensen gaan ervan uit dat hun ervaringen en gedachten alleen voor hen zelf toegankelijk zijn, en die van anderen alleen voor die ander. Neem bijvoorbeeld de ervaring van pijn. De ene persoon die zijn knie stoot kan gewoon door, de ander zegt te vergaan van de pijn
- maar of zij wel dezelfde pijn voelen kun je niet zeggen. Alleen jij zelf voelt jouw pijn, iemand anders kan jouw pijn niet voelen. Dat betekent echter dat we nooit kunnen weten of we bij het voelen van pijn hetzelfde voelen als een ander, terwijl we wel heel zeker lijken te zijn over onze eigen beleving van pijn. Zowel het conceptueel scepticisme als het solipsisme gaat ervan uit dat onze eigen belevingen voor onszelf zeker zijn, en dat bovendien de toegang tot deze belevingen volledig privé is. Ook in de filosofie van Descartes wordt aangenomen dat onze gedachtes en ervaringen volledig privé zijn. Terwijl Descartes juist probeert te ontsnappen aan zowel scepticisme als solipsisme door zekere kennis van de buitenwereld te zoeken. Descartes’ gedachte-experiment van de methodische twijfel kent twee fasen: het begint met de twijfelfase die leidt tot de conclusie ‘cogito ergo sum’. Na die conclusie begint de tweede fase waarin alle twijfel weer wordt weerlegd.
Vraag 7 3 punten
Leg uit dat het solipsisme immuun is voor het conceptueel scepticisme. Geef daarna de twee denkstappen volgend op het cogito waarin Descartes tot zekere kennis over de buitenwereld komt. Leg ten slotte uit dat Descartes’ conclusie ‘ik denk dus ik ben’ tot conceptueel scepticisme kan leiden.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg dat het solipsisme immuun is voor conceptueel scepticisme: omdat er alleen een eigen geest is, bestaat er geen probleem van andere geesten (1) • een weergave van de twee denkstappen van Descartes waarin hij zekere kennis over de buitenwereld bevestigt: godsbewijs, bewijs externe wereld (1) • een uitleg dat Descartes’ conclusie ‘ik denk dus ik ben’ kan leiden tot conceptueel scepticisme: doordat je bij het cogito alleen zekerheid hebt van je eigen privégedachten kun je niet weten wat anderen denken (1) voorbeeld van een goed antwoord: • Het solipsisme is immuun voor het conceptueel scepticisme, omdat er volgens het solipsisme maar één geest bestaat, je eigen geest. Daardoor hoeft er geen kloof overbrugd te worden naar andere geesten en is er dus ook geen twijfel over andere geesten (1) • Descartes komt na zijn twijfelexperiment op zijn zekere punt van kennis: ik denk dus ik ben. Na dat punt komt hij op het idee van God, op grond waarvan hij het bestaan van God afleidt. Omdat God volgens dat idee perfect is, kan God ons niet misleiden, waardoor we onze waarnemingen over de buitenwereld kunnen vertrouwen en dus zekerheid hebben over het bestaan van de buitenwereld (1) • Doordat Descartes het cogito als zeker punt gebruikt maakt hij zich kwetsbaar voor het conceptueel scepticisme. Je kent dankzij Descartes’ conclusie ‘ik denk dus ik ben’ wel met zekerheid je eigen gedachten, maar niet die van een ander. Van de ander krijgen we alleen informatie via de buitenwereld. Er moet dus een brug geslagen worden tussen de privégedachten en de buitenwereld, en daar zit ruimte voor het conceptueel scepticisme: je hebt geen zekerheid over de gedachten van anderen (1) (3)
naar: Wittgenstein ‘Filosofische onderzoekingen’, fragment 293, 1953
Volgens Wittgenstein gaan veel filosofische redeneringen over pseudoproblemen. Hij probeert deze problemen te ontmaskeren door het gebruik en daarmee de betekenis van de woorden te onderzoeken.
Vraag 8 2 punten
Leg met een citaat uit tekst 4 uit dat volgens Wittgenstein de betekenis van pijnuitspraken niet afkomstig kan zijn van privé-ervaringen. Leg vervolgens uit dat het probleem van andere geesten daarom een pseudoprobleem is volgens Wittgenstein.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat: • een uitleg met een citaat uit tekst 4 dat volgens Wittgenstein de betekenis van uitspraken over pijn niet afkomstig is van privé- ervaringen omdat de kever in het doosje als privé-ervaring geen deel uitmaakt van het taalspel (1) • een uitleg met het voorbeeld van het kevertje in het doosje dat Wittgenstein het probleem van andere geesten een pseudoprobleem vindt: we kunnen geen privétaal hebben, onze taal vooronderstelt al andere geesten (1) voorbeeld van een goed antwoord: • In Wittgensteins gedachte-experiment staat het kevertje voor de ontoegankelijke privé-ervaring. Je kunt niet achterhalen wat ‘kever’ betekent door alleen in je eigen doosje te kijken. Zoals Wittgenstein in tekst 4 zegt: ‘Niemand kan ooit in het doosje van iemand anders kijken’ en ‘het doosje zou ook leeg kunnen zijn’. Op dezelfde manier kun je ook niet uit je eigen privé-ervaring halen wat ‘pijn’ betekent, het woord zou zelfs betekenisloos kunnen zijn (1) • Volgens Wittgenstein zijn woorden als ‘pijn’ of ‘kever’ onderdeel van het taalspel. De betekenis van deze woorden ontstaat in het gebruik ervan, in de gezamenlijke taal, niet in de privé-ervaring. Het conceptueel scepticisme, dat we elkaar niet zouden begrijpen als we dergelijke woorden voor onze ervaringen gebruiken, is daarom voor Wittgenstein een pseudoprobleem. Het woord ‘pijn’ heeft immers pas in het contact met anderen betekenis gekregen (1) (2)
Wittgenstein is het niet eens met de traditionele analyse van kennis. Dat geldt ook voor Edmund Gettier.
Vraag 9 2 punten
Geef de traditionele analyse van kennis. Leg vervolgens met een voorbeeld van een Gettier-geval uit wat het probleem is met deze analyse van kennis.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een weergave van de traditionele analyse van kennis: gerechtvaardigde ware overtuiging (1) • een uitleg van het probleem van de Gettier-gevallen met een voorbeeld: gerechtvaardigde ware overtuigingen zijn niet altijd kennis (1) voorbeeld van een goed antwoord: • De traditionele analyse van kennis zegt dat we een gerechtvaardigde ware overtuiging nodig hebben om van kennis te kunnen spreken (1) • Een Gettier-geval laat zien dat er voorbeelden zijn van gerechtvaardigde ware overtuigingen die we nog steeds geen kennis zouden willen noemen. Bijvoorbeeld in het geval van de klok waar iemand klokkijkt, de juiste tijd ziet, maar niet weet dat de klok stilstaat. Deze overtuiging lijkt gerechtvaardigd, hij is waar, maar het is geen kennis (1) (2)
naar: Moore, A Defence of Common Sense, 1925
Met dergelijke alledaagse overtuigingen, die volgens Moore onderdeel zijn van het gezond verstand, geeft hij een bewijs voor het bestaan van de buitenwereld. Om zijn argumenten kracht bij te zetten geeft Moore drie criteria voor een goed bewijs waaraan hij zijn bewijs voor het bestaan van de buitenwereld toetst. Ondanks dat Moore vindt dat hij een goed bewijs geeft voor het bestaan van de buitenwereld, voldoet zijn bewijs volgens critici niet aan zijn eigen criteria, omdat de premisse niet verschilt van de conclusie.
Vraag 10 3 punten
Leg met tekst 5 uit dat Moore met een beroep op gezond verstand de redenering van de scepticus omdraait. Geef vervolgens Moores bewijs voor het bestaan van de buitenwereld. Leg tot slot uit dat in Moores bewijs zijn premisse niet verschilt van de conclusie.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg met tekst 5 dat Moore met een beroep op gezond verstand de redenering van de scepticus omdraait: de eerste premisse wordt op grond van gezond verstand aangenomen waardoor het sceptisch scenario wordt uitgesloten (1) • een weergave van Moores bewijs voor het bestaan van de buitenwereld: Hier is de ene hand en hier is de andere, daarom zijn er nu twee handen in een buitenwereld, en is er dus een buitenwereld / zojuist waren er twee handen boven dit bureau, daarom bestonden er twee handen in de buitenwereld en dus bestond er een buitenwereld (1) • een uitleg dat in Moores bewijs zijn premisse niet verschilt van de conclusie omdat in zijn begrip ‘handen’ al vervat zit dat deze dingen objecten zijn in de buitenwereld (1) voorbeeld van een goed antwoord: • In de sceptische paradox staan drie uitspraken die niet alle drie tegelijk waar kunnen zijn: s weet dat p, s weet niet dat niet q en als s weet dat p, dan weet s dat niet q. P is hier een kennisclaim, zoals bijvoorbeeld de bewering uit tekst 5 dat S weet dat hij na zijn geboorte is gegroeid. Q is dan een sceptisch scenario waarin dat niet zo is, zoals in het scenario van een brein in een vat. De scepticus sluit de kennisclaim uit op grond van de andere twee beweringen, Moore sluit juist het sceptische scenario uit op grond van de kennisclaim (1) • Het bewijs van Moore voor het bestaan van de buitenwereld gaat zo: hier heb ik de ene hand en hier de andere. Er bestaan dus twee objecten. Daarom bestaat er een buitenwereld waarin deze twee objecten zijn (1) • Moore schendt zijn eerste voorwaarde voor een goed bewijs: de premisse bevat namelijk al de conclusie. Hij neemt op grond van gezond verstand aan dat er handen zijn, maar daarin accepteert hij al dat dit externe objecten in de buitenwereld zijn. De eerste premisse bevat zijn conclusie dat er een buitenwereld is al, waardoor de conclusie niet echt verschilt van de premissen (1) (3)
Volgens Moore hebben we geen enkele reden om te twijfelen aan de uitspraken over de buitenwereld die we op grond van gezond verstand aannemen. Hij vergelijkt deze uitspraken met uitspraken die we doen als we zeggen dat we pijn hebben. We hebben in beide gevallen geen reden om te twijfelen aan de waarheid van de uitspraken, of we nou weten dat we pijn hebben of weten dat we gegroeid zijn na onze geboorte. De zekerheid van je eigen beleving is volgens Moore gelijk aan de zekerheid van veel simpele beweringen over de buitenwereld. Ook Bertrand Russell vraagt zich af wat we zeker kunnen weten. Volgens Russell zijn er directe en onbetwijfelbare kennisuitspraken over de waarneming mogelijk. Daarmee lijkt hij het oneens te zijn met Moore. Neem de simpele bewering dat je weet dat de aarde bestaat.
Vraag 11 2 punten
Leg met deze simpele bewering Russells onderscheid tussen kennis door vertrouwdheid en kennis door beschrijving uit. Leg vervolgens uit dat Russell het daarom niet eens zou zijn met Moore dat we net zo zeker zijn over onze belevingen als over de simpele bewering dat de aarde bestaat.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg met de simpele bewering “je weet dat de aarde bestaat” van het onderscheid tussen kennis door vertrouwdheid en kennis door beschrijving: kennis door vertrouwdheid is kennis van ongeïnterpreteerde waarneming (sense-data), kennis door beschrijving is afgeleide of logisch geconstrueerde kennis (1) • een uitleg dat Russell het niet eens zou zijn met Moore dat we net zo zeker zijn over onze belevingen als over de simpele bewering dat de aarde bestaat omdat deze bewering een afleiding uit de sense data vereist, en dus minder zeker is (1) voorbeeld van een goed antwoord: • Volgens Russell zijn er twee soorten van kennis te onderscheiden. Kennis door vertrouwdheid is kennis van ongeïnterpreteerde waarneming, hij noemt dit de sense-data. Deze kennis is onbetwijfelbaar. Bij deze kennisuitspraak zijn dat de directe indrukken die je binnenkrijgt, zoals kleuren, vormen, geuren en dergelijke. Kennis door beschrijving is afgeleide of logisch geconstrueerde kennis. Hier is interpretatie van mensen voor nodig en daarom is deze vorm van kennis minder zeker. In dit voorbeeld zou dat het idee van de aarde zijn, een begrip dat je zelf niet waarneemt maar samenstelt op grond van je waarnemingen (1) • De directe kennis over de buitenwereld, waar Moore van zegt dat we er zo zeker van zijn, is helemaal niet zo zeker volgens Russell. Om bijvoorbeeld te weten dat je op een aarde staat moet je de sense data nog interpreteren en verwerken tot een idee van een onafhankelijke aarde. Die kennis is feilbaar en dus niet zo zeker als Moore denkt (1) (2)
Een scepticus zal het niet eens zijn met Moore dat we zekerheid kunnen bereiken. Maar die scepticus heeft daarbij volgens Wittgenstein wel een probleem. De scepticus formuleert zijn twijfel in taal. Omdat hij zijn twijfel formuleert in taal kan de betekenis van zijn woorden zelf niet betwijfelbaar zijn, anders kan hij zijn twijfel niet uitdrukken in die taal. Je kunt volgens Wittgenstein dus niet echt twijfelen aan de uitspraak ‘ik groei na mijn geboorte’ omdat je dan ook zou moeten twijfelen aan de betekenis van de woorden in die zin. En dat kan niet volgens Wittgenstein, want als je die betekenis zelf in twijfel zou moeten trekken, kun je de twijfel niet meer onder woorden brengen. Je weet wat de zin ‘ik groei na mijn geboorte’ betekent omdat je weet wat die woorden in het gebruik betekenen. Deze zin kan op zichzelf dus niet betwijfeld worden.
Wittgenstein noemt dit soort zinnen die op zichzelf niet betwijfeld kunnen worden 'scharnierzinnen’. Deze ‘scharnierzinnen’ vormen volgens Wittgenstein de grens van onze twijfel en het zijn ook precies de uitspraken die Moore wil aannemen op grond van gezond verstand. Een scepticus zou echter nog steeds blijven beweren dat de wereld toch anders zou kunnen zijn dan uitgedrukt in de scharnierzinnen, ook al kunnen we dat dan misschien niet uitdrukken. Je zou dan nog steeds kunnen twijfelen aan de zekerheid van deze ‘scharnierzinnen’ en dus aan onze kennis als geheel John Austin beargumenteert ook dat er grenzen zijn aan onze twijfel, maar op heel andere gronden. Volgens Austin hoef je niet eindeloos de twijfel van de scepticus te blijven beantwoorden en is het op een bepaald moment genoeg.
Vraag 12 3 punten
Leg uit wanneer er volgens Austin genoeg getwijfeld is. Geef vervolgens aan waarin zijn antwoord aan de scepticus verschilt van dat van Moore. Leg tot slot uit of Wittgensteins ‘scharnierzinnen’ volgens Austin genoeg zouden zijn om met de sceptische twijfel te stoppen.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg wanneer het antwoorden op twijfel genoeg is volgens Austin: bij het uitsluiten van voldoende relevante alternatieven (1) • een uitleg waarin Austins antwoord verschilt van dat van Moore: Moore gebruikt gezond verstand, Austin de relevante context (1) • een argumentatie dat volgens Austin Wittgensteins ‘scharnierzinnen’ genoeg zouden zijn om de twijfel te stoppen: alternatieve betekenissen opwerpen gaat te ver omdat het te ver zou voeren om zelfs aan de zekerheid van deze zinnen te twijfelen door te zeggen dat de wereld toch anders kan zijn (1) voorbeeld van een goed antwoord: • Volgens Austin hoef je niet alle mogelijke sceptische scenario’s uit te sluiten, genoeg is genoeg. Op het moment dat je voor de situatie alle relevante sceptische scenario’s uitsluit is het genoeg en hoef je geen rekening meer te houden met de vergezochte sceptische alternatieven (1) • Bij Moore is de grens van de twijfel te vinden in het gezond verstand, sommige dingen liggen nu eenmaal zo voor de hand dat de scepticus de bewijslast heeft. Voor Austin is het niet het voor de hand liggende, het gezonde verstand, maar de context die bepaalt of een scenario overwogen zou moeten worden (1) • Volgens Austin zouden Wittgensteins scharnierzinnen genoeg zijn om de sceptische twijfel te stoppen. Van de scharnierzinnen weten we gewoon wat ze betekenen. Als je dan toch deze zekerheid in twijfel trekt en zegt dat de wereld toch anders zou kunnen zijn zou voor Austin veel te ver voeren gezien de context waarin we dergelijke uitspraken doen (1) (3)
bron: Chirimuuta, The reality of color is perception, 2015
In de filosofie wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten scepticisme: metafysisch, epistemologisch en conceptueel scepticisme.
Vraag 13 3 punten
Leg uit dat elk van deze drie soorten scepticisme herkenbaar is in tekst 6.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg dat in tekst 6 het metafysisch scepticisme herkenbaar is: twijfel aan de wijze van bestaan van kleuren in de buitenwereld (1) • een uitleg dat in tekst 6 het epistemologisch scepticisme herkenbaar is: twijfel aan kennis van kleuren in de buitenwereld (1) • een uitleg dat in tekst 6 het conceptueel scepticisme herkenbaar is: twijfel of ervaringsinhoud kan worden gedeeld (1) voorbeeld van een goed antwoord: • In tekst 6 wordt gevraagd wat de echte kleur van de vlag is en of kleuren zelf veranderen als we de voorwerpen in de omgeving verplaatsen. Metafysisch scepticisme gaat over de vraag of er onafhankelijk van ons objecten in een wereld buiten ons bestaan. De vragen in tekst 6 gaan over of er kleuren in de buitenwereld bestaan, en sluiten wat dat betreft aan bij het metafysisch scepticisme (1) • In tekst 6 wordt getwijfeld aan de overtuiging dat de hemel blauw is. Epistemologisch scepticisme gaat over de vraag of we ware kennis van de wereld buiten ons kunnen hebben, zoals de vraag in tekst 6 of we de zekere overtuiging kunnen hebben dat de hemel blauw is (1) • In tekst 6 wordt aangegeven dat vogels de kleur van de hemel mogelijk anders zien dan wij. Conceptueel scepticisme gaat over de vraag of gedachte-inhouden gedeeld kunnen worden. Het is voor ons niet mogelijk om te achterhalen of deze vogels de kleur hetzelfde beleven als wij. Daarom is in deze tekst conceptueel scepticisme herkenbaar (1) (3)
In de traditionele kennisleer is veel discussie geweest over de relatie tussen waarnemen en het bestaan van een buitenwereld. In deze discussie levert Berkeley kritiek op Locke.
Vraag 14 2 punten
Leg met het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten uit of kleurwaarneming het bestaan van een onafhankelijke buitenwereld kan bevestigen:
- volgens Locke en
- volgens Berkeley.
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg aan de hand van Lockes onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten dat kleurwaarneming het bestaan van een onafhankelijk buitenwereld niet kan bevestigen: kleuren zijn secundaire kwaliteiten, behoren dus aan de waarnemer, terwijl primaire kwaliteiten behoren aan het object zelf (1) • een uitleg aan de hand van Berkeleys kritiek op Locke dat kleurwaarneming het bestaan van een onafhankelijke buitenwereld niet kan bevestigen: Berkeley verwerpt het onderscheid tussen primaire en secundaire kwaliteiten en iets bestaat alleen als het wordt waargenomen (1) voorbeeld van een goed antwoord: • Volgens het indirect realisme van Locke is de waarneming van een kleur de waarneming van een secundaire kwaliteit, dat wil zeggen van een subjectieve kwaliteit. Meerdere waarnemingen door verschillende zintuigen van primaire kwaliteiten als vorm en grootte, die objectief zijn, kunnen het bestaan van een onafhankelijke buitenwereld volgens Locke bevestigen. Maar secundaire kwaliteiten, zoals kleuren, bestaan volgens Locke alleen in onze geest en kunnen dus het bestaan van een onafhankelijke buitenwereld niet bevestigen (1) • Volgens het subjectief idealisme van Berkeley kun je geen onderscheid maken tussen primaire en secundaire kwaliteiten omdat deze altijd tegelijk voorkomen. Uiteindelijk zijn daarom alle kwaliteiten secundair te noemen. Objecten bestaan volgens Berkeley altijd alleen maar in de waarneming en voor zover ze worden waargenomen. Dus volgens Berkeley bestaan kleuren wel als ze worden waargenomen, maar zijn ze daarmee nog geen bevestiging van het bestaan van een buitenwereld die onafhankelijk van waarnemers zou bestaan (1) (2)
tekst 7
Metingen tonen aan dat vakje
A en vakje B van de afbeelding hiernaast dezelfde golflengte hebben. Het verschil in kleur dat wij waarnemen, zou daarom een illusie zijn. Dit afdoen als illusie veronderstelt echter dat we voor de gek zijn gehouden, maar eigenlijk is de menselijke waarneming beter in staat om de afbeelding goed in te schatten.
naar: Harris, Does color even exist? 2015
Illusies vormen een probleem voor het realisme ten aanzien van de buitenwereld. Thomas Reid probeert dit probleem op te lossen op basis van het gezond verstand. Een oplossing voor het probleem van illusies voor het direct realisme is het onderscheid tussen naïef realisme en wetenschappelijk realisme.
Vraag 15 3 punten
Leg met het voorbeeld van de illusie uit tekst 7 het verschil tussen het naïef realisme en het wetenschappelijk realisme uit. Geef vervolgens met tekst 7:
- een argument voor Reids gebruik van ‘gezond verstand’ en
- een argument tegen Reids gebruik van ‘gezond verstand’.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg met het voorbeeld uit tekst 7 van het verschil tussen naïef realisme en wetenschappelijk realisme: menselijke waarneming levert goede inschatting terwijl meting van golflengte verschil in kleur van vakjes A en B als inkleuring ziet (1) • een argument met tekst 7 voor Reids gebruik van ‘gezond verstand’: schaakbord blijkt met gezond verstand de beste interpretatie te zijn (1) • een argument met tekst 7 tegen Reids gebruik van ‘gezond verstand’: met gezond verstand zijn vakjes A en B verschillend gekleurd terwijl metingen aantonen dat ze dezelfde golflengte hebben (1) voorbeeld van een goed antwoord: • Volgens tekst 7 maakt de menselijke waarneming, net als volgens naïef realisten, een goede inschatting van de afbeelding en geeft zij de werkelijkheid adequaat weer. Volgens wetenschappelijk realisten moeten primaire en secundaire eigenschappen worden onderscheiden en is waargenomen kleur eigenlijk ‘inkleuring’. Volgens tekst 7 tonen metingen aan dat de kleuren van vakje A en vakje B dezelfde golflengte hebben maar als verschillende kleur worden waargenomen (1) • Volgens Reid kan vanuit gezond verstand worden gesteld dat onze waarnemingen een directe en adequate weergave van de werkelijkheid zijn. De afbeelding van het schaakbord blijkt met gezond verstand de beste interpretatie te zijn (1) • Gezond verstand laat vakje A en B zien als verschillend gekleurd. Maar het meten van de golflengtes van de kleuren leidt er in dit geval toe dat moet worden gesteld dat wat we menen waar te nemen niet overeenkomt met de metingen. Dus het gezond verstand heeft het fout (1) (3)
De nieuwe theorie van kleurwaarneming heeft overeenkomsten met de dispositionele benadering van kleur. Kleuren kunnen worden beschouwd als respons-afhankelijke eigenschappen voor menselijke waarneming: een kleur is de manier waarop een bepaalde prikkel op een waarnemer overkomt, én de manier waarop een waarnemer die prikkel waarneemt. Daarom zouden we volgens de nieuwe theorie anders over kleuren moeten spreken. In plaats van dat we zeggen dat we de blauwe hemel zien, zouden we beter kunnen zeggen dat we een blauwige waarneming van de hemel hebben. Volgens de nieuwe theorie van kleurwaarneming is kleur geen kwaliteit van een object maar de kwaliteit van een waarnemingsproces, zoals dat door ons wordt ervaren. Vanuit een sceptische benadering zouden we de nieuwe theorie kunnen onderwerpen aan het scenario van spectruminversie. Voor functionalisten vormt dit sceptische scenario echter geen probleem.
Vraag 16 2 punten
Leg met het onderscheid tussen binnenwereld en belevingswereld uit of de nieuwe theorie van kleurwaarneming:
- functionalistisch is en
- bestand is tegen het sceptische scenario van spectruminversie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een goed antwoord bevat de volgende elementen: • een uitleg met het onderscheid tussen binnenwereld en belevingswereld dat de nieuwe theorie van kleurwaarneming niet functionalistisch is: kleuren worden in de nieuwe theorie begrepen als kwalitatieve aspecten van de ervaring van een waarnemingsproces (1) • een uitleg met het onderscheid binnenwereld en belevingswereld dat de nieuwe theorie niet bestand is tegen het sceptische scenario van spectruminversie: kleuren kunnen op dezelfde manier worden benoemd vanuit de binnenwereld, maar verschillend worden ervaren in de belevingswereld (1) voorbeeld van een goed antwoord: • Volgens functionalisten vallen mentale toestanden samen met hun functionele rol in de binnenwereld. In de nieuwe theorie van kleurwaarneming worden kleuren echter begrepen als kwaliteit van de ervaring, namelijk als de kwalitatieve ervaring van het waarnemingsproces. Deze kwalitatieve aspecten behoren tot de belevingswereld. Hoe het is om op een bepaalde manier (blauwig) te kijken, is functionalistisch irrelevant en niet-reduceerbaar (1) • Volgens het sceptische scenario van spectruminversie is het mogelijk dat we kleuren op dezelfde manier benoemen maar toch verschillend ervaren. In dat geval is misschien de binnenwereld hetzelfde maar verschilt de belevingswereld. Als de nieuwe theorie van kleurwaarneming kleuren begrijpt als kwalitatieve aspecten van de ervaring van een waarnemingsproces, dan is het niet te achterhalen of verschillende waarnemers verschillende ervaringen hebben bij het zien van ‘dezelfde kleur’. De nieuwe theorie van kleurwaarneming is dus niet bestand tegen het sceptische scenario spectruminversie (1) (2)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Filosofie 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-0311-a-18-2-o
Andere examens filosofie vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen filosofie vwo 2018, tijdvak 2?
Het centraal examen filosofie vwo 2018, tijdvak 2 telt 16 vragen. De meeste vragen gaan over kennisleer (13), wetenschapsfilosofie (2) en mens en techniek (1).
Wat zijn de antwoorden van het examen filosofie vwo 2018, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van filosofie vwo 2018, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-0311-a-18-2-c).
Hoe oefen ik met het examen filosofie vwo 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.