Eindexamen biologie havo 2019, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Bungeejumpen, Planten die vliegen vangen, Nierdonor bij leven, Toch het haasje door klimaatverandering?, Aquaponics, Rijst doneert menselijk bloedeiwit, Smeerwortel, MERS.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie havo 2019, tijdvak 1 loopt tot vraag 43. Van 41 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (10), bloedsomloop (7) en afweer (7). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie havo 2019, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Ecologie7-9, 17-2310
Bloedsomloop4, 14, 24-27, 317
Afweer11-13, 32, 41-437
DNA en eiwitsynthese28-30, 39-405
Zenuwstelsel en hormonen1-33
Evolutie10, 15-163
Voeding en vertering6, 342
Voortplanting35-362
Ademhaling37-382

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over DNA en eiwitsynthese (12% van de vragen, gemiddeld 4%) en bloedsomloop (17% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over erfelijkheid (0% van de vragen, gemiddeld 8%) en planten en fotosynthese (0% van de vragen, gemiddeld 8%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie havo 2019, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie havo 2019, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie havo 2019, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Bungeejumpen

Je staat op een platform op een hoogte van 70 meter en laat je voorover de diepte in vallen (afbeelding 1). Hierbij gaat je lichaam over op de stress-stand.

Bij het overschakelen van het lichaam naar de stress-stand wordt het hormoon adrenaline afgegeven.

afbeelding 1 afbeelding 2

In afbeelding 2 is een aantal klieren met letters aangegeven.

Vraag 1 1 punt

Noteer de letter waarmee de hormoonklier wordt aangegeven die bij stress adrenaline afgeeft aan het bloed.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • R (1)

Tijdens een bungeejump neemt de bloeddruk toe, vooral in het hoofd. Op het moment dat het laagste punt wordt bereikt, is de bovendruk (systolische druk) in het hoofd enorm hoog. Als gevolg hiervan kunnen haarvaatjes beschadigd raken. Het Engelse meisje Cathy verloor hierdoor tijdelijk een gedeelte van haar gezichtsvermogen.

In afbeelding 3 is de verdeling van de bovendruk weergegeven bij een staande houding.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

bovendruk hoofd 80 mmHg

bovendruk hart 120 mmHg

bovendruk voeten 190 mmHg

Over de oorzaak van de hoge bovendruk in het hoofd op het laagste punt van de sprong, worden twee uitspraken gedaan:

1 Afgifte van adrenaline leidt tot een verhoging van de bovendruk.

2 De houding van het lichaam draagt bij aan de hoge bovendruk in het hoofd.

Vraag 2 2 punten

Welke bewering is juist?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

De schade aan afbeelding 4 haarvaatjes trad op in een gedeelte van Cathy’s netvlies. Hierdoor werkten de zintuigcellen in het gebied M (aangegeven met de cirkel in afbeelding 4) tijdelijk niet.

Vraag 3 2 punten

Beredeneer aan de hand van afbeelding 4 dat Cathy na haar sprong tijdelijk geen kleur kon waarnemen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeeld van een juist antwoord: Bij Cathy zijn de zintuigcellen in de gele vlek uitgeschakeld. Dit zijn vooral kegeltjes, waarmee je normaal kleuren waarneemt. Hierdoor ziet ze nu dus geen kleur.

  • aan de randen / buiten cirkel M zich (vooral) staafjes bevinden (1p)
  • met staafjes geen kleuren onderscheiden worden (1p)

Het opwekken van stress door bungeejumpen wordt door artsen van het Academisch Medisch Centrum gebruikt om de invloed van stress op het immuunsysteem te onderzoeken. Bekend is dat mensen die gestrest zijn sneller last hebben van infecties en eerder ziek worden. Voor dit onderzoek maakten 20 vrijwilligers een bungeejump vanaf

70 meter hoogte. Bij de proefpersonen werd op vier tijdstippen bloed afgenomen:

1 bij aankomst op het terrein

2 vlak voor de sprong, op het springplatform (ongeveer 2 uur na aankomst)

3 direct na de sprong

4 twee uur na de sprong In het bloed werd de hoeveelheid bloedcellen die betrokken zijn bij de afweer geteld en werd de ontstekingsremmende activiteit van de afweercellen bepaald. Een aantal proefpersonen kreeg voorafgaand aan de eerste bloedafname een behandeling die de werking van adrenaline remt.

In afbeelding 5 zijn met nummers verschillende vaste bloedbestanddelen aangeven in een microscopisch preparaat van bloed.

[afbeelding 5: zie het originele examen]

Vraag 4 2 punten

Welk van de aangeven delen uit het bloed is of welke zijn voor dit onderzoek in de telling meegenomen?

  1. A alleen 1
  2. B alleen 2
  3. C alleen 3
  4. D alleen 1 en 2
  5. E alleen 1 en 3
  6. F alleen 2 en 3

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

De resultaten uit het onderzoek zijn weergegeven in afbeelding 6.

[afbeelding 6: zie het originele examen] afweercellen per ml bloed

1a 1b 2a 2b 3a 3b 4a 4b

ontstekings- remmende activiteit van de afweercellen

1a 1b 2a 2b 3a 3b 4a 4b Legenda:

1 bij binnenkomst a onbehandeld

2 vlak voor de sprong b met adrenaline-

3 vlak na de sprong remmer

4 twee uur na de sprong

Vraag 5 2 punten

Welke conclusie kan met deze resultaten worden onderbouwd?

  1. A Bungeejumpen veroorzaakt niet voldoende stress om de afweer te beïnvloeden.
  2. B Bungeejumpen veroorzaakt voldoende stress om de afweer te beïnvloeden, maar deze beïnvloeding wordt niet veroorzaakt door

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Planten die vliegen vangen

De vlieëbos is een struikachtige plant die groeit in Zuid-Afrika. De bladeren van deze plant zijn begroeid met kleverige haren waaraan kleine insecten blijven kleven. Wetenschappers onderzochten wat het voordeel hiervan is voor de plant.

Op vlieëbosplanten (Roridula gorgonias, afbeelding 1 afbeelding 1) leven vleesetende luizen (Pameridea roridulae) die zich op hun hoge poten moeiteloos tussen de kleverige haren van de plant verplaatsen. Ze voeden zich met de door de plant gevangen insecten zoals fruitvliegjes (afbeelding 2). De vleesetende luizen worden gegeten door de spin Synaema marlothii, die zich ook voedt met door de plant gevangen insecten.

afbeelding 2 Net als vleesetende planten groeit vlieëbos op vochtige, voedselarme bodems en vangt insecten. In tegenstelling tot vleesetende planten maakt vlieëbos geen enzymen om de insecten te verteren. Onderzoekers vroegen zich af welk voordeel de planten dan hebben van de energie die zij investeren in de afscheiding van de kleverige stof. Om dit te onderzoeken zetten ze een experiment op waarin ze fruitvliegjes voedsel gaven dat gelabelde organische stikstofverbindingen (met zwaar stikstof, 15 N) bevat. De vliegjes werden vervolgens vastgeplakt op de planten met vleesetende luizen. Gelabelde stikstof werd later aangetroffen in de weefsels van deze planten. Het bleek dat stikstof via de uitscheidingsproducten van de vleesetende luizen in de planten terechtkomt.

Vleesetende luizen breken organische stikstofverbindingen van fruitvliegen af in hun verteringsstelsel. Stikstof komt onder andere voor in aminozuren en eiwitten.

Vraag 6 2 punten

− Noteer een andere stikstofhoudende organische stof uit het lichaam van de fruitvlieg,

  • en noteer een enzym dat deze stof afbreekt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist antwoord:

  • DNA nuclease
  • RNA RNA-ase
  • nucleotide nucleotidase
  • chitine chitinase
  • fosfolipide (fosfo)lipase
  • ureum urease

De onderzoekers bepaalden aan het eind van het experiment of eiwitten in cellen van fruitvliegjes, luizen, spinnen en planten, de gelabelde stikstof bevatten.

Vraag 7 2 punten

Bij welk of welke van deze organismen zal de gelabelde stikstof door de onderzoekers zijn teruggevonden?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • bij alle genoemde organismen (fruitvliegjes, luizen, spinnen, planten) indien vier juiste / alle organismen genoteerd (2) indien drie juiste organismen genoteerd (1) indien minder dan drie juiste organismen genoteerd (0) (2)

Over de relaties tussen de plant, de vleesetende luis, de spin en de fruitvliegjes worden drie uitspraken gedaan:

1 Tussen de vleesetende luis en de plant is sprake van mutualisme.

2 Tussen de vleesetende luis en de fruitvliegjes is sprake van parasitisme.

3 Tussen de spin en de fruitvliegjes is sprake van predatie.

Vraag 8 2 punten

Noteer de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en schrijf achter elk nummer of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 juist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct aangevuld (2) indien twee nummers correct aangevuld (1) indien minder dan twee nummers correct aangevuld (0) (2)

Door de relatie met de vleesetende luis kan vlieëbos op voedselarme bodem groeien.

Vraag 9 1 punt

Verklaar hoe de relatie met de vleesetende luis, groei van vlieëbos op voedselarme bodem mogelijk maakt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat de plant hierdoor voedingsstoffen verkrijgt, dit niet goed rekenen.

In de gebieden waar de struik vlieëbos voorkomt, ontstaan elke paar jaar natuurbranden. De struik kan deze branden overleven doordat het onderste gedeelte van de stam zich onder de grond bevindt. Andere soorten, zoals de waboom (Protea nitida), overleven doordat ze een dikke schors hebben. Hierdoor kunnen deze soorten na een brand opnieuw uitlopen.

Vraag 10 2 punten

Leg uit hoe de waboom in de loop van de evolutie een steeds dikkere schors heeft gekregen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat door mutatie en/of recombinatie verschillen ontstaan in schorsdikte, het eerste scorepunt toekennen.

Nierdonor bij leven

Marja is geboren met slechts één nier. Eén goede nier is genoeg om het bloed te zuiveren, maar Marja’s nier is tijdens de twintig jaar van haar leven steeds slechter gaan functioneren, waardoor ze nu regelmatig moet dialyseren.

Een niertransplantatie zou een oplossing zijn. Marja’s tweelingbroer Arno wil graag een van zijn nieren doneren. Bij het transplanteren van een nier moet met verschillende factoren rekening worden gehouden. De nier is een bloedrijk orgaan, waardoor bij een niertransplantatie veel bloedcellen mee worden getransplanteerd.

Bij transplantatie mag geen klontering van de bloedcellen van Arno optreden in de bloedbaan van Marja. Marja heeft bloedgroep B.

Vraag 11 2 punten

− Noteer welke van de AB0-bloedgroepen Arno mag hebben om als donor voor zijn tweelingzus in aanmerking te komen.

  • Verklaar je antwoord.
Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • het bloed van Marja geen antistof mag bevatten tegen Arno’s (rode) bloedcellen (1p)

Opmerking Als de kandidaat de keuze enkel toelicht aan de hand van een donor- acceptor-schema, het tweede scorepunt niet toekennen.

Een tweede factor waarmee rekening moet worden gehouden bij een niertransplantatie zijn de HLA-eiwitten die zich op alle lichaamscellen bevinden. Deze eiwitten worden gecodeerd door een set genen op chromosoom 6. In deze genen is heel veel variatie, waardoor de kans klein is dat twee personen dezelfde combinatie van HLA-eiwitten bezitten. Tegen niet-lichaamseigen HLA-eiwitten treden immuunreacties op die tot afstoting van getransplanteerde organen kunnen leiden.

Omdat de verschillende genen afbeelding 1 voor de HLA-eiwitten heel dicht vader moeder bij elkaar liggen, kun je stellen dat ze gekoppeld overerven en set 1 set 2 set 3 set 4 dat kinderen dus van elke ouder een van de twee sets HLA- genen krijgen. In afbeelding 1 zijn van Marja en haar ouders de chromosomen 6 met verschillende sets allelen voor HLA weergegeven. Marja

set 1 set 4

Vraag 12 2 punten

Hoe groot is, op basis van afbeelding 1, de kans dat Arno dezelfde sets van HLA-allelen heeft als Marja?

  1. A 0%
  2. B 25%
  3. C 50%
  4. D 75%
  5. E 100%

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Bij de afweerreactie tegen bloedgroepeiwitten spelen antistoffen uit het bloed een rol. Cellen van een donornier met lichaamsvreemde HLA- eiwitten worden aangevallen door bloedcellen van het specifieke afweersysteem.

Vraag 13 2 punten

Welke cellen produceren de antistoffen? En welke cellen van het specifieke afweersysteem vallen cellen van een donornier aan?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

cellen die antistoffen cellen die de produceren donornier aanvallen

A B-cellen macrofagen

B B-cellen T-cellen

C macrofagen B-cellen

D macrofagen T-cellen

E T-cellen B-cellen

F T-cellen macrofagen

Na onderzoek blijkt Arno een geschikte bloedgroep te hebben. Zijn HLA- eiwitten komen niet geheel overeen met die van Marja, maar de match is voldoende om als donor in aanmerking te komen.

Tijdens een operatie wordt Arno’s afbeelding 2 rechternier naar de buikholte van Marja getransplanteerd. De chirurg maakt drie aansluitingen (met P, Q en R, afbeelding 2) om P de aan- en afvoer van vloeistoffen naar en vanaf de donornier mogelijk te maken. In afbeelding 2 Q is met pijlen de richting van de vloeistofstromen aangegeven. R

Vraag 14 2 punten

Noteer de letters P, Q en R onder elkaar op je antwoordblad. Noteer achter elke letter aan welk bloedvat, of aan welk orgaan in het lichaam van Marja de chirurg dit onderdeel bevestigt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

P: een (grote) slagader in de buikholte / heupslagader / aorta / darmslagader / nierslagader / beenslagader Q: een (grote) ader in de buikholte / heupader / onderste holle ader / poortader / nierader / beenader R: blaas/urineleider

Toch het haasje door klimaatverandering?

Door klimaatverandering verandert de omgeving van de Amerikaanse haas (Lepus americanus, afbeelding 1), waardoor hij mogelijk vaker ten prooi valt aan roofdieren.

Voor veel roofdieren, waaronder de afbeelding 1 coyote, de vos en de lynx, is de haas een prooi die het hele jaar beschikbaar is, want de haas houdt geen winterslaap. Het gedrag, de bouw en de levenswijze van de haas zijn aangepast om aan deze roofdieren te ontsnappen. Omdat de haas geen hol heeft om in te vluchten, geeft hij de voorkeur aan een gebied met voldoende, lage vegetatie. Hierin vindt de haas beschutting en voedsel. De Amerikaanse haas wisselt twee keer per jaar van vacht. Aan het begin van de winter krijgt de haas witte haren en aan het eind van de winter wisselt hij deze weer om voor een bruine vacht. Hiermee is de haas, omdat hij in gebieden met koude winters leeft, in alle seizoenen goed gecamoufleerd.

Het wisselen van de vacht geeft de haas een evolutionair voordeel ten opzichte van prooidieren die het hele jaar dezelfde vachtkleur hebben. Bij het ontstaan van deze eigenschap heeft natuurlijke selectie een rol gespeeld.

Vraag 15 2 punten

− Noteer een biotische factor die selectiedruk uitoefent ten gunste van een witte vachtkleur in de winter.

  • Noteer een abiotische factor die de selectiedruk beïnvloedt ten gunste van een witte vachtkleur in de winter.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • predatie/coyote/vos/lynx/predatoren/roofdieren (1)
  • (de aanwezigheid van) sneeuw (1)

Door klimaatverandering worden de winterperioden anders. De verwachting is dat de perioden met sneeuw korter worden. Natuurbeheerders vroegen zich af of de populatie Amerikaanse hazen zich kan aanpassen aan de veranderende leefomstandigheden. Ze bestudeerden gedurende drie winters elke week de kleur van de vacht van de hazen en noteerden of er sneeuw in het leefgebied lag. De resultaten zijn weergegeven in afbeelding 2.

[afbeelding 2: zie het originele examen] 2009/2010 periode dat er sneeuw lag 100 percentage wit in de hazenvacht

0

40 42 44 46 48 50 52 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 week 2010/2011 periode dat er sneeuw lag 100 percentage wit in de hazenvacht

0

40 42 44 46 48 50 52 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 week 2011/2012 periode dat er sneeuw lag 100 percentage wit in de hazenvacht

0

40 42 44 46 48 50 52 2 4 6 8 10 12 14 16 18 20 week

De beheerders vrezen dat er door veranderende winters meer sprake zal zijn van camouflage-mismatch. Met camouflage-mismatch wordt bedoeld dat de kleur van de vacht niet is aangepast aan de omgeving. Twee beweringen zijn:

1 In elk van de drie onderzochte winters komt camouflage mismatch voor.

2 De eerste sneeuwval is de bepalende factor om van vachtkleur te wisselen.

Vraag 16 2 punten

Welke conclusie wordt ondersteund door de diagrammen?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Aquaponics

Tijdens het bekijken van een website met suggesties voor profielwerkstukken raken Joey en Tom geïnteresseerd in het onderwerp aquaponics (afbeelding 1).

[afbeelding 1: zie het originele examen] Aquaponics: planten kweken op vissenpoep Een nieuwe duurzame manier om voedsel te produceren!

Met de toenemende wereldbevolking wordt het zoetwaterverbruik steeds groter. Er zal dus met minder water meer voedsel moeten worden geproduceerd.

Aquaponics is een gesloten ecosysteem waarbij planten op kleikorrels worden gekweekt. De voedingsstoffen die de planten gebruiken, komen uit de ontlasting van vissen en het waterverbruik is 80-90% lager dan in de traditionele tuinbouw. Daarmee is aquaponics een duurzame manier van voedselproductie, waarbij zowel groente als vis wordt gekweekt. Alleen visvoer moet worden toegevoegd.

Joey en Tom vinden aquaponics geen gesloten ecosysteem omdat niet alle kringlopen van stoffen gesloten zijn. Zo wordt er bijvoorbeeld water verbruikt.

Vraag 17 2 punten

Geef nog twee eigenschappen van het aquaponics-systeem waaruit blijkt dat de kringlopen niet gesloten zijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat een technisch onderdeel van het systeem noteert, zoals kleikorrels, hiervoor geen scorepunt toekennen. Als de kandidaat antwoordt dat licht instraalt, geen scorepunt toekennen.

Op de website van de universiteit van Hawaii vindt Tom een schematische weergave van een aquaponics-opstelling (afbeelding 2). Het water waarin de vissen zwemmen, wordt opgepompt en komt, gezuiverd door bacteriën in de kleikorrels, weer terug.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Door het houten deksel komt er geen licht in de vistank.

Vraag 18 2 punten

Wat is de functie van het houten deksel? Het voorkomt dat…

  1. A te veel zuurstof uit de vistank diffundeert.
  2. B accumulatie van schadelijke stoffen in de vistank optreedt.
  3. C algen gaan groeien in de vistank.
  4. D micro-organismen in de vistank terechtkomen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vissen scheiden stikstof uit in de vorm van ammonium (NH4+). Planten nemen stikstof vooral op in een andere vorm.

Vraag 19 2 punten

In welke vorm nemen de meeste planten stikstof op? En welk proces voeren de bacteriën in de kleikorrels uit waardoor ammonium wordt omgezet in deze vorm?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

opnamevorm proces

A aminozuren nitrificatie

B aminozuren stikstofassimilatie

C nitraat nitrificatie

D nitraat stikstofassimilatie

Aan de universiteit van Hawaii werd in één aquaponics-opstelling tilapia samen met tomaat gekweekt, in een tweede aquaponics-opstelling werd tilapia samen met paksoi gekweekt (afbeelding 3).

[afbeelding 3: zie het originele examen]

tomaat paksoi

tilapia

Na 135 dagen werd het experiment beëindigd. De resultaten staan weergegeven in tabel 1.

[tabel 1: zie het originele examen] gekweekt gekweekt samen met samen met tomaat paksoi totaal startgewicht vissen (g) 6138 6031 totaal eindgewicht vissen (g) 10483 9317 voedselconversiefactor 1,6 2,0 productie planten (drooggewicht, g) 3766 1077 eetbare deel planten (drooggewicht, g) 1218 1071

De voedselconversiefactor geeft aan hoe efficiënt het voedsel door dieren wordt gebruikt. Deze factor is in dit geval de hoeveelheid visvoer (in gram) die nodig is om één gram tilapia te produceren.

De vissen zetten niet al het opgegeten voer om in lichaamsgewicht. Dat heeft twee oorzaken.

Vraag 20 2 punten

Noem deze beide oorzaken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat noteert dat bacteriën in de darmen een deel van de voedingsstoffen verbruiken, het tweede scorepunt toekennen.

Joey en Tom stellen met behulp van de computer een model op om de tilapia-opbrengst van een aquaponics-systeem te bepalen.

[afbeelding 4: zie het originele examen]

In het model geven ze de parameters als volgt weer:

a totaal startgewicht vissen (g) b totaal eindgewicht vissen (g) c totaalgewicht voedsel (g) d voedselconversiefactor e productie planten (drooggewicht, g) f eetbare deel planten (drooggewicht, g)

In het model moeten ze een formule invoeren voor de tilapia-opbrengst.

Vraag 21 2 punten

Welke formule voor de tilapia-opbrengst is juist?

  1. A b=a+c×d
  2. B b=a+c/d
  3. C b=a+f×d
  4. D b=a+f/d

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Joey leidt uit tabel 1 af dat van een tomatenplant maar een klein gedeelte eetbaar is, terwijl van paksoi bijna de gehele plant gegeten wordt. Hij beweert dat het daarom in een aquaponics-systeem gunstiger is om paksoi te kweken dan tomaten.

Vraag 22 2 punten

Geef twee argumenten aan de hand van tabel 1 waaruit blijkt dat zijn bewering onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van juiste argumenten: − In aquaponics met tomaat is er meer visproductie. − In aquaponics met paksoi is er meer visvoer nodig. − Met tomaat is de eetbare productie hoger. − Met tomaat is de voedselconversiefactor gunstiger. per juist argument (1) (2)

Joey en Tom onderzoeken ook de duurzame aspecten van aquaponics. Ze vergelijken hiervoor de concentraties van stikstofverbindingen in het water in de vistank van een aquaponics-systeem met die van een aquacultuursysteem (afbeelding 5). Bij aquacultuursystemen wordt in grote bassins alleen vis gekweekt. De overige omstandigheden komen overeen.

[afbeelding 5: zie het originele examen] 300 concentratie mg N/L 250

200

150

100

50

0 aquacultuursysteem aquaponics-systeem

Joey en Tom doen elk een uitspraak over de duurzaamheid van aquaponics-systemen in vergelijking met aquacultuursystemen. Joey: “Bij aquaponics moet met het visvoer meer stikstof (N) worden toegevoegd om evenveel vis te kunnen oogsten.” Tom: “Bij aquaponics wordt een groter deel van de hoeveelheid stikstof (N) uit het visvoer benut voor de menselijke voedselproductie.”

Vraag 23 2 punten

Wie doet een juiste uitspraak?

  1. A geen van beiden
  2. B alleen Joey
  3. C alleen Tom
  4. D zowel Joey als Tom

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Rijst doneert menselijk bloedeiwit

Carla is verpleegkundige bij een bloedafnamepost. Ze prikt een ader aan bij Lorenzo, die bloedplasma gaat doneren.

Lorenzo’s bloed stroomt via afbeelding 1 een slangetje naar een plasmaferese-machine, waarin het bloedplasma wordt gescheiden van de vaste bloedbestanddelen. De plasmaferese-machine slaat het plasma op in een plasmazak (afbeelding 1). Lorenzo krijgt zijn eigen bloedcellen weer terug in een vervangende kunstmatige oplossing. Dit gaat via hetzelfde slangetje en dezelfde naald.

Carla adviseert Lorenzo afwisselend in een balletje te knijpen en te ontspannen. Hierdoor kan de afname sneller verlopen, omdat de bloedstroom uit de hand naar de aders gestimuleerd wordt. Hierover worden twee uitspraken gedaan:

1 Door het knijpen en loslaten wordt de dissimilatie in de spieren in de hand en onderarm gestimuleerd, waardoor meer bloed wordt aangevoerd.

2 Door het knijpen neemt de druk in de aders in de hand en onderarm toe, waardoor het bloed sneller wordt afgevoerd.

Vraag 24 2 punten

Welke van deze uitspraken kan de toename van de snelheid van de bloedstroom in de armader verklaren?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Lorenzo ontvangt zijn eigen bloedcellen terug in een kunstmatige oplossing (fysiologische zoutoplossing).

Vraag 25 2 punten

Leg uit dat de rode bloedcellen niet in gedestilleerd water kunnen worden teruggegeven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • de osmotische waarde van gedestilleerd water (te) laag is (1)
  • (waardoor door osmose) bloedcellen te veel water opnemen / knappen (1)

Vorig jaar was Lorenzo volbloeddonor. Bij volbloeddonatie worden alle bloedbestanddelen gedoneerd. Bij plasmadonatie en bij volbloeddonatie wordt per keer ongeveer een halve liter afgestaan. Plasma doneren mag één keer per twee weken, donatie van volbloed slechts drie tot vijf keer per jaar. Lorenzo vraagt aan Carla waarom hij nu vaker mag doneren.

Vraag 26 2 punten

Schrijf een biologisch juist antwoord op dat Carla hem kan geven om uit te leggen waarom Lorenzo nu al na twee weken weer mag doneren en vorig jaar pas na minimaal twee maanden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist antwoord:

  • Bij een plasmadonor wordt alleen het bloedplasma afgenomen, dit is in enkele dagen weer volledig aangevuld. Bij volbloeddonatie worden ook de (rode) cellen afgenomen. Omdat het veel langer duurt om nieuwe cellen aan te maken, moet je ten minste twee maanden wachten, zodat het aantal (rode) bloedcellen weer op peil kan komen.
  • Omdat het maken van nieuwe bloedcellen meer tijd kost dan het maken van bloedplasma.

Uit bloedplasma worden eiwitten gewonnen. Het meest voorkomende eiwit in bloedplasma is HSA (Humaan Serum Albumine). Dit HSA wordt toegediend aan patiënten met brandwonden of zeer groot bloedverlies.

Enkele functies van verschillende typen eiwitten in het bloed zijn:

1 zuurstoftransport

2 (terug)resorptie van weefselvocht

3 antistof

4 hormoon

Vraag 27 2 punten

Welke van deze functies heeft HSA?

  1. A functie 1
  2. B functie 2
  3. C functie 3
  4. D functie 4

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

In Azië is een rijstras genetisch gemodificeerd zodat het grote hoeveelheden HSA kan produceren. Eerder werden bacteriën en gisten al gemodificeerd, zodat ze HSA gingen produceren. Echter, HSA van de bacteriën was niet werkzaam en HSA uit de gistcellen bleek moeilijk te zuiveren. De productie en verwerking van HSA uit rijstzaden is makkelijker en goedkoper. In menselijke levercellen wordt HSA gemaakt op basis van de informatie van een gen. Het eiwit wordt gevormd door de ribosomen, waarna het in het endoplasmatisch reticulum en het golgi-systeem wordt gevouwen en getransporteerd naar buiten de cel.

Voor de productie van HSA maken bacteriën, gistcellen en rijstplanten gebruik van het menselijk gen.

Vraag 28 1 punt

Verklaar waardoor het HSA geproduceerd door bacteriën niet werkzaam is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat het eiwit niet goed gevouwen wordt / dat bacteriën geen endoplasmatisch reticulum / geen golgi-systeem / geen organellen hebben. (1)

Bij de genetische modificatie van de rijstplanten is gebruikgemaakt van een bacterie (Agrobacterium tumefaciens). De bacterie wordt gebruikt om een menselijk gen over te dragen naar een plant, in dit geval de rijstplanten.

Vraag 29 2 punten

Noteer de organismen: bacterie, mens en rijstplant onder elkaar op je antwoordblad en schrijf achter elk organisme of het DNA van dit organisme in dit experiment wel of niet genetisch is gemodificeerd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • bacterie wel (genetisch gemodificeerd) mens niet (genetisch gemodificeerd) rijstplant wel (genetisch gemodificeerd) indien drie organismen correct aangevuld (2) indien twee organismen correct aangevuld (1) indien minder dan twee organismen correct aangevuld (0) (2)

HSA wordt ook bij de behandeling van patiënten met levercirrose gebruikt. Levercirrose is een ernstige aantasting van de lever. Bij ratten met levercirrose bleek een behandeling met HSA uit rijst (GM-HSA) net zo succesvol als een behandeling met HSA uit menselijk donorbloed.

Onderzoekers willen nu weten wat het effect is van de behandeling van mensen met levercirrose met GM-HSA. Ook zijn ze benieuwd of dit effect overeenkomt met dat van een behandeling met HSA uit donorbloed. Om beide vragen te onderzoeken, hebben de onderzoekers 36 patiënten met levercirrose geselecteerd. Deze patiënten hebben een overeenkomstig ziektebeeld en krijgen dezelfde medische verzorging. De patiënten werden ingedeeld in groepen die een verschillend infuus toegediend kregen.

Vraag 30 2 punten

Beschrijf voor elk van deze groepen wat de inhoud was van het infuus.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Eén groep krijgt een infuus met (een oplossing met) HSA uit rijst / GM- HSA. Eén groep krijgt een infuus met (een oplossing met) HSA uit (donor)bloed. Eén groep krijgt een infuus met een placebo / zonder HSA. indien drie groepen correct omschreven (2) indien twee groepen correct omschreven (1) indien minder dan twee groepen correct omschreven (0) (2)

Voor het uitvoeren van veldproeven met de gemodificeerde rijstrassen schrijven de onderzoekers een aanvraag om toestemming te krijgen. Hierin geven ze argumenten voor het gebruik van GM-HSA. Een van deze argumenten is dat door de ontwikkeling van GM-HSA veel minder plasmadonoren nodig zullen zijn. Toch zullen er, als GM-HSA succesvol ingezet gaat worden, nog steeds plasmadonoren nodig blijven.

Vraag 31 1 punt

Geef aan waarom plasmadonatie noodzakelijk blijft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat een juist voorbeeld geeft van een andere stof uit bloedplasma, zoals bijvoorbeeld stollingseiwitten, antistoffen of hormonen, het scorepunt toekennen.

Smeerwortel

Als Adella zich in haar vinger snijdt bij afbeelding 1 het schillen van een appel, legt haar oma er een paar gekneusde bladeren van de smeerwortel op. Volgens oma helpt dit om de wond sneller te laten genezen. Adella wil weten of dit echt zo is.

Adella leest dat smeerwortel (Symphytum officinale, afbeelding 1) allantoïne bevat, een stof die de celdeling stimuleert. Ook bevat smeerwortel choline, dat nodig is voor de synthese van bepaalde neurotransmitters. De plant produceert daarnaast pyrrolizidine alkaloïden (PA’s). Deze giftige stoffen worden in verband gebracht met leveraandoeningen bij de mens.

Enkele onderzoeken geven aan dat het gebruik van smeerwortel genezing van wondjes kan stimuleren.

Vraag 32 1 punt

Welke stof uit smeerwortel zou wondherstel kunnen stimuleren? Verklaar je antwoord.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • allantoïne, met een verklaring waaruit blijkt dat celdeling nodig is voor wondherstel (1)

Het produceren van PA’s levert de smeerwortel een evolutionair voordeel op.

Vraag 33 1 punt

Noteer dit voordeel.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat er door het produceren van gifstoffen minder vraat is. (1)

Amerikaans onderzoek toonde een oorzakelijk verband aan tussen inname van grote hoeveelheden smeerwortel en het ontstaan van leveraandoeningen. Het drinken van thee van de blaadjes van smeerwortel wordt daarom sterk afgeraden. Voor wondbehandeling met smeerwortel geldt geen negatief advies.

Vraag 34 1 punt

Verklaar waardoor het drinken van smeerwortelthee een groter gezondheidsrisico vormt dan het leggen van een smeerwortelblad op een wondje.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat er door drinken van thee / er via darmen een grotere hoeveelheid PA’s worden opgenomen (dan door wondbehandeling / via de huid). (1)

Er blijken verschillende variëteiten (chromosoomtypen) van de smeerwortel te zijn, elk met een verschillend chromosoomaantal. Zo zijn er smeerwortels met 24, 40 of 48 chromosomen per cel. Bij een onderzoek zijn grote aantallen smeerwortels van verschillende variëteiten met elkaar gekruist. De onderzoekers hoopten hiermee een antwoord te kunnen geven op de vraag of de smeerwortelvariëteiten in Nederland tot één soort behoren. De onderzoekers bestoven de bloemen handmatig door met een kwastje stuifmeel over te brengen van de ene naar de andere bloem. Zo werden bijvoorbeeld bloemen van planten met chromosoomtype 24 bestoven met stuifmeel van planten met chromosoomtype 40.

Voor het handmatig bestuiven zijn in een vroegtijdig stadium de bloemen van de moederplant gecastreerd door de meeldraden te verwijderen. Hierdoor wordt voorkomen dat zelfbestuiving plaatsvindt.

Vraag 35 1 punt

Waarom is het voor dit onderzoek belangrijk dat zelfbestuiving wordt voorkomen?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Anders weet je niet zeker hoe het chromosoomaantal van de nakomelingen tot stand is gekomen. − Zo weet je bij de kruising zeker welke plant de vaderplant is. Uit het antwoord moet blijken dat er hierdoor zekerheid is over (de chromosoomaantallen van) de ouderplanten. (1)

De resultaten van het onderzoek staan in tabel 1.

[tabel 1: zie het originele examen] chromosoomtype chromosoomtype aantal chromosoomtype moederplanten vaderplanten nakomelingen nakomeling

24 40 0

24 48 1 36

40 24 0

40 48 8 44

48 40 32 44

Over de smeerwortelvariëteiten worden twee uitspraken gedaan:

1 Chromosoomtype 24 en chromosoomtype 40 behoren tot dezelfde soort.

2 Van de chromosoomtypen in Nederland zijn chromosoomtype 24 en chromosoomtype 48 het meest verwant aan elkaar.

Vraag 36 2 punten

Welke van deze uitspraken wordt ondersteund met dit onderzoek?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

MERS

In 2012 werd in het Midden-Oosten bij verschillende patiënten een zeer ernstige longontsteking geconstateerd die veroorzaakt werd door een tot dan toe onbekend virus. In meer dan 30 procent van de ziektegevallen overleed de patiënt. Het was dus belangrijk om de ziekteverwekker en de bron van de infectie te bepalen. De ziekte kreeg de naam MERS (Middle East Respiratory Syndrome).

De virusinfectie leidt tot een heftige ontstekingsreactie in de longen, waarbij vocht, eiwitten en afweercellen uit de haarvaatjes in de longblaasjes terechtkomen. Hierdoor wordt de gaswisseling ernstig belemmerd en ontstaat zuurstoftekort.

Vraag 37 1 punt

Verklaar hoe het vocht in de longblaasjes de diffusie van zuurstof belemmert.

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat hierdoor de diffusieafstand groter is / dat hierdoor het diffusieoppervlak kleiner is / dat de diffusiesnelheid in water lager is. (1)

Mensen met MERS hebben heftige hoestbuien. Doordat bepaalde ademhalingsspieren samentrekken wordt er lucht en vocht uit de longen verwijderd.

Vraag 38 2 punten

Welke spieren trekken samen tijdens de uitademing?

  1. A alleen buikspieren en middenrifspieren
  2. B alleen buikspieren en bepaalde tussenribspieren
  3. C alleen middenrifspieren en bepaalde tussenribspieren
  4. D zowel buikspieren als middenrifspieren als bepaalde tussenribspieren
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

In het Erasmus Medisch Centrum in Rotterdam werd de ziekteverwekker geïdentificeerd: het bleek een coronavirus met RNA als drager van de erfelijke informatie. De ontdekkers van het virus vermoedden dat het ging om een gemuteerd virus afkomstig uit vee. In afbeelding 1 is de vermeerdering van het virus vereenvoudigd weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Na infectie door het virus wordt het virus-RNA gebruikt om virus-eiwitten te maken. Ook wordt het RNA gebruikt om nieuwe virus-RNA-moleculen te maken. In het endoplasmatisch reticulum worden deze RNA-moleculen in de viruseiwitten verpakt waardoor nieuwe virussen ontstaan. Via het golgi-systeem worden de nieuwe virussen getransporteerd naar buiten de cel.

Drie rollen van het virus-RNA zijn:

1 basis voor de synthese van RNA

2 doorgeven van erfelijke informatie aan de volgende generatie

3 informatie leveren voor de eiwitsynthese Deze rollen worden vergeleken met de functie van menselijk RNA in een niet-geïnfecteerde menselijke cel.

Vraag 39 2 punten

Noteer de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar op je antwoordblad en geef achter elk nummer aan of de betreffende rol wel of niet wordt vervuld door RNA in een niet-geïnfecteerde menselijke cel.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 niet 2 niet 3 wel indien drie nummers correct aangevuld (2) indien twee nummers correct aangevuld (1) indien minder dan twee nummers correct aangevuld (0) (2)

Het lijkt erop dat in de afgelopen jaren veranderingen in het virus zijn opgetreden waardoor het nu ook menselijke cellen kan infecteren. In afbeelding 1 zijn de processen Q en R aangegeven.

Vraag 40 2 punten

Bij welk van deze processen kan de verandering zijn ontstaan waardoor MERS-virussen nu ook menselijke cellen kunnen infecteren?

  1. A bij geen van beide
  2. B alleen bij Q
  3. C alleen bij R
  4. D zowel bij Q als bij R

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Toen de ziekteverwekker bekend was, kon de bron van infectie worden opgespoord. Hiervoor werd bloed van een groot aantal schapen, geiten en dromedarissen onderzocht. Van de dromedarissen bleek 74% met het virus in aanraking te zijn geweest.

Hoewel bij deze dromedarissen het virus zelf niet altijd aan te tonen was, kon worden aangetoond dat de dieren immuun waren geworden voor het virus en dus ermee besmet moeten zijn geweest.

Vraag 41 2 punten

Welke vorm van immuniteit hebben deze dromedarissen verworven voor dit virus?

  1. A kunstmatige actieve immuniteit
  2. B kunstmatige passieve immuniteit
  3. C natuurlijke actieve immuniteit
  4. D natuurlijke passieve immuniteit

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Om vast te stellen of een dromedaris besmet is geweest, gebruikt een medisch laborant een petrischaal met een gelei-laag. In een kuiltje in de gelei pipetteert hij een mengsel van viruseiwitten. In een ander kuiltje brengt hij serum (bloedplasma zonder stollingseiwitten) van een dromedaris aan (afbeelding 2a). Als het dier met het virus in aanraking is geweest, dan ontstaat na verloop van tijd een neerslag tussen de twee kuiltjes omdat stoffen uit het serum en het eiwitmengsel met elkaar reageren (afbeelding 2b).

[afbeelding 2: zie het originele examen]

a b

kuiltje met kuiltje met neerslag viruseiwitten serum

Vraag 42 2 punten

Door welk proces komen stoffen uit het serum en het mengsel van viruseiwitten bij elkaar?

  1. A door actief transport
  2. B door diffusie
  3. C door endocytose
  4. D door osmose

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 43 2 punten

Welke stoffen uit het serum van een dromedaris en welke stoffen uit het mengsel van viruseiwitten reageren bij het ontstaan van de neerslag (afbeelding 2b)?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Biologie 2019, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/havo/documenten/cse-1/ha-1018-a-19-1-o

Andere examens biologie havo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie havo 2019, tijdvak 1?

Het centraal examen biologie havo 2019, tijdvak 1 loopt tot vraag 43. Van 41 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (10), bloedsomloop (7) en afweer (7).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie havo 2019, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie havo 2019, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/havo/documenten/cse-1/ha-1018-a-19-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen biologie havo 2019, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.