Eindexamen biologie havo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: IJzertekort in de topsport, Avocado, Borstvoeding, Hoelang nog voor de Yangtze-bruinvissen?, Zoenen voor de wetenschap, Insecten resistent tegen GM-gewassen?, Fantoompijn bestrijden met virtual reality, Op zoek naar de grootste bloedzuiger van Nederland.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie havo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 44. Van 43 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over zenuwstelsel en hormonen (8), ecologie (8) en afweer (6). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie havo 2022, tijdvak 2, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Zenuwstelsel en hormonen13-14, 20, 34, 36-398
Ecologie21-23, 25, 40-41, 43-448
Afweer11, 15-16, 26-27, 356
Evolutie18-19, 30-31, 33, 426
Bloedsomloop1-2, 4-65
Planten en fotosynthese7-104
Voeding en vertering17, 28-293
DNA en eiwitsynthese3, 322
Cellen121

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over zenuwstelsel en hormonen (19% van de vragen, gemiddeld 11%) en evolutie (14% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over erfelijkheid (0% van de vragen, gemiddeld 8%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie havo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie havo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie havo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

IJzertekort in de topsport

Arthur is een getalenteerde marathonschaatser en traint iedere dag. Zijn prestaties zijn de laatste tijd echter iets teruggelopen. Zijn trainer denkt dat dit veroorzaakt wordt door ijzertekort.

IJzertekort kan leiden tot een verlaagd hemoglobinegehalte in het bloed.

Vraag 1 2 punten

Leg uit hoe een verlaagd hemoglobinegehalte leidt tot verminderde prestaties.

Bekijk het antwoord
  • (door het verlaagd hemoglobinegehalte) er minder transport van zuurstof is / er minder zuurstof beschikbaar is (1)
  • (waardoor) er minder verbranding / (aerobe) dissimilatie mogelijk is (waardoor de hoeveelheid energie die beschikbaar komt in de spieren lager is en de prestaties afnemen) (1)

IJzer is een essentiële, maar ook giftige voedingsstof. Vrije ijzer-ionen (Fe2+ of Fe3+) veroorzaken namelijk schade aan weefsels. Vrijwel al het ijzer in het lichaam is gebonden aan eiwitten en de ijzeropname vanuit de darmen wordt nauwkeurig gereguleerd. Ferritine is een eiwit dat ijzer kan opslaan door het te binden. Vrijwel alle ferritine bevindt zich in cellen, maar er is ook een kleine hoeveelheid aanwezig in bloedplasma. Met behulp van de volgende formule kan de totale hoeveelheid ijzer die in het lichaam aan ferritine gebonden is (Y) worden bepaald:

Y = 120 × m × FB Y: aan ferritine gebonden ijzer in het lichaam (in µg) m: lichaamsgewicht (in kg) FB: ferritinegehalte bloedplasma (in µg/L)

De trainer stuurt Arthur naar de sportarts. Zij onderzoekt hoeveel procent van het bloedvolume wordt ingenomen door rode bloedcellen: de hematocrietwaarde. Verder onderzoekt zij het hemoglobinegehalte en het ferritinegehalte in het bloed van Arthur. De resultaten van het bloedonderzoek van Arthur worden vergeleken met de gemiddelde waarden van mannen (tabel 1).

[tabel 1: zie het originele examen] Arthur gemiddelde waarde mannen hematocrietwaarde bloed (in %) 41 47 hemoglobinegehalte bloed (in mmol/L) 9,2 9,8 ferritinegehalte bloedplasma (in µg/L) 17 150 lichaamsgewicht (in kg) 68 85

Naar aanleiding van het bloedonderzoek worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Het volumepercentage rode bloedcellen in het bloed van Arthur is lager dan gemiddeld.

2 De hoeveelheid hemoglobine per rode bloedcel is bij Arthur lager dan gemiddeld.

3 De totale hoeveelheid aan ferritine gebonden ijzer is bij Arthur ongeveer 1,4 gram lager dan gemiddeld.

Vraag 2 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 juist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Het bloedonderzoek doet vermoeden afbeelding 1 dat Arthur een dreigend ijzertekort heeft. Hij gaat op advies van de arts meer ijzerhoudende voedingsmiddelen eten, in combinatie met groenten en fruit met een hoog vitamine-C-gehalte. In de darmen wordt ijzer opgenomen in de vorm van Fe2+. Afbeelding 1 laat zien dat een darmcel een Fe2+-ion opneemt met behulp van het membraaneiwit Dmt1. In de darmcel is het eiwit ferritine aanwezig. Het transporteiwit ferroportine transporteert Fe2+-ionen vanuit de darmcel naar het bloed.

Bij een lage ijzerconcentratie in het bloed wordt de expressie van bepaalde genen aangepast zodat meer ijzer uit de voeding kan worden opgenomen. Hierdoor stijgt de ijzerconcentratie in het bloed.

Vraag 3 2 punten

Wordt de expressie van het gen voor Dmt1-eiwit bij een lage ijzerconcentratie in het bloed hoger of lager? En de expressie van het gen voor ferroportine?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: A (2)

Avocado

Naomi is gek op avocado’s. Deze vruchten staan bekend als een gezonde keuze in het dieet van de mens.

Avocado’s zijn rijk aan onverzadigde vetten, vitamine B en kalium. De onverzadigde vetten en kalium hebben een gunstig effect op de bloeddruk. Onverzadigde vetten beïnvloeden de wanden van de bloedvaten en kalium-ionen bevorderen de uitscheiding van natrium-ionen door de nieren.

Na het eten van voedingsmiddelen met veel natrium-ionen stijgt de bloeddruk. Doordat vervolgens vaatverwijding optreedt, zal de bloeddruk weer dalen.

Vraag 4 3 punten

− Leg uit hoe een verhoogde inname van natrium-ionen eerst leidt tot een hogere bloeddruk.

  • En verklaar hoe vaatverwijding de bloeddruk daarna laat dalen.
Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat door vaatverwijding het bloed makkelijker kan doorstromen, het derde scorepunt toekennen.

Bij de regulatie van de bloeddruk op langere termijn is de uitscheiding van natrium-ionen in de nieren van belang.

Vraag 5 2 punten

Welk proces in de nieren regelt de hoeveelheid natrium-ionen die met de urine wordt uitgescheiden? En waar vindt dit proces plaats?

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

proces plaats

A reabsorptie (terugresorptie) kapsels van Bowman

B reabsorptie (terugresorptie) nierbuisjes

C ultrafiltratie kapsels van Bowman

D ultrafiltratie nierbuisjes

Onverzadigde vetten dragen bij aan een gezonde bloeddruk doordat ze de wanden van de bloedvaten gunstig beïnvloeden.

Vraag 6 2 punten

Hoe beïnvloeden onverzadigde vetten de bloedvatwanden? En in welke bloedvaten is dit het meest van belang?

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

de bloedvatwanden worden type bloedvaten

A elastischer aders

B elastischer haarvaten

C elastischer slagaders

D stijver aders

E stijver haarvaten

F stijver slagaders

Naomi wil nu zelf een avocadoplant gaan kweken. Op een website leest zij:

“Voor een goede groei van de avocadoplant mag de temperatuur niet onder de 10 °C komen en moet de bodem niet te droog zijn. Avocadoplanten wortelen voornamelijk in de bovenste laag van de bodem en bezitten weinig wortelhaartjes. Maar als de grond rondom de wortels continu nat is, gaan de wortels rotten. Een belangrijke veroorzaker van wortelrot is fytoftora (Phytophthora cinnamomi).”

Naomi gebruikt de pit van een avocado die zij in de supermarkt heeft gekocht om een avocadoplant te kweken. Nadat de pit is gekiemd, doet ze hem in een pot met luchtige grond. Naomi plaatst de pot in een helder verlichte ruimte met een constante temperatuur van 11 °C. Ze geeft de gekiemde pit weinig water. Milieufactoren zijn:

1 temperatuur

2 water

3 zuurstof

Vraag 7 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende factor wel of niet beperkend kan zijn voor de groei van de avocadoplant in deze situatie.

Bekijk het antwoord
  • 1 wel 2 wel 3 niet indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

De beweeglijke sporen (zoösporen) van fytoftora verplaatsen zich door het water in de grond en dringen plantenwortels binnen. In de wortel ontwikkelt de zoöspore zich tot een meercellige zwamvlok die sporendoosjes produceert waarin nieuwe sporen worden gevormd.

Over fytoftora worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Fytoftora behoort tot de bacteriën.

2 Fytoftora behoort tot de producenten.

3 Fytoftora is een heterotroof organisme.

Vraag 8 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Als het lang en hard regent op een avocadoplantage kan de grond verzadigd raken met water waardoor de wortels van de avocadoplanten verzwakt raken. Dit maakt het voor de zoösporen gemakkelijker om de plantenwortels binnen te dringen. Een belangrijke oorzaak van de verzwakking van de wortels is een afname van de stofwisseling in de wortelcellen.

Vraag 9 1 punt

Verklaar hoe de met water verzadigde bodem leidt tot een afname van de stofwisseling in de wortelcellen.

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat zuurstoftekort ontstaat. (1)

Naomi weet dat avocadoplanten op plantages vaak zijn geënt. De rassen die de hoogste opbrengst geven, hebben namelijk een wortelstelsel dat gevoeliger is voor fytoftora-infecties dan rassen die minder en kleinere vruchten dragen. Bij het enten wordt een stengel van een ras met een hoge opbrengst geplaatst op een wortelstelsel van een ras dat resistent is tegen fytoftora- infecties in het wortelstelsel. Na het enten vergroeien de vaatstelsels van wortelstelsel en stengel op zo’n manier dat transport van stengel naar bladeren en van bladeren naar stengel kan plaatsvinden en de avocadoplant kan groeien.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

In afbeelding 1 zijn doorsnedes van een wortel en de stengel van een jonge plant weergegeven. Met de letters P, Q, R en S zijn vaten aangegeven. In twee van deze vaten vindt de anorganische sapstroom plaats.

Vraag 10 2 punten

Welke letters geven deze vaten aan?

  1. A P en R
  2. B P en S
  3. C Q en R
  4. D Q en S

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Op een avocadoplantage bestuiven de bloemen van de geënte avocadobomen elkaar. Uit een bloem ontwikkelt zich na bevruchting een avocado (vrucht) met een pit (zaad).

Vraag 11 1 punt

Zal de plant die zich ontwikkelt uit deze pit resistent zijn tegen fytoftora? Verklaar je antwoord.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Nee, want de erfelijke eigenschappen worden bepaald door de delen van de planten met de bloemen en die zijn vatbaar voor fytoftora. − Nee, alleen de niet-resistente genen worden doorgegeven. (1)

Borstvoeding

Ava en haar partner Glenn verwachten binnenkort hun eerste kind. Ze bezoeken een voorlichtingsavond over borstvoeding. Lactatiekundige Rosanne geeft informatie.

Tijdens de zwangerschap vinden veranderingen plaats in het borstweefsel van een vrouw. Het aantal melkkanaaltjes neemt toe en dekweefselcellen van de melkkanaaltjes differentiëren zich tot melkproducerende kliercellen. Groepjes van deze cellen vormen samen de melkkliertjes. Rondom elk melkkliertje ontwikkelen zich speciale oxytocine-gevoelige spiercellen. Als deze spiercellen zich samentrekken, wordt melk in de melkkanaaltjes geperst (afbeelding 1).

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Vraag 12 1 punt

Welke verandering vindt plaats bij de differentiatie van een dekweefselcel tot een melkproducerende cel?

  1. A De expressie van genen voor melkproductie verandert.
  2. B Genen voor dekweefselfuncties muteren tot genen voor melkproductie.
  3. C Genen voor dekweefselfuncties verdwijnen en genen voor melkproductie worden gevormd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Na de bevalling komt de melkproductie meestal goed op gang. Als zintuigcellen in de tepel gestimuleerd worden, ontstaan impulsen in sensorische zenuwcellen. De impulsen worden verwerkt in het centraal zenuwstelsel. Dit leidt tot de afgifte van oxytocine. Oxytocine komt vervolgens terecht bij de melkkliertjes.

Vraag 13 2 punten

Bereikt oxytocine de melkkliertjes via het bloed of via motorische zenuwcellen? En zijn melkkliertjes endocrien of exocrien?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

oxytocine getransporteerd door melkkliertjes zijn

A bloed endocrien

B bloed exocrien

C motorische zenuwcellen endocrien

D motorische zenuwcellen exocrien

Rosanne adviseert om een borst steeds helemaal leeg te laten drinken door de baby. De melkproductie wordt namelijk gestimuleerd doordat de borst leeg is. Het FIL-eiwit dat aanwezig is in moedermelk regelt dit proces. Over het FIL-eiwit wordt een uitspraak gedaan waarin twee woorden ontbreken: De aanwezigheid van FIL-eiwit …(1)… de aanmaak van moedermelk; dit proces heet …(2)… terugkoppeling.

Vraag 14 2 punten

Wat moet bij 1 en bij 2 worden ingevuld, zodat een juiste uitspraak ontstaat?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: A (2)

bij 1 bij 2

A remt negatieve

B remt positieve

C stimuleert negatieve

D stimuleert positieve

Glenn vraagt wat het verschil in samenstelling is tussen flesvoeding en borstvoeding. Rosanne antwoordt dat moedermelk antistoffen bevat. Daardoor is de baby gedurende de periode van borstvoeding immuun voor veel ziekten, zoals maag- en darminfecties.

Vraag 15 2 punten

Welke vorm van immuniteit verkrijgt het kind door de antistoffen in de borstvoeding?

  1. A actieve kunstmatige immuniteit
  2. B actieve natuurlijke immuniteit
  3. C passieve kunstmatige immuniteit
  4. D passieve natuurlijke immuniteit

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Rosanne noemt nog een ander voordeel van borstvoeding: moedermelk stimuleert een gunstige soortensamenstelling van darmbacteriën bij de baby. Moedermelk bevat namelijk oligosachariden die voor de baby onverteerbaar zijn, zoals lacto-N-tetraose (afbeelding 2). Deze oligosachariden kunnen wel worden afgebroken door bepaalde gunstige darmbacteriën, de bifidobacteriën.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Over lacto-N-tetraose in borstvoeding worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Bij baby’s die borstvoeding krijgen, hebben bifidobacteriën een selectievoordeel ten opzichte van bacteriën die geen oligosachariden kunnen afbreken.

2 De klieren in het spijsverteringsstelsel van baby’s produceren geen enzymen voor de afbraak van lacto-N-tetraose.

3 Lacto-N-tetraose bestaat uit een keten van aminozuren.

Vraag 16 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 juist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Bij een baby met minder bifidobacteriën in de darm kunnen schadelijke bacteriën in de darm zich makkelijker vermeerderen. Hierdoor kunnen ontstekingen in de dikke darm ontstaan die leiden tot een sterke toename van de darmperistaltiek. Door verminderde waterresorptie kan dan diarree ontstaan.

Vraag 17 1 punt

Verklaar waardoor een toename in darmperistaltiek leidt tot een verminderde waterresorptie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat de verblijfsduur in de (dikke) darm verkort is / de voedselbrij de darm te snel verlaat (waardoor effectieve waterresorptie niet mogelijk is). (1)

Hoelang nog voor de Yangtze-bruinvissen?

In de rivier de Yangtze (Chang Jiang) in China leeft afbeelding 1 een populatie Indische bruinvissen (afbeelding 1). Deze populatie wordt ernstig met uitsterven bedreigd. In 2018 waren er nog maar ongeveer

1000 Indische bruinvissen in de Yangtze.

De bruinvissen in de Yangtze leven in kleine groepen. Deze zoogdieren jagen op vissen, weekdieren en kreeftachtigen. In de zeeën rond China komt ook een variant voor van de Indische bruinvis. In afbeelding 2 is de verspreiding van de Yangtze-variant en de zoutwatervariant weergeven.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Om te bepalen of de twee varianten aparte soorten zijn, hebben onderzoekers het genoom van deze Indische bruinvissen bestudeerd. Omdat de Yangtze-bruinvissen geografisch geïsoleerd zijn van de zoutwaterbruinvissen, treedt er geen voortplanting op tussen deze twee varianten.

Vraag 18 1 punt

Verklaar dat dit nog niet betekent dat de Yangtze-variant een aparte soort is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Als de dieren zouden paren, ontstaan mogelijk toch vruchtbare nakomelingen. − Als er weinig genetische verschillen zijn, is het mogelijk dezelfde soort. − De tijd van scheiding kan te kort zijn om genetische verschillen te veroorzaken. (1)

De onderzoekers vonden verschillen in het DNA van de zoutwatervariant en dat van de Yangtze-variant. Binnen populaties van de zoutwatervariant is er een hogere frequentie van allelen die helpen overleven bij een lage zuurstofconcentratie in het lichaam. In zee zijn deze allelen gunstig omdat bruinvissen aan het wateroppervlak lucht inademen en daarna in zee op grote diepte hun prooien vangen.

Vraag 19 2 punten

Was de zuurstofconcentratie van het water een selecterende factor bij het ontstaan van deze hogere frequentie van allelen? En was de diepte waarop prooien voorkomen hierbij een selecterende factor?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

selectie door zuurstof- selectie door diepte waarop concentratie van het water prooidieren voorkomen

A ja ja

B ja nee

C nee ja

D nee nee

De twee varianten Indische bruinvissen verschillen ook in genen die te maken hebben met de aanpassing aan de osmotische waarde van het water waarin ze leven. Deze genetische verschillen leiden tot een verschil in afgifte van ADH en in de osmotische waarde van de urine. Yangtze- bruinvissen produceren daardoor meer urine dan zoutwaterbruinvissen.

Vraag 20 2 punten

Is de afgifte van ADH bij de Yangtze-bruinvissen hoger of lager dan bij zoutwaterbruinvissen? En is de osmotische waarde van de urine bij de Yangtze-bruinvissen hoger of lager dan bij zoutwaterbruinvissen?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (2)

afgifte ADH osmotische waarde urine

A hoger hoger

B hoger lager

C lager hoger

D lager lager

Door de grote genetische verschillen die ze vonden, zijn de onderzoekers nu van mening dat er sprake is van twee aparte soorten. Dit is een extra reden om de Indische bruinvissen in de Yangtze te beschermen om ze te behoeden voor uitsterven. De kans is groot dat de populatie Yangtze-bruinvissen zal uitsterven als de populatiegrootte tot minder dan honderd dieren is gedaald.

Vraag 21 2 punten

Leg uit waardoor een kleine populatie makkelijk uitsterft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist antwoord:

  • Er is bij een klein aantal dieren minder genetische variatie, waardoor de kans groter is dat de populatie uitsterft bij veranderende omstandigheden.
  • Hierdoor treedt inteelt op, waardoor dieren sterven door recessieve afwijkingen.

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat bij een kleine populatie de kans kleiner is dat individuen een geschikte partner vinden, het eerste scorepunt toekennen.

Zoenen voor de wetenschap

Zoenen is heerlijk als je verliefd bent. Maar als je er goed over nadenkt, heeft het ook iets onsmakelijks: je wisselt tijdens het zoenen speeksel, etensresten, virussen en bacteriën uit. Microbioloog Remco Kort deed er onderzoek naar.

In en op ons lichaam leven veel micro-organismen: bacteriën, gisten en andere eencelligen. Samen vormen ze ons microbioom. Remco Kort onderzocht bij verliefde stelletjes de overeenkomst in samenstelling van het speekselmicrobioom voor en na een tongzoen, en het aantal bacteriën dat bij een tongzoen wordt overgedragen. Hij nam bij de geliefden wat speeksel af op verschillende tijdstippen en onderzocht de monsters. Zowel voor als na een tongzoen van tien seconden bleek een stelletje een meer overeenkomstig speekselmicrobioom te hebben dan een willekeurig tweetal.

De overeenkomst vóór de tongzoen kan veroorzaakt zijn door zoengedrag in de periode voorafgaand aan het onderzoek, maar er zijn ook andere verklaringen mogelijk, zoals het gebruik van dezelfde soort tandpasta.

Vraag 22 1 punt

Verklaar hoe het gebruik van dezelfde soort tandpasta kan leiden tot een overeenkomstig speekselmicrobioom.

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat door het gebruik van dezelfde soort tandpasta de (abiotische) omstandigheden in de mond meer op elkaar lijken (wat leidt tot een meer overeenkomstig speekselmicrobioom). (1)

Korts hypothese was dat er meer overeenkomst is in het speekselmicrobioom bij stelletjes met een hoge zoenfrequentie dan bij stelletjes met een lage zoenfrequentie. De stelletjes beantwoordden vragen over hun zoengedrag en Kort verwerkte de resultaten in een diagram, waarin het verschil in microbioom is uitgedrukt op een schaal van 0,0 (volledig gelijk) tot 1,0 (volledig verschillend).

De resultaten van zijn onderzoek ondersteunden zijn hypothese. In afbeelding 1 zijn vier diagrammen weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Vraag 23 1 punt

Welk diagram uit afbeelding 1 geeft de resultaten van het onderzoek op de juiste manier weer?

  1. A diagram 1
  2. B diagram 2
  3. C diagram 3
  4. D diagram 4

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

In een vervolgonderzoek met drie stelletjes wilde Kort te weten komen hoeveel bacteriën overgedragen worden bij een tongzoen. Hij gebruikte een yoghurtdrankje met bepaalde melkzuurbacteriën die nauwelijks in de mond voorkomen. Het onderzoek verliep zoals weergegeven in afbeelding 2.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

− Het percentage melkzuurbacteriën in het speekselmicrobioom van de ontvanger wordt bepaald (meting 1).

  • Eén persoon (de donor) van het stelletje drinkt het yoghurtdrankje.
  • Hierna wordt het percentage melkzuurbacteriën in het speekselmicrobioom van de donor bepaald (meting 2).
  • Er volgt een tongzoen van tien seconden.
  • Direct daarna wordt nogmaals het percentage melkzuurbacteriën in het speekselmicrobioom van de ontvanger bepaald (meting 3).

De resultaten staan in afbeelding 3.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

Vraag 24 1 punt

Licht toe waarom meting 1 nodig is om conclusies te kunnen trekken uit dit experiment.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan een antwoord als: “Het is een controlemeting”, geen scorepunt toekennen.

Over het onderzoek worden twee uitspraken gedaan. In elke uitspraak is een woord weggelaten.

  • Doordat gebruik werd gemaakt van melkzuurbacteriën die nauwelijks in de mond voorkomen werd de …(1)… van dit onderzoek beïnvloed.
  • Doordat meerdere stelletjes werden onderzocht, werd de …(2)… van dit onderzoek beïnvloed.

Vraag 25 2 punten

Wat moet ingevuld worden bij 1 en bij 2 zodat er twee juiste uitspraken staan?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

bij 1 bij 2

A betrouwbaarheid betrouwbaarheid

B betrouwbaarheid validiteit

C validiteit betrouwbaarheid

D validiteit validiteit

Bij een tongzoen worden mogelijk ook ziekmakende bacteriën overgedragen. Meestal krijgen deze bacteriën, die bijvoorbeeld ontstoken tandvlees of cariës veroorzaken, geen kans om zich in de mond te vestigen. De samenstelling van het speekselmicrobioom is namelijk redelijk stabiel doordat de meeste micro-organismen in de mond vastzitten aan het oppervlak van het gebit en de zachte weefsels. Als je recent antibiotica hebt gebruikt, kun je beter niet zoenen met iemand die ontstoken tandvlees of cariës heeft.

Vraag 26 2 punten

Leg uit waardoor het risico op een infectie na zoenen groter is als je recent antibiotica hebt gebruikt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • gebruik van antibiotica (mond)bacteriën doodt / de groei van (mond-) bacteriën remt (1)
  • (waardoor) de ziekmakende bacteriën zich kunnen vestigen / minder concurrentie hebben van de al aanwezige bacteriën (1)

Een deel van de bacteriën die overgedragen worden, wordt in de mond al opgeruimd door lysozymen en antistoffen. De rest wordt gedood door het zoutzuur in de maag.

Vraag 27 2 punten

Schrijf lysozymen, antistoffen en zoutzuur onder elkaar en noteer erachter of de betreffende manier van afweer behoort tot de aangeboren (niet-specifieke) afweer of tot de verworven (specifieke) afweer.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • lysozymen: aangeboren/niet-specifieke/aspecifieke (afweer) antistoffen: verworven/specifieke (afweer) zoutzuur: aangeboren/niet-specifieke/aspecifieke (afweer) indien drie indelingen correct (2) indien twee indelingen correct (1) indien minder dan twee indelingen correct (0) (2)

Insecten resistent tegen GM-gewassen?

GM-gewassen zijn landbouwgewassen die genetisch gemodificeerd zijn. Veel GM-gewassen produceren gifstoffen die hen beter beschermen tegen vraat door insecten. Insecten ontwikkelen echter resistentie tegen deze gifstoffen.

Met behulp van DNA-technieken brachten onderzoekers het Cry-gen van de bodembacterie Bacillus thuringiensis in bij maisplanten en katoenplanten. Het Cry-gen codeert voor een eiwit dat giftig is voor insecten. Rupsen gaan enkele dagen na het eten van de planten dood, waardoor er veel minder bestrijdingsmiddelen gebruikt hoeven worden bij de teelt van deze gewassen. Het eiwit dat wordt gemaakt bij de expressie van het Cry-gen vormt eiwitkristallen. Deze kristallen lossen op bij een pH van 11 of hoger. Bij veel insecten is de pH van de darm hoger dan 11. De opgeloste Cry- eiwitten binden aan receptoren in het membraan van darmwandcellen, waarna er gaten in de darmwand ontstaan (perforatie). Als gevolg hiervan sterven de insecten.

Vraag 28 1 punt

Verklaar waardoor zelfs een kleine darmperforatie al dodelijk kan zijn.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat er hierdoor minder voedingsstoffen opgenomen kunnen worden, geen scorepunt toekennen.

Voor mensen is het eten van planten met Cry-eiwitten niet schadelijk.

Vraag 29 1 punt

Geef hiervoor een mogelijke verklaring.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − De pH in het spijsverteringsstelsel van de mens is lager dan 11 (waardoor de kristallen niet oplossen). − Spijsverteringsenzymen van de mens breken het gif af. − In de menselijke darm zijn geen receptoren voor het Cry-eiwit aanwezig. (1)

De genetische modificatie met het Cry-gen afbeelding 1 werd bij katoenplanten toegepast als bestrijdingsmethode tegen het katoendaguiltje (Helicoverpa armigera), dat zijn eitjes legt op katoenplanten. De rupsen van deze vlinder (afbeelding 1) eten van de katoenbladeren. Een paar jaar na de introductie van de genetisch gemodificeerde katoenplanten werden er katoendaguiltjes gevonden die resistent waren tegen het Cry-eiwit.

Het percentage resistente katoendaguiltjes op de GM-katoenplantages wordt elk jaar groter. Hiervoor worden de volgende verklaringen gegeven:

1 Dat is het gevolg van een verandering in een abiotische factor.

2 Niet-resistente rupsen gaan hun voedsel zoeken in plantages zonder genetisch gemodificeerde katoenplanten.

3 Resistente rupsen hebben een hogere fitness dan niet-resistente rupsen.

Vraag 30 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende verklaring juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Resistentie tegen het Cry-eiwit is ontstaan door een mutatie in het gen dat codeert voor de receptor in het membraan van darmwandcellen. Hierdoor kan het giftige eiwit niet binden aan deze receptor. Het allel met deze mutatie is recessief. Alleen rupsen die homozygoot zijn voor de mutatie zijn resistent. Om te voorkomen dat deze resistentie zich verder verspreidt, worden in katoenplantages stroken ingezaaid met zaad van katoenplanten die niet genetisch gemodificeerd zijn.

Vraag 31 2 punten

Leg uit dat hierdoor het percentage resistente katoendaguiltjes in de populatie laag blijft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • op deze stroken (ook) niet-resistente katoendaguiltjes (over)leven / katoendaguiltjes met dominante allelen (over)leven (1)
  • (waardoor) paring/kruising zal optreden tussen resistente en niet- resistente katoendaguiltjes, waarbij (veel) niet-resistente/heterozygote nakomelingen ontstaan (waardoor het percentage resistente katoendaguiltjes in de populatie laag blijft) (1)

Een andere vorm van resistentie bij het katoendaguiltje wordt veroorzaakt door een puntmutatie in het HaTSPAN1-gen. Het mutante allel is dominant. Door de puntmutatie wordt op een positie in het HaTSPAN1- eiwit het aminozuur serine ingebouwd in plaats van leucine.

De puntmutatie leidt tot de verandering van één base in het mRNA.

Vraag 32 1 punt

Welk codon in het oorspronkelijke RNA is veranderd door de puntmutatie?

  1. A CUA of CUG
  2. B CUU of CUC
  3. C UUA of UUG

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

In tien jaar tijd is de allelfrequentie van het gemuteerde allel van het HaTSPAN1-gen met een factor 100 toegenomen. Hierdoor is het een serieuze bedreiging voor het succes van de GM-gewassen met het Cry- gen. Om resistentie in nieuwe plantages voor langere tijd te voorkomen willen de onderzoekers de genetische modificatie op een iets andere manier doen: ze willen het stuk DNA veranderen dat ze in de gewassen inbrengen.

Vraag 33 1 punt

Welke verandering zal het meeste succes hebben?

  1. A behalve het Cry-gen een gen inbouwen voor een ander toxine dat insecten doodt
  2. B behalve het Cry-gen een recessief HaTSPAN1-gen inbouwen
  3. C meer kopieën van het Cry-gen inbouwen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Fantoompijn bestrijden met virtual reality

Corry van der Sluis is revalidatiearts en onderzoeker in het Universitair Medisch Centrum Groningen. Ze hoopt met behulp van virtual reality fantoompijn te kunnen bestrijden.

Fantoompijn is pijn die gevoeld wordt in een geamputeerd deel van het lichaam. Een theorie is dat het pijngevoel wordt veroorzaakt door een zogenoemd neuroma, dat gevormd wordt op de plaats waar een perifere zenuw doorgesneden is als gevolg van een amputatie. Het ontstaan van een neuroma is in afbeelding 1 in vier stappen weergegeven:

1 Een gezonde afbeelding 1 sensorische zenuwcel heeft een dendriet met een myelineschede.

2 Na de amputatie ruimen witte bloedcellen celresten op rondom de beschadigde zenuwcel.

3 De zenuwcel vormt nieuwe uitlopers.

4 De nieuwe uitlopers van meerdere zenuwcellen vormen een kluwen: een neuroma.

In het neuroma kunnen spontaan actiepotentialen (impulsen) ontstaan die leiden tot het pijngevoel.

Vraag 34 2 punten

− Noteer de naam van de cellen waaruit de myelineschede bestaat.

  • Noteer de functie van de myelineschede.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • cellen van Schwann / schwanncellen (1)
  • de impulsgeleiding versnellen / de impulsgeleiding sprongsgewijs laten verlopen / isolatie van de uitloper (1)

Vraag 35 1 punt

Welke witte bloedcellen ruimen in stap 2 van afbeelding 1 de celresten op?

  1. A cytotoxische T-cellen
  2. B macrofagen
  3. C plasmacellen
  4. D T-helpercellen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Bij de zenuwcellen in een neuroma kunnen sneller actiepotentialen ontstaan dan in normale zenuwcellen.

Vraag 36 2 punten

Ontstaat een actiepotentiaal door het openen of door het sluiten van Na+-kanaaltjes? En wat is er blijkbaar gebeurd met de drempelwaarde van de zenuwcellen in een neuroma?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

Na+-kanaaltjes drempelwaarde

A openen is verhoogd

B openen is verlaagd

C sluiten is verhoogd

D sluiten is verlaagd

Een tweede theorie is dat fantoompijn ontstaat doordat bepaalde centra van de hersenschors zijn gereorganiseerd. Sensorische en motorische gebieden die als gevolg van de amputatie ‘werkeloos’ zijn, worden in gebruik genomen door naastgelegen hersengebieden.

In afbeelding 2 is met een zwarte cirkel een gebied van de hersenschors aangegeven dat werkeloos is als gevolg van de amputatie van een hand. Dit gebied wordt nu gebruikt door een nabijgelegen hersengebied dat sensorische informatie van het gezicht verwerkt.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Vraag 37 1 punt

Noteer welke letter in afbeelding 2 het gebied aangeeft waarin de sensorische informatie van het gezicht wordt verwerkt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • (letter) R (1)

Corry van der Sluis behandelt patiënten met fantoompijn met behulp van virtual reality. Een man die lijdt aan fantoompijn krijgt elektrodes op de stomp van zijn geamputeerde arm geplakt (afbeelding 3). Met de elektrodes worden elektrische signalen opgevangen die ontstaan in de spieren in de stomp wanneer hij zijn ontbrekende onderarm probeert te bewegen. Op een beeldscherm ziet hij zichzelf bewegingen maken met zijn virtuele arm (afbeelding 4). Door te oefenen worden de bewegingen preciezer en kan hij steeds moeilijkere opdrachten uitvoeren. Na tien sessies heeft de man voor het eerst in 50 jaar momenten zonder fantoompijn.

afbeelding 3 afbeelding 4

Vraag 38 2 punten

Zijn de signalen in de stomp die de virtuele arm aansturen veroorzaakt door motorische of door sensorische zenuwcellen? En komt het computerprogramma in functie overeen met het animale zenuwstelsel of met het autonome zenuwstelsel?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: A (2)

zenuwcellen zenuwstelsel

A motorische animale

B motorische autonome

C sensorische animale

D sensorische autonome

Op het beeldscherm ziet de man de bewegingen die hij probeert te maken. Het lukt hem om de bewegingen steeds nauwkeuriger te maken doordat het gebied in de hersenen waar het beeld wordt gevormd, in contact staat met het gebied dat de spieren aanstuurt.

Vraag 39 1 punt

Noteer de naam van het gebied in de grote hersenen waar het beeld wordt gevormd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • (primaire/secundaire) visuele schors / velden voor zien (1)

Op zoek naar de grootste bloedzuiger van Nederland

De grootste bloedzuiger van Nederland stelt hoge eisen aan zijn leefgebied. In Nederland zijn nog maar een paar van deze gebieden. De ecologen Ron Felix en Bram Koese onderzoeken verschillende methodes om de populatiedichtheid van deze soort te bepalen.

De bloedzuiger Hirudo medicinalis, afbeelding 1 (afbeelding 1) komt voor in vennetjes, beekjes en moerassen. Zijn habitat moet aan een aantal kenmerken voldoen. De eieren moeten in een zelfgemaakt kuiltje op een zandige oever naast ondiep water gelegd kunnen worden, waar ze door de warmte van de zon tot ontwikkeling kunnen komen. Ook moet er voldoende voedsel aanwezig zijn. De larven eten de eerste dagen waterslakjes. Waterslakken komen alleen voor in water met een pH hoger dan 5,5. Na een aantal dagen stapt de bloedzuiger over op bloed van amfibieën en van zoogdieren, zoals reeën en grote grazers, die het water inlopen om te drinken.

Verschillende milieufactoren zijn van invloed op het aantal bloedzuigers. Enkele van deze factoren zijn:

1 diepte van het water

2 pH van het water

3 waterslakjes

4 zandige oever

Vraag 40 2 punten

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende factor abiotisch of biotisch is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 abiotisch 2 abiotisch 3 biotisch 4 abiotisch indien vier nummers correct (2) indien drie nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)

Tussen organismen kunnen verschillende relaties voorkomen. Vier relaties zijn: commensalisme; mutualisme; parasitisme; predatie.

Vraag 41 2 punten

− Welke relatie bestaat er tussen een larve van de bloedzuiger en een waterslak?

  • Welke relatie bestaat er tussen de volwassen bloedzuiger en een zoogdier? Noteer je antwoord zo: relatie met waterslak: … relatie met zoogdier: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • (relatie met waterslak:) predatie (1)
  • (relatie met zoogdier:) parasitisme (1)

Als een zoogdier het water inloopt, veroorzaakt dit trillingen die door de bloedzuigers waargenomen worden. Ze zwemmen vervolgens razendsnel op hun doel af, zuigen zich vast met hun zuignap en maken met hun scherpe tandjes een wondje. In het speeksel van de bloedzuiger zit een stof die de plaats van de bijtwond verdooft, en een stof die de bloedstolling remt (hirudine). De bloedzuiger kan daardoor in dertig minuten zoveel bloed opzuigen, dat zijn gewicht vertienvoudigt. Daarna laat hij los.

Het produceren van de verdovende stof is gedurende de evolutie ontstaan.

Vraag 42 2 punten

Leg uit dat de productie van de verdovende stof selectievoordeel opleverde voor de bloedzuigers die deze eigenschap hadden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • (door de verdoving) de bloedzuiger niet wordt opgemerkt / de bloedzuiger langer/meer bloed kan zuigen (1)
  • (waardoor) de overlevingskans/voortplantingskans/fitness groter is (dan bij de soortgenoten die deze eigenschap niet/minder hebben) (1)

Hirudine blokkeert het enzym trombine, dat nodig is voor de bloedstolling. In normale situaties veroorzaakt trombine de omzetting van een oplosbaar plasma-eiwit naar onoplosbare eiwitdraden, waardoor een netwerk ontstaat waarin bloedcellen blijven hangen: een bloedstolsel. Door de werking van hirudine ontstaat er geen stolsel, waardoor de bijtwond blijft bloeden. Afbeelding 2 is een schematische weergave van dit proces. Hierin zijn vier eiwitten met een nummer aangegeven.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

De vier genummerde eiwitten in afbeelding 2 zijn:

  • fibrine
  • fibrinogeen
  • hirudine
  • trombine

Vraag 43 2 punten

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer achter elk nummer de naam van het juiste eiwit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 fibrinogeen 2 hirudine 3 trombine 4 fibrine indien vier nummers correct (2) indien twee of drie nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Bloedzuigers zoeken met blote benen afbeelding 3 is niet moeilijk: je loopt een vennetje in en als ze aanwezig zijn, zitten ze binnen een paar minuten op je benen (afbeelding 3). Een nadeel van deze manier van inventariseren is dat je er een verdoofd gevoel in je been van krijgt en de wondjes langdurig blijven bloeden.

Felix en Koese voeren daarom een vergelijkend onderzoek uit. De onderzoeksvraag is: trekken benen in lieslaarzen ook bloedzuigers aan? In afbeelding 4 zie je de twee ecologen rondlopen in een vennetje. Alle aangetrokken bloedzuigers worden gevangen en tijdelijk in een emmertje bewaard. De bloedzuigers blijken zowel op blote benen als op benen in lieslaarzen af te komen.

[afbeelding 4: zie het originele examen]

Vraag 44 2 punten

Wat is in het onderzoek van Felix en Koese de onafhankelijke variabele? En wat is de afhankelijke variabele? Noteer je antwoord zo: onafhankelijke variabele: … afhankelijke variabele: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat onafhankelijke en afhankelijke variabele verwisselt in een verder correct antwoord, in totaal 1 scorepunt toekennen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Biologie 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1018-a-22-2-o

Andere examens biologie havo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie havo 2022, tijdvak 2?

Het centraal examen biologie havo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 44. Van 43 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over zenuwstelsel en hormonen (8), ecologie (8) en afweer (6).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie havo 2022, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie havo 2022, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1018-a-22-2-c).

Hoe oefen ik met het examen biologie havo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.