Eindexamen biologie havo 2021, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Bionisch oog, Zilte landbouw, De Mont Blanc: adembenemend, Modificatie van malariamuggen, Klimaat en hommel-evolutie, Zwemmersjeuk, Amerikaanse vogelkers, Boerderijstof beschermt tegen astma.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie havo 2021, tijdvak 2 loopt tot vraag 42. Van 41 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (11), zenuwstelsel en hormonen (7) en planten en fotosynthese (6). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie havo 2021, tijdvak 2, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Ecologie11-12, 19-20, 22, 25, 31-32, 35-3711
Zenuwstelsel en hormonen1, 3-6, 15, 187
Planten en fotosynthese7-10, 13, 346
Ademhaling14, 16-17, 23-245
Evolutie26-27, 33, 384
Afweer39-424
Erfelijkheid2, 212
Bloedsomloop281
Voeding en vertering291

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over ademhaling (12% van de vragen, gemiddeld 3%) en planten en fotosynthese (15% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over bloedsomloop (2% van de vragen, gemiddeld 10%) en voeding en vertering (2% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie havo 2021, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie havo 2021, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie havo 2021, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Bionisch oog

Onderzoekers in Duitsland hebben een bionisch oog ontwikkeld waardoor blinde mensen op termijn mogelijk weer kunnen zien.

Het bionische oog dat de onderzoekers ontwikkelden, werd getest bij mensen met retinitis pigmentosa. Mensen met deze aandoening worden ziend geboren, maar gedurende hun leven neemt het zicht steeds verder af doordat de zintuigcellen afsterven. In het begin sterven alleen de staafjes af, maar in een vergevorderd stadium verdwijnen ook steeds meer kegeltjes uit het netvlies.

Vraag 1 1 punt

Wat is een van de eerste symptomen die optreden bij retinitis pigmentosa?

  1. A alleen grijstinten kunnen zien
  2. B alleen wazig kunnen zien
  3. C in schemerdonker slecht kunnen zien
  4. D rood en groen slecht van elkaar kunnen onderscheiden
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Er zijn verschillende vormen van retinitis pigmentosa, die op verschillende manieren overerven. In afbeelding 1 is de overerving van retinitis pigmentosa in een familie weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Vraag 2 2 punten

− Noteer een combinatie van een kind met zijn/haar ouders uit de stamboom waaruit blijkt dat het allel dat retinitis pigmentosa veroorzaakt, in deze familie recessief is.

  • Noteer een combinatie van een kind met zijn/haar vader of moeder uit de stamboom waaruit blijkt dat retinitis pigmentosa in deze familie niet X-chromosomaal overerft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • (de combinatie) 5 met 1 en 2 (1)
  • (de combinatie) 5 met 2 / (de combinatie) 9 met 5 / (de combinatie) 7 met 6 / (de combinatie) 8 met 6 (1)

In het netvlies van drie patiënten die grotendeels blind waren door retinitis pigmentosa, werd een chip met 1500 lichtdetectors geplaatst. Als licht op een lichtdetector valt, wordt via een versterker en een elektrode een signaal afgegeven aan zenuwcellen in het netvlies. In afbeelding 2 is een deel van het netvlies met daarin een chip met vier lichtdetectors schematisch weergegeven.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Vraag 3 1 punt

Noteer de letter die de cellaag aangeeft waarvan de lichtdetectors de functie overnemen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • S (1)

De versterker zorgt ervoor dat het signaal van de lichtdetector sterk genoeg is om, via de zenuwcellen van het netvlies, de hersenen te bereiken. Een accu buiten het lichaam voorziet de chip van stroom via een draadje door het hoofd.

Over de werking van het bionische oog worden drie uitspraken gedaan:

1 Uit de informatie blijkt dat de drempelwaarde van de lichtdetectors lager is dan die van kegeltjes van een persoon zonder retinitis pigmentosa.

2 Als de elektrodes signalen afgeven, zullen in zenuwcellen van het netvlies impulsen ontstaan.

3 De beeldvorming bij de patiënt zal het beste zijn als de chip wordt aangebracht op de plaats van de gele vlek.

Vraag 4 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 juist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Het signaal wordt via de oogzenuw naar de hersenen verstuurd. In de hersenen wordt de informatie verwerkt.

Vraag 5 1 punt

In welk gedeelte van de hersenen wordt het beeld gevormd?

  1. A in de grote hersenen
  2. B in de hersenstam
  3. C in de kleine hersenen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Om het bionische oog te testen kregen de proefpersonen vormen te zien. Uit het onderzoek werd geconcludeerd dat het bionische oog het zicht van de proefpersonen verbeterde. Een controleproef was onderdeel van dit onderzoek.

Vraag 6 1 punt

Beschrijf hoe de controleproef werd gedaan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking In het antwoord moet zijn beschreven dat de proefpersoon de test doet zonder (werkend) bionisch oog.

Zilte landbouw

De landbouw in Nederland maakt voornamelijk gebruik van zoet water. Ecoloog Arjen de Vos van het Zilt Proefbedrijf op Texel test de zouttolerantie van gangbare landbouwgewassen. Zijn er gewassen die tegen zouter water kunnen?

Een groot deel van Nederland ligt aan de kust en heeft daardoor met binnensijpelend zeewater en brak grondwater te maken. De meeste plantensoorten zijn gevoelig voor deze verzilting. De opgeloste zout-ionen rondom de wortels verstoren de wateropname waardoor de planten uitdrogen.

Bij gewassen die op zilte plaatsen groeien, bevat het bodemvocht rondom een wortelcel meer opgeloste deeltjes dan het vocht in de cel zelf. Als gevolg hiervan verandert de osmotische waarde van de wortelcellen.

Vraag 7 2 punten

Is het bodemvocht dan hypertoon of hypotoon? En wordt tijdens het uitdrogen de osmotische waarde van de wortelcellen hoger of lager?

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: A (2)

bodemvocht is osmotische waarde wortelcellen wordt tijdens uitdrogen

A hypertoon hoger

B hypertoon lager

C hypotoon hoger

D hypotoon lager

Sommige droogtetolerante plantensoorten zijn ook zouttolerant. Om verdamping te kunnen beperken, hebben deze planten bepaalde aanpassingen. Drie kenmerken van bladeren zijn:

1 het aantal huidmondjes per cm 2

2 de dikte van de cuticula (waslaag)

3 de bladoppervlakte ten opzichte van de bladinhoud

Vraag 8 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende kenmerk groter of kleiner moet zijn om verdamping te beperken.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat bij kenmerk 1 ‘minder’ en/of bij kenmerk 2 ‘dikker’ noteert, dit niet fout rekenen.

Een teveel aan zoutionen verstoort de activiteit van enzymen in plantencellen. Veel zouttolerante planten slaan opgenomen ionen op in een bepaald deel van de cel. Hierdoor worden celprocessen niet verstoord.

Vraag 9 1 punt

In welk deel van de cel worden de zoutionen opgeslagen?

  1. A in de chloroplasten
  2. B in de mitochondriën
  3. C in de vacuole
  4. D in het endoplasmatisch reticulum
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Arjen de Vos zoekt naar landbouwgewassen die geschikt zijn voor de zilte teelt door gewassen te kweken bij verschillende zoutconcentraties van het bodemvocht. Voor het verwerken van de gegevens gebruikt hij een wiskundig model: er is een lineaire afname van de gewasopbrengst als de zoutconcentratie van het bodemvocht een bepaalde drempelwaarde overschrijdt. Het model is weergegeven in afbeelding 1. Hierin is Zmax de maximale zoutconcentratie waarbij er nog 100% gewasopbrengst is en Z50% de zoutconcentratie waarbij de gewasopbrengst 50% is. Als maat voor de zoutconcentratie gebruikt hij de geleidbaarheid van het bodemvocht, uitgedrukt in dS/m.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

De Vos heeft van verschillende gewassen de Zmax (in dS/m) en de opbrengstdaling (in % per 1,0 dS/m) bepaald. Een deel van de resultaten is weergegeven in tabel 1.

[tabel 1: zie het originele examen] gewas Zmax opbrengstdaling (dS/m) (% per dS/m) aardappel, Miss Mignonne 4 7 broccoli 6 6 rode ui 6 12 wortel, variëteit 101 3 9

Voor verzilte gebieden is een gewas dat nog de helft opbrengt ten opzichte van normaal, al heel aantrekkelijk. Met de gegevens uit tabel 1 is te bepalen welk van de geteste gewassen de hoogste Z50% heeft.

Vraag 10 2 punten

Welk gewas heeft de hoogste Z50%?

  1. A aardappel, Miss Mignonne
  2. B broccoli
  3. C rode ui
  4. D wortel, variëteit 101

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Op het Zilt Proefbedrijf heeft De Vos ook meegewerkt aan een onderzoek naar de zouttolerantie van knolletjesbacteriën. Knolletjesbacteriën leven in een symbiotische relatie met vlinderbloemige planten zoals honingklaver, die als een ‘groenbemester’ wordt gebruikt. Na het onderploegen van de honingklaverplanten komen

  • via een reeks processen
  • anorganische stikstofverbindingen in de bodem. Deze verbindingen kunnen door het volgend gewas opgenomen worden. Deze processen zijn weergegeven in afbeelding 2.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

In het schema in afbeelding 2 zijn met de pijlen P, Q en R processen uit de stikstofkringloop aangegeven waarbij stikstofverbindingen worden omgezet.

Vraag 11 2 punten

Schrijf de letters P, Q en R onder elkaar en noteer erachter wat de naam is van het betreffende proces uit de stikstofkringloop.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat bij Q alleen ammonificerende bacteriën of rottingsbacteriën en/of bij R alleen nitrificerende bacteriën of nitriet- en nitraatbacteriën noteert, hiervoor in totaal 1 scorepunt in mindering brengen.

Naast groenbemesting kan er ook gekozen worden voor het gebruik van kunstmest. Kunstmest is een mengsel van mineralen dat in de fabriek wordt gemaakt, onder andere uit gesteenten.

Vraag 12 1 punt

Geef een argument waarom het gebruik van kunstmest minder duurzaam is dan het gebruik van groenbemesters.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − De productie van kunstmest kost veel energie terwijl stikstoffixatie ‘vanzelf’ gaat. − Het gebruik van kunstmest leidt eerder tot eutrofiëring. − Voor het transport van kunstmest worden fossiele brandstoffen verbruikt. − De grondstoffen voor kunstmest raken op. (1)

Op het Zilt Proefbedrijf werd op proefveldjes honingklaver gezaaid. Elk veldje werd bevloeid met een bepaalde zoutoplossing. Er werden vijf verschillende zoutconcentraties getest. De zoutoplossingen werden gemaakt door regenwater (0 dS/m) en Waddenzeewater (35 dS/m) in verschillende verhoudingen te mengen. Na vier maanden werd de honingklaver geoogst en werd de biomassa van de planten bepaald. Ook werd van een stukje van de wortels het stikstofgehalte bepaald. De onderzoekers bepaalden welk percentage van de stikstof afkomstig is van stikstofgas uit de lucht aan de hand van de samenstelling van de stikstofisotopen. De resultaten zijn weergegeven in afbeelding 3.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

Naar aanleiding van de resultaten van de proef worden drie uitspraken gedaan:

1 Een hogere zoutconcentratie verhoogt de dissimilatie van honingklaver.

2 Honingklaver neemt stikstof vooral op via de bladeren.

3 De activiteit van knolletjesbacteriën is de beperkende factor voor de groei van honingklaver in zilte omstandigheden.

Vraag 13 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak wel of niet een juiste conclusie is op basis van de gegevens in afbeelding 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 1 niet 2 niet 3 niet indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

De Mont Blanc: adembenemend

Anna gaat met een groep klimmers onder afbeelding 1 leiding van een ervaren gids de Mont Blanc (afbeelding 1) beklimmen. Om de kans op hoogteziekte te verkleinen, beklimmen ze eerst enkele lagere bergen in de omgeving.

Hoogteziekte ontstaat doordat lucht op grote hoogte minder zuurstof bevat dan lucht op zeeniveau. Hierdoor wordt minder zuurstof ingeademd en daalt de hoeveelheid zuurstof in het bloed. Klachten bij milde hoogteziekte zijn hoofdpijn, kortademigheid en misselijkheid. Bij ernstige hoogteziekte is er sprake van long- en hersenoedeem, wat levensbedreigend kan zijn. Voor de beklimming van de Mont Blanc wordt een aantal dagen uitgetrokken. Na twee dagen bereikt de groep een hoogte van

3835 meter. Anna merkt dat ze hijgt: ze ademt veel vaker en dieper in en uit dan normaal, zelfs als ze zich nauwelijks inspant.

In afbeelding 2 zijn vijf spiergroepen getekend die betrokken zijn bij de inademing of bij de uitademing. Bij 1, 2 en 3 is met pijlen aangegeven in welke richting de ribben bewegen als de betreffende spiergroepen samentrekken. Bij 4 en 5 is met pijlen aangegeven in welke richting het middenrif beweegt als de betreffende spiergroepen samentrekken.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Vraag 14 2 punten

Schrijf de nummers 1 tot en met 5 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende spiergroepen wel of niet worden samengetrokken bij een diepe inademing.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 1 wel 2 wel 3 niet 4 wel 5 niet indien vijf nummers correct (2) indien drie of vier nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)

Door het hijgen verliest Anna veel water. De hypofyse reageert op watertekort door afgifte van het hormoon ADH. ADH beïnvloedt het watertransport in de nieren.

Vraag 15 2 punten

Wat is de richting van het watertransport dat wordt beïnvloed door ADH?

  1. A van de haarvaten van de glomerulus naar het kapsel van Bowman
  2. B van het kapsel van Bowman naar de haarvaten van de glomerulus
  3. C van de nierhaarvaten naar de verzamelbuisjes
  4. D van de verzamelbuisjes naar de nierhaarvaten

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Een symptoom van hoogteziekte is longoedeem: bloedvaten in de longen vernauwen, waardoor de bloeddruk stijgt. Hierdoor gaan haarvaten vocht lekken waardoor er vocht in het longweefsel en in de longblaasjes komt. Dit beïnvloedt de diffusie van zuurstof vanuit de longblaasjes naar de haarvaten. De diffusiesnelheid V van zuurstof vanuit de longblaasjes naar het bloed kan met de volgende formule worden bepaald:

D · A · (c 2

  • c1 )
  • D is de diffusieconstante V= x
  • A is de oppervlakte van de longblaasjes
  • (c2
  • c1) is het verschil in zuurstof- concentratie tussen bloed en lucht
  • x is de diffusie-afstand

Bij longoedeem verandert de diffusie-afstand en daardoor de diffusiesnelheid van zuurstof.

Vraag 16 2 punten

Wordt de diffusie-afstand groter of kleiner? En wordt daardoor de diffusiesnelheid groter of kleiner?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

diffusie-afstand diffusiesnelheid

A groter groter

B groter kleiner

C kleiner groter

D kleiner kleiner

Enkele klimmers uit Anna’s groep gebruiken een medicijn dat de kans op hoogteziekte verkleint. Dit medicijn bevat een stof die ervoor zorgt dat de CO2-concentratie in het bloed hoog blijft. Hierdoor wordt de longventilatie beïnvloed. Bij de regeling van de longventilatie zijn het ademcentrum in de hersenstam, ademhalingsspieren en chemoreceptoren betrokken.

In afbeelding 3 is de regeling van de longventilatie weergegeven als een regelkring. Het schema is nog niet compleet.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

In de uitwerkbijlage is het schema nogmaals afgebeeld.

Vraag 17 2 punten

− Vul het schema aan door de volgende termen op de juiste plaats te noteren: ademcentrum, ademhalingsspieren, chemoreceptoren.

  • Noteer in de vijf cirkels een + (voor stimulering of toename) of een
  • (voor remming of afname).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voor ademcentrum, ademhalingsspieren en chemoreceptoren op de drie plaatsen juist (1)
  • voor stimulering/toename (+) en remming/afname (–) in de vijf cirkels juist (1)

Anna bereikt zonder problemen de top. Door het vrijkomen van dopamine in haar hersenen ervaart ze een gelukkig gevoel. Dopamine zorgt voor impulsoverdracht tussen zenuwcellen in de hersenen.

Vraag 18 1 punt

Noteer de biologische naam van stoffen zoals dopamine, die zorgen voor impulsoverdracht tussen zenuwcellen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • neurotransmitter(s) (1)

Modificatie van malariamuggen

Elk jaar overlijdt bijna een miljoen mensen aan malaria. Een Amerikaanse onderzoeksgroep heeft nu een genetisch gemodificeerde mug ontwikkeld die de verspreiding van malaria misschien kan stoppen.

De ziekte malaria wordt veroorzaakt door de malariaparasiet (Plasmodium sp.), een eencellig organisme. Voor zijn verspreiding is de malariaparasiet afhankelijk van malariamuggen (Anopheles sp.). Een malariamug kan de parasiet overbrengen van een besmet persoon naar een niet-besmet persoon. Voor de mens is de malariaparasiet een parasiet.

De relatie tussen de malariamug en de malariaparasiet wordt commensalisme genoemd.

Vraag 19 1 punt

Noteer welk van deze organismen voordeel heeft of welke van deze organismen voordeel hebben in deze relatie.

Bekijk het antwoord
  • (alleen) de malariaparasiet (1)

In afbeelding 1 is de malariaparasiet schematisch weergegeven.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Vraag 20 2 punten

− Noteer een kenmerk van de malariaparasiet waaruit blijkt dat de malariaparasiet niet kan worden ingedeeld bij de planten of bij de schimmels.

  • Noteer een ander kenmerk van de malariaparasiet waaruit blijkt dat de malariaparasiet niet kan worden ingedeeld bij de bacteriën.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat op beide deelvragen ‘geen celwand’ antwoordt, alleen het eerste scorepunt toekennen.

Om te voorkomen dat malariamuggen de malariaparasieten verspreiden, hebben de Amerikaanse onderzoekers een bepaald gen (resistentie-gen) ingebouwd in het DNA van de mug. Dit resistentie-gen zorgt ervoor dat de malariaparasiet zich niet meer kan ontwikkelen in de mug. De onderzoekers gebruikten hiervoor een nieuwe methode: een resistentie-gen wordt samen met enkele modificatie-genen ingebracht in het DNA van eicellen van de mug. Na bevruchting van de eicel zorgen de modificatie-genen ervoor dat het resistentie-gen en de modificatie-genen naar het homologe chromosoom worden gekopieerd. Een heterozygote cel wordt hierdoor homozygoot voor deze genen. Als de gemodificeerde malariamuggen worden losgelaten in de populatie gewone malariamuggen, zullen er kruisingen plaatsvinden. In afbeelding 2 is schematisch de kruising weergegeven van een gemodificeerd mannetje met een gewoon vrouwtje.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

In de uitwerkbijlage vind je dezelfde afbeelding.

Vraag 21 2 punten

Noteer in dit schema het genotype van:

  • de geslachtscellen van de ouders
  • de zygoten
  • de nakomelingen
  • de geslachtscellen van de nakomelingen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voor genotypen geslachtscellen ouders én zygote juist (1)
  • voor genotypen nakomelingen én geslachtscellen nakomelingen juist (1)

Door de methode met de gemodificeerde malariamuggen te gebruiken ter bestrijding van malaria, worden malariamuggen niet uitgeroeid.

Vraag 22 1 punt

Beschrijf een mogelijk ecologisch voordeel van het niet uitroeien van malariamuggen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Het voedselweb wordt niet beïnvloed. − Ze bestuiven planten. − Muggen zijn voedsel voor vogels. − Het ecosysteem blijft intact. − De biodiversiteit neemt niet af. (1)

Klimaat en hommel-evolutie

Het klimaat heeft een grote rol gespeeld bij de evolutie van hommels, maar het lijkt erop dat niet alle hommelsoorten de huidige klimaatverandering kunnen bijhouden.

Hommels (afbeelding 1) zijn insecten die leven afbeelding 1 van nectar en stuifmeel. Ze spelen een belangrijke rol bij de bestuiving van bepaalde plantensoorten. Hommels hebben een aantal eigenschappen waardoor ze aangepast zijn aan koude omstandigheden. De hommel kan zijn lichaamstemperatuur verhogen door het trillen van de borstspieren, zonder dat de vleugels meebewegen. Hij kan zo een lichaamstemperatuur tot 32 °C bereiken, zelfs bij een omgevingstemperatuur van rond het vriespunt. Daarnaast is het lichaam van de hommel behaard.

In afbeelding 2 zijn vier diagrammen weergegeven.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Vraag 23 1 punt

Noteer welk diagram de relatie tussen de omgevingstemperatuur en het energieverbruik van een hommel met lichaamstemperatuur van 32 °C juist weergeeft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • (diagram) 3 (1)

Doordat een hommel groter en dikker is dan een honingbij, kan de hommel zijn warmte beter vasthouden dan een honingbij.

Vraag 24 1 punt

Verklaar hoe het verschil in grootte veroorzaakt dat een hommel zijn warmte beter vast kan houden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat de hommel (door zijn grotere lichaam) een relatief klein (lichaams-)oppervlak heeft / een kleine oppervlakte heeft ten opzichte van zijn volume. (1)

Juist door zijn evolutionaire aanpassing aan lagere temperaturen komt de hommel nu in de problemen. Onderzoekers ontdekten dat hommelsoorten verdwijnen uit hun zuidelijkste leefgebieden. Zowel in Noord-Amerika als in Europa is de zuidgrens van het leefgebied van sommige hommel- soorten bijna 300 kilometer naar het noorden opgeschoven. Noordelijk is de grens voor de meeste soorten op deze continenten stabiel gebleven. Het leefgebied van de hommelsoorten is dus een stuk kleiner geworden.

De onderzoekers hebben ook nagedacht over andere abiotische en biotische factoren die de verdwijning van de hommels zouden kunnen veroorzaken, zoals het verdwijnen van bepaalde plantensoorten.

Vraag 25 1 punt

Noteer een verandering in een andere biotische factor die ook kan hebben bijgedragen aan het verdwijnen van de hommelsoorten in bepaalde gebieden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − toename van concurrentie met andere organismen − andere ziekteverwekkers − komst van andere predatoren − introductie van exoten (1)

De aardhommel (Bombus terrestris) heeft de noordgrens van zijn leefgebied wél in noordwaartse richting uitgebreid. Door de klimaatverandering was hiervoor geen aanpassing in temperatuurtolerantie nodig, maar wel aanpassing aan andere omstandigheden zoals de te bezoeken plantensoorten. Het lijkt erop dat deze hommelsoort door de korte generatietijd (de tijd die één levenscyclus duurt) voldoende gelegenheid heeft gekregen om zijn voedselzoekgedrag aan te passen.

Vraag 26 2 punten

Leg uit dat een korte generatietijd een snellere aanpassing van een soort aan nieuwe omstandigheden mogelijk maakt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoord geeft aan de hand van een specifiek voorbeeld, scorepunten toekennen naar analogie met het correctievoorschrift.

Door hun lange zuigsnuit kunnen hommels nectar halen uit bloemen met lange bloembuizen (afbeelding 3). De Amerikaanse hommelsoort afbeelding 3 Bombus balteatus komt voor in de hogere gedeeltes van de Rocky Mountains. In die gebieden is door klimaatverandering het aantal bloeiende planten afgenomen. Uit onderzoek blijkt dat de gemiddelde lengte van de zuigsnuit van Bombus balteatus daar met 24% is afgenomen in de afgelopen 50 jaar. Hommels met een kortere zuigsnuit kunnen makkelijker nectar opnemen uit bloemen van plantensoorten met korte bloembuizen. Hierdoor kunnen deze hommels veel meer plantensoorten bezoeken. Plantensoorten met een lange bloembuis kunnen ze echter niet meer bezoeken.

Vraag 27 3 punten

Beredeneer hoe het verminderd bezoek van hommels aan plantensoorten met een lange bloembuis eraan bijdraagt dat de lengte van de zuigsnuit van de hommel afneemt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • er minder bestuiving/bevruchting (van planten met een lange bloembuis) plaatsvindt (1)
  • (waardoor) er steeds minder planten met een lange bloembuis zullen voorkomen (1)
  • (waardoor) hommels met een korte/kortere zuigsnuit selectievoordeel hebben / een hogere fitness hebben (1)

Zwemmersjeuk

Het is al een paar dagen boven de 25 °C en er wordt volop gezwommen in recreatieplas de Polderpoel. Aan het einde van de dag hebben enkele zwemmers rode bultjes die flink jeuken. Beheerder Jack schrikt: zit er zwemmersjeuk in zijn zwemwater?

Zwemmersjeuk wordt veroorzaakt door verschillende parasitaire platwormen van het geslacht Trichobilharzia die tijdens hun levenscyclus twee verschillende gastheren infecteren. Een van deze soorten, Trichobilharzia ocellata, ontwikkelt zich in de longen van watervogels tot een volwassen platworm (afbeelding 1). Via de bloedsomloop gaat de platworm naar het weefsel van de dunne darm om eitjes te leggen (1). Deze eitjes ontwikkelen zich in het darmweefsel tot larven. Via de ontlasting komen de larven in het water terecht (2) en dringen een waterslak binnen (3). In de waterslak ontwikkelen ze zich tot een cercarie (het tweede larvestadium). De cercariën verlaten de slak (4) en gaan in het water op zoek naar een watervogel (1). Ze dringen door de huid van de poten naar binnen, komen in de bloedsomloop en bereiken zo het longweefsel. Cercariën proberen ook de huid van zwemmende mensen binnen te dringen (5). Deze is voor hen echter ondoordringbaar. De cercarie sterft, maar veroorzaakt wel een jeukend bultje.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Een cercarie van de soort Trichobilharzia ocellata dringt de huid van de poten van een watervogel binnen. Vogels hebben een dubbele bloedsomloop met dezelfde bouw als bij de mens.

Vraag 28 2 punten

Bereikt de cercarie de longen van de watervogel via de linkerharthelft of via de rechterharthelft? Bereikt de volwassen platworm vanuit de longen het darmweefsel via de darmslagader of via de poortader?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

cercarie bereikt volwassen platworm bereikt longen via darmweefsel via

A linkerharthelft darmslagader

B linkerharthelft poortader

C rechterharthelft darmslagader

D rechterharthelft poortader

De larven beschadigen het darmweefsel van de watervogel. Watervogels met veel Trichobilharzia ocellata hebben daardoor soms een groeiachterstand.

Vraag 29 2 punten

Geef twee verschillende verklaringen waardoor beschadiging van het darmweefsel kan leiden tot een groeiachterstand.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat in beide verklaringen verminderde opname van bepaalde bouwstoffen noemt (bijvoorbeeld: 1. minder opname van vetten en 2. minder opname van eiwitten), hiervoor in totaal 1 scorepunt toekennen.

Jack wil weten of zijn zwemwater besmet is met Trichobilharzia ocellata. Cercariën zijn echter niet met het blote oog te zien. Hij vult een paar jampotjes met water van plaatsen waar zich waterslakken bevinden en brengt ze naar een ecologisch onderzoeksbureau. Het bureau onderzoekt de watermonsters op DNA-sporen (eDNA). Doordat alle in het water voorkomende organismen DNA-sporen achterlaten, kan hiermee de aanwezigheid van een soort worden aangetoond. Dit onderzoek heeft een hoge betrouwbaarheid en een hoge validiteit.

Vraag 30 2 punten

Wordt door het gebruiken van meerdere watermonsters de betrouwbaarheid of de validiteit van het onderzoek verhoogd? En zorgt de unieke nucleotidenvolgorde van Trichobilharzia ocellata voor een hoge betrouwbaarheid of voor een hoge validiteit?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

meerdere monsters de unieke nucleotidenvolgorde verhogen de zorgt voor een hoge

A betrouwbaarheid betrouwbaarheid

B betrouwbaarheid validiteit

C validiteit betrouwbaarheid

D validiteit validiteit

Het resultaat van het onderzoek is positief: Trichobilharzia ocellata is in het zwemwater aanwezig. Afbeelding 2 geeft een vereenvoudigd voedselweb in de recreatieplas weer.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Na bestudering van het voedselweb (afbeelding 2) stelt Jack voor om extra blankvoorns uit te zetten, om hiermee de slakken te bestrijden. De ecoloog van het onderzoeksbureau betwijfelt of dit voldoende is omdat de blankvoorn ook andere organismen eet.

Vraag 31 2 punten

Geef

  • aan de hand van het voedselweb
  • nog een andere uitleg dat het uitzetten van extra blankvoorns waarschijnlijk niet zal leiden tot een grote afname van de slakkenpopulatie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • de blankvoorn muggenlarven/watervlooien eet die algen eten / eet kikkervisjes/kokerjufferlarven die waterplanten eten (1p)
  • waardoor de hoeveelheid algen/waterplanten toeneemt (en het aantal waterslakken toeneemt) (1p)

Opmerking Aan het antwoord “De blankvoorn eet andere organismen” geen scorepunt toekennen.

Amerikaanse vogelkers

De Amerikaanse vogelkers is een exoot in Nederland. De soort wordt door vrijwilligers bestreden, maar blijkt lastig uit te roeien.

De Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina, afbeelding 1 afbeelding 1) is een struikachtige boomsoort waarvan de vruchten worden gegeten door vogels en zoogdieren. Oorspronkelijk komt de plant voor in Noord-Amerika. Amerikaanse vogelkersen werden in het midden van de vorige eeuw samen met dennen en lariksen aangeplant op voedselarme zandvlakten en heidegebieden in Nederland om deze gebieden tot bossen om te vormen.

De Amerikaanse vogelkers kan goed groeien op verschillende bodemtypes doordat de soort een breed tolerantiegebied heeft voor bepaalde abiotische factoren.

Vraag 32 2 punten

Noteer twee abiotische factoren in de bodem waarvoor de Amerikaanse vogelkers een breed tolerantiegebied kan hebben.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat humus of organische stof noteert, hiervoor 1 scorepunt toekennen.

De populatie Amerikaanse vogelkers heeft een grote genetische variatie.

Vraag 33 2 punten

Leg uit dat deze grote genetische variatie kan hebben bijgedragen aan de succesvolle introductie van de soort in Nederland.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoord geeft aan de hand van een specifiek voorbeeld, scorepunten toekennen naar analogie met het correctievoorschrift.

De Amerikaanse vogelkers is een sterke concurrent in de struiklaag van bossen. Sommige ecologen vermoeden dat hij inheemse soorten wegconcurreert. Daarom wordt geprobeerd de plant uit te roeien in Nederland. Groepen vrijwilligers verwijderen Amerikaanse vogelkersen door het afzagen van de struiken en het uittrekken van de zaailingen. Om te voorkomen dat afgezaagde vogelkersstruiken weer verder groeien, afbeelding 2 kan op de afgezaagde stammen van de planten een oplossing met loodglansschimmel gesmeerd worden (afbeelding 2). De loodglansschimmel groeit via het hout van de stam het wortelstelsel van de vogelkers in. Als de plant vanuit de stam nieuwe takken en bladeren vormt, komen giftige stofwisselingsproducten van de schimmel via de anorganische sapstroom in de takken en bladeren terecht. De bladeren krijgen daardoor een zilverachtige kleur en sterven af. Door het afsterven van de bladeren sterven de wortels uiteindelijk ook af.

Vraag 34 2 punten

Via welk type vaten komen giftige stoffen in de bladeren? En door gebrek aan welk type stoffen sterven de wortels van de vogelkers?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (2)

giftige stoffen via wortels sterven door een gebrek aan

A bastvaten anorganische stoffen

B bastvaten organische stoffen

C houtvaten anorganische stoffen

D houtvaten organische stoffen

Zelfs als alle Amerikaanse vogelkersen worden gedood of verwijderd, is dat toch vaak niet voldoende om de soort in een gebied uit te roeien.

Vraag 35 1 punt

Verklaar waardoor het doden of verwijderen van de planten niet voldoende is om de soort in een gebied uit te roeien.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat in de bodem wortelresten achterblijven waaruit nieuwe planten kunnen groeien, hiervoor het scorepunt toekennen.

Door begrazing met schapen kan de bedekkingsgraad van de Amerikaanse vogelkers laag gehouden worden. In vergelijking met het uittrekken van de planten heeft het begrazen door schapen echter ook ecologische nadelen voor het gebied.

Vraag 36 1 punt

Beschrijf een mogelijk ecologisch nadeel.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Schapen eten ook andere planten (die niet bestreden hoeven te worden). − Schapen laten mest achter (waardoor de bodem lokaal minder verschraalt). − Schapen eten voedsel van wilde dieren op. (1)

Ondanks alle pogingen is de Amerikaanse vogelkers nog steeds aanwezig in Nederland. Onderzoek van Naturalis laat echter zien dat er in de afgelopen eeuw steeds meer vraat is aan de Amerikaanse vogelkers. Op de aangevreten planten werden veel afbeelding 3 larven van het vijfstippelig struikhaantje (Gonioctena quinquepunctata, afbeelding 3) gevonden die voorheen voornamelijk werden aangetroffen op de gewone lijsterbes (Sorbus aucuparia). In een gebied waar zowel de Amerikaanse vogelkers als de gewone lijsterbes voorkomen, verzamelden de onderzoekers larven van het vijfstippelig struikhaantje op beide plantensoorten. Vervolgens werd een keuze-experiment uitgevoerd.

Bij dit keuze-experiment werd afbeelding 4 een aantal flessen gevuld met elk twee takken: een tak van de Amerikaanse vogelkers en een lijsterbes-tak. Vervolgens zetten de onderzoekers de larven op de stop van de flessen (bij de pijl in afbeelding 4). Dit waren óf larven die waren gevangen op de Amerikaanse vogelkers óf larven die waren gevangen op de gewone lijsterbes. De volgende dag werd gekeken waar de larven zich bevonden.

Naar aanleiding van de resultaten concludeerden de onderzoekers dat de larven die verzameld waren op de gewone lijsterbes duidelijk voorkeur hadden voor de gewone lijsterbes, en dat de larven die verzameld waren op de Amerikaanse vogelkers géén duidelijke voorkeur hadden voor een van de twee soorten.

In tabel 1 is het percentage larven dat gevonden is op de verschillende takken, met P, Q, R en S weergegeven.

[tabel 1: zie het originele examen]

percentage larven na keuze- experiment gevonden op: larven van het vijfstippelig gewone Amerikaanse struikhaantje verzameld lijsterbes-tak vogelkers-tak op: gewone lijsterbes P Q Amerikaanse vogelkers R S

Vraag 37 2 punten

Welke resultaten (tabel 1) passen bij de getrokken conclusie?

  1. A P = 55% Q = 45% R = 75% S = 25%
  2. B P = 55% Q = 25% R = 45% S = 75%
  3. C P = 75% Q = 25% R = 55% S = 45%
  4. D P = 75% Q = 45% R = 25% S = 55%

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Uit DNA-onderzoek bleek dat er kleine genetische verschillen zijn tussen de larven verzameld op de gewone lijsterbes en de larven verzameld op de Amerikaanse vogelkers. Het lijkt erop dat

  • door evolutie
  • aanpassing plaatsvindt aan de Amerikaanse vogelkers, waardoor er een variant van het vijfstippelig struikhaantje zou kunnen ontstaan met een voorkeur voor Amerikaanse vogelkers.

Vraag 38 2 punten

Leg uit dat het verwijderen van Amerikaanse vogelkers deze aanpassing zou kunnen vertragen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat wanneer de populatie struikhaantjes kleiner is, de kans dat gunstige mutaties ontstaan kleiner is, 2 scorepunten toekennen.

Boerderijstof beschermt tegen astma

Wetenschappers onderzoeken hoe het komt dat kinderen die opgroeien op een boerderij, minder kans hebben op astma dan andere kinderen.

Astma is een ongeneeslijke chronische ontsteking van de luchtwegen die meestal wordt veroorzaakt door een allergische reactie op onschuldige stoffen in de luchtwegen. Hierbij neemt de slijmproductie in de luchtwegen toe en tijdens een acute astma-aanval trekken spiertjes rond de luchtwegen samen.

Astmapatiënten gebruiken medicijnen om de gevolgen van een astma- aanval te verlichten. Een daarvan laat de spiertjes rondom de luchtwegen ontspannen, waardoor de bronchiën verwijden. Er is ook een bepaald hormoon dat bronchiën laat verwijden.

Vraag 39 1 punt

Noteer de naam van dit hormoon.

Bekijk het antwoord
  • adrenaline/noradrenaline (1)

Astma komt minder vaak voor bij kinderen die op melkveebedrijven opgroeien dan bij andere kinderen. Dit leidde tot de hypothese dat endotoxinen (bepaalde bestanddelen van bacteriën) in boerderijlucht het afweersysteem van de kinderen onderdrukken. Om deze hypothese te toetsen kregen muizen een voorbehandeling met endotoxinen. Tien dagen daarna werden ze voor een eerste keer blootgesteld aan huisstof (sensibilisering). Een week later werd een allergische reactie uitgelokt met een tweede blootstelling aan huisstof. Naast deze experimenteergroep (groep 1) waren er drie controlegroepen (groep 2, 3 en 4). Tabel 1 toont de behandeling van de vier groepen.

[tabel 1: zie het originele examen]

groep voorbehandeling eerste blootstelling tweede blootstelling

1 endotoxinen huisstof huisstof

2 endotoxinen zoutoplossing huisstof

3 zoutoplossing huisstof huisstof

4 zoutoplossing zoutoplossing huisstof

Na de eerste blootstelling werd een week gewacht voor de tweede blootstelling.

Vraag 40 2 punten

Wat was de reden dat een week werd gewacht?

  1. A Bij een aspecifieke afweerreactie duurt het enkele dagen voordat de antistoffen zijn gevormd.
  2. B Bij een aspecifieke afweerreactie duurt het na productie van antistoffen enkele dagen voordat deze de luchtwegen bereiken.
  3. C Bij een specifieke afweerreactie duurt het enkele dagen voordat de antistoffen zijn gevormd.
  4. D Bij een specifieke afweerreactie duurt het na productie van antistoffen enkele dagen voordat deze de luchtwegen bereiken.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Om bij de vier groepen een allergische reactie aan te tonen werd na de tweede blootstelling het bloed onderzocht op antistoffen van het type IgE, en op bepaalde witte bloedcellen, de eosinofiele granulocyten. Toename van deze beide bloedbestanddelen is een indicator voor een allergische reactie.

Vraag 41 2 punten

Uit welk type cellen ontstaan de bloedcellen die IgE-antistoffen produceren? En uit welk type cellen ontstaan eosinofiele granulocyten?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: B (2)

type cellen waaruit type cellen waaruit IgE-producerende eosinofiele granulocyten cellen ontstaan ontstaan

A pre-B cel monoblast

B pre-B cel myeloblast

C thymocyt monoblast

D thymocyt myeloblast

De resultaten van het bloedonderzoek zijn weergegeven in afbeelding 1. De volgorde van de staven in afbeelding 1 komt niet overeen met de volgorde van de groepen in tabel 1.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Uit het onderzoek bleek inderdaad dat bij blootstelling aan endotoxinen de allergische reactie verminderd was.

Vraag 42 1 punt

Noteer van welke groep muizen uit tabel 1 de resultaten zijn weergeven met staaf Q in de diagrammen van afbeelding 1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • (groep) 3 (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Biologie 2021, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-2/ha-1018-a-21-2-o

Andere examens biologie havo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie havo 2021, tijdvak 2?

Het centraal examen biologie havo 2021, tijdvak 2 loopt tot vraag 42. Van 41 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (11), zenuwstelsel en hormonen (7) en planten en fotosynthese (6).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie havo 2021, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie havo 2021, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-2/ha-1018-a-21-2-c).

Hoe oefen ik met het examen biologie havo 2021, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.