Eindexamen biologie havo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Vanya in actie, Bedreigingen voor de beekprik, Razendsnelle adaptatie bij olifanten door stroperij, Plantenveredeling voor biologische landbouw, Gastric bypass, Giraffen: aparte soorten, Mastitis bestrijden zonder antibiotica.
Het centraal examen biologie havo 2026, tijdvak 1 telt 43 vragen. De meeste vragen gaan over ecologie (8), planten en fotosynthese (7) en afweer (7). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Ecologie | 7, 9-10, 12-15, 21 | 8 |
| Planten en fotosynthese | 8, 22-27 | 7 |
| Afweer | 36-41, 43 | 7 |
| Evolutie | 16-17, 20, 33-35 | 6 |
| Voeding en vertering | 5-6, 29-31 | 5 |
| Ademhaling | 1-2 | 2 |
| Bloedsomloop | 4, 32 | 2 |
| DNA en eiwitsynthese | 11, 28 | 2 |
| Erfelijkheid | 18-19 | 2 |
| Zenuwstelsel en hormonen | 3 | 1 |
| Cellen | 42 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens biologie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over planten en fotosynthese (16% van de vragen, gemiddeld 7%) en evolutie (14% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over zenuwstelsel en hormonen (2% van de vragen, gemiddeld 12%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie havo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie havo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie havo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Vanya in actie
Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale situaties en gezonde organismen.
Vanya studeert aan de Academie voor Lichamelijke Opvoeding. Voor het vak inspanningsfysiologie doet ze samen met haar studiegenoot Rachel metingen aan haar ademhaling en bloeddruk.
Vanya gaat vijf minuten fietsen op een spinningfiets (afbeelding 1). Vóór en direct na deze inspanning doet Rachel de volgende metingen bij Vanya: ademvolume, ademhalingsfrequentie, bloeddruk. De resultaten staan in tabel 1.
| tabel 1 | vóór het fietsen | direct na het fietsen |
|---|---|---|
| ademvolume (L) | 0,5 | 3,0 |
| ademhalingsfrequentie (per minuut) | 12 | 24 |
| bloeddruk bovendruk (mm Hg) | 115 | 140 |
De meetresultaten van Vanya's ademvolume en ademhalingsfrequentie worden verwerkt tot een respirogram. Afbeelding 2 toont het respirogram van haar ademhaling vóór het fietsen.
Vanya gaat tijdens de inspanning vaker en dieper ademhalen. Dit is af te leiden uit de gegevens in tabel 1.
Vraag 1 2 punten
Welk van de onderstaande respirogrammen is een juiste weergave van haar ademhaling direct na het fietsen?
respirogram van Vanya vóór het fietsen (afbeelding 2); de opties A tot en met D zijn respirogrammen. Bekijk in Opgaven, pagina 3
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
Vanya en Rachel vergelijken diepe ademhaling met ondiepe ademhaling. Hieronder staan uitspraken over deze vergelijking.
- Tijdens een diepe uitademing trekken de buikspieren sterker samen.
- Bij diepe ademhaling is de dode ruimte groter.
- Bij een diepe uitademing is het restvolume kleiner.
Vraag 2 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.
Bekijk het antwoord
- 1 juist
- 2 onjuist
- 3 onjuist
De bloedverdeling in Vanya's lichaam wordt door het autonome zenuwstelsel aangepast aan haar activiteit.
Vraag 3 2 punten
Welk deel van haar autonome zenuwstelsel is het meest actief tijdens het fietsen? En wat is het effect hiervan op de doorbloeding van haar darmen?
| meest actief tijdens fietsen | doorbloeding darmen | |
|---|---|---|
| A | orthosympathisch zenuwstelsel | neemt af |
| B | orthosympathisch zenuwstelsel | neemt toe |
| C | parasympathisch zenuwstelsel | neemt af |
| D | parasympathisch zenuwstelsel | neemt toe |
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
Tijdens de inspanning neemt Vanya's bloeddruk geleidelijk toe. Dit komt onder andere doordat het slagvolume van haar hart toeneemt.
Vraag 4 1 punt
Verklaar waardoor de bloeddruk stijgt als het slagvolume toeneemt.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat er (per samentrekking) een grote(re) hoeveelheid bloed de slagaders/aorta/bloedvaten ingaat (waardoor de druk op de vaatwanden stijgt).
Een kwartier na afloop van de inspanning doen Vanya en Rachel het onderzoek nog een keer. Daarbij fietst Vanya zo hard als ze kan. Ruim voordat de vijf minuten voorbij zijn, moet ze stoppen omdat haar beenspieren verzuren.
De pH in Vanya's spierweefsel is gedaald door de ophoping van melkzuur.
Vraag 5 1 punt
Waardoor gaan cellen over op de productie van melkzuur?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
Na de tweede inspanning dalen Vanya's ademvolume en bloeddruk weer naar het niveau van vóór de inspanning. Ook de concentratie melkzuur in haar spierweefsel neemt af.
Vraag 6 1 punt
Wat gebeurt er met het gevormde melkzuur? Het wordt voornamelijk ...
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
Bedreigingen voor de beekprik
De beekprik is in Nederland een bedreigde diersoort. Een van de oorzaken is dat de waterkwaliteit in veel beken niet goed genoeg is.
De beekprik (Lampetra planeri, afbeelding 1) is een vis die ongeveer 15 centimeter lang wordt.
Beekprikken komen in Nederland nog maar in enkele beken voor. Deze beken ontspringen in hoger gelegen moerasbossen. Het water is daar voedselarm en de beekbodem bestaat uit zand en grind. Stroomafwaarts slingert de beek door loofbos en landbouwgrond en neemt de concentratie van anorganische stoffen toe. Hier groeien op de beekbodem enkele waterplanten. Nog verder stroomafwaarts liggen organische resten op de bodem.
Vanaf de bron van de beek wordt het water stroomafwaarts steeds voedselrijker: de concentratie van anorganische stoffen neemt toe.
Vraag 7 1 punt
Verklaar waardoor de concentratie van anorganische stoffen van het water stroomafwaarts toeneemt.
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een juist antwoord:
- Meststoffen uit het landbouwgebied komen terecht in de beek.
- Door afbraak van bladeren komen er steeds meer anorganische stoffen in het water.
- Organische resten worden door reducenten afgebroken, waarbij anorganische stoffen ontstaan.
Uit het antwoord moet blijken dat door uitspoeling anorganische stoffen in het water terechtkomen. / dat door afbraak anorganische stoffen ontstaan (in het water).
Bomen langs de beek zorgen voor schaduw.
Vraag 8 2 punten
Geef twee verklaringen waardoor de schaduw verhindert dat algenbloei in een beek optreedt.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- er (door schaduw) weinig licht is, waardoor fotosynthese beperkt wordt (en er dus minder algenbloei kan plaatsvinden).
- (door schaduw) de temperatuur laag is, waardoor algen minder snel groeien / waardoor processen minder snel verlopen (en er dus minder algenbloei kan plaatsvinden).
Volwassen beekprikken zwemmen stroomopwaarts om eitjes af te zetten op de grindrijke beekbodem. Zodra de beekpriklarven uit de eitjes komen, laten ze zich met de stroom meevoeren naar plekken waar de bodem van de beek bestaat uit zand en slib. De beekpriklarven eten algen en kleine meercellige waterorganismen, zoals raderdiertjes. Raderdiertjes leven van algen en van eencellige organismen zoals trilhaardiertjes, amoeben en sporendiertjes. Deze eencellige organismen voeden zich onder andere met algen.
De beekprik heeft een langgerekt, cilindervormig lichaam (afbeelding 1).
Vraag 9 1 punt
Verklaar dat deze lichaamsvorm functioneel is.
foto van een beekprik. Bekijk in Opgaven, pagina 5
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat de vis gestroomlijnd is. / minder weerstand heeft. / makkelijker tegen de stroom kan inzwemmen.
In de tekst in het kader boven vraag 9 is een voedselweb beschreven.
Vraag 10 2 punten
Teken dit voedselweb.
Geef met de pijlen de richting van de energiestroom aan.
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een juist voedselweb:
Tijdens de metamorfose van larve tot volwassen vis ontwikkelen de beekpriklarven ogen, vinnen en geslachtsorganen. Tijdens deze ontwikkeling verdwijnt het darmkanaal; volwassen beekprikken eten dus niet. Ze zwemmen stroomopwaarts, waar ze zich voortplanten en daarna sterven.
Vraag 11 2 punten
Verandert tijdens de metamorfose het genotype van de beekprik? En verandert de genexpressie?
| verandert het genotype? | verandert de genexpressie? | |
|---|---|---|
| A | ja | ja |
| B | ja | nee |
| C | nee | ja |
| D | nee | nee |
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Als er in de zomer weinig regen valt, neemt de stroomsnelheid van het water in de beken af. Daardoor daalt de zuurstofconcentratie in het water. Volwassen beekprikken kunnen alleen leven in zuurstofrijk water. Beekpriklarven zijn minder gevoelig voor een lage zuurstofconcentratie in het water dan volwassen beekprikken.
Wetenschappers deden een experimenteel onderzoek naar de tolerantiegrenzen van beekpriklarven voor zuurstof bij verschillende temperaturen. Ze plaatsten beekpriklarven in twee bakken met een verschillende watertemperatuur. In elke bak waren vijf beekpriklarven aanwezig. Tijdens het experiment werd na twee, na vier en na zes dagen de zuurstofconcentratie in het water (uitgedrukt in de zuurstofverzadiging) verlaagd. Twee keer per dag werd de sterfte van de beekpriklarven bepaald. In afbeelding 2 zie je de resultaten.
Hieronder staan uitspraken over de resultaten van dit experiment.
- Na 3 dagen bij een temperatuur van 20 °C was de sterfte van de beekpriklarven ongeveer 15%.
- Uit afbeelding 2 blijkt dat de maximum-tolerantiegrens van beekpriklarven voor temperatuur 10 °C is.
- Het moment waarop meer dan de helft van de beekpriklarven is doodgegaan, was bij 20 °C eerder dan bij 10 °C.
Vraag 12 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.
grafieken van de zuurstofverzadiging (lijn) en de sterfte (grijs) van beekpriklarven bij 10 °C en 20 °C, over tien dagen. Bekijk in Opgaven, pagina 6
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist
- 2 onjuist
- 3 juist
Vraag 13 1 punt
Wat is in het onderzoek (afbeelding 2) de afhankelijke variabele?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
Voor volwassen beekprikken zijn de tolerantiegrenzen voor zuurstof anders dan voor beekpriklarven. In afbeelding 3 staat een grafiek van de relatie tussen zuurstofconcentratie in het water en de overleving van beekpriklarven.
Vraag 14 2 punten
Neem afbeelding 3 over, inclusief de lijn van de beekpriklarven. Teken hierin de grafiek van de relatie tussen zuurstofconcentratie en de overleving van volwassen beekprikken.
lege grafiek (afbeelding 3) met de overlevingscurve van beekpriklarven; hierin moet de curve voor volwassen beekprikken getekend worden. Bekijk in Opgaven, pagina 7
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een juiste grafiek: een grafiek waarin de curve voor volwassen beekprikken
- zich rechts bevindt van die van de beekpriklarven
- eenzelfde hoogte bereikt als die van de beekpriklarven
Een andere bedreiging voor de beekprik zijn barrières, zoals watermolens. Deze maken de beek stroomopwaarts onbereikbaar voor volwassen beekprikken. Waterschappen proberen barrières op te heffen door vispassages aan te leggen (afbeelding 4).
Vraag 15 1 punt
Verklaar hoe vispassages de overlevingskansen van een populatie beekprikken vergroten.
schema en foto van een beek met een watermolen, met stuw (1), molenrad (2) en uitstroom van de vispassage (3). Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een juist antwoord:
- De volwassen beekprikken kunnen zo de bovenloop van beken bereiken, waardoor ze voor nageslacht kunnen zorgen.
- Alleen als de vissen eitjes kunnen afzetten, blijft de populatie in stand.
Uit het antwoord moet blijken dat dankzij de vispassages voortplanting kan plaatsvinden.
Opmerking: Als de kandidaat alleen antwoordt dat de vissen dankzij de vispassage niet gedood worden door het molenrad, geen scorepunt toekennen.
Razendsnelle adaptatie bij olifanten door stroperij
Aan het eind van de vorige eeuw doodden stropers veel Afrikaanse olifanten om hun ivoren slagtanden. Als gevolg van deze stroperij blijkt de soort razendsnel veranderd te zijn. Bioloog Shane Campbell-Staton deed hier onderzoek naar.
In 1977 bestond de populatie olifanten (Loxodonta africana) in het Nationaal Park Gorongosa in Mozambique uit 1271 vrouwtjes. Hiervan had 18,5% geen slagtanden (slagtandloos). Op de foto hiernaast zie je zo'n slagtandloos vrouwtje. In 2000 waren er nog maar 121 vrouwtjes, waarvan er 61 slagtandloos waren. Alle mannetjes in de populatie hadden wél slagtanden.
In de periode 1977 tot en met 2000 is het aantal slagtandloze vrouwtjes absoluut gezien afgenomen, maar relatief gezien toegenomen.
Vraag 16 2 punten
Laat met een berekening zien dat in 2000 ten opzichte van 1977 het aantal slagtandloze vrouwtjes lager is; het percentage slagtandloze vrouwtjes hoger is.
foto van een slagtandloos olifantenvrouwtje (bij de tekst over de populatie). Bekijk in Opgaven, pagina 9
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een juiste berekening:
In 1977 waren er $(18{,}5 \times 1271) / 100 = 235$ slagtandloze vrouwtjes. In 2000 waren er 61.
In 1977 was 18,5% slagtandloos. In 2000 was dat $61 / 121 \times 100\% = 50{,}4\%$.
Aanvulling: Opmerking: Als de kandidaat de berekening voor het eerste scorepunt heeft afgerond op 236, of niet heeft afgerond, dit niet aanrekenen. Toelichting: De berekening voor het eerste scorepunt komt uit op 235,1. Bij het afronden dient de kandidaat dit rekenkundig naar beneden af te ronden op een geheel getal. Afronden was echter geen toetsdoel bij deze vraag; daarom hoeft een afrondfout hier niet te worden aangerekend.
Hieronder staat een beschrijving van het onderzoek van Campbell-Staton.
1 Campbell-Staton vroeg zich af wat de oorzaak was van de relatieve 2 toename van het aantal slagtandloze vrouwtjes. Het zou een toevallig 3 gevolg kunnen zijn van de afname van de populatie. Het zou echter ook 4 een gevolg kunnen zijn van evolutie. Met kansberekening toonde hij aan 5 dat er sprake was van selectievoordeel van een bepaalde erfelijke 6 eigenschap.
Vraag 17 1 punt
In welke regels staat de zin die de hypothese bevat die wordt ondersteund door het onderzoek?
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
De afwezigheid van slagtanden wordt veroorzaakt door een mutatie van een gen dat op het X-chromosoom ligt. Het allel ‘afwezigheid van slagtanden’ is hierbij dominant over het allel voor slagtanden.
Een olifantenvrouwtje dat voor deze eigenschap heterozygoot is, paart met een mannetje met slagtanden. Ze raakt in verwachting van een dochter.
Vraag 18 2 punten
Hoe groot is de kans dat de dochter op volwassen leeftijd geen slagtanden zal krijgen?
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Campbell-Staton zag iets opvallends. Bij heterozygote slagtandloze vrouwtjes was er een ongewone verhouding tussen hun vrouwelijke en mannelijke nakomelingen. Hieruit trok hij de conclusie dat het allel ‘afwezigheid van slagtanden’ bij mannetjes letaal is.
Vraag 19 2 punten
Wat is de verhouding tussen vrouwelijke en mannelijke nakomelingen van deze vrouwtjes doordat het allel ‘afwezigheid van slagtanden’ letaal is?
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
Stroperij kan in korte tijd grote gevolgen hebben, doordat de populatiegrootte sterk afneemt. Het maakt de olifantenpopulatie kwetsbaarder voor uitsterven doordat de genenpool kleiner wordt.
Vraag 20 1 punt
Verklaar waardoor een populatie met een kleine genenpool meer kans heeft om uit te sterven dan een populatie met een grote genenpool.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat een populatie met een kleine genenpool minder aanpassingsvermogen heeft als milieuomstandigheden veranderen (dan een populatie met een grote genenpool).
of
Uit het antwoord moet blijken dat (bij een populatie met een kleine genenpool) de kans op inteelt / erfelijke ziekten groter is (dan bij een populatie met een grote genenpool).
Olifanten hebben een groot effect op het ecosysteem waarin ze leven. Met hun slagtanden rukken ze struiken uit de grond als ze door een dichtbegroeid bos lopen. Hierdoor kan de rijkdom aan soorten in het gebied toenemen. Bij slagtandloze olifanten zou dit effect op de biodiversiteit kleiner kunnen zijn.
Vraag 21 1 punt
Verklaar hoe het aantal soorten in een bos kan toenemen als er struiken uit de grond gerukt worden.
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een juist antwoord:
- Er komt ruimte voor andere soorten.
- Er komt meer licht op de bodem, waardoor andere plantensoorten een kans krijgen.
- In de omgewoelde grond kunnen zaden van andere soorten kiemen.
- De uitgerukte planten trekken organismen aan die het dode hout afbreken.
Plantenveredeling voor biologische landbouw
Onderzoeker Guusje Bonnema van Wageningen University & Research veredelt planten voor de biologische landbouw. Zij kweekt plantenrassen die beter samenwerken met de organismen in de bodem, en beter bestand zijn tegen ziekteverwekkers.
Boeren met een biologisch landbouwbedrijf gebruiken geen kunstmest en ook geen chemische bestrijdingsmiddelen. Ze zaaien elk jaar een ander gewas op hun akker, zodat de bodem vruchtbaar blijft en het aantal ziekteverwekkers laag blijft. Dit heet vruchtwisseling. Ook telen ze vaak meerdere gewassen op dezelfde akker in strokenteelt. Zie de foto hieronder.
Sommige experts beweren dat met biologische landbouw nooit de hele wereldbevolking gevoed kan worden. Hun argument is dat zonder het gebruik van kunstmest de hoeveelheid mineralen in de bodem afneemt.
Vraag 22 2 punten
Noteer twee processen waardoor mineralen uit de bodem kunnen verdwijnen.
Bekijk het antwoord
voorbeelden van juiste processen:
- uitspoeling
- denitrificatie
- vervluchtiging
- opname door planten / oogsten van gewassen / vraat door dieren
Bij monocultuur verbouwt een boer één gewas tegelijk op een groot stuk land. Bij strokenteelt verbouwt een boer twee of meer gewassen in stroken van een aantal meter breed. Hieronder staan uitspraken over de vergelijking tussen monocultuur en strokenteelt.
- Bij monocultuur is de kans op plagen groter.
- Bij strokenteelt is de diversiteit aan dierlijke organismen groter.
Vraag 23 2 punten
Welke uitspraak is juist?
foto van strokenteelt op een akker. Bekijk in Opgaven, pagina 11
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
Onderzoekers hebben de volgende onderzoeksvraag: Is in de bodem van akkers waarop vruchtwisseling wordt toegepast, het aantal ziekteverwekkende bodemorganismen lager dan in de bodem van akkers waarop elk jaar hetzelfde gewas wordt geteeld?
Vraag 24 3 punten
Beschrijf een veld-experiment waarmee dit onderzocht kan worden.
Bekijk het antwoord
In de beschrijving worden de volgende aspecten omschreven:
- Er worden twee (groepen) proefvelden/akkers ingericht; op het ene deel wordt langdurig / een aantal jaar één gewas gekweekt; op het andere deel wordt vruchtwisseling toegepast.
- De overige omstandigheden (op de proefvelden) zijn gelijk. / worden (zoveel mogelijk) gelijk gehouden.
- Het aantal ziekteverwekkende bodemorganismen wordt bepaald (na een aantal jaar).
Opmerking: Als de kandidaat ten minste twee relevante omstandigheden omschrijft die gelijk zijn of gelijk gehouden worden, het tweede scorepunt toekennen.
Sommige biologische boeren zaaien erwten samen in met andere gewassen. De erwtenplanten (vlinderbloemige planten) leven in symbiose met knolletjesbacteriën. Door deze symbiose hoeft de boer minder mest aan te brengen op de akkers.
Vraag 25 2 punten
Leg dit uit met behulp van de stikstofkringloop. Gebruik je informatieboek.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- door de knolletjesbacteriën stikstof(gas)/N2 wordt vastgelegd/opgenomen,
- (waardoor) stikstof(verbindingen)/N/ammonium/NH4+/ammoniak/NH3 beschikbaar komt voor planten (waardoor minder mest nodig is).
Bonnema stelt dat sommige plantenrassen beter samenwerken met bodemorganismen dan andere plantenrassen. Bij deze samenwerking speelt mycorrhiza, een symbiose tussen schimmels en plantenwortels, een belangrijke rol. De schimmels bevorderen de opname van mineralen door planten. In ruil daarvoor krijgt de schimmel voedingsstoffen van de plant.
Vraag 26 2 punten
Welke vorm van symbiose is een mycorrhiza? En welk type voedingsstoffen krijgt de schimmel van de plant?
| vorm van symbiose | type voedingsstoffen | |
|---|---|---|
| A | commensalisme | anorganische stoffen |
| B | commensalisme | organische stoffen |
| C | mutualisme | anorganische stoffen |
| D | mutualisme | organische stoffen |
| E | parasitisme | anorganische stoffen |
| F | parasitisme | organische stoffen |
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
Bonnema doet onderzoek aan planten die van nature resistent zijn tegen ziekteverwekkers. Sommige ziekteverwekkers maken gebruik van bepaalde stoffen (effectoren) om planten te infecteren. Deze effectoren onderdrukken de natuurlijke afweer van de plant. Er zijn planten die de effectoren kunnen herkennen met behulp van receptoren in het cytoplasma van hun cellen. Als een effector bindt aan zo’n receptor, leidt dit tot sterfte van de cel. Daardoor sterft ook de ziekteverwekker. Specifieke resistentiegenen coderen voor deze receptoren. Planten met de juiste resistentiegenen zijn daardoor resistent tegen bepaalde ziekteverwekkers.
In de onderstaande afbeelding zie je een schematische tekening van een plantencel die is geïnfecteerd door een ziekteverwekker.
Hieronder staan moleculen die betrokken zijn bij de interactie tussen plantencel en ziekteverwekker.
- DNA
- effector
- receptor
- RNA
Vraag 27 1 punt
Schrijf de letters P, Q, R en S (uit de afbeelding hierboven) onder elkaar. Noteer het bijbehorende molecuul erachter.
schematische tekening van een plantencel met een ziekteverwekker, met de aanduidingen P, Q, R en S. Bekijk in Opgaven, pagina 13
Bekijk het antwoord
- P: DNA
- Q: RNA
- R: receptor
- S: effector
Soms ontstaat er bij de ziekteverwekker een mutatie waardoor de ziekteverwekker een resistente plant wél weer kan infecteren.
Vraag 28 2 punten
Leg uit hoe een mutatie bij de ziekteverwekker ertoe kan leiden dat de plant wel geïnfecteerd kan worden.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- (door mutatie de vorm van) de effector verandert, / de stof die de afweer onderdrukt verandert,
- (waardoor) deze niet meer bindt met de receptor. / deze niet meer bindt met de stof die de afweeronderdrukkende stof onschadelijk maakt.
Gastric bypass
Sjoerd heeft zeer ernstig overgewicht. Ondanks intensieve begeleiding is het hem niet gelukt om af te vallen. Hij is daarom nu onder behandeling bij een specialist in het ziekenhuis. Sjoerd krijgt een operatieve maagverkleining: een gastric bypass.
Bij een gastric bypass (afbeelding 1) snijdt de chirurg het bovenste deel van de maag los, zodat daar een kleine maag (de pouch) ontstaat. Hij maakt de rest van de maag aan de bovenkant weer dicht. Daarna snijdt hij de dunne darm door, vlak boven P. Het uiteinde P verbindt hij met de pouch. Het andere uiteinde (Q) verbindt hij anderhalve meter na de uitgang van de pouch aan de dunne darm.
Na deze operatie produceren het onderste deel van de maag, de lever en de alvleesklier nog steeds spijsverteringssappen. Deze komen op een andere plek met de voedselbrij in contact dan vóór de operatie. De pouch produceert geen spijsverteringssap.
De pouch en plaats R uit afbeelding 1 staan ook in de volgende tabel.
| plaats | koolhydraatvertering | eiwitvertering |
|---|---|---|
| in de pouch | ||
| op plaats R |
Vraag 29 2 punten
Neem de tabel over. Noteer of op deze plaatsen wel of geen koolhydraatvertering plaatsvindt en wel of geen eiwitvertering plaatsvindt.
drie schema's van de maag en dunne darm (slokdarm, maag, pouch, P, Q en R) voor en na de gastric bypass. Bekijk in Opgaven, pagina 14
Bekijk het antwoord
| plaats | koolhydraatvertering | eiwitvertering |
|---|---|---|
| in de pouch | wel | geen |
| op plaats R | wel | wel |
De arts vertelt Sjoerd dat hij na de operatie zal gaan afvallen. Met een kleine maag kan hij minder grote porties eten. Door de verkorting van de darm zullen er minder voedingsstoffen geresorbeerd worden. Er komen dan relatief meer vetten in de ontlasting terecht.
Vraag 30 2 punten
Geef twee oorzaken waardoor de darmverkorting bijdraagt aan een verminderde vetresorptie.
Bekijk het antwoord
juiste oorzaken:
- Er is minder tijd voor de inwerking van gal. / voor het emulgeren.
- Alvleessap/lipase/enzymen kan/kunnen kortere tijd inwerken.
- De oppervlakte van de dunne darm is kleiner. / De resorptieoppervlakte is kleiner.
Normaal stimuleert het hormoon gastrine de afgifte van maagzuur. Gastrine wordt in het onderste deel van de maag gemaakt als er eiwitten aanwezig zijn in de maag. De aangemaakte gastrine wordt afgegeven aan het bloed.
Vraag 31 2 punten
Leg uit dat de klieren in de maagwand na de operatie nauwelijks maagzuur produceren.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- (na de operatie) geen voedsel/eiwitten in (het onderste deel van) de maag komt/komen,
- (waardoor) de maag geen gastrine afgeeft (waardoor de productie van maagzuur afneemt).
Na de operatie zal Sjoerd begeleiding krijgen van een diëtist. Een van de dingen waar hij op moet gaan letten, is zijn eetpatroon. Hij moet verspreid over de dag kleine porties gaan eten. Als hij toch te grote porties eet, kan hij zich plotseling onwel gaan voelen. Dat heet het dumpingsyndroom. Dumpingsyndroom ontstaat als eten in te grote, droge brokken in de dunne darm terechtkomt. In de dunne darm wordt dan veel water aan het bloed onttrokken, zodat de voedselbrij smeuïger wordt. Dit vindt binnen een uur na de maaltijd plaats.
Vraag 32 2 punten
Neemt bij het dumpingsyndroom de bloeddruk toe of af? En neemt bij het dumpingsyndroom de osmotische waarde van het bloed toe of af?
| de bloeddruk | de osmotische waarde van het bloed | |
|---|---|---|
| A | neemt toe | neemt toe |
| B | neemt toe | neemt af |
| C | neemt af | neemt toe |
| D | neemt af | neemt af |
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Giraffen: aparte soorten
Volgens Duitse wetenschappers behoren niet alle giraffen tot dezelfde soort, maar zijn er vier verschillende soorten giraffen. Deze conclusie trekken ze op basis van DNA-onderzoek.
Lange tijd werden alle giraffen tot dezelfde soort (Giraffa camelopardalis) gerekend. Omdat giraffen in verschillende gebieden duidelijk een verschillend uiterlijk hebben, werd de soort in een aantal ondersoorten ingedeeld. De Duitse wetenschappers analyseerden het DNA van giraffen van de verschillende ondersoorten. Ze leidden daaruit af dat er al zo lang reproductieve isolatie is tussen de verschillende giraffenpopulaties dat het vier aparte soorten zijn geworden.
DNA is in te delen in coderend DNA en niet-coderend DNA.
Vraag 33 2 punten
In welk deel of welke delen van het DNA zullen verschillen aanwezig zijn tussen het DNA van de vier soorten giraffen?
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Ook zonder DNA-analyse is het mogelijk om vast te stellen of individuen uit verschillende populaties tot verschillende soorten behoren.
Vraag 34 1 punt
Hoe kan zonder DNA-analyse vastgesteld worden dat de verschillende populaties tot verschillende soorten behoren?
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een juist antwoord:
- Individuen uit verschillende populaties met elkaar kruisen is niet mogelijk.
- Ze krijgen geen vruchtbare nakomelingen als je ze laat paren.
Opmerking: Aan een antwoord als "Ze kunnen samen geen nakomelingen krijgen", het scorepunt toekennen.
Op de kaart hiernaast zie je een deel van Afrika met daarin de leefgebieden van de vier soorten giraffen. De wetenschappers vonden de minste verschillen in DNA tussen de noordelijke giraf (Nog) en de netgiraf (Neg). De masaigiraf (Mag) is meer verwant aan de zuidelijke giraf (Zug) dan aan de andere twee giraffensoorten.
In de evolutionaire stamboom zie je de giraf en enkele verwante soorten afgebeeld.
Vraag 35 1 punt
Met de DNA-gegevens pasten de wetenschappers deze evolutionaire stamboom van de giraf-achtigen aan. Welke stamboom geeft de afstamming juist weer?
evolutionaire stamboom van de giraf en verwante soorten met een tijdschaal in miljoen jaar geleden; de stambomen A, B en C staan eronder. Bekijk in Opgaven, pagina 17
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
Mastitis bestrijden zonder antibiotica
Van alle antibiotica die worden gebruikt bij melkkoeien, dient meer dan de helft om uierontsteking (mastitis) te bestrijden. Het bedrijf Mastivax bv doet onderzoek naar de bestrijding van mastitis met behulp van antistoffen. Op deze manier zou het antibioticagebruik verminderd kunnen worden.
Een koe gaat pas melk geven als ze een kalf heeft gekregen. Als de koe daarna twee keer per dag wordt gemolken, blijft ze melk produceren. Als een kalf of een melkmachine aan een tepel van de uier zuigt, komt oxytocine vrij uit de hypofyse van de koe. Deze stof stimuleert de melkafgifte vanuit de melkklieren. Dit zie je in de volgende afbeelding.
Hieronder staan uitspraken over de melkafgifte.
- Bij de processen die leiden tot de melkafgifte na het zuigen aan de tepel, zijn het zenuwstelsel en het hormoonstelsel van de koe betrokken.
- Oxytocine laat de spiercellen rondom de melkklieren ontspannen.
- Melkklieren zijn exocriene klieren.
Vraag 36 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar. Noteer erachter of de bijbehorende uitspraak juist of onjuist is.
schematische weergave van de melkafgifte bij een koe, zoals beschreven in de tekst. Bekijk in Opgaven, pagina 18
Bekijk het antwoord
- 1 juist
- 2 onjuist
- 3 juist
De uier van een koe heeft barrières die de kans op mastitis verminderen. Hieronder staan vier processen.
- Een kringspier rond het tepelkanaal spant na het melken aan.
- Cellen van het tepelkanaal produceren vetzuren die de pH laten dalen.
- Melkkliercellen produceren het eiwit lactoferrine, dat ijzer bindt, zodat ijzer niet beschikbaar is voor bacteriën.
- Het tepelkanaal kan tijdelijk afgesloten worden door een eiwit-prop.
Vraag 37 2 punten
Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar. Noteer erachter of het bijbehorende proces leidt tot een mechanische (fysische) of tot een chemische (biochemische) barrière.
Bekijk het antwoord
- 1 mechanische
- 2 chemische
- 3 chemische
- 4 mechanische
Research-analist Janine Donker werkt mee aan het onderzoek. Ze spoort koeien op die mastitis hebben. Bij mastitis zijn de melkklieren in de uier ontstoken door een infectie met bacteriën. Als de bacteriën niet voldoende worden opgeruimd door macrofagen, treedt een ontstekingsreactie op.
Bij de ontstekingsreactie geven afweercellen stoffen (mediatoren) af. De uier wordt dan rood, en door vochtophoping zwelt het uierweefsel op. Dit is vergelijkbaar met processen die optreden tijdens een allergische reactie.
Vraag 38 2 punten
- Noteer welk effect de mediatoren hebben op de bloedvaten waardoor de uier rood kleurt.
- Noteer welk effect de mediatoren hebben op de bloedvaten waardoor de vochtophoping ontstaat.
Gebruik je informatieboek.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- (het rood kleuren komt doordat) bloedvaten verwijden / de doorbloeding toeneemt.
- (de vochtophoping ontstaat doordat) bloedvaten meer doorlaatbaar/lek worden. / meer vocht de bloedvaten uitgaat.
In melk van koeien met mastitis zijn antistoffen in een lage concentratie aanwezig. Mastivax isoleert deze antistoffen uit ingezamelde melk. Normaal krijgen koeien met mastitis antibiotica toegediend in de uier. Bij de koeien in het onderzoek dient Donker in plaats daarvan de antistoffen toe in de uier.
De antistoffen zijn geproduceerd door het afweersysteem van koeien.
Vraag 39 1 punt
Noteer welke cellen van het afweersysteem antistoffen produceren.
foto van de uier van een koe bij de behandeling. Bekijk in Opgaven, pagina 19
Bekijk het antwoord
plasmacellen/B-cellen/B-lymfocyten
Vraag 40 2 punten
Welk type immuniteit ontstaat doordat de koeien antistoffen krijgen toegediend? En leidt dit tot de vorming van geheugencellen?
| immuniteit | vorming geheugencellen | |
|---|---|---|
| A | actief | ja |
| B | actief | nee |
| C | passief | ja |
| D | passief | nee |
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
De toegediende antistoffen maken het voor macrofagen in de uier makkelijker om de bacteriën te vernietigen.
Vraag 41 2 punten
Welke tekening geeft de werking van een antistof en een macrofaag op de juiste manier weer?
vier tekeningen A tot en met D van een macrofaag met bacteriën en antistoffen, met legenda (bacterie, antistof, macrofaag). Bekijk in Opgaven, pagina 20
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
Vraag 42 1 punt
Welk organel bevat de werkzame enzymen waarmee de bacterie na fagocytose vernietigd wordt?
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
Door antistoffen te gebruiken in de behandeling van mastitis, kan het gebruik van antibiotica worden teruggedrongen.
Vraag 43 1 punt
Waarom wil men het antibioticagebruik in de veeteelt terugdringen? Door antibioticagebruik ...
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Biologie 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens biologie havo
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie havo 2026, tijdvak 1?
Het centraal examen biologie havo 2026, tijdvak 1 telt 43 vragen. De meeste vragen gaan over ecologie (8), planten en fotosynthese (7) en afweer (7).
Wat zijn de antwoorden van het examen biologie havo 2026, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie havo 2026, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/havo/documenten/cse-1/ha-1018-a-26-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen biologie havo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.