Eindexamen biologie havo 2023, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Rivierdonderpad in de Leidse grachten, Een bos om op te eten, Spoedkeizersnede, Planten ‘horen’ bijen vliegen, Bèta-thalassemie genezen met stamceltransplantatie, Mens temde het paard al in de oertijd, Nierstenen in de bocht.

Kort antwoord

Het centraal examen biologie havo 2023, tijdvak 1 loopt tot vraag 48. Van 43 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (11), bloedsomloop (7) en voortplanting (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen biologie havo 2023, tijdvak 1, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Ecologie1-5, 7-10, 12-1311
Bloedsomloop15, 31-32, 34, 45-46, 487
Voortplanting14, 17-18, 25, 295
Zenuwstelsel en hormonen20-23, 335
Afweer30, 35-36, 394
Planten en fotosynthese6, 11, 243
Evolutie42-443
Ademhaling16, 192
Cellen371
Erfelijkheid381
Voeding en vertering411

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens biologie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over voortplanting (12% van de vragen, gemiddeld 1%) en bloedsomloop (16% van de vragen, gemiddeld 9%). Minder over voeding en vertering (2% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie havo 2023, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie havo 2023, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie havo 2023, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Rivierdonderpad in de Leidse grachten

Aaf Verkade is adviseur stadsgrachten en leidt het project vismonitoring in Leiden. Tijdens een schoonmaakbeurt van de Leidse grachten trof ze rivierdonderpadden aan in de opgeviste rommel.

De rivierdonderpad (Cottus perifretum, afbeelding 1) is een inheemse bodemvis die ’s nachts jaagt op vlo-kreeften, waterpissebedden en muggenlarven. De rivierdonderpad wordt gemiddeld 13 cm lang. Overdag verschuilt de vis zich tussen stenen of boomwortels voor predatoren zoals rivierkreeften.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Vraag 1 2 punten

− Noteer twee uiterlijke kenmerken van de rivierdonderpad waaruit blijkt dat hij is aangepast aan het leven op de bodem.

  • Licht voor beide kenmerken toe dat ze functioneel zijn voor het leven op de bodem.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist kenmerk met toelichting: − De ogen van de vis zitten boven op zijn kop, zodat hij vanaf de bodem goed predatoren kan waarnemen. − De (borst)vinnen wijzen naar de zijkant, zodat hij goed op de bodem kan liggen. − De bek van de rivierdonderpad is naar boven gericht, zodat hij liggend op de bodem prooien kan eten. − De vis heeft een afgeplatte buik, waardoor hij stil op de bodem kan liggen. − De vis is gespikkeld, waardoor hij op de bodem minder opvalt voor predatoren. per kenmerk dat past bij het leven op de bodem met een juiste toelichting over de functionaliteit van dit kenmerk (1) (2)

Door de schoonmaakbeurt van de Leidse grachten wordt de leefomgeving van de rivierdonderpad ernstig verstoord. Met het verwijderen van rommel zoals winkelwagentjes en visnetten, verdwijnen ook schuilplaatsen voor de rivierdonderpad.

Vraag 2 1 punt

Welke biologische term wordt gebruikt voor de leefomgeving van een bepaalde soort?

  1. A ecosysteem
  2. B habitat
  3. C populatie
  4. D voedselweb

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Om de rivierdonderpadden te helpen, bedacht Verkade rivierdonderpaddenhotels. Dat zijn houten kisten (afbeelding 2) die in de grachten geplaatst kunnen worden. Zo krijgen de rivierdonderpadden extra schuilplekken.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

De rivierdonderpadden kunnen via smalle spleten in het hotel kruipen. Het aantal spleten en de grootte ervan, beïnvloeden ook de biotische en abiotische factoren voor de rivierdonderpadden in het hotel.

Vraag 3 2 punten

Geef zo’n biotische factor en zo’n abiotische factor. Noteer je antwoord als volgt: biotisch: … abiotisch: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juiste biotische factor:

  • (aanwezigheid van) predatoren
  • (aanwezigheid van) prooidieren
  • concurrentie

voorbeelden van een juiste abiotische factor:

  • (concentratie) zuurstof
  • (concentratie) koolstofdioxide
  • (hoeveelheid) licht
  • (water)temperatuur
  • stroming (van het water)

Opmerking Als de kandidaat biotisch en abiotisch verwisselt bij een verder correct antwoord, in totaal 1 scorepunt toekennen.

Tijdens een excursie langs de gracht vertelt Verkade over de bedreigingen voor de rivierdonderpad: “Het verdwijnen van schuilplekken is niet de enige bedreiging voor de rivierdonderpad. In Nederland worden de laatste jaren ook zwartbekgrondels (Neogobius melanostomus) waargenomen. Deze vissen komen oorspronkelijk uit gebieden rond de Zwarte Zee en de Kaspische Zee. Ze hebben dezelfde levenswijze als de rivierdonderpad.” Een deelnemer stelt voor om een predator uit de oorspronkelijke leefomgeving van de zwartbekgrondel te introduceren.

Vraag 4 1 punt

Geef een argument dat Verkade kan gebruiken om toe te lichten dat het introduceren van zo’n predator geen goed idee is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Er is een risico dat deze predator ook rivierdonderpadden eet. − Mogelijk eet de predator ook andere soorten, die daardoor verdwijnen. − Misschien ontstaat er dan een plaag van deze predator. − De predator kan ziekteverwekkers meebrengen. (1)

Een bos om op te eten

In 2009 kocht Wouter van Eck een akker waarop jarenlang mais was verbouwd. Hij heeft er voedselbos Ketelbroek aangelegd, een combinatie van landbouw en natuur (afbeelding 1).

[afbeelding 1: zie het originele examen]

In het voedselbos staan meer dan 350 verschillende plantensoorten, die allemaal iets eetbaars opleveren: notenbomen, tamme kastanjes, kiwi’s, bessenstruiken en kruiden als daslook en tijm. Na het planten heeft Wouter het gebied met rust gelaten: hij ploegt niet, gebruikt geen mest en geen chemische bestrijdingsmiddelen. Hij snoeit en oogst alleen maar.

Op de akkers rondom het voedselbos worden alleen aardappelen verbouwd. Zo’n monocultuur is gevoeliger voor plagen dan een voedselbos.

Vraag 5 1 punt

Verklaar waardoor een monocultuur gevoelig is voor plagen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat alleen antwoordt dat alle planten genetisch identiek zijn, het scorepunt niet toekennen.

Wouter rijdt niet met machines door zijn bos. Zo wordt het bodemleven niet verstoord en blijft de bodem luchtig.

Vraag 6 2 punten

Welke stof nemen plantenwortels op uit een luchtige bodem? En waar wordt deze stof voor gebruikt?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

opgenomen stof wordt gebruikt voor

A koolstofdioxide dissimilatie

B koolstofdioxide fotosynthese

C zuurstof dissimilatie

D zuurstof fotosynthese

In een niet-verstoorde bodem vormen bodemschimmels uitgebreide netwerken van schimmeldraden. De schimmels dringen de wortels van planten binnen om daar organische stoffen op te nemen. De schimmeldraden nemen anorganische stoffen uit de bodem op, die vervolgens ook gebruikt worden door de plant.

Vraag 7 1 punt

Noteer de naam van deze vorm van symbiose.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • mutualisme (1)

Wouter gebruikt geen kunstmest of compost in zijn voedselbos. Bladeren die van de bomen vallen en kruidachtige planten die afsterven, voegen voldoende organische stof toe aan de bodem. De organische stikstofverbindingen worden in verschillende stappen door bodembacteriën omgezet naar nitraat (NO3–). Groepen bodembacteriën zijn:

1 denitrificerende bacteriën

2 nitraatbacteriën

3 nitrietbacteriën

4 rottingsbacteriën

Vraag 8 2 punten

Welke van deze bacteriën zijn achtereenvolgens betrokken bij de omzetting van organische stikstofverbindingen naar nitraat? Noteer de betreffende nummers in de juiste volgorde.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 4─3─2 indien alleen de drie juiste nummers in de juiste volgorde (2) indien alleen de drie juiste nummers in een onjuiste volgorde (1) indien de drie juiste nummers in de juiste volgorde en nummer 1 op een willekeurige plaats (1) indien alleen twee juiste nummers in de juiste volgorde (1) in alle andere gevallen (0) (2)

Wouter heeft een aantal olijfwilgen aangeplant in het voedselbos. Deze struiken met eetbare rode bessen bezitten wortelknolletjes waarin bacteriën leven. De bacteriën binden stikstof (N2) uit de lucht, waardoor een stof ontstaat die de planten kunnen gebruiken voor het maken van organische stikstofverbindingen. In afbeelding 2 is dit proces schematisch weergegeven.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

In afbeelding 2 moeten op de plaats van de nummers de volgende stoffen en processen ingevuld worden:

  • aminozuur
  • NH3
  • stikstofassimilatie
  • stikstoffixatie

Vraag 9 2 punten

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer de naam van de bijbehorende stof of van het bijbehorende proces erachter.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 stikstoffixatie 2 NH3 3 stikstofassimilatie 4 aminozuur indien vier nummers correct (2) indien drie of twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

De abiotische factoren in het voedselbos variëren sterk van plaats tot plaats. Daslook (afbeelding 3), met blaadjes die naar knoflook smaken, groeit goed op schaduwrijke plaatsen. Tijm (afbeelding 4), een kruid dat in veel gerechten wordt gebruikt, groeit alleen op zonnige open plaatsen.

afbeelding 3 afbeelding 4

De optimumkrommes voor lichtsterkte van daslook en tijm worden vergeleken.

Vraag 10 1 punt

Welke uitspraak hierover is juist?

  1. A Bij daslook ligt de maximumwaarde hoger.
  2. B Bij daslook ligt de minimumwaarde lager.
  3. C Bij daslook ligt het optimum hoger.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Schaduwplanten hebben meestal grotere, dunnere bladeren met een dunnere cuticula (waslaag) dan planten die in de volle zon groeien.

Vraag 11 2 punten

− Verklaar dat bladeren van een schaduwplant meestal groter zijn.

  • Verklaar dat bladeren van een schaduwplant meestal een dunnere cuticula bezitten.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Aan een antwoord als: “Een dikke cuticula is in de schaduw niet nodig en zou alleen maar extra energie kosten”, het tweede scorepunt toekennen.

In Ketelbroek staan ook bomen en struiken uit andere delen van de wereld, zoals de Sichuan-peperboom uit China, de Siberische honingbes en de Koreaanse pijnboom. Soms kunnen geïmporteerde plantensoorten zich vestigen in Nederlandse ecosystemen.

Vraag 12 1 punt

Noteer de biologische term voor een organisme dat zich door menselijke activiteiten heeft gevestigd in een gebied waar het oorspronkelijk niet vandaan komt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • (invasieve) exoot / invasieve soort (1)

Ketelbroek is nog lang niet uitgegroeid. De totale massa aan bomen en struiken zal nog flink groter worden. In tegenstelling tot een maisakker kan het voedselbos daardoor bijdragen aan het terugdringen van het versterkt broeikaseffect.

Vraag 13 1 punt

Licht toe dat de groei van het voedselbos wel bijdraagt aan het terugdringen van het versterkt broeikaseffect, maar de teelt van mais niet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat bij maisteelt de CO2 weer sneller vrijkomt in de atmosfeer / dat in het voedselbos de opgenomen CO2 langduriger wordt vastgelegd (dan bij mais) / dat in het voedselbos de opgenomen CO 2 wordt vastgelegd in hout. (1)

Spoedkeizersnede

Layla is verloskundige. Ze begeleidt de zwangere Monique vanaf de prille zwangerschap tot en met de bevalling.

Monique kocht een zwangerschapstest bij de drogist nadat haar menstruatie uitbleef. Zo’n test toont het hormoon HCG in de urine aan. Het embryonaal deel van de placenta produceert gedurende het begin van de zwangerschap steeds meer HCG, dat in het bloed van de moeder terechtkomt. Enkele bloedvaten zijn:

1 longader

2 longslagader

3 nierader

4 nierslagader

5 ader van de baarmoeder

6 slagader van de baarmoeder

Vraag 14 2 punten

Via welke van deze bloedvaten gaat een HCG-molecuul achtereenvolgens op de kortste route van de placenta naar de voorurine? Noteer de betreffende nummers in de juiste volgorde.

Bekijk het antwoord
  • 5─2─1─4 indien alleen de vier juiste nummers in de juiste volgorde (2) indien alleen de vier juiste nummers in een onjuiste volgorde (1) in alle andere gevallen (0) (2)

Bij elk bezoek controleert Layla Moniques bloeddruk. Bij sommige zwangere vrouwen komt namelijk een afwijkende bloeddruk voor die ongunstig kan zijn voor de foetus. De afwijkende bloeddruk ontstaat doordat stoffen uit de placenta de slagadertjes in het lichaam van de moeder laten vernauwen.

Vraag 15 2 punten

Neemt door het vernauwen de bovendruk af of toe? En de onderdruk?

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: D (2)

bovendruk onderdruk

A neemt af neemt af

B neemt af neemt toe

C neemt toe neemt af

D neemt toe neemt toe

Layla legt uit aan Monique hoe ze de weeën (samentrekkingen van de baarmoederwand) tijdens de bevalling zo goed mogelijk kan opvangen: “In het begin is zuchten (rustige buikademhaling) gunstig voor de voortgang van de bevalling. Wanneer een wee te heftig wordt, kan je overgaan op puffen (snelle borstademhaling) zodat er nog niet te veel druk op de baarmoeder gezet wordt.”

Vraag 16 1 punt

Beredeneer dat buikademhaling een te hoge druk op de baarmoeder kan veroorzaken.

Bekijk het antwoord
  • Uit het antwoord moet blijken dat (bij buikademhaling) buikspieren/middenrif(spieren) samentrekken (waardoor extra druk op de baarmoeder ontstaat). (1)

Layla wordt gebeld als de weeën bij Monique zijn begonnen. Als na een paar uur de bevalling niet snel genoeg vordert, stuurt Layla Monique naar het ziekenhuis. Daar draagt Layla de bevalling over aan de gynaecoloog. De gynaecoloog legt twee banden met meetapparatuur om Moniques buik om via een cardiotocograaf de hartactiviteit van de baby en de weeënactiviteit van de baarmoeder te registreren (afbeelding 1). De registratie is te zien op een monitor en wordt geprint op afbeelding 1 een rol papier: het cardiotocogram (CTG). In afbeelding 2 is een deel van een CTG afgebeeld. Aan de bovenste lijn is te zien dat de hartslagfrequentie van de baby ligt tussen 110 en 150 slagen per minuut. De onderste lijn geeft de druk op de buikwand weer, die tijdens een wee ongeveer verdubbeld is.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

De frequentie waarmee weeën optreden, kan worden uitgedrukt in het aantal weeën per 10 minuten.

Vraag 17 1 punt

Hoeveel weeën zijn er gemiddeld per 10 minuten volgens het CTG in afbeelding 2? Noteer je antwoord als een geheel getal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 2 (per 10 minuten) (1)

De hartslagfrequentie van een ongeboren baby ligt normaal tussen 110 en

150 slagen per minuut. De gynaecoloog leest het CTG regelmatig af. Ze let daarbij onder andere op versnellingen en vertragingen van de hartslagfrequentie in combinatie met de weeënactiviteit.

Aan de hand van het CTG kan de gynaecoloog bepalen hoe het met de baby gaat. Drie situaties die kunnen worden afgeleid uit een CTG zijn:

1 De baby reageert op een wee met een verhoogde afgifte van noradrenaline.

2 Tijdens een wee is de activiteit van het parasympatisch zenuwstelsel van de baby verhoogd.

3 De bloedstroom naar de baby is langer dan drie minuten ernstig verstoord.

In afbeelding 3 zijn drie delen van CTG’s aangegeven met P, Q en R.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

Vraag 18 1 punt

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer de letter van het deel van het CTG erachter dat wijst op de betreffende situatie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 Q 2 R 3 P (1)

Het CTG van Monique wijst erop dat de bloedstroom naar haar baby verstoord is. De gynaecoloog voert daarom een bloedonderzoek uit. Via de vagina van Monique neemt zij een druppeltje bloed af uit de hoofdhuid van de baby. Hiervan wordt de pH bepaald. Wanneer de pH van dit bloed lager is dan 7,2 moet de baby snel geboren worden.

Een lage pH van bloed wijst op zuurstofgebrek. Een lage pH wordt namelijk veroorzaakt door een veel te hoge CO2-concentratie in het bloed.

Vraag 19 1 punt

Verklaar dat bij een te hoge CO2-concentratie in het bloed ook sprake zal zijn van zuurstofgebrek.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als de kandidaat antwoordt dat door verbranding alle zuurstof is omgezet in CO2, geen scorepunt toekennen.
  • Als de kandidaat antwoordt dat de placenta niet goed werkt, of dat de bloedvaten in de navelstreng worden afgekneld, het scorepunt toekennen.

De pH van het bloed van de baby is 7,1. Omdat de bevalling niet vordert, besluit de gynaecoloog in overleg met Monique tot een keizersnede. Monique krijgt eerst een ruggenprik. Hierbij wordt een verdovend middel gespoten in het vocht rondom het ruggenmerg. Dit middel blokkeert daar de impulsgeleiding over de uitlopers van bepaalde cellen van het perifeer zenuwstelsel. Pijn in het onderlichaam wordt hierdoor niet door de hersenen waargenomen.

Vraag 20 1 punt

Op welk type cellen grijpt dit verdovende middel aan waardoor pijn niet wordt waargenomen?

  1. A op bewegingszenuwcellen
  2. B op gevoelszenuwcellen
  3. C op schakelcellen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Hieronder is een beschrijving van afbeelding 4 de operatie weergegeven. Op vier plaatsen zijn een aantal woorden weggelaten.

De gynaecoloog maakt een horizontale snede vlak boven het schaambeen (afbeelding 4). Na de snede door …(1)… wordt …(2)… doorgesneden. Door …(3)… opzij te duwen opent ze de buikholte. Vervolgens wordt …(4)… naar beneden geschoven. Daarna maakt ze een dwarse snede in de baarmoeder en haalt ze de baby eruit.

De woorden die in de beschrijving zijn weggelaten zijn:

  • de blaas
  • de huid
  • de laag vet- en bindweefsel
  • het buikspierweefsel

Vraag 21 2 punten

Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter welke woorden op de betreffende plaats moeten worden ingevuld.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 de huid 2 de laag vet- en bindweefsel 3 het buikspierweefsel 4 de blaas indien vier nummers correct (2) indien drie of twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Nadat de baby is geboren, wordt de navelstreng doorgeknipt. Monique krijgt een hormoon toegediend om de baarmoeder te laten samentrekken, waardoor overmatig bloedverlies wordt voorkomen. Dit is hetzelfde hormoon dat aan het begin van de bevalling de weeën opwekte.

Vraag 22 1 punt

Noteer de naam van het toegediende hormoon.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • oxytocine/ocytocine (1)

Monique kijkt mee hoe haar baby gecontroleerd wordt. De kleur, hartslag, ademhaling en spierspanning zijn goed. Ook de reflexen zoals de pupilreflex zijn in orde.

Vraag 23 2 punten

Welke prikkel is geschikt om de pupilreflex te testen? En welke spieren in de iris trekken samen tijdens de pupilreflex?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

Planten ‘horen’ bijen vliegen

Onderzoekers hebben ontdekt dat planten kunnen reageren op het geluid van passerende bestuivers.

De onderzoekers lieten afbeelding 1 teunisbloemen (afbeelding 1) het geluid van een vliegende honingbij ‘horen’. De bloemen bleken in reactie daarop veel zoetere nectar te gaan produceren. Volgens de onderzoekers functioneren de bloemen van de plant als gehoororgaan. “We ontdekten dat de bloemen door deze geluiden gingen trillen”, zo schrijven de onderzoekers. Wat hun verder opviel, is dat de bloemen wel reageerden op de geluiden van bestuivers, maar niet op geluiden met een hogere frequentie.

Nectar wordt gemaakt door klieren in de bloembeker en bevat een hoge concentratie aan suikers.

Vraag 24 1 punt

Noteer via welk type vaten suikers worden getransporteerd naar de nectarklieren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • (via) bastvaten (1)

Teunisbloemen zijn in staat tot zelfbestuiving. Door meer bestuivers te lokken, wordt de kans op kruisbestuiving (met stuifmeel van een andere teunisbloem-plant) groter.

Vraag 25 2 punten

Leg uit dat voortplanting door kruisbestuiving voor de teunisbloem evolutionair voordeliger is dan voortplanting door zelfbestuiving.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat een juist antwoord geeft aan de hand van een voorbeeld van een verandering in het milieu (bijvoorbeeld ziekte), het tweede scorepunt toekennen.

De onderzoekers schreven het volgende in hun publicatie:

1 Kunnen planten geluidsgolven waarnemen en daarop reageren?

2 Als dat zo is, zou een plant meer bestuivers kunnen lokken.

3 Stel dat planten de geluidsgolven van honingbijen kunnen opvangen

4 en dan hun nectar aantrekkelijker kunnen maken, dan verwachten we

5 dat de bloem zal gaan trillen en zoetere nectar zal produceren na

6 blootstelling aan het geluid van een vliegende honingbij.

7 We gebruikten teunisbloemen (Oenothera drummondii), waarvan de

8 honingbij de voornaamste bestuiver is.

9 We maten de trillingen van de bloembladeren en de suikerconcentratie

10 in de nectar in reactie op geluidsopnames van bestuivers en

11 synthetische geluiden van verschillende frequenties.

12 Wat blijkt: zowel het geluid van bestuivers als een synthetisch geluid

13 met een overeenkomstige frequentie veroorzaakt trillingen in de

14 bloembladeren die leiden tot een snelle toename in de

15 suikerconcentratie van de nectar.

Vraag 26 1 punt

In welke regel begint de zin die de hypothese van de onderzoekers bevat?

  1. A in regel 2
  2. B in regel 3
  3. C in regel 7
  4. D in regel 9
  5. E in regel 12

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 27 1 punt

In welke regel begint de beschrijving van het werkplan dat de onderzoekers gevolgd hebben?

  1. A in regel 2
  2. B in regel 3
  3. C in regel 7
  4. D in regel 9
  5. E in regel 12

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

In afbeelding 2 is de suikerconcentratie weergegeven van de nectar na stilte, na een hoog geluid, na een laag geluid (met dezelfde frequentie als het geluid van honingbijen) en na het afspelen van een geluidsopname van een echte honingbij. De suikerconcentratie is uitgedrukt in de brix- waarde. Hoe hoger deze waarde, hoe hoger de suikerconcentratie.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Doordat bijen verschil in suikerconcentratie kunnen waarnemen, zullen ze met name bloemen gaan bezoeken die nectar met een hoge suikerconcentratie produceren. Als de brix-waarde meer dan 3% toeneemt, kunnen honingbijen dit waarnemen.

Vraag 28 2 punten

Licht toe, aan de hand van een berekening, of de toename in brix-waarde na het afspelen van honingbij-geluid waarneembaar is voor een honingbij.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juist antwoord: 19,1

  • 16,5
  • ×100% =15,7% . Dit is meer dan 3%, dus waarneembaar voor 16,5 een honingbij.
  • 16,5 x 0,03 = 0,495 16,5 + 0,495 = 16,995 Boven deze waarde is het waarneembaar voor een bij. Dus 19,1 kan de bij waarnemen.

Wat opvalt, is dat de planten niet op alle trillingen reageren. Teunisbloemen produceren wel zoetere nectar na het waarnemen van de geluidsfrequentie van hun bestuivers, maar reageren niet of nauwelijks op geluiden met een hogere frequentie.

Vraag 29 1 punt

Verklaar het voordeel hiervan voor de teunisbloem.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − De teunisbloem bespaart zo energie. − Hij produceert daardoor niet onnodig veel suiker. − Zij lokt daarmee alleen bestuivers en geen andere dieren. (1)

Bèta-thalassemie genezen met stamceltransplantatie

Bij zijn geboorte leek Ryan gezond. Als het jongetje een half jaar oud is, blijkt hij echter onvoldoende gegroeid te zijn en ziet hij erg bleek.

Na bloedonderzoek blijkt Ryan de ziekte bèta-thalassemie te hebben, een erfelijke ziekte als gevolg van een mutatie in een gen voor hemoglobine. De mutatie veroorzaakt een verhoogde afbraak van rode bloedcellen. De ziekte kan worden behandeld met stamcellen uit het beenmerg van een donor.

Stamcellen uit het beenmerg doorlopen verschillende stadia voordat ze als reticulocyten in de bloedbaan komen (afbeelding 1). Vervolgens ontwikkelen ze zich daar in 24 uur tot erytrocyten: rijpe rode bloedcellen.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Stamcellen uit het beenmerg ontwikkelen zich tot rode bloedcellen.

Vraag 30 1 punt

Wat is de naam van dit proces?

  1. A adaptatie
  2. B differentiatie
  3. C expressie
  4. D evolutie
  5. E selectie

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Rijpe rode bloedcellen leven gemiddeld drie maanden, maar bij Ryan worden ze al na enkele dagen afgebroken. Om het tekort aan rode bloedcellen gedeeltelijk te compenseren, is de activiteit van het rode beenmerg verhoogd.

Een medisch laborant maakt een preparaat van een druppel bloed van Ryan en bepaalt met de microscoop de verhouding tussen de reticulocyten en de rijpe rode bloedcellen. In afbeelding 2 zijn twee bloedbeelden te zien, een ervan is dat van Ryan, het andere is een normaal bloedbeeld.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

bloedbeeld 1 bloedbeeld 2

Vraag 31 2 punten

Welk bloedbeeld is van Ryan? En wat is daarin afwijkend?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

bloedbeeld Ryan afwijkend

A bloedbeeld 1 er zijn relatief veel reticulocyten

B bloedbeeld 1 er zijn relatief weinig reticulocyten

C bloedbeeld 2 er zijn relatief veel reticulocyten

D bloedbeeld 2 er zijn relatief weinig reticulocyten

Door het tekort aan rode bloedcellen in zijn bloed heeft Ryan een verhoogde hartslagfrequentie.

Vraag 32 2 punten

Leg uit dat de hartslagfrequentie bij bèta-thalassemiepatiënten hoger moet zijn dan normaal.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • (als er minder rode bloedcellen zijn) er minder zuurstoftransport is (1)
  • (waardoor) het hart meer bloed (per tijdseenheid) moet rondpompen / het bloed sneller moet worden rondgepompt (om het lichaam van voldoende zuurstof te kunnen voorzien) (1)

De verhoogde activiteit van het beenmerg wordt veroorzaakt door een verhoogde afgifte van een bepaald hormoon.

Vraag 33 1 punt

Noteer de naam van dit hormoon.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • erytropoëtine/epo (1)

Ryan krijgt elke drie weken een bloedtransfusie via een infuus in een bloedvat in zijn arm. Afbeelding 3 is een schematische tekening van de bloedsomloop.

[afbeelding 3: zie het originele examen]

Vraag 34 1 punt

Welke letter geeft het bloedvat aan waarin het infuus wordt aangelegd?

  1. A letter P
  2. B letter Q
  3. C letter R
  4. D letter S

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Er is geen medicijn voor bèta-thalassemie. Alleen een stamcel- transplantatie kan Ryan genezen. Er bestaan twee typen stamceltransplantaties: één waarbij stamcellen van de patiënt zelf gebruikt worden, en één waarbij stamcellen afkomstig zijn van een donor.

Vraag 35 1 punt

Verklaar dat een stamceltransplantatie met Ryans eigen stamcellen niet tot zijn genezing zal leiden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de kandidaat antwoordt dat de stamcellen niet goed werken, het scorepunt niet toekennen.

Bij een stamceltransplantatie voor een bèta-thalassemiepatiënt worden de stamcellen van de patiënt gedood en vervangen door stamcellen van een donor. Een deel van deze stamcellen zal zich ontwikkelen tot rode bloedcellen, een ander deel tot afweercellen. Het is belangrijk dat bepaalde membraaneiwitten (HLA-eiwitten) van de donorcellen zo veel mogelijk overeenkomen met die van de patiënt om een immuunreactie te voorkómen. Deze immuunreactie ontstaat als de gedoneerde stamcellen die zich tot afweercellen hebben ontwikkeld, de HLA-eiwitten van de patiënt als lichaamsvreemd herkennen.

Over de immuunreactie die kan optreden na de stamceltransplantatie worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Bij de immuunreactie zijn de HLA-eiwitten de antigenen.

2 Bij de immuunreactie worden cellen van gezonde weefsels van de patiënt aangevallen.

3 De immuunreactie wordt veroorzaakt doordat de donorstamcellen als lichaamsvreemd worden herkend.

Vraag 36 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 juist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Bèta-thalassemie erft autosomaal recessief over. Ryans ouders zijn beiden drager van het gemuteerde gen, maar hebben geen verschijnselen van bèta-thalassemie.

In afbeelding 4 zijn vijf lichaamscellen (P, Q, R, S en T) schematisch afgebeeld. In elke cel is slechts één chromosomenpaar getekend. Het gemuteerde hemoglobine-gen is met zwart aangegeven.

[afbeelding 4: zie het originele examen] P Q R S T

Vraag 37 2 punten

− Welke cel geeft een lichaamscel van Ryan weer?

  • En welke cel geeft een lichaamscel van Ryans moeder weer? Noteer je antwoord als volgt: Ryan: … moeder: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Ryan: P (1)
  • moeder: Q (1)

Ryans zus Noa heeft geen bèta-thalassemie, maar ze is mogelijk wel drager van de ziekte.

Vraag 38 2 punten

Hoe groot is de kans dat Noa drager is van bèta-thalassemie? 1 A 4 1 B 3 2 C 3 3 D 4

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: C (2)

Het DNA van Noa wordt onderzocht. Ze blijkt geschikt als donor. De kinderarts bespreekt met de ouders van Ryan en Noa het verloop van de stamceltransplantatie en de mogelijke risico’s. In de dagen voorafgaand aan de stamceltransplantatie krijgt Ryan stoffen toegediend waarmee zijn eigen beenmergstamcellen worden gedood. Daarna krijgt Ryan de stamcellen van Noa toegediend. Pas na enkele weken zal blijken of de gedoneerde stamcellen zich ontwikkelen tot nieuwe bloedcellen.

Risico’s voor Ryan bij deze stamceltransplantatie zijn:

1 Er ontstaat een immuunreactie.

2 De gedoneerde stamcellen vermenigvuldigen zich niet.

3 Er is tijdelijk onvoldoende afweer tegen infecties.

4 Er is tijdelijk een verhoogde kans op bloedingen.

Om deze risico’s te ondervangen of de gevolgen ervan tegen te gaan, zijn de volgende behandelingen mogelijk: P een transfusie met bloedplaatjes Q medicijnen toedienen die de afweer onderdrukken R vooraf antibiotica toedienen S vooraf beenmerg van Ryan afnemen en invriezen

Vraag 39 2 punten

Welke behandeling past bij welk risico? Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer de letter van de bijbehorende behandeling erachter.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 Q 2 S 3 R 4 P indien vier nummers correct (2) indien drie of twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Mens temde het paard al in de oertijd

Aya volgt de opleiding archeologie aan de hogeschool Saxion. Ze loopt stage in Kazachstan op een vindplaats van een prehistorische paardenboerderij. Daar wordt onderzocht wanneer de mens voor het eerst wilde paarden ging temmen.

Aya selecteert voorwerpen om met behulp van de C14-methode te dateren. Bij deze methode wordt in het laboratorium de ouderdom bepaald aan de hand van de relatieve hoeveelheid radioactieve koolstof- isotopen die aanwezig zijn in organische stoffen. Uit de datering blijkt dat de paardenboerderij er rond 3500 voor Christus moet hebben gestaan. Drie voorwerpen zijn:

  • een paardenbot
  • een houten kom
  • een stenen gebruiksvoorwerp

Vraag 40 1 punt

Noteer welk van deze voorwerpen geschikt is of welke voorwerpen geschikt zijn voor de ouderdomsbepaling met de C14-methode.

Bekijk het antwoord
  • (paarden)bot en (houten) kom (1)

De paarden werden waarschijnlijk gemolken; dit werd afgeleid uit de vondst van melkzuur in de resten van houten kommen. Het melkzuur ontstond toen de lactose uit de paardenmelk werd omgezet tijdens een bepaald stofwisselingsproces.

Vraag 41 1 punt

Bij welk stofwisselingsproces wordt lactose omgezet in melkzuur?

  1. A bij aerobe dissimilatie
  2. B bij anaerobe dissimilatie
  3. C bij assimilatie
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Uit DNA-analyse blijkt dat alle huidige tamme paardenrassen (Equus ferus caballus) afstammen van 17 verschillende familiegroepen wilde paarden. De genetische variatie in het DNA van de Y-chromosomen van tamme paarden blijkt klein te zijn. Bij paarden wordt het geslacht op dezelfde manier door de chromosomen bepaald als bij mensen.

Aya leest dat de genetische variatie van de Y-chromosomen bij tamme paarden is afgenomen als gevolg van fokken (kruisen).

Vraag 42 1 punt

Verklaar hoe door fokken de genetische variatie kan afnemen.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − Door het fokken selecteer je op bepaalde allelen, waardoor andere allelen verloren gaan. − Er wordt slechts een klein aantal dieren gebruikt. − Bij fokken wordt vaak gebruikgemaakt van inteelt, en dan krijg je steeds meer homozygoten. − Er wordt vaak met dezelfde hengst gefokt. (1)

Tegenwoordig komen wilde paarden nog steeds voor. Dit zijn przewalskipaarden (Equus ferus przewalskii), die te vinden zijn in een nationaal park in Mongolië, in enkele dierentuinen, en in een aantal natuurgebieden. Drie uitspraken over de huidige przewalskipaarden en de huidige tamme paarden zijn:

1 Ze behoren tot dezelfde populatie.

2 Ze behoren tot dezelfde soort.

3 Ze behoren tot hetzelfde genus (geslacht).

Vraag 43 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 juist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Aya vindt op internet een evolutionaire stamboom van verschillende paardenrassen en de ezel (afbeelding 1).

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Aya doet de volgende uitspraken over deze stamboom:

1 De ezel is de voorouder van alle weergegeven paardenrassen.

2 Het przewalskipaard is van alle weergegeven paardenrassen het meest verwant aan de ezel.

3 De Franse draver is van alle weergegeven paardenrassen het meest verwant aan de Amerikaanse draver.

Vraag 44 2 punten

Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 1 onjuist 2 onjuist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)

Nierstenen in de bocht

De vader van Sem heeft last van nierstenen. Daarom zoekt Sem naar informatie over het voorkómen en behandelen ervan. Hierbij komt hij een artikel tegen van Amerikaanse wetenschappers die onderzochten of een ritje in de achtbaan helpt om nierstenen uit te plassen.

Nierstenen (afbeelding 1) ontstaan wanneer calciumzouten in de urine slecht oplossen en vervolgens kristallen vormen die steeds groter worden. Kleine nierstenen worden gewoon uitgeplast, maar grotere kunnen vast blijven zitten.

[afbeelding 1: zie het originele examen]

Calcium-ionen worden via de nieren uitgescheiden. Een aantal delen van het uitscheidingsstelsel die door een calcium-ion gepasseerd worden zijn:

1 blaas

2 glomerulus

3 nierbuisje

4 urinebuis

5 urineleider

6 verzamelbuisje

Vraag 45 1 punt

In welke volgorde passeert het calcium-ion deze delen op de kortste weg van de nierslagader tot en met het uitplassen? Noteer de nummers in de juiste volgorde.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • 2─3─6─5─1─4 (1)

De Amerikaanse wetenschappers maakten een siliconen model van de nier van iemand met nierstenen (afbeelding 2). In dit model werden nierstenen op die posities geplaatst die overeenkomen met de plaatsen waar ze zaten in de echte nier (aangegeven met zwarte stippen). Hierna werd het model gevuld met urine en vervolgens verpakt in een rugzak. De rugzak werd rechtop vastgezet op een stoel van een achtbaan-wagentje. Na een ritje werd gecontroleerd waar de nierstenen zich bevonden. Nierstenen die zich in het reservoir onder in het model bevonden, werden beschouwd als uitgeplast.

[afbeelding 2: zie het originele examen]

Vraag 46 2 punten

Met welk deel van de nier komt plaats P overeen? En plaats Q?

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Antwoord: A (2)

plaats P plaats Q

A niermerg nierbekken

B niermerg urineleider

C nierschors nierbekken

D nierschors urineleider

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

In tabel 1 staan de resultaten van het experiment. Aangegeven is hoeveel van het aantal geteste nierstenen na een rit in de achtbaan in het opvangreservoir terecht zijn gekomen (‘uitgeplast’). Er zijn verschillende formaten nierstenen getest.

[tabel 1: zie het originele examen] aantal uitgeplaste / aantal geteste nierstenen positie van grootte van de nierstenen de geteste nierstenen 5 mm3 14 mm3 65 mm3 totaal hoog 4/5 4/5 6 / 11 67% midden 3/7 2/6 1/2 40% laag 2/8 2/9 3/7 29% totaal 45% 40% 50% 45%

Vraag 47 1 punt

Wat is de afhankelijke variabele in dit onderzoek?

  1. A de positie van de geteste nierstenen
  2. B de grootte van de nierstenen
  3. C het aandeel uitgeplaste nierstenen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Over de resultaten van het onderzoek worden de volgende uitspraken gedaan:

1 Hoe groter een niersteen, hoe kleiner de kans dat hij wordt uitgeplast.

2 Hoe hoger een niersteen zich bevindt, hoe groter de kans dat hij wordt uitgeplast.

Vraag 48 2 punten

Welke uitspraak is juist?

  1. A geen van beide
  2. B alleen 1
  3. C alleen 2
  4. D zowel 1 als 2

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Biologie 2023, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/havo/documenten/cse-1/ha-1018-a-23-1-o

Andere examens biologie havo

Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie havo 2023, tijdvak 1?

Het centraal examen biologie havo 2023, tijdvak 1 loopt tot vraag 48. Van 43 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (11), bloedsomloop (7) en voortplanting (5).

Wat zijn de antwoorden van het examen biologie havo 2023, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie havo 2023, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/havo/documenten/cse-1/ha-1018-a-23-1-c).

Hoe oefen ik met het examen biologie havo 2023, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.