Eindexamen biologie havo 2022, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Alg doet oliepalm na, BerkelBike, Aantrekkingskracht van Portugese zonnedauw, Okselfris, Obesitas en diabetes type 2, GloFish®, Vaccinatie tegen mazelen, Gieren in gevaar.
Het centraal examen biologie havo 2022, tijdvak 1 loopt tot vraag 44. Van 42 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (8), zenuwstelsel en hormonen (8) en erfelijkheid (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Ecologie | 1, 15-17, 39-40, 43-44 | 8 |
| Zenuwstelsel en hormonen | 9-10, 13, 22, 24-25, 32, 34 | 8 |
| Erfelijkheid | 8, 26-29 | 5 |
| Planten en fotosynthese | 2, 5-6, 14 | 4 |
| Cellen | 3-4, 11-12 | 4 |
| Voeding en vertering | 7, 21, 23, 42 | 4 |
| Afweer | 19, 31, 36, 38 | 4 |
| Ademhaling | 33, 37 | 2 |
| Bloedsomloop | 35, 41 | 2 |
| Evolutie | 30 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens biologie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over zenuwstelsel en hormonen (19% van de vragen, gemiddeld 11%) en cellen (10% van de vragen, gemiddeld 3%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie havo 2022, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie havo 2022, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie havo 2022, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Alg doet oliepalm na
Door de aanleg van oliepalmplantages in afbeelding 1 Zuidoost-Azië gaan vele hectaren oerwoud verloren. Mede daarom wordt palmolie door milieu-organisaties als niet-duurzaam bestempeld. Voor onderzoeker Lenny de Jaeger (afbeelding 1) was dit een reden om op zoek te gaan naar een manier om olie te produceren met behulp van algen.
Palmolie wordt gewonnen uit de olierijke vruchten van de oliepalm en wordt gebruikt als ingrediënt van veel voedingsmiddelen en verzorgingsproducten, maar ook voor de productie van biodiesel. Olie geproduceerd door algen in kwekerijen in Nederland kan een duurzaam alternatief bieden voor palmolie.
Boskap leidt tot het verkleinen van leefgebied voor planten en dieren. Dit is een argument om het gebruik van palmolie vanuit ecologisch oogpunt niet-duurzaam te noemen.
Vraag 1 1 punt
Geef een ander argument waarom gebruik van olie van oliepalmplantages in Zuidoost-Azië vanuit ecologisch oogpunt minder duurzaam is dan gebruik van in Nederland geproduceerde algen-olie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- voorbeelden van een juist antwoord: − Op oliepalmplantages worden veel bestrijdingsmiddelen gebruikt. − De verwerking tot palmolie veroorzaakt veel CO2-uitstoot. − De bossen die worden gekapt zijn juist nodig om CO2 op te slaan. − Het produceren van olie in Nederland vermindert het gebruik van energie voor transport. (1)
De Jaeger vond een veelbelovende kandidaat: de eencellige alg Scenedesmus obliquus. Deze alg maakt monosachariden met behulp van zonlicht en zet die onder bepaalde omstandigheden om in zetmeel, aminozuren of vetzuren. De vetzuren kunnen worden gebruikt als grondstof voor de productie van plantaardige olie.
Vraag 2 1 punt
Hoe noemen we het proces dat de alg gebruikt voor het maken van vetzuren uit monosachariden?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Een van de risico’s bij de kweek van algen is besmetting met virussen, eencellige schimmels of eencellige dieren. Met een microscoop bekijkt De Jaeger een preparaat van een algenkweek en hij ziet dat de kweek is vervuild met een eencellig organisme.
Vraag 3 1 punt
Op grond van welk kenmerk kan De Jaeger vaststellen dat dit eencellig organisme tot de dieren behoort en niet tot de schimmels?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
De Jaeger ontwikkelde met behulp van mutagene straling een mutant van S. obliquus die geen zetmeel maakt. Hierdoor heeft deze mutant een efficiëntere vetzuurproductie en een hoger vetzuurgehalte. Wellicht produceert deze mutant voldoende vetzuren om te concurreren met de oliepalm. Het nadeel van deze alg is dat hij alleen in zoet water leeft. Voor grootschalige productie heeft een zoutwater-alg de voorkeur. Daarom deed De Jaeger vervolgonderzoek naar de alg Neochloris oleoabundans, die ook olie produceert en overleeft in zout water.
De kweekvloeistof voor N. oleoabundans bevat meer zouten dan de kweekvloeistof voor S. obliquus. Als de cellen van S. obliquus terechtkomen in de zoute kweekvloeistof voor N. oleoabundans treden veranderingen op.
Vraag 4 2 punten
Is de zoute kweekvloeistof hypertoon of hypotoon ten opzichte van de cellen van S. obliquus? En zullen de cellen van S. obliquus dan krimpen of zwellen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: A (2)
de zoute kweekvloeistof is de cellen zullen
A hypertoon krimpen
B hypertoon zwellen
C hypotoon krimpen
D hypotoon zwellen
Hoewel N. oleoabundans tot het plantenrijk behoort, is het mogelijk om deze alg zonder licht in een bioreactor te kweken. Er wordt dan glucose en nitraat toegevoegd aan de kweekvloeistof. Op deze manier kunnen de algen efficiënter vetzuren produceren. In een onderzoek werd N. oleoabundans gekweekt zonder licht. Elke dag werd van de populatie algen de populatiedichtheid en de biomassa bepaald. Van de kweekvloeistof werden de glucoseconcentratie en de nitraatconcentratie gemeten (afbeelding 2).
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Vraag 5 1 punt
Hebben de algen tijdens dit onderzoek een autotrofe levenswijze en/of een heterotrofe levenswijze?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Vraag 6 2 punten
Welke stof is de beperkende factor voor de toename van de algenpopulatie in de bioreactor? En uit welk gegeven in de grafiek is dit af te leiden?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: D (2)
beperkende factor af te leiden uit
A glucose het afnemen van de biomassa
B glucose het stabiliseren van de populatiedichtheid
C nitraat het afnemen van de biomassa
D nitraat het stabiliseren van de populatiedichtheid
Behalve vetzuren maakt N. oleoabundans ook aminozuren. De aminozuurproductie gaat ten koste van de vetzuurproductie. In een vervolgonderzoek werd daarom bepaald bij welke verhouding tussen koolstof en stikstof (C/N-verhouding) van de kweekvloeistof de meeste vetzuren geproduceerd werden.
Vraag 7 2 punten
Bevatten vetzuren meer of minder stikstof (N) dan aminozuren? En zullen er daardoor meer vetzuren ontstaan bij een hoge of bij een lage C/N- verhouding?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: C (2)
vetzuren bevatten meer vetzuren bij een
A meer stikstof hoge C/N-verhouding
B meer stikstof lage C/N-verhouding
C minder stikstof hoge C/N-verhouding
D minder stikstof lage C/N-verhouding
Door genetisch onderzoek weet De Jaeger welke genen verantwoordelijk zijn voor de zouttolerantie van de alg N. oleoabundans.
Vraag 8 1 punt
Beschrijf hoe met gebruik van deze kennis een zouttolerante S. obliquus kan worden ontwikkeld.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- In het antwoord moet zijn beschreven dat deze genen (die zouttolerantie bij N. oleoabundans veroorzaken) in het genoom/DNA van S. obliquus worden gebracht / dat deze genen met behulp van genetische modificatie in S. obliquus worden gebracht. (1)
BerkelBike
Door een auto-ongeluk is het ruggenmerg van Tobias dusdanig beschadigd dat hij zijn benen niet meer kan bewegen en voelen. Met de BerkelBike kan hij misschien toch weer fietsen.
De BerkelBike (afbeelding 1)
- met een afbeelding 1 trapsysteem voor handen en benen
- is in Nederland ontworpen voor mensen die net als Tobias de controle over hun benen kwijt zijn.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
De kliniek waar Tobias revalideert, beveelt hem de BerkelBike aan om zijn beenspieren in conditie te houden. Afbeelding 2 laat zien op welke plaats bij Tobias de beschadiging van het ruggenmerg (dwarslaesie) is opgetreden.
Om gebruik te maken van een BerkelBike moeten de zenuwen van het ruggenmerg naar de beenspieren nog functioneren. Om dit te controleren test een arts de reflexen van de benen. Met een hamertje tikt zij tegen de kniepees van Tobias, waarna spieren in Tobias’ dijbeen samentrekken.
Vraag 9 1 punt
Verklaar waardoor de dwarslaesie geen effect heeft op de kniepeesreflex.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan een antwoord als “Een reflex hoeft niet bewust aangestuurd te worden”, het scorepunt toekennen.
Voor een rit op de BerkelBike worden elektrodes op de huid van Tobias’ benen geplakt. De elektrodes wekken impulsen op in de zenuwen die zijn beenspieren aansturen. De software van de fiets regelt de timing waardoor de spieren op het juiste moment samentrekken.
Vraag 10 2 punten
In welk type zenuwcellen worden impulsen opgewekt door de elektrodes, zodat Tobias kan fietsen op de BerkelBike?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Tobias wil zijn spieren in conditie houden omdat hij hoopt ooit te genezen. Een dwarslaesie is nu nog niet te genezen omdat de beschadigde zenuwcellen niet vanzelf herstellen. Onderzoekers proberen nu ongedifferentieerde cellen van patiënten te laten uitgroeien tot zenuwcellen waarmee de beschadiging in het zenuwstelsel zou kunnen worden hersteld.
Vraag 11 1 punt
Noteer de naam van ongedifferentieerde cellen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- stamcellen (1)
Vraag 12 1 punt
Waarin verschillen zenuwcellen van de ongedifferentieerde cellen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
Bij zenuwen die buiten het ruggenmerg en de hersenen liggen, kunnen kleine beschadigingen wel worden hersteld. Onderzoekers ontdekten dat de cellen die de axonen omhullen, bij beschadiging groeistimulerende eiwitten produceren. Deze eiwitten stimuleren het herstel van de beschadigde axonen.
Vraag 13 2 punten
Hoe heten de cellen die deze groeistimulerende eiwitten maken? En bevinden deze cellen zich in het centraal of in het perifeer zenuwstelsel?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: B (2)
Aantrekkingskracht van Portugese zonnedauw
Aan de universiteit van Cádiz in Spanje onderzoekt Nils Bertol hoe de Portugese zonnedauw insecten aantrekt.
De Portugese zonnedauw (Drosophyllum afbeelding 1 lusitanicum, afbeelding 1) is een vleesetende plant die vóórkomt op droge bodems in het noorden van Marokko en het zuiden van Spanje en Portugal. De plant is voor zijn stikstofverbindingen afhankelijk van insecten. De insecten worden gevangen door de plakkerige uitscheidingsproducten van de klieren die zich op de lange bladeren bevinden. Andere klieren in het blad scheiden enzymen uit waardoor de insecten worden verteerd.
De bladcellen nemen het bij vertering ontstane ammonium op en gebruiken dit als bouwstof voor aminozuren. Deze aminozuren worden vervolgens via de vaatbundels getransporteerd naar andere delen van de plant.
Vraag 14 1 punt
Noteer via welk type vaten dit transport van aminozuren plaatsvindt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- bastvaten/zeefvaten (1)
De Portugese zonnedauw is ook voor bestuiving afhankelijk van insecten. Nils onderzocht of de insectensoorten die Portugese zonnedauw bestuiven ook door de plant worden gevangen. Hij observeerde bloeiende Portugese zonnedauw en noteerde welke insectensoorten de meeldraden en stempel aanraakten en welke insectensoorten door de bladeren werden gevangen.
Met de tellingen kan worden bepaald: a het aantal soorten dat zowel bestuiver als prooi is b het aantal soorten dat alleen bestuiver is c het aantal soorten dat alleen prooi is
Met deze waarden kan worden berekend in welke mate de bestuivende insecten ook als prooi dienen. Dit wordt de similariteit tussen prooien en bestuivers genoemd. Dit getal wordt berekend met de onderstaande formule.
Een similariteit van 1 betekent dus dat alle bestuivers van de plant ook prooi voor deze plant zijn.
In tabel 1 staan de gegevens van de tellingen. Het was niet mogelijk om alle insecten op soort te determineren. Ga er bij het beantwoorden van vraag 15 van uit dat elke regel in de tabel één soort weergeeft.
[tabel 1: zie het originele examen] waargenomen insecten als bestuiver als prooi insectensoort (aantal) (+ = aanwezig,
– = afwezig) 1. Panurgus sp. 39
- 2. Halyctus scabiosae 9
- 3. Panurgus cephalotes 4
- 4. Panurgus banksianus 2
- 5. Andrena sp. 2
- 6. Dasypoda hirtipes 1
- 7. Formicidae 0 + 8. Enicopus sp. 86 + 9. Oxythyrea funesta 3
- 10. Omaloplia sp. 2
- 11. Elateridae 0 + 12. Lagria sp. 0 + 13. Curculionidae 0 + 14. Coccinellidae 0 + 15. Drosophila sp. 0 + 16. Usia sp. 2
- 17. Episyrphus sp. 1 + 18. Eristalis sp. 1 + 19. Eupeodes sp. 0 + 20. Acalyptratae 0 + 21. Anthomyiidae 0 + 22. Siphona sp. 0 + 23. Bombylella atra 0 + 24. Nephrotoma sp. 0 + 25. Microlepidoptera 0 + 26. Aphididae 0 + 27. Chrysopidae 0 +
Vraag 15 2 punten
− Bepaal aan de hand van de gegevens in tabel 1 de waarden van a, b en c (pagina 8) en noteer deze waarden.
- Bereken de similariteit tussen de prooien en de bestuivers van de Portugese zonnedauw. Noteer je berekening en geef je antwoord in twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- voor a, b en c juist (1)
- voor het juist toepassen van de formule van similariteit met een antwoord in twee decimalen dat past bij de genoteerde waarden voor a, b en c (1)
Uit tabel 1 blijkt dat sommige soorten zowel bestuiver als prooi zijn.
Vraag 16 1 punt
Verklaar dat het voor de zonnedauw als soort een nadeel is als dezelfde insectensoort zowel bestuiver als prooi is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat als de zonnedauw de bestuivers ‘eet’ er een kleinere kans is op bestuiving/bevruchting/voorplanting. (1)
Een onderzoeker in Nederland wil een vervolg-experiment doen met de Portugese zonnedauw. Hij doet deze proeven in een afgesloten plantenkas in verband met de risico’s van het introduceren van een exoot.
Vraag 17 1 punt
Beschrijf een risico voor inheemse planten als gevolg van het introduceren van Portugese zonnedauw in Nederland.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- voorbeelden van een juist antwoord: − Inheemse planten worden weggeconcurreerd. − Bestuivers van inheemse planten worden weggevangen. − De Portugese zonnedauw kan een ziekte bij zich dragen. (1)
Okselfris
Chris Calewaert raakte tijdens zijn opleiding tot biotechnologisch ingenieur gefascineerd door okselgeur. Op een morgen werd hij wakker met een zeer onprettige geur, ondanks dat hij zich de avond ervoor nog goed had gewassen. Andere okselbacteriën hadden de overhand gekregen, mogelijk doordat hij in het bed van iemand anders had geslapen en zo met deze bacteriën in contact was gekomen.
Zweetklieren in de oksels scheiden behalve water en zouten ook organische stoffen uit. Deze organische stoffen zijn een voedingsbodem voor bacteriën. Ondanks dat iedereen dezelfde stoffen uitscheidt bij het zweten, kan de geur van zweet erg verschillen. De geur is afhankelijk van de soorten bacteriën die op je huid vóórkomen. In de levensgemeenschap van bacteriën in de oksel is meestal één geslacht dominant. Vaak is dat Staphylococcus, soms is dat Corynebacterium. Deze laatste produceert stinkende gassen bij de afbraak van organische stoffen.
Ook Chris bleek last te hebben van Corynebacterium. Hij veronderstelde dat als Corynebacterium opeens zijn oksels kan koloniseren, andere bacteriën die géén stinkende stoffen produceren dat ook kunnen doen. Om dit te onderzoeken ontwierp hij een experiment.
Chris vroeg proefpersonen zich afbeelding 1 enkele dagen niet te wassen, geen deodorant te gebruiken en gedurende die tijd wattenschijfjes onder hun oksels te dragen. Een geurpanel beoordeelde vervolgens de okselgeur bij de personen zelf (afbeelding 1), en de geur van de wattenschijfjes zonder dat de proefpersonen erbij waren.
Vraag 18 1 punt
Licht toe waarom de geurtest meer valide is als het geurpanel aan de wattenschijfjes ruikt in plaats van aan de oksels zelf.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Uit het antwoord moet blijken dat er bij het gebruik van wattenschijfjes andere variabelen geen rol spelen.
Voor het vervolg van zijn onderzoek
- het transplanteren van oksel- bacteriën
- selecteerde Chris proefpersonen bij wie Corynebacterium domineerde in de oksel. Voor elke proefpersoon zocht hij een familielid zonder slechte okselgeur als bacteriedonor. Deze donor mocht een week de oksels niet wassen en moest gedurende deze week wattenschijfjes onder de oksels dragen. Deze wattenschijfjes werden vervolgens een week gedragen door de proefpersoon, om zo te proberen de okselbacteriën te transplanteren. Om de transplantatie succesvol te laten zijn, werden de oksels van de proefpersonen drie dagen voor de transplantatie behandeld met een antibioticum.
Vraag 19 2 punten
Leg uit hoe de antibioticumbehandeling bijdraagt aan een succesvolle transplantatie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- door het antibioticum bacteriën (van de ontvanger) worden gedood (1)
- (waardoor) er minder concurrentie is voor de bacteriën die getransplanteerd worden (1)
Chris kwam uiteindelijk van zijn stinkende okselgeur af doordat hij een oud T-shirt is gaan dragen dat hij vaak aan had gehad tijdens het klussen. Door deze waarneming kreeg Chris ideeën voor vervolgonderzoek. Waarschijnlijk zaten er nog oude okselbacteriën in het shirt, ondanks dat het vaak gewassen was. Een mogelijke onderzoeksvraag is: Wat is het effect van het gebruik van wasmiddel tijdens het wassen van kleding op het overleven van bacteriën van het geslacht Corynebacterium?
Vraag 20 3 punten
− Beschrijf een onderzoeksopzet die past bij deze onderzoeksvraag.
- Noteer welke meting daarbij moet worden uitgevoerd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeeld van een juist antwoord: Je maakt twee groepen kleding (van mensen) met Corynebacterium. Je bepaalt hoeveel bacteriën hierin aanwezig zijn. De ene groep was je met wasmiddel, de andere groep zonder wasmiddel bij hetzelfde wasprogramma. Daarna bepaal je weer hoeveel bacteriën aanwezig zijn.
Obesitas en diabetes type 2
Diabetes type 2 is een welvaartsziekte die in steeds meer landen veel voorkomt. Onderzoek toont aan dat voedingspatroon en erfelijke factoren een rol spelen in het ontwikkelen van deze aandoening.
Patiënten met diabetes type 2 maken wel insuline aan, maar de gevoeligheid van hun cellen voor insuline neemt af. De symptomen van diabetes type 2 zijn onder andere vermoeidheid en dorst. Na verloop van tijd kan schade aan bloedvaten ontstaan.
Bij het ontstaan van diabetes type 2 zijn veranderingen op verschillende organisatieniveaus waar te nemen. Veranderingen zijn:
1 De opname van glucose uit het bloed door de cellen vermindert.
2 De hersenstam registreert een hoge osmotische waarde van het bloed.
3 De patiënt gaat veel drinken.
4 Receptoren voor insuline worden minder gevoelig.
Vraag 21 2 punten
− Noteer de nummers 1 tot en met 4 in de juiste volgorde van oorzaak naar gevolg onder elkaar.
- Noteer achter elk nummer op welk organisatieniveau de betreffende verandering is beschreven. Kies uit molecuulniveau, celniveau, orgaanniveau en organismeniveau. Gebruik elk niveau één keer.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
4 molecuulniveau
1 celniveau
2 orgaanniveau
3 organismeniveau
Bij patiënten met onbehandelde diabetes type 2 wordt niet alle glucose uit de voorurine opgenomen. Als gevolg hiervan produceren de patiënten veel urine.
Vraag 22 2 punten
Wat is de oorzaak van deze toegenomen urineproductie?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
In sommige families ontwikkelen opeenvolgende generaties diabetes type 2. Omdat zowel voedingspatroon (dieet) als erfelijke factoren een rol spelen, is het lastig vast te stellen hoe groot de rol van deze factoren afzonderlijk is. Amerikaanse wetenschappers hebben bij ratten de invloed van het dieet op de glucoseconcentratie in het bloed onderzocht. Mannelijke ratten die genetisch vrijwel identiek waren, werden gevoed met een normaal of met een vetrijk dieet (VRD). De VRD-ratten ontwikkelden obesitas (ernstig overgewicht). Beide groepen kregen, na een periode zonder eten en drinken, een glucosedrankje te drinken (tijdstip 0). Daarna werden de veranderingen in de concentratie glucose (afbeelding 1, diagram 1) en in de concentratie insuline (afbeelding 1, diagram 2) in het bloed bepaald.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Naar aanleiding van afbeelding 1 worden de volgende uitspraken gedaan:
1 Als gevolg van de insulineafgifte stijgt de glucoseconcentratie.
2 Het dieet van een rat heeft invloed op de regulatie van de glucoseconcentratie.
Vraag 23 2 punten
Welke uitspraak is juist?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Beide groepen kregen een dag later een hoeveelheid insuline ingespoten. Het diagram in afbeelding 2 geeft de veranderingen weer van de glucoseconcentratie in het bloed na inspuiting van insuline op tijdstip 0.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Vraag 24 2 punten
Leg uit hoe uit afbeelding 2 is af te leiden dat de VRD-ratten diabetes type 2 hebben.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (na inspuiting van insuline) bij VRD-ratten de glucoseconcentratie minder snel afneemt / (ongeveer) gelijk blijft (1)
- (hieruit blijkt dat) (de cellen van) de ratten niet/nauwelijks gevoelig zijn voor insuline / hun cellen geen/nauwelijks glucose opnemen (wat een kenmerk is van diabetes type 2) (1)
De mannetjesratten uit beide dieetgroepen werden gekruist met vrouwtjes die een normaal dieet hadden. De nakomelingen werden onderzocht op verschillende eigenschappen. Het geboortegewicht van de jongen bleek nauwelijks te verschillen in de twee groepen. De glucoseregulatie van de vrouwelijke nakomelingen van de VRD-vaderratten was wel verstoord. De genexpressie in de cellen van de eilandjes van Langerhans bleek bij deze vrouwtjes afwijkend te zijn.
De onderzoekers toonden verschillen in genexpressie aan door de hoeveelheid van bepaalde organische stoffen te meten.
Vraag 25 1 punt
Van welk type stoffen hebben zij de concentratie gemeten?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Vraag 26 1 punt
Wat is de meest voor de hand liggende oorzaak van de verschillen tussen de nakomelingen van vaderratten met een vetrijk dieet en de nakomelingen van vaderratten met een normaal dieet?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
GloFish®
Tijdens Adrianna’s uitwisselingsjaar in Minnesota (VS) doet zij op haar highschool genetica-experimenten met GloFish®.
De GloFish® zijn zebravissen (Danio rerio, afbeelding 1 afbeelding 1) die transgeen zijn gemaakt doordat aan een bevruchte eicel een of meer genen voor een fluorescerend eiwit zijn toegevoegd. Deze genen zijn afkomstig uit kwallen of zeeanemonen die van nature fluorescerend eiwit maken. Zo’n gen van een ander organisme, een transgen, wordt dan op een willekeurige plaats in het genoom van de zebravis ingebouwd. Er zijn inmiddels GloFish® in de fluorkleuren groen, rood, geel, blauw en oranje.
De transgenen komen alleen tot expressie in de spiercellen van de zebravis en niet in andere celtypen. Daardoor zijn de fluorescerende eiwitten alleen in de spiercellen aanwezig. De makers van de GloFish® hadden er met een iets andere aanpak voor kunnen kiezen om de fluorescerende eiwitten in de huidcellen te laten aanmaken. Toch hebben ze dat niet gedaan, omdat dit de fluorescentie zou verminderen. Leerlingen in Adrianna’s klas doen hierover de volgende uitspraken:
1 Doordat huidcellen andere aminozuren bevatten, zou de fluorescentie minder sterk zijn.
2 Doordat huidcellen zich vaker delen dan spiercellen zou de eigenschap fluorescentie verloren gaan.
3 Doordat huidweefsel van de zebravis minder dik is dan spierweefsel zou de fluorescentie in de huid minder sterk zijn.
Vraag 27 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Op Adrianna’s highschool hebben ze de volgende vissen:
- niet-transgene, lichtgrijze zebravissen
- rode GloFish® die homozygoot zijn voor het transgen dat codeert voor rood fluorescerend eiwit
- gele GloFish® die homozygoot zijn voor het transgen dat codeert voor geel fluorescerend eiwit
- oranje GloFish® met een onbekend genotype
De leerlingen moeten de volgende hypothese toetsen: de aanwezigheid van één transgen voor rood fluorescerend eiwit is voldoende om rood tot expressie te laten komen.
Vraag 28 2 punten
− Noteer de kruising die het meest geschikt is om dit te toetsen.
- Noteer het fenotype van de nakomelingen die ontstaan als de hypothese juist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- Je kruist een (homozygoot) rood mannetje met een grijs vrouwtje. Als één transgen voor rood voldoende is, zullen alle nakomelingen rood zijn.
- Een kruising tussen een rode GloFish® en een gewone vis. Als de hypothese juist is dan is de F1 rood.
Opmerkingen
- Als de kandidaat antwoordt dat een rode vis met een gele vis moet worden gekruist, het eerste scorepunt toekennen.
- Als de kandidaat uitgaat van een kruising tussen een rode vis en een gele vis, het tweede scorepunt toekennen voor het antwoord alle nakomelingen zijn rood / alle nakomelingen zijn oranje.
Een tweede hypothese is dat oranje vissen zowel het transgen voor rood als het transgen voor geel dragen. Om dit te toetsen kruist Adrianna een rood GloFish®-mannetje en een geel GloFish®-vrouwtje. Alle nakomelingen uit deze kruising zijn oranje. De docent legt uit dat dit het gevolg is van twee genen die samen een eigenschap bepalen. Het transgen voor rood ligt op een ander chromosoom dan het transgen voor geel. In afbeelding 2 zijn de chromosomen P, Q, R en S weergegeven. Het transgen voor rood bevindt zich op chromosoom Q, dat voor geel op chromosoom S.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Vraag 29 2 punten
Welke combinatie van chromosomen hebben de vissen die worden gekruist bij het onderzoek naar de tweede hypothese?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: C (2)
rood mannetje geel vrouwtje
A PPQQ PPSS
B PPQQ RRSS
C QQRR PPSS
D QQRR RRSS
Zebravissen komen van nature voor in Zuidoost-Azië. Een klasgenoot vraagt zich af wat er zou gebeuren als een rood GloFish®-vrouwtje uitgezet zou worden op een plaats waar zebravissen van nature vóórkomen. Volgens Adrianna is, als gevolg van selectie, de kans heel klein dat uit de uitgezette GloFish® een populatie fluorescerende zebravissen zal ontstaan in de natuurlijke omgeving.
Vraag 30 2 punten
− Licht met een voorbeeld toe hoe natuurlijke selectie kan voorkómen dat een populatie fluorescerende zebravissen ontstaat.
- Licht met een voorbeeld toe hoe seksuele selectie kan voorkómen dat een populatie fluorescerende zebravissen ontstaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord bij natuurlijke selectie:
- De GloFish® valt meer op voor predatoren.
- Hij kan moeilijker prooien vangen.
- Het maken van het fluorescerend eiwit kost extra energie.
voorbeelden van een juist antwoord bij seksuele selectie:
- Een ‘gewone’ zebravis zal niet willen paren met GloFish®.
- Een gewone zebravis zal voorkeur hebben voor een gewone zebravis.
Opmerking Als de kandidaat als voorbeeld van natuurlijke selectie geeft dat gloeien energie kost, het eerste scorepunt toekennen.
Vaccinatie tegen mazelen
Irene heeft een dochtertje van één jaar, Kiki. Kiki is tegen een aantal ziekten gevaccineerd, waaronder polio. Afgelopen week heeft Irene de uitnodiging gekregen om Kiki te laten vaccineren tegen de bof, mazelen en rodehond. Irene twijfelt. Is het echt nodig om Kiki in te enten tegen mazelen? Ze zoekt op internet naar informatie en raadpleegt haar huisarts.
Het vaccin tegen polio bevat virusfragmenten, het vaccin tegen mazelen bevat verzwakte virussen.
Vraag 31 2 punten
Van welke vorm van immunisatie is er sprake bij poliovaccinatie? En van welke vorm van immunisatie is er sprake bij mazelenvaccinatie?
Bekijk het antwoord
- Antwoord: A (2)
vorm immunisatie vorm immunisatie bij poliovaccinatie bij mazelenvaccinatie
A actief actief
B actief passief
C passief actief
D passief passief
Irene leest dat mazelen een zeer afbeelding 1 besmettelijke ziekte is. Het virus wordt overgedragen door de lucht via druppeltjes vocht die een mazelenpatiënt verspreidt bij het uitademen, hoesten en vooral bij het niezen (afbeelding 1).
Een nies is een reflex die ontstaat door prikkeling van het neusslijmvlies.
Vraag 32 1 punt
Via welk deel van het zenuwstelsel verloopt de niesreflex?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Door de reflex worden ademhalingsspieren, waaronder de binnenste tussenribspieren, krachtig samengetrokken. Hierdoor wordt lucht met druppeltjes vocht uitgestoten.
Vraag 33 2 punten
Trekken ook de buikspieren en/of de middenrifspieren samen tijdens het uitstoten van lucht?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Als iemand druppeltjes met mazelenvirus inademt, kunnen de virussen dekweefselcellen in de luchtwegen infecteren. De virussen worden in de dekweefselcellen vermenigvuldigd en komen vervolgens vrij. Deze virussen binden ook aan receptoren op het membraan van macrofagen die zich in de luchtwegen bevinden.
Vraag 34 1 punt
Tot welke groep organische stoffen behoort een receptor?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
Het mazelenvirus wordt niet afgebroken door de macrofaag. De macrofaag brengt het virus naar een dichtbijgelegen lymfeknoop, waar lymfocyten worden geïnfecteerd met het virus. De geïnfecteerde lymfocyten reizen vervolgens via lymfevaten en bloedvaten door het lichaam en bereiken onder andere de milt, waar nog meer lymfocyten worden geïnfecteerd met het virus. Hierdoor wordt het afweersysteem ernstig verstoord.
Een geïnfecteerde lymfocyt komt vanuit het lymfevatensysteem bij de sleutelbeenader in de bloedsomloop. Een aantal bloedvaten zijn:
1 aorta
2 bovenste holle ader
3 longader
4 longslagader
5 miltader
6 miltslagader
7 onderste holle ader
Vraag 35 1 punt
Door welke van deze bloedvaten gaat de geïnfecteerde lymfocyt op de kortste weg vanuit de sleutelbeenader tot aan de milt? Noteer de betreffende nummers in de juiste volgorde.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 2─4─3─1─6 (1)
De huisarts vertelt Irene dat een kind met mazelen hoge koorts kan krijgen en een grotere kans heeft op bacteriële infecties, zoals ontstekingen van de bronchiolen. Dit komt doordat het mazelenvirus de beschermende werking van het dekweefsel van de luchtwegen vermindert.
Vraag 36 2 punten
− Noteer een beschermende eigenschap van het dekweefsel van de luchtwegen.
- Licht toe hoe deze eigenschap beschermt tegen een bacteriële infectie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- Trilharen; deze verwijderen slijm met bacteriën.
- Het dekweefsel vormt een aaneengesloten laag. Daar kunnen bacteriën moeilijk doorheen dringen.
- De cellen produceren slijm dat de bacteriën vangt.
- Slijm bevat lysozymen die bacteriën doden.
In afbeelding 2 zijn vier onderdelen van de luchtwegen met letters aangegeven.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Vraag 37 1 punt
Noteer de letter die een bronchiole aangeeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (letter) R (1)
Het mazelenvirus infecteert ook de geheugencellen van het afweersysteem. Als deze geïnfecteerde geheugencellen worden vernietigd door het afweersysteem, gaat een deel van het immunologisch geheugen verloren. Kinderen die mazelen hebben gehad lopen hierdoor in de twee jaar daarna een grotere kans om andere infectieziektes te krijgen.
Vraag 38 2 punten
Welke cellen vormen het immunologisch geheugen? En behoren deze cellen tot de aangeboren (niet-specifieke) afweer of tot de verworven (specifieke) afweer?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Antwoord: B (2)
Gieren in gevaar
In Afrika is de populatiegrootte van de meeste gierensoorten in vijftig jaar met meer dan tachtig procent afgenomen. Belangrijkste oorzaak is de mens, die de vogels bejaagt en vergiftigt. De afname heeft gevolgen voor de ecosystemen waarvan de vogels deel uitmaken.
Gieren zoals de witruggier afbeelding 1 (afbeelding 1) zijn aaseters. Ze scheuren het lichaam van een dood dier (kadaver) open, steken hun kop in het lichaam en vreten de ingewanden, spieren, pezen, huid en zelfs de botten op. Het eten van kadavers is riskant. Kadavers zijn broedplaatsen van bacteriën die infectieziekten kunnen veroorzaken.
Gieren en bacteriën die van het kadaver leven, spelen een rol in de kringloop van stoffen. In afbeelding 2 is een kringloop van stoffen vereenvoudigd weergegeven.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
In de genummerde vakken van afbeelding 2 ontbreken de woorden consumenten, producenten en reducenten.
Vraag 39 2 punten
Tot welk vak behoren de bacteriën die van het kadaver leven? En tot welk vak behoren de gieren? Noteer je antwoord als volgt: bacteriën: vak … gieren: vak …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- (bacteriën: vak) 3 (1)
- (gieren: vak) 2 (1)
Een witruggier heeft een kale kop. Sommige biologen denken dat dit een aanpassing is aan hun manier van voeden.
Vraag 40 2 punten
Beredeneer hoe een kale kop daarbij de overlevingskans kan vergroten.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- Bij een gier met een kop met veren blijft bloed tussen de veren kleven, waardoor de kans op een infectie groter is.
- Met veren zou een gier veel tijd moeten besteden aan poetsen. In die tijd kan hij geen voedsel zoeken.
- Door de afwezigheid van veren kan een gier zijn kop gemakkelijker bewegen in het dode dier, waardoor hij meer voedsel kan bemachtigen.
Andere biologen denken dat de kale kop dient voor temperatuurregulatie. Gieren kunnen namelijk niet zweten, waardoor de temperatuur van de romp te hoog zou kunnen worden.
Vraag 41 2 punten
Beschrijf hoe de warmte van de romp kan worden afgevoerd via de kop.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- de warmte (van de romp) met het bloed wordt getransporteerd naar de (huid van de) kop (1)
- (door afwezigheid van veren) daar de warmteafgifte groot is / daar weinig isolatie is (1)
Gieren hebben maagzuur met een extreem lage pH.
Vraag 42 2 punten
Leg uit dat dit functioneel is bij de voedingswijze van gieren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- (gieren botten eten en) bot/kalk oplost in maagzuur (1p)
- (waardoor) voedingstoffen verteerd/opgenomen kunnen worden / gieren meer energie/bouwstoffen hebben (1p)
De sterke afname van het aantal gieren in Afrika wordt mede veroorzaakt doordat boeren aas neerleggen met daarin persistent gif. Hiermee doden ze roofdieren die een bedreiging vormen voor hun vee. De gier eet van het vergiftigde aas en van de vergiftigde roofdieren. Nadat gifstoffen opgegeten zijn door de gier, kunnen ze:
1 terechtkomen in het bloed
2 terechtkomen in de gal
3 terechtkomen in de voorurine
4 terechtkomen in levercellen
Vraag 43 2 punten
Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende proces wel of niet kan bijdragen aan ophoping van de persistente gifstof in het lichaam van de gier.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 niet 3 niet 4 wel indien vier nummers correct (2) indien drie nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)
Gieren zijn niet de enige gewervelden die dode dieren opeten. Ook zoogdieren zoals hyena’s, jakhalzen en wilde honden zijn aaseters. Het gedrag van deze zoogdieren is vergeleken in situaties met gieren en situaties zonder gieren. Onderzocht is hoeveel individuen van een kadaver eten en hoelang ze daarmee bezig zijn. Ook is onderzocht hoe snel het kadaver geheel afgebroken is. De resultaten van dit onderzoek staan in afbeelding 3.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
Onderzoekers denken dat een sterke afname van het aantal gieren tot een toename van infectieziekten bij aasetende zoogdieren kan leiden.
Vraag 44 2 punten
− Noteer aan de hand van afbeelding 3 een verandering die zal optreden als er steeds minder gieren zijn in een gebied.
- Verklaar hoe deze verandering kan leiden tot een toename van de verspreiding van infectieziekten onder aaseters.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- Er eten meer individuen van het kadaver, waardoor de bacteriën bij meer individuen terechtkomen.
- Omdat er meer dieren bij het kadaver zijn, is de kans op onderlinge besmetting groter.
- De hyena’s, jakhalzen en wilde honden verblijven langer bij het karkas bij afwezigheid van gieren, waardoor de kans op contact met ziekteverwekkende bacteriën groter is.
- Het dode dier blijft langer liggen, waardoor het aantal bacteriën zal toenemen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Biologie 2022, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-1/ha-1018-a-22-1-o
Andere examens biologie havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie havo 2022, tijdvak 1?
Het centraal examen biologie havo 2022, tijdvak 1 loopt tot vraag 44. Van 42 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (8), zenuwstelsel en hormonen (8) en erfelijkheid (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen biologie havo 2022, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie havo 2022, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-1/ha-1018-a-22-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen biologie havo 2022, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.