Eindexamen biologie havo 2022, tijdvak 3: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: IJskoud de beste?, Mangrove in Arnhem, Bijziendheid, een groeiend probleem, Stamceldonatie, Regenwormen voor vogels en planten, Leven zonder milt, Essentaksterfte.
Het centraal examen biologie havo 2022, tijdvak 3 loopt tot vraag 46. Van 43 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (13), bloedsomloop (9) en zenuwstelsel en hormonen (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Ecologie | 11-14, 16, 29, 31-34, 44-46 | 13 |
| Bloedsomloop | 1-2, 5-8, 35-37 | 9 |
| Zenuwstelsel en hormonen | 4, 17-19, 38 | 5 |
| Afweer | 22, 25, 39-40 | 4 |
| Cellen | 9, 23, 27 | 3 |
| Planten en fotosynthese | 41-43 | 3 |
| Voeding en vertering | 3, 28 | 2 |
| Ademhaling | 10 | 1 |
| Evolutie | 15 | 1 |
| DNA en eiwitsynthese | 24 | 1 |
| Erfelijkheid | 26 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens biologie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over bloedsomloop (21% van de vragen, gemiddeld 9%) en ecologie (30% van de vragen, gemiddeld 23%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie havo 2022, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie havo 2022, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie havo 2022, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
IJskoud de beste?
Brandon traint voor het lopen van halve marathons. Als student sportkunde is hij regelmatig proefpersoon voor allerlei metingen aan zijn lichaam (afbeelding 1).
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Tijdens een halve marathon gebruikt Brandon een afbeelding 2 meetpil en een smartwatch om informatie te verzamelen over de werking van zijn lichaam. Hij heeft de meetpil voor de wedstrijd ingeslikt, zodat de pil zich tijdens de wedstrijd in zijn darmen bevindt. De meetpil (afbeelding 2) bevat een sensor die voortdurend de lichaamstemperatuur meet en doorgeeft aan de smartwatch. Tijdens de wedstrijd meet de smartwatch ook Brandons hartslag. Na de wedstrijd verlaat de meetpil het lichaam met de ontlasting.
Het verteringsstelsel bestaat uit onder andere de volgende organen:
1 alvleesklier
2 dikke darm
3 dunne darm
4 endeldarm
5 lever
6 maag
7 slokdarm
Vraag 1 2 punten
Door welke organen is de meetpil achtereenvolgens gegaan? Noteer de nummers van die organen in de juiste volgorde.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 7–6–3–2–4 indien alleen de vijf juiste nummers in de juiste volgorde (2) indien alleen de vijf juiste nummers in een onjuiste volgorde (1) indien de vijf juiste nummers in de juiste volgorde en één of twee onjuiste nummers (1) indien alleen vier juiste nummers in de juiste volgorde (1) in alle andere gevallen (0) (2)
De meetresultaten tijdens het lopen zijn weergegeven in afbeelding 3. Op de assen ontbreekt de aanduiding van de grootheden en de eenheden.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
Vraag 2 2 punten
Welke grootheid en eenheid horen bij de y-as? Noteer je antwoord als volgt: grootheid: … eenheid: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Bij een verwisseling van bovengenoemde grootheid en eenheid, in totaal 1 scorepunt toekennen.
- Aan het antwoord ‘grootheid: temperatuur; eenheid: graden Celsius’, 1 scorepunt toekennen.
- Aan een andere tijdsaanduiding dan per minuut het tweede scorepunt niet toekennen.
Na 1 uur en 25 minuten passeert Brandon verhit en zwetend de finish.
Vraag 3 1 punt
Noteer de naam van het stofwisselingsproces waardoor de meeste warmte in zijn lichaam is ontstaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan het antwoord ‘ATP-omzetting (bij spiercontractie)’, het scorepunt toekennen.
Mede doordat Brandons lichaamstemperatuur tijdens het hardlopen steeds hoger werd, ging zijn hart steeds sneller kloppen. Afbeelding 4 geeft dit proces vereenvoudigd weer. Op drie plaatsen in dit schema (bij 1, 2 en 3) moet nog een keuze worden gemaakt.
[afbeelding 4: zie het originele examen]
Vraag 4 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter welke keuzemogelijkheid bij elk nummer ingevuld moet worden, zodat een juiste verklaring ontstaat voor het stijgen van de hartslagfrequentie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 wordt overschreden 2 groter 3 daalt indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Brandon weet dat zijn prestatie minder wordt als zijn lichaamstemperatuur te ver oploopt. Om het moment waarop oververhitting optreedt uit te stellen, doen sommige sporters aan ‘voorkoelen’: ze eten voor de start van een wedstrijd een liter geschaafd waterijs. Terwijl het ijs smelt in de mond, wordt warmte aan het lichaam onttrokken. Daardoor daalt de lichaamstemperatuur met ongeveer een halve graad. Er zijn mensen die na het eten van een liter geschaafd ijs korte tijd last krijgen van een hartritmestoornis. De koude vloeistof in de slokdarm veroorzaakt afkoeling van een deel van het hart en daarmee wordt de elektrische geleiding van de boezems beïnvloed. De impulsgeleiding verloopt dan chaotisch en ongecontroleerd, waardoor de boezems niet meer effectief samentrekken (boezemfibrilleren). De kamers trekken bij boezemfibrilleren nog wel gecoördineerd samen.
Vraag 5 1 punt
Noteer de naam van de groep cellen die de impulsen in het hart opwekt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan het antwoord ‘cellen van het autonome zenuwstelsel’, geen scorepunt toekennen.
Een symptoom van boezemfibrilleren is een daling van de bloeddruk.
Vraag 6 2 punten
Beredeneer hoe boezemfibrilleren kan leiden tot een daling van de bloeddruk.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- (boezems minder effectief samentrekken waardoor) de kamers minder worden gevuld / minder bloed van boezems naar kamers stroomt (1)
- (waardoor er per samentrekking) minder bloed wordt rondgepompt / minder bloed in de slagader(s)/aorta wordt gepompt (waardoor de bloeddruk daalt) (1)
Op de universiteit experimenteert Brandon op een loopband met voorkoelen terwijl zijn hartcyclus wordt gemonitord. Hij volgt zijn ecg (elektrocardiogram) op een monitor terwijl hij rustig loopt (afbeelding 5).
[afbeelding 5: zie het originele examen]
Vraag 7 1 punt
Welk van de onderstaande ecg’s zou hij kunnen hebben als er sprake is van boezemfibrilleren?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: B (1)
A
B
C
Brandon is goed getraind: zijn hart heeft daardoor een groter slagvolume gekregen. Hierdoor is de periode dat de kamers ontspannen zijn (kamerdiastole) langer. Dit leidt tot een betere doorbloeding van de hartspier. Drie beweringen over het hart zijn:
1 Bij een langere kamerdiastole is er een lagere hartslagfrequentie in rust.
2 Bij een langere kamerdiastole staan de slagaderkleppen langer open.
3 Door de betere doorbloeding van de hartspier krijgt de hartspier meer zuurstof.
Vraag 8 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende bewering juist of onjuist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 juist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Mangrove in Arnhem
In 2017 werd in Burgers’ Zoo afbeelding 1 in Arnhem de Mangrove geopend (afbeelding 1). De hal is gemaakt naar voorbeeld van de mangrovebossen in Belize in Midden-Amerika. Willeke Huizinga monitort de biotische en abiotische factoren in deze hal.
[afbeelding 2: zie het originele examen] Mangrovebossen komen voor aan tropische kusten op plaatsen waar weinig golfslag is. Veel bomen hebben er kenmerkende steltwortels (afbeelding 2), waartussen fijn slib uit rivieren kan bezinken. De bomen in Burgers’ Mangrove groeien op een moddervlakte die tweemaal per etmaal overspoeld raakt met kunstmatig zeewater.
Om zich te beschermen tegen het zoute zeewater nemen mangrovebomen ionen op door selectief transport. Transport van ionen uit de bodem naar het transportweefsel in de wortels van planten kan op twee manieren plaatsvinden:
1 door de wortelcellen heen
2 tussen de wortelcellen door
Vraag 9 2 punten
Welke manier van transport van ionen is selectief? En is het zeewater hypertoon of hypotoon ten opzichte van de wortelcellen van mangrovebomen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: A (2)
selectief transport zeewater
A manier 1 hypertoon
B manier 1 hypotoon
C manier 2 hypertoon
D manier 2 hypotoon
Sommige soorten mangrovebomen hebben ademwortels (afbeelding 3); dit zijn delen die vanuit de wortels omhoog groeien en boven de bodem uitsteken.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
Dankzij de ademwortels kunnen mangrovebomen voldoende opnemen van een gasvormige stof die in ondergrondse delen van de plant nodig is.
Vraag 10 1 punt
Welke gasvormige stof is dat?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
In het zoute water in de Arnhemse mangrovehal leven mangrovekwallen (afbeelding 4) en degenkrabben (afbeelding 5).
afbeelding 4 afbeelding 5
Mangrovekwallen, die ondersteboven op de modderbodem liggen, hebben een mutualistische relatie met bepaalde algen. De algen leven beschermd in de tentakels van de kwal en geven organische stoffen af die de mangrovekwal nodig heeft. Degenkrabben woelen de bodem om bij het zoeken naar voedsel. Daardoor wordt het water minder helder. Als gevolg hiervan neemt een bepaalde abiotische factor af, waardoor de mangrovekwallen moeilijker kunnen overleven.
Vraag 11 2 punten
− Noteer deze abiotische factor.
- Verklaar dat door de afname van deze abiotische factor de overlevingskans van mangrovekwallen afneemt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- zonlicht/licht/lichtintensiteit (1)
- (door het gebrek aan zonlicht) in de algen (die in de kwal leven) minder fotosynthese plaatsvindt / minder productie van organische stoffen plaatsvindt / minder productie van glucose plaatsvindt (waardoor de kwal minder voedingsstoffen krijgt zodat de overlevingskans afneemt) (1)
In de mangrovehal is ook een groot zoetwaterbassin aangelegd. Daarin leven zeekoeien, schildpadden en vissoorten als cichliden en zwaarddragers. Willeke laat regelmatig de concentraties nitraat en fosfaat van het water controleren. De waterkwaliteit is in gevaar als de concentratie nitraat hoger wordt dan de norm van 20 mg/L of de concentratie fosfaat hoger wordt dan de norm van 4,0 mg/L. In afbeelding 6 is het resultaat weergegeven van de metingen in de eerste maanden na het inrichten van het bassin.
[afbeelding 6: zie het originele examen]
De meetresultaten kunnen gebruikt worden om te voorspellen wanneer de waterkwaliteit in gevaar komt. In de uitwerkbijlage zijn de resultaten nog eens weergegeven. Als de toename vanaf december lineair verloopt, zal op een bepaalde datum de concentratie van een van deze stoffen de norm overschrijden.
Vraag 12 2 punten
− Vul in de uitwerkbijlage de grafiek voor de concentratie van beide stoffen aan.
- Geef op de x-as aan op welke datum voor het eerst de norm voor de concentratie van een van deze stoffen wordt overschreden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de fosfaatconcentratie is weergegeven met een andere lijn dan een stippellijn, dit niet fout rekenen.
Als de concentraties fosfaat en nitraat blijven toenemen, wordt het water te voedselrijk, waardoor algenbloei kan ontstaan.
Vraag 13 1 punt
Noteer de biologische naam van zo’n toename van de concentratie van mineralen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan het antwoord ‘overbemesting’, geen scorepunt toekennen.
Om het probleem van een te hoge concentratie aan mineralen in het water aan te pakken, gebruikt Willeke een filtersysteem met bacteriën. Vier typen bacteriën zijn:
1 denitrificerende bacteriën
2 nitraatbacteriën
3 rottingsbacteriën
4 stikstofbindende bacteriën
Vraag 14 2 punten
Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende bacteriën wel of niet de nitraatconcentratie in het water kunnen laten afnemen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 niet 3 niet 4 niet indien vier nummers correct (2) indien drie nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)
In het bassin groeien de populaties van vissoorten zoals de parelmoercichlide (afbeelding 7) en de groene zwaarddrager (afbeelding 8) erg hard. Daarom overweegt Willeke maatregelen te nemen om de populaties te reguleren.
afbeelding 7 afbeelding 8
Een mogelijke maatregel is het wegvangen van een deel van deze populaties met behulp van grote netten. Willeke wil de regulatie liever op een natuurlijke manier laten plaatsvinden door een predator te introduceren die op zwaarddragers en cichliden jaagt.
Bij regulatie met behulp van een predator vindt selectie plaats op andere eigenschappen dan bij regulatie met behulp van netten.
Vraag 15 2 punten
− Noteer één eigenschap van zwaarddragers die zal gaan verschillen tussen een populatie die gereguleerd wordt door een predator en een populatie die gereguleerd wordt met een net.
- Licht toe hoe dit verschil tussen de twee populaties ontstaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juist antwoord:
- Grootte: door een net worden alleen de grote vissen gevangen.
- Ontwikkelingssnelheid: bij het vangen met een net zullen vissen die zich eerder kunnen voortplanten voordeel hebben.
- Snelheid: vissen die snel zijn, kunnen ontsnappen aan predatoren.
- Schutkleur: vissen die niet opvallen, worden minder gevangen door predatoren.
Het introduceren van een predator kan ook problemen veroorzaken in het ecosysteem in het bassin.
Vraag 16 1 punt
Beschrijf zo’n probleem.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voorbeelden van een juist antwoord: − De predator eet ook andere soorten, waardoor deze verdwijnen. − Er worden ziekten geïntroduceerd. − Ze eten liever zwaarddragers, waardoor de cichliden-populatie niet kleiner wordt. − De predatoren eten alle cichliden op. − Er is geen soort die de predatorpopulatie in toom houdt. − Het water wordt troebel doordat algeneters worden opgegeten. (1)
Bijziendheid, een groeiend probleem
Jimmy is negen jaar en draagt een bril om in de verte scherp te kunnen zien. Omdat zijn bijziendheid de afgelopen tijd snel is toegenomen gaat hij met zijn ouders naar Caroline Klaver, oogarts in het Erasmus Medisch Centrum. Klaver doet onderzoek naar de rol van genen en van de omgeving bij het ontstaan van bijziendheid.
Jimmy leest veel en speelt vaak spelletjes op zijn tablet. Zijn ogen moeten zich dan inspannen om het beeld scherp op het netvlies te projecteren.
Vraag 17 1 punt
Noteer de wetenschappelijke naam van het aanpassen van de ooglens om beelden scherp op het netvlies te krijgen.
Bekijk het antwoord
- accommoderen / accommodatie (1)
De lengte van de oogas afbeelding 1 (afbeelding 1) van Jimmy is de laatste jaren toegenomen. Hij is daardoor bijziend.
Vraag 18 2 punten
Kost scherpstellen op voorwerpen dichtbij nu meer of minder energie dan toen hij nog niet bijziend was? En heeft hij nu een bril nodig met bolle of met holle lenzen om op afstand scherp te kunnen zien?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: D (2)
scherpstellen bril met
A meer bolle lenzen
B meer holle lenzen
C minder bolle lenzen
D minder holle lenzen
Jimmy krijgt van oogarts Klaver oogdruppels met atropine voorgeschreven. Door de atropinedruppels ontspannen de kringspier van de iris en de spier in het straalvormig lichaam.
Vraag 19 2 punten
Wat gebeurt er dan met de pupil? En met de lens?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: B (2)
pupil wordt lens wordt
A groter boller
B groter platter
C kleiner boller
D kleiner platter
Uit onderzoek aan bijziende kinderen is gebleken dat oogdruppels met atropine de ontwikkeling van bijziendheid kunnen afremmen. In dit onderzoek werd gedurende twee jaar bij proefpersonen steeds één van de ogen behandeld met atropine (groep 1) of met een placebo (groep 2). Het andere oog van de proefpersoon werd niet behandeld met atropine of een placebo. De ontwikkeling van de brilsterkte van de behandelde ogen (groep 1a en 2a) en van de niet-behandelde ogen (groep 1b en 2b) werd gemeten (afbeelding 2).
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Mensen die bij een onderzoek een placebo krijgen, merken soms ook een positief effect (het placebo-effect).
Vraag 20 1 punt
Licht toe, aan de hand van afbeelding 2, dat er bij dit onderzoek geen sprake is van een placebo-effect.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat in het antwoord schrijft dat de brilsterkte is afgenomen, in een verder juist geformuleerd antwoord, dit niet fout rekenen.
Om te kunnen aantonen dat atropine de werkzame stof is in de oogdruppels, was er in het experiment een controlegroep.
Vraag 21 1 punt
Welke groep ogen vormde deze controlegroep?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Stamceldonatie
Voetballer Lennart Thy miste een wedstrijd van zijn club VVV-Venlo tegen PSV omdat hij in het ziekenhuis verbleef voor een stamceldonatie. Na het zien van het nieuwsitem over Lennart Thy overweegt Paul om ook stamceldonor te worden.
De gedoneerde stamcellen worden gebruikt voor de behandeling van leukemie. Leukemie is een aandoening waarbij de productie van witte bloedcellen ontregeld is. Voor de stamcelbehandeling bij leukemie worden eerst de beenmergcellen van de patiënt gedood door middel van chemotherapie. Daarna worden gezonde beenmergstamcellen van een geschikte donor bij de patiënt ingebracht.
Nadat de beenmergcellen gedood zijn, moet de patiënt in een steriele kamer verblijven en wordt het bezoek beperkt om infecties te voorkomen. Het afweersysteem van de patiënt werkt dan namelijk niet goed.
Vraag 22 1 punt
Verklaar dat het afweersysteem niet goed werkt doordat de beenmergcellen gedood zijn.
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan een antwoord als: “Door het doden van het beenmerg zijn er minder witte bloedcellen”, het scorepunt niet toekennen.
Hieronder staan eigenschappen die een lichaamscel kan hebben.
1 bevat mitochondriën
2 kan zich differentiëren
3 produceert eiwitten
Vraag 23 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of een stamcel de betreffende eigenschap wel of niet heeft.
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 wel 3 wel indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Paul meldt zich aan als stamceldonor. Hij krijgt een steriel wattenstaafje thuisgestuurd waarmee hij wat wangslijmvlies verzamelt. Als hij dit heeft teruggestuurd voor DNA-onderzoek, hoeft Paul voorlopig niets meer te doen. Hij zal worden opgeroepen als zijn stamcellen nodig zijn.
Vraag 24 1 punt
Verklaar waarom de cellen uit het wangslijmvlies net zo bruikbaar zijn voor het DNA-onderzoek als cellen uit Pauls beenmerg.
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan een antwoord als: “In cellen van het wangslijmvlies zit ook DNA”, geen scorepunt toekennen.
Paul is geschikt als stamceldonor als de HLA-eiwitten op zijn cellen voldoende overeenkomen met die van de ontvangende patiënt. HLA- eiwitten zijn aanwezig op bijna alle lichaamscellen. Deze eiwitten zorgen ervoor dat het afweersysteem de lichaamscellen als lichaamseigen herkent. Op chromosoom 6 liggen zes genen dicht bij elkaar, die elk voor een verschillend HLA-eiwit coderen. Van elk HLA-gen zijn vele allelen bekend. Alle allelen van deze zes genen die bij iemand aanwezig zijn, komen in gelijke mate tot expressie. Hierdoor is de kans heel klein dat twee niet-verwante personen dezelfde HLA-eiwitten hebben.
Over HLA-genen worden drie uitspraken gedaan:
1 Er zijn multipele allelen voor elk HLA-gen.
2 Bij elk HLA-gen is een van de allelen dominant.
3 De HLA-genen erven gekoppeld over.
Vraag 25 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.
Bekijk het antwoord
- 1 juist 2 onjuist 3 juist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Met het wangslijmvliesmonster wordt bepaald welke allelen Paul heeft van de zes HLA-genen. Deze allelen worden vergeleken met de HLA-allelen van patiënten uit de database. Om stamcellen te kunnen doneren moet er een match zijn tussen de stamceldonor en de ontvangende patiënt. Bij een ideale match zijn alle allelen hetzelfde.
Vraag 26 1 punt
Wat is het aantal allelen dat dan overeenkomt tussen donor en ontvangende patiënt?
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Twee maanden nadat Paul zijn wattenstaafje heeft opgestuurd, wordt hij opgeroepen om stamcellen te doneren. Een manier om stamcellen af te nemen is een beenmergpunctie. Na de beenmergpunctie is de productie van rode bloedcellen bij de donor tijdelijk iets verlaagd, waardoor klachten als vermoeidheid en duizeligheid kunnen ontstaan. De duizeligheid is een verschijnsel dat zich afspeelt op organisme-niveau en kan worden verklaard door processen die zich afspelen op lagere organisatieniveaus. Dit is schematisch weergegeven in afbeelding 1. Dit schema is nog niet compleet.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
De volgende processen moeten nog in dit schema worden ingevuld: P verlaagde aerobe dissimilatie die leidt tot verminderde ATP-productie Q het bloed transporteert minder zuurstof R verstoorde communicatie tussen hersengebieden S verstoorde impulsgeleiding
Vraag 27 2 punten
Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer de letter van het bijbehorende proces erachter.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 Q 2 P 3 S 4 R indien vier nummers correct (2) indien drie of twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Bij Paul wordt een andere methode toegepast om stamcellen te verkrijgen. Hij krijgt via een injectie een groeifactor (G-CSF) toegediend die de stamcellen in het beenmerg stimuleert om te gaan delen. Ook stimuleert G-CSF de migratie van stamcellen naar de bloedbaan. Daardoor kunnen na vijf dagen stamcellen worden verkregen uit zijn bloed. De werking van G-CSF komt overeen met de werking van een bepaalde groep stoffen.
Vraag 28 1 punt
Welke groep stoffen is dat?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Regenwormen voor vogels en planten
Jeroen Onrust van de Rijksuniversiteit Groningen heeft onderzocht wat de invloed van de bemesting van grasland is op de beschikbaarheid van regenwormen voor weidevogels zoals de kievit.
In Nederlandse graslanden leven afbeelding 1 verschillende soorten regenwormen. Regenwormen (afbeelding 1) zijn te verdelen in twee ecologische groepen: detrivoren en geofagen. Detrivoren leven van grof plantaardig materiaal. Geofagen leven van fijner verdeeld organisch materiaal en van bodembacteriën.
In de afgelopen decennia is de landbouw steeds intensiever geworden. Daarmee is ook de manier van bemesten veranderd. In plaats van het strooien van stalmest (uitwerpselen met stro) op het gras, wordt tegenwoordig drijfmest (uitwerpselen vermengd met urine) geïnjecteerd in de bodem. Deze verandering heeft effect gehad op de regenwormensamenstelling in de bodem. Jeroen Onrust bepaalde het aantal regenwormen per m 2 grasland door steekproefsgewijs het aantal regenwormen in een graszode van
20 x 20 x 20 cm te tellen (onderzoek 1). Hij deed dit voor graslanden bemest met drijfmest, graslanden bemest met stalmest en graslanden bemest met een mengsel van drijfmest en stalmest.
De resultaten van het onderzoek staan in afbeelding 2. De detrivoren en geofagen zijn als aparte balkjes weergegeven.
[afbeelding 2: zie het originele examen]
Vraag 29 1 punt
Worden detrivoren in de grafiek in afbeelding 2 met P of met Q aangegeven? Noteer de letter en licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat detrivoren worden weergegeven met P, omdat stalmest meer (grof) plantaardig materiaal bevat / omdat drijfmest minder (grof) plantaardig materiaal bevat / omdat stalmest meer voedsel voor detrivoren bevat. (1)
Jeroen Onrust was ook benieuwd hoeveel regenwormen er in het grasland beschikbaar zijn als voedsel voor de kievit. Kieviten vangen alleen regenwormen die voor hen zichtbaar zijn. Om deze beschikbaarheid te meten ontwierp Onrust een kar (afbeelding 3) waarmee hij over het grasland kon rijden om de regenwormen tussen het gras te tellen, zonder daarbij trillingen te veroorzaken die het gedrag van de regenwormen beïnvloeden (onderzoek 2). Op deze manier onderzocht hij meerdere stroken op verschillende typen grasland.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
Door te tellen vanaf de kar in plaats van kruipend door het gras én doordat Onrust per grasland meerdere stroken bekeek, werd het onderzoek beter.
Vraag 30 2 punten
Is de betrouwbaarheid of de validiteit verhoogd doordat hij bij het tellen de kar gebruikte? En is de betrouwbaarheid of de validiteit verhoogd doordat hij per grasland meerdere stroken bekeek?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: C (2)
gebruik kar verhoogde meerdere stroken verhoogde
A betrouwbaarheid betrouwbaarheid
B betrouwbaarheid validiteit
C validiteit betrouwbaarheid
D validiteit validiteit
Een gedeelte van de resultaten uit onderzoek 1 en onderzoek 2 staat in tabel 1 weergegeven. De gegevens zijn uitgesplitst naar bodemtype: kleigrond of veengrond, en naar type grasland: soortenrijk of monocultuur (voornamelijk één soort gras). [tabel 1: zie het originele examen] onderzoek 1 onderzoek 2 type bodemtype aantal regen- aantal zichtbare grasland wormen per m2 regenwormen per m2 kleigrond soortenrijk 264 1,22 monocultuur 354 1,10 veengrond soortenrijk 371 0,44 monocultuur 543 1,76
Naar aanleiding van de resultaten in tabel 1 worden drie uitspraken gedaan.
1 Bij beide bodemtypen zijn bij soortenrijk grasland meer regenwormen beschikbaar voor kieviten dan bij monocultuur-grasland.
2 Bij soortenrijk grasland op kleigrond is gemiddeld een groter gedeelte van de regenwormen zichtbaar dan bij soortenrijk grasland op veengrond.
3 Het aantal regenwormen per m2 (in onderzoek 1) is een bruikbare maat voor de beschikbaarheid van regenwormen voor kieviten.
Vraag 31 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist 2 juist 3 onjuist indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Jeroen Onrust berekende dat een volwassen kievit per dag 555 regenwormen nodig heeft om te voldoen aan zijn energiebehoefte. Met behulp van de resultaten van onderzoek 2 (tabel 1) is te berekenen dat er 7,9 kieviten kunnen leven per 10.000 m 2 soortenrijke veengrond.
Vraag 32 2 punten
− Laat zien hoe dit aantal is berekend.
- Verklaar dat het werkelijke aantal kieviten dat kan leven van de regenwormen van 10.000 m 2 soortenrijke veengrond in werkelijkheid hoger kan liggen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van een juiste berekening:
- Het aantal wormen per 10.000 m2 soortenrijke veengrond is 10.000 × 0,44 = 4400 wormen. Hiervan kunnen 4400 / 555 = 7,9 kieviten leven.
- 0,44 x 10.000 / 555 = 7,9
voorbeelden van een juiste verklaring:
- Er komen steeds weer wormen aan de oppervlakte.
- Kieviten eten ook andere dieren dan regenwormen.
- De gemeten beschikbaarheid van wormen is een momentopname.
- Kieviten zien beter dan mensen (en zien dus meer regenwormen dan geteld).
- In de groep kieviten zijn ook jongere dieren die minder eten.
- Kieviten trappelen waardoor wormen omhoog komen.
Opmerking Aan een verklaring als: “Kieviten foerageren ook op andere plaatsen.” geen scorepunt toekennen.
De geofagen eten bodemdeeltjes. In het spijsverteringskanaal van deze regenwormen komt fosfaat los van de bodemdeeltjes. Hierdoor komt het element fosfor (P) in de uitwerpselen van regenwormen beschikbaar voor planten. Vier organische stoffen in planten zijn:
1 ATP
2 DNA
3 eiwit
4 fosfolipiden
Vraag 33 2 punten
Schrijf de nummers 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende stof wel of geen fosfor (P) bevat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 wel 3 geen 4 wel indien vier nummers correct (2) indien drie nummers correct (1) indien minder dan drie nummers correct (0) (2)
Over het effect van regenwormen op het versterkt broeikaseffect is veel discussie. Aan de ene kant dragen regenwormen bij aan het versterkt broeikaseffect doordat ze broeikasgassen uitstoten. Aan de andere kant kunnen ze het versterkt broeikaseffect tegengaan omdat ze de bodemstructuur verbeteren en de fosfaatbeschikbaarheid verhogen.
Vraag 34 2 punten
Leg uit dat regenwormen door het verbeteren van de bodem een bijdrage kunnen leveren aan het tegengaan van het versterkt broeikaseffect.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking: Als de kandidaat antwoordt dat er minder fosfaatbemesting nodig is waardoor er minder fossiele brandstoffen nodig zijn voor productie en/of transport, 2 scorepunten toekennen.
Leven zonder milt
Tessa is drie jaar geleden van haar paard gevallen. Als gevolg van deze val moest haar milt worden verwijderd.
Tessa werd na haar val in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Daar bleek dat haar milt was gescheurd. Om het bloedverlies te stoppen, werd Tessa’s milt onmiddellijk verwijderd via een snede in de buik.
De milt is een bloedrijk orgaan. Een deel van het bloed dat de milt inkomt, stroomt via slagadertjes naar brede bloedruimten
- de sinussen
- die uitmonden in een ader. Deze route is de gesloten circulatie (afbeelding 1). Een ander deel van het bloed stroomt uit slagadertjes tussen de cellen van de rode pulpa en dringt vervolgens via de wanden de sinussen binnen. Bij deze route (de open circulatie) wordt het bloed gefilterd: verouderde bloeddeeltjes blijven achter in de rode pulpa en worden daar afgebroken. Rondom de slagadertjes bevindt zich de witte pulpa met daarin veel witte bloedcellen.
[afbeelding 1: zie het originele examen]
Vroeger werd gedacht dat de milt niet zo’n belangrijk orgaan was, omdat veel functies van de milt
- zoals de afbraak van rode bloedcellen
- ook door andere organen kunnen worden overgenomen.
Vraag 35 1 punt
Noteer een ander orgaan dat betrokken is bij de afbraak van rode bloedcellen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Aan het antwoord ‘bot’ of ‘botten’ het scorepunt toekennen.
Na de operatie kreeg Tessa tijdelijk een bloedverdunner (antistollingsmiddel) voorgeschreven, omdat er een vergrote kans was op het ontstaan van bloedstolseltjes. Als de milt ontbreekt, is er namelijk minder afbraak van bloeddeeltjes die bloedstolling in gang zetten.
Vraag 36 1 punt
Noteer om welke bloeddeeltjes het hier gaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- bloedplaatjes (1)
In de open circulatie van de milt worden oude rode bloedcellen verwijderd dankzij de speciale bouw van de sinussen. In afbeelding 2 is de wand van een sinus schematisch weergegeven.
afbeelding 2a afbeelding 2b
Naarmate rode bloedcellen ouder worden, wordt hun celmembraan stugger.
Vraag 37 1 punt
Licht aan de hand van afbeelding 2a toe, dat door deze eigenschap oude rode bloedcellen uit het bloed worden verwijderd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Uit het antwoord moet blijken dat oude rode bloedcellen (doordat ze stugger zijn) in de rode pulpa achterblijven / in het weefsel achterblijven / niet (via de spleetjes in de wand) in de sinus terechtkomen. (1)
De sinussen zijn een reservoir voor rode bloedcellen. De endotheelcellen van de sinussen bevatten speciale stress-vezels (afbeelding 2b). Tijdens inspanning trekken deze stress-vezels samen, waardoor zo’n 150 mL aan rode bloedcellen extra aan de bloedsomloop kan worden toegevoegd.
Vraag 38 1 punt
Welk deel van het zenuwstelsel regelt het vrijkomen van dit bloed uit de milt?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
Als de milt is verwijderd, ontstaat er een stoornis in de afweer. Besmetting met bepaalde bacteriën zoals Streptococcus pneumoniae kan dan leiden tot een levensbedreigende infectie. Om zo’n infectie te voorkomen, kreeg Tessa twee weken na de operatie een vaccinatie tegen een aantal soorten bacteriën.
Vraag 39 2 punten
Worden als gevolg van de vaccinatie antistoffen of antigenen gemaakt door het lichaam van Tessa? En hoe reageren bepaalde witte bloedcellen op bacteriën waaraan deze stoffen zijn gehecht?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: D (2)
geproduceerde stoffen reactie van witte bloedcellen
A antigenen de bacterie wordt lek geprikt
B antigenen de bacterie wordt gefagocyteerd
C antistoffen de bacterie wordt lek geprikt
D antistoffen de bacterie wordt gefagocyteerd
Een infectie met bacteriën leidt tot een verhoging van de normwaarde voor lichaamstemperatuur in de hypothalamus (tot bijvoorbeeld
40 °C). Hierdoor ontstaat koorts: de lichaamstemperatuur zal oplopen tot boven de 38 °C. Als Tessa koorts krijgt, moet ze meteen antibiotica nemen. Daarom is ze alert op de symptomen van koorts. Mogelijke symptomen bij Tessa zijn:
1 Ze gaat rillen.
2 Ze gaat zweten.
3 Ze heeft het warm.
Vraag 40 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of het betreffende symptoom wel of niet zal optreden bij een lichaams- temperatuur van 38 °C en een normwaarde voor lichaamstemperatuur van
40 °C.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 niet 3 niet indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
Essentaksterfte
De es, een in Nederland algemeen voorkomende boom, dreigt door de ziekte ‘essentaksterfte’ uit het landschap te verdwijnen. Boomdeskundige Melany rijdt regelmatig langs de essen in haar regio om te inspecteren welke bomen aangetast zijn. Ze herkent deze bomen aan verdorde bladeren en dode takken.
afbeelding 1 afbeelding 2
De zieke essen (Fraxinus excelsior, afbeelding 1) zijn aangetast door de schimmel vals essenvlieskelkje (Hymenoscyphus fraxineus). Sporen van deze schimmel blijven plakken op essenbladeren. De ontkiemende spore geeft een stof af die de opperhuid van het blad beschadigt. Daarna groeien schimmeldraden de weefsels van het blad in. De schimmel groeit verder via het transportweefsel naar de takken en de stam. Hierdoor raken vaten verstopt. Een direct gevolg hiervan is dat bladeren verwelken (slap gaan hangen) en uiteindelijk verdorren (afbeelding 2).
Vraag 41 1 punt
Welke verandering in de bladcellen veroorzaakt deze verwelking?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
Bij een zieke es worden schimmeldraden in het transportweefsel aangetroffen. Afbeelding 3 toont een dwarsdoorsnede van een tak.
[afbeelding 3: zie het originele examen]
Vraag 42 2 punten
− Welke van de letters geeft/geven bastvaten aan?
- Welke van de letters geeft/geven houtvaten aan? Noteer je antwoord als volgt: bastvaten: …. houtvaten: ….
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de kandidaat bastvaten en houtvaten verwisselt in een verder volledig correct antwoord, in totaal 1 scorepunt toekennen.
Melany bekijkt een aantal preparaten van bladmateriaal met een microscoop. In een preparaat ziet ze cellen zonder bladgroenkorrels, maar met een celkern en een celwand. Cellen in het preparaat zouden afkomstig kunnen zijn van:
1 de schimmel
2 de es
3 een bladluis
Vraag 43 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer achter elk nummer of de beschreven cellen wel of niet van het betreffende organisme afkomstig kunnen zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- 1 wel 2 wel 3 niet indien drie nummers correct (2) indien twee nummers correct (1) indien minder dan twee nummers correct (0) (2)
De schimmel leeft van organische stoffen uit beschadigde cellen van de es.
Vraag 44 2 punten
Is de schimmel autotroof of heterotroof? En gebruikt de schimmel de organische stoffen voor dissimilatie, voor voortgezette assimilatie of voor beide processen?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: F (2)
autotroof of heterotroof gebruikt organische stoffen voor
A autotroof alleen dissimilatie
B autotroof alleen voortgezette assimilatie
C autotroof beide processen
D heterotroof alleen dissimilatie
E heterotroof alleen voortgezette assimilatie
F heterotroof beide processen
Tijdens haar inspectieronde in een park ziet Melany dat er een grote dode tak van een es boven een wandelpad hangt. Ze laat de boom weghalen. Gezonde essen en aangetaste essen die geen gevaar opleveren, laat ze staan. Een wandelaar vraagt aan Melany waarom niet alle essen in het park preventief weggehaald worden. De volgende zinnen geven het antwoord van Melany gedeeltelijk weer: De ziekte veroorzaakt …(1)… bij de essen. Door de andere essen te laten staan, kan door evolutie een populatie essen ontstaan die …(2)… de ziekte.
Vraag 45 2 punten
Welke woorden moeten worden ingevuld bij 1 en bij 2 zodat een juiste uitleg ontstaat?
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Antwoord: D (2)
bij 1 bij 2
A mutaties immuun is voor
B mutaties resistent is tegen
C selectiedruk immuun is voor
D selectiedruk resistent is tegen
Twee methoden om weer een populatie gezonde essen te krijgen, zijn:
1 het ongeslachtelijk vermeerderen van een es die infectie met de schimmel heeft overleefd
2 kweken met de zaden van een groot aantal essen die infectie met de schimmel hebben overleefd Om op de lange termijn een populatie gezonde essen te krijgen is methode 2 een betere keuze dan methode 1.
Vraag 46 2 punten
Leg uit waarom methode 2 hiervoor de betere keuze is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Aan een uitleg waarom methode 1 minder geschikt is, punten toekennen naar analogie van het correctievoorschrift.
- Aan een antwoord aan de hand van een relevant voorbeeld van een verandering in milieuomstandigheden, het tweede scorepunt toekennen.
- Aan een antwoord als: “Dan is de kans op individuen met een gunstige combinatie van genen groter”, het tweede scorepunt toekennen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Biologie 2022, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-3/ha-1018-a-22-3-o
Andere examens biologie havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie havo 2022, tijdvak 3?
Het centraal examen biologie havo 2022, tijdvak 3 loopt tot vraag 46. Van 43 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over ecologie (13), bloedsomloop (9) en zenuwstelsel en hormonen (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen biologie havo 2022, tijdvak 3?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie havo 2022, tijdvak 3?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-3/ha-1018-a-22-3-c).
Hoe oefen ik met het examen biologie havo 2022, tijdvak 3 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.