Eindexamen biologie havo 2024, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Een nieuwe hartklep, door het lichaam zelf gemaakt, Op jacht met SnailSnap, Last van de eikenprocessierups, Het syndroom van Swyer, Psychose door auto-immuunreactie?, Quinoa.
Het centraal examen biologie havo 2024, tijdvak 1 telt 45 vragen. De meeste vragen gaan over bloedsomloop (10), ecologie (9) en erfelijkheid (7). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Bloedsomloop | 1-6, 8, 26-28 | 10 |
| Ecologie | 14, 18-21, 36-37, 41-42 | 9 |
| Erfelijkheid | 10-13, 22, 24-25 | 7 |
| Afweer | 7, 31-35 | 6 |
| Planten en fotosynthese | 39-40, 43-44 | 4 |
| Cellen | 9, 15, 17 | 3 |
| Voeding en vertering | 29, 38, 45 | 3 |
| Zenuwstelsel en hormonen | 16, 23 | 2 |
| Voortplanting | 30 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens biologie havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over bloedsomloop (22% van de vragen, gemiddeld 9%) en erfelijkheid (16% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over evolutie (0% van de vragen, gemiddeld 8%) en zenuwstelsel en hormonen (4% van de vragen, gemiddeld 12%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen biologie havo 2024, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen biologie havo 2024, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen biologie havo 2024, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Een nieuwe hartklep, door het lichaam zelf gemaakt
Tenzij anders vermeld, is er sprake van normale situaties en gezonde organismen.
In Nederland worden jaarlijks ongeveer vijfduizend hartkleppen vervangen door kunsthartkleppen. Bij kinderen met een kunsthartklep, moet de klep meerdere keren worden vervangen, omdat een kunsthartklep niet meegroeit. Biomedisch ingenieur Carlijn Bouten werkt aan een oplossing voor dit probleem.
In het hart zijn vier kleppen aanwezig:
- twee slagaderkleppen (afbeelding 1, Q en R)
- twee kleppen tussen de boezems en kamers (afbeelding 1, P en S)
Vraag 1 1 punt
Noteer de letter die de klep aangeeft waarlangs zuurstofarm bloed vanuit de kamer richting de longen gaat.
Schematische doorsnede van het hart met de vier hartkleppen, aangegeven met de letters P, Q, R en S. Bekijk in Opgaven, pagina 2
Bekijk het antwoord
(alleen de letter) Q
Twee mogelijke hartafwijkingen zijn:
- 1 De aortaklep is te stug en opent daardoor niet goed.
- 2 De aortaklep is te slap en sluit daardoor niet goed.
Vraag 2 2 punten
Bij welke afwijking stroomt er per minuut minder bloed door de aorta naar de organen in het lichaam, in vergelijking met een normaal functionerend hart bij een gelijke inspanning van de hartspier?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
Als er minder bloed naar de organen stroomt, ontstaat eerder vermoeidheid door een gebrek aan energie.
Vraag 3 2 punten
Leg uit waardoor energiegebrek ontstaat als er minder bloed naar de organen stroomt.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- er minder zuurstof/brandstof wordt getransporteerd,
- (waardoor) er minder dissimilatie/verbranding kan plaatsvinden.
Bouten heeft een slagaderklep ontwikkeld van een biologisch afbreekbare kunststof (afbeelding 2). Na de implantatie worden tussen de kunstvezels van de slagaderklep witte bloedcellen en bindweefselcellen ingevangen. Tegen de tijd dat de bindweefselcellen voldoende stevige en elastische eiwitten (collageen en elastine) hebben aangemaakt, wordt de kunststof afgebroken.
Het grote probleem bij een geïmplanteerde kunstklep is dat het materiaal bloedstolling veroorzaakt.
Vraag 4 1 punt
Noteer het vaste bloedbestanddeel dat het proces van bloedstolling in werking zet.
Foto van een slagaderklep van een biologisch afbreekbare kunststof, met een vergroting van het kunstvezelnetwerk. Bekijk in Opgaven, pagina 3
Bekijk het antwoord
(de) bloedplaatje(s)
Het functioneren van de kunstklep is in het laboratorium getest in een kunstslagader onder de omstandigheden die heersen in een longslagader. In plaats van bloed werd een zoutoplossing door de kunstklep heen gepompt.
In afbeelding 3 zijn foto’s te zien van een filmpje van het functioneren van de kunstklep als longslagaderklep. De foto’s beslaan één hartcyclus, waarvan de drie achtereenvolgende perioden zijn aangegeven met letters.
De drie fasen van de hartcyclus zijn:
- hartpauze
- samentrekken boezems
- samentrekken kamers
Vraag 5 1 punt
Schrijf de letters P, Q en R onder elkaar en noteer de bijbehorende fase erachter.
Zeven foto’s van de kunstklep tijdens één hartcyclus, gegroepeerd onder de letters P, Q en R. Bekijk in Opgaven, pagina 3
Bekijk het antwoord
- P samentrekken boezems
- Q samentrekken kamers
- R hartpauze
Na de test onder de omstandigheden die heersen in de longslagader, is de kunstklep getest onder de omstandigheden die heersen in de aorta.
Vraag 6 2 punten
Is de bloeddruk in de aorta hoger of lager dan in de longslagader? En het zuurstofgehalte?
| bloeddruk in aorta | zuurstofgehalte in aorta | |
|---|---|---|
| A | hoger | hoger |
| B | hoger | lager |
| C | lager | hoger |
| D | lager | lager |
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
Na de succesvolle tests in het laboratorium is de kunstklep bij schapen geïmplanteerd op de plaats van de longslagaderklep. Gedurende een jaar werd de gezondheid van deze schapen gecontroleerd. Uit dit onderzoek blijkt dat het weefsel van de geïmplanteerde klep verschillende fasen doorloopt om uiteindelijk een ‘levende’ klep te worden (afbeelding 4).
De eerste cellen die het kunstvezelnetwerk van de kunstklep binnendringen, zijn witte bloedcellen die in weefsels op zoek zijn naar lichaamsvreemde stoffen. Deze cellen veroorzaken in de kunstklep een ontstekingsreactie.
Vraag 7 1 punt
Welk type witte bloedcel is dit?
Schema van de fasen waarin de kunstklep verandert van kunstvezelnetwerk in levend weefsel, met een legenda voor witte bloedcel, endotheelcel en bindweefselcel. Bekijk in Opgaven, pagina 4
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Tijdens de groeifase komen verschillende stamcellen het kunstvezelnetwerk binnen vanuit het bloed en het omringende hartweefsel van het schaap. Gestimuleerd door de ontsteking gaan deze stamcellen zich delen om nieuwe cellen (bindweefsel- en endotheelcellen) te vormen. Over de groeifase worden de volgende uitspraken gedaan:
- 1 Uit één stamcel ontstaat na mitose één endotheelcel en één bindweefselcel.
- 2 Een endotheelcel krijgt zijn vorm en functie door celdifferentiatie.
- 3 Celdifferentiatie wordt bepaald door veranderingen in genexpressie.
Vraag 8 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist
- 2 juist
- 3 juist
Tijdens de ontwikkelingsfase worden de kunstvezels afgebroken, zodat uiteindelijk alleen hartklepcellen overblijven in een netwerk van stevige en elastische eiwitten. De restanten van de kunstvezels worden opgeruimd door witte bloedcellen die deze restanten opnemen in een blaasje. Dit blaasje versmelt vervolgens met een bepaald celorganel, zodat de kunststofrestanten verteerd kunnen worden.
Vraag 9 1 punt
Met welk celorganel versmelt het blaasje zodat de kunststofrestanten verteerd kunnen worden?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
Op jacht met SnailSnap
Met de app SnailSnap op hun telefoon maken Dylan en Senna foto’s van slakken rond hun huis. Zo doen ze mee aan een onderzoek naar de verspreiding en evolutie van kleurvormen van de gewone tuinslak.
De kleur van het huisje van de tuinslak (Cepaea nemoralis) kan geel, bruin of roze zijn. Het huisje kan gestreept of niet gestreept zijn (afbeelding 1).
De kleur en streping van het slakkenhuis zijn erfelijk bepaald.
SnailSnap stuurt de foto samen met de gps-coördinaten naar waarneming.nl (afbeelding 2). Vervolgens wordt de foto beoordeeld door een deskundige. Als het inderdaad een foto van een tuinslak is, noteert de deskundige de kleur en de streping van het huisje. Deze gegevens worden samen met de gps-coördinaten opgestuurd naar Naturalis Biodiversity Center in Leiden. Onderzoekers van Naturalis willen de hypothese toetsen dat slakken met een geel huisje (gele slakken) vaker voorkomen in een stedelijke omgeving dan in een landelijke omgeving.
De kleur van het huisje wordt bepaald door één gen waarvan drie allelen bekend zijn. Het allel $C^b$ (bruin) is dominant over $C^r$ (roze). Beide zijn dominant over $c^g$ (geel).
Vraag 10 2 punten
Licht toe dat uit een kruising van een bruine slak en een roze slak gele nakomelingen (F1) kunnen voortkomen. Geef hierbij een kruisingstabel.
Afbeelding 1: een gele slak zonder strepen en een gele slak met strepen. Afbeelding 2: het startscherm van de app SnailSnap met een foto van een slak. Bekijk in Opgaven, pagina 6
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een juist antwoord:
De ouders moeten dan heterozygoot zijn. De bruine ouder heeft genotype $C^bc^g$. De roze ouder heeft genotype $C^rc^g$. De nakomelingen met genotype $c^gc^g$ zijn geel.
| $C^b$ | $c^g$ | |
|---|---|---|
| $C^r$ | $C^bC^r$ | $C^rc^g$ |
| $c^g$ | $C^bc^g$ | $c^gc^g$ |
Opmerking
Als de kandidaat een andere correcte notatie gebruikt, scorepunten toekennen naar analogie met het correctievoorschrift.
Niels Kerstes, onderzoeker van Naturalis, heeft de gegevens van 8000 waarnemingen in 2017 verwerkt in een infographic (afbeelding 3).
Dylan en Senna bekijken de infographic en doen de volgende uitspraken:
- 1 In een stedelijke omgeving is een groter aandeel slakken met strepen waargenomen dan in een landelijke omgeving.
- 2 Er zijn ongeveer 1600 bruine slakken waargenomen met SnailSnap.
- 3 Uit de infographic blijkt dat in de stedelijke omgeving ongeveer evenveel slakken zijn waargenomen als in de landelijke omgeving.
Vraag 11 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.
Staafdiagram van het aandeel gele, roze en bruine slakken en van slakken met en zonder strepen, in een landelijke en een stedelijke omgeving. Bekijk in Opgaven, pagina 7
Bekijk het antwoord
- 1 juist
- 2 juist
- 3 onjuist
Zoals Kerstes verwachtte, worden in een stedelijke omgeving relatief meer gele slakken waargenomen dan in een landelijke omgeving. Het temperatuurverschil tussen een stedelijke en een landelijke omgeving kan oplopen tot 7 °C. De gele huisjes hebben de lichtste kleur en zullen daardoor meer licht weerkaatsen, en dus minder opwarmen.
Kerstes verwacht dat door de temperatuurstijging als gevolg van klimaatverandering het aandeel gele slakken in de populatie zal toenemen. Over de toename van het aandeel gele slakken wordt de volgende uitspraak gedaan:
De temperatuurstijging veroorzaakt ...(1)... waardoor de ...(2)... van gele slakken toeneemt ten opzichte van roze en bruine slakken.
Vraag 12 2 punten
Wat moet worden ingevuld bij 1 en bij 2?
| bij 1 | bij 2 | |
|---|---|---|
| A | adaptatie | fitness |
| B | adaptatie | genenpool |
| C | selectiedruk | fitness |
| D | selectiedruk | genenpool |
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Dylan en Senna vragen zich af of er nog andere verschillen zijn tussen tuinslakken in een stedelijke en in een landelijke omgeving. Ze lezen over een methode waarmee je de ‘persoonlijkheid’ van de slakken kan onderzoeken: Als je een slak oppakt, trekt hij zich terug in zijn huisje. Leg je de slak vervolgens rustig neer, dan zal hij na enige tijd weer uit zijn huisje kruipen. De tijd tussen terugtrekken en uitkruipen is een maat voor de persoonlijkheid van de slak. Dylan en Senna denken dat tuinslakken uit een stedelijke omgeving sneller weer uit hun huisje zullen kruipen dan die uit een landelijke omgeving.
Vraag 13 3 punten
- Beschrijf een werkplan voor het experiment waarmee ze hun hypothese kunnen toetsen.
- Noteer het resultaat waarmee hun hypothese ondersteund wordt.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- er meerdere (tuin)slakken uit een stedelijke omgeving en meerdere (tuin)slakken uit een landelijke omgeving getest worden.
- van elke slak (op dezelfde manier) gemeten wordt hoeveel tijd na terugtrekking hij weer uit het huisje kruipt.
- de hypothese ondersteund wordt als de slakken uit de stedelijke omgeving (gemiddeld) sneller weer uit hun huisje kruipen (dan de slakken uit een landelijke omgeving).
Last van de eikenprocessierups
Geert komt thuis van een schoolkamp met op zijn borst en armen rode bultjes die erg jeuken. De bultjes zijn veroorzaakt door brandharen van eikenprocessierupsen.
De eikenprocessierups (afbeelding 1) is de larve van de nachtvlinder Thaumetopoea processionea. De rupsen leven in eiken, waar ze van de bladeren eten. Het lichaam van de eikenprocessierups is bedekt met lange witte haren, met daartussen korte, zwarte brandharen.
Eén rups kan 700.000 brandharen hebben. Als de rupsen of de nesten waarin ze zich bevinden worden verstoord, laten de brandharen los. Een brandhaar (afbeelding 2) kan bij de mens een hevig jeukend bultje veroorzaken. Sinds 1990 is het aantal eikenprocessierupsen sterk toegenomen. Dit komt mogelijk door klimaatverandering, door een afname in de biodiversiteit of door een combinatie hiervan.
Er zijn meerdere vlinders waarvan de rupsen brandharen hebben die huidirritatie kunnen veroorzaken. In de tabel staan de wetenschappelijke naam van een aantal van deze vlinders en de habitat van hun rupsen.
| wetenschappelijke naam | habitat |
|---|---|
| Thaumetopoea processionea processionea | eikenbomen |
| Thaumetopoea processionea pseudosolitaria | eikenbomen |
| Thaumetopoea pityocampa | dennenbomen |
| Euproctis chrysorrhoea | duindoornstruiken en eikenbomen |
Vraag 14 2 punten
Hoeveel verschillende soorten vlinders worden vermeld in de tabel? En hoeveel verschillende genera (geslachten) van vlinders?
Noteer je antwoord als volgt:
- aantal soorten: ...
- aantal genera: ...
Afbeelding 1 uit de inleiding van deze opgave: een eikenprocessierups op een tak, bedekt met lange witte haren. Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
- aantal soorten: 3
- aantal genera: 2
Zonder een vergrootglas zijn details vanaf een grootte van 0,1 mm meestal te zien. Een brandhaar van de eikenprocessierups (afbeelding 2) is langer dan 0,1 mm, maar is toch niet te zien met het blote oog.
Vraag 15 2 punten
Verklaar aan de hand van een berekening waardoor de brandhaar niet met het blote oog te zien is.
Foto van een brandhaar van de eikenprocessierups, met vergroting 500 x. Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
voorbeeld van een juist antwoord:
De brandhaar op de foto is 3 mm dik, wat in werkelijkheid 3 mm / 500 = 0,006 mm is. Dat is veel kleiner dan 0,1 mm.
Opmerking
Een juiste berekening die uitgaat van een meting van de dikte van de brandhaar van 2 mm tot en met 4 mm goed rekenen.
De losgelaten brandharen worden door de wind verspreid en kunnen zo in contact komen met de huid en de kleding van mensen. De brandharen maken piepkleine wondjes in de huid, waarbij het eiwit thaumetopoëne vrijkomt. Dit giftige eiwit veroorzaakt de afgifte van stoffen in de huid die bultjes veroorzaken. Ook prikkelen deze stoffen de uiteinden van gevoelszenuwcellen, waardoor jeuk ontstaat en een krabreflex kan volgen.
Vraag 16 2 punten
Verloopt de krabreflex via het centraal zenuwstelsel? En behoort de reflexboog van de krabreflex tot het animaal of het autonoom zenuwstelsel?
| via het centraal zenuwstelsel | animaal of autonoom zenuwstelsel | |
|---|---|---|
| A | ja | animaal zenuwstelsel |
| B | ja | autonoom zenuwstelsel |
| C | nee | animaal zenuwstelsel |
| D | nee | autonoom zenuwstelsel |
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
De brandharen zitten ook in de kleren die Geert tijdens het kamp gedragen heeft. Door de kleine weerhaakjes zijn de brandharen moeilijk te verwijderen. Om de brandharen onschadelijk te maken, wil Geert de kleren wassen bij 60 °C. Geerts vader stelt voor om de kleren een nacht in de vriezer (−20 °C) te leggen.
Vraag 17 1 punt
Welke temperatuur is het meest geschikt om thaumetopoëne onschadelijk te maken: 60 °C of −20 °C? Verklaar je keuze.
Bekijk het antwoord
60 °C, met een verklaring waaruit blijkt dat eiwitten dan hun vorm/werking verliezen / dat eiwitten dan denatureren (en bij −20 °C niet)
Opmerkingen
Als de kandidaat antwoordt dat eiwitten bij 60 °C doodgaan, het scorepunt niet toekennen.
Als de kandidaat enzymen noemt in plaats van eiwitten, dit niet fout rekenen.
Een mogelijke oorzaak van de toegenomen aantallen eikenprocessierupsen is de afname van de biodiversiteit.
Vraag 18 1 punt
Verklaar hoe een afname in biodiversiteit kan leiden tot een toename van het aantal eikenprocessierupsen in eikenbossen.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat (door afname van de biodiversiteit) er minder (natuurlijke) vijanden/concurrenten van de eikenprocessierupsen zijn (waardoor het aantal rupsen kan toenemen).
Opmerking
Als de kandidaat antwoordt dat als er minder diversiteit is in bossen, er meer eiken zijn, waardoor er meer voedsel is voor de rupsen, het scorepunt toekennen.
Eiken die zijn aangevreten door eikenprocessierupsen produceren kleinere eikels dan vergelijkbare eiken zonder rupsen.
Vraag 19 2 punten
Beredeneer dit.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- (door vraat van de rupsen) er minder fotosynthese mogelijk is, / er minder bladgroen is,
- (waardoor) de hoeveelheid stoffen die beschikbaar komt voor de groei (van eikels) kleiner is. / (waardoor) er minder vorming is van organische stoffen.
Opmerking
Aan een antwoord als “rupsen onttrekken voedingsstoffen waardoor minder voedingsstoffen beschikbaar zijn”, alleen het tweede scorepunt toekennen.
Geert wil weten of de eikenprocessierups bestreden kan worden. Hij vindt op internet dat er diverse mogelijkheden zijn. Een mogelijkheid is het bespuiten van besmette eiken met microscopisch kleine wormpjes: nematoden. De nematoden dringen dan de eikenprocessierupsen binnen die op de bespoten eiken zitten. In de darm van een nematode leven bacteriën. Als de nematode een rups is binnengedrongen, geeft de nematode de bacteriën af. Die scheiden vervolgens enzymen uit, waardoor de rups van binnenuit verteerd wordt. De verteringsproducten die daarbij ontstaan, worden gegeten door de nematode. Op grond van deze gegevens blijkt er sprake te zijn van symbiose tussen de nematode en de bacterie.
Vraag 20 1 punt
Noteer de naam van deze vorm van symbiose.
Bekijk het antwoord
mutualisme
Geert leest dat de eikenprocessierups ook chemisch bestreden kan worden. Chemische bestrijdingsmiddelen hebben echter als nadeel dat ze vaak persistent zijn.
Vraag 21 2 punten
Wat is het kenmerk van een persistent bestrijdingsmiddel?
Het is een middel dat ...
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Het syndroom van Swyer
Emma is 17 jaar en heeft zich altijd een meisje gevoeld. Ze is echter nog nooit ongesteld geworden en heeft ook nauwelijks borstontwikkeling. Daarom gaat ze naar de huisarts.
Emma krijgt een echoscopie. Op de echo is te zien dat ze wel een baarmoeder en eileiders heeft, maar geen eierstokken. De doktersassistent neemt bloed af bij Emma zodat in het laboratorium een karyogram gemaakt kan worden. In afbeelding 1 zie je het karyogram van Emma.
Het karyotype beschrijft per lichaamscel het totale aantal chromosomen, de geslachtschromosomen en eventuele extra chromosomen.
Vraag 22 1 punt
Wat is het karyotype van Emma?
Afbeelding 1 uit de inleiding van deze opgave: karyogram van Emma, met de chromosomen op nummer gerangschikt en onderaan de geslachtschromosomen X en Y. Bekijk in Opgaven, pagina 11
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
De huisarts laat het bloed van Emma ook onderzoeken op de aanwezigheid van geslachtshormonen. De concentraties van oestradiol (oestrogeen) en FSH in Emma’s bloed blijken sterk af te wijken van de gemiddelde waarden voor vrouwen van dezelfde leeftijd: de concentratie oestradiol in haar bloed is lager en de concentratie FSH in haar bloed is hoger.
In afbeelding 2 is de regulatie van de productie van oestradiol en FSH schematisch weergegeven.
Vraag 23 2 punten
- Verklaar waardoor de concentratie oestradiol bij Emma lager is dan gemiddeld.
- Verklaar waardoor de concentratie FSH bij Emma hoger is dan gemiddeld.
Schema van de regulatie van oestradiol en FSH, met hypothalamus, GnRh, hypofyse, FSH, LH, eierstok en de remmende en stimulerende pijlen. Bekijk in Opgaven, pagina 12
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- (bij Emma) eierstokken/follikels ontbreken.
- (door de lage oestradiolconcentratie) de productie (van FSH) niet/minder geremd wordt.
De huisarts vermoedt dat Emma het syndroom van Swyer heeft. Vervolgonderzoek door een klinisch-genetisch arts bevestigt dit: door een mutatie is bij Emma het SRY-gen niet werkzaam. Normaal gesproken beïnvloedt dit gen, dat zich op het Y-chromosoom bevindt, de ontwikkeling van de geslachtsorganen.
De arts legt uit:
“In de eerste weken van de embryonale ontwikkeling verloopt de aanleg van de geslachtsorganen van een jongen en een meisje hetzelfde: er worden oer-geslachtsklieren aangelegd. Als er geen SRY-gen aanwezig is, dan ontwikkelen deze oerklieren zich verder tot eierstokken. Is er wel een functionerend SRY-gen aanwezig, dan wordt vanaf de zesde week het SRY-eiwit gevormd, dat ervoor zorgt dat zaadballen worden aangelegd. Deze zaadballen gaan de hormonen testosteron en AMH vormen. Testosteron stimuleert de ontwikkeling van de bijballen en zaadleiders en andere mannelijke primaire geslachtskenmerken. AMH zorgt voor het verdwijnen van de aanleg van de vrouwelijke geslachtsorganen. Bij jou, Emma, is het SRY-gen wel aanwezig, maar door een mutatie kwam het niet tot expressie.”
De mutatie van het SRY-gen van Emma heeft gevolgen op verschillende organisatieniveaus. Vier gevolgen zijn:
- 1 Er is sprake van onvruchtbaarheid.
- 2 Er ontwikkelen zich geen bijballen en zaadleiders.
- 3 Er vindt geen ontwikkeling plaats van testosteron-producerende cellen.
- 4 Er wordt geen SRY-eiwit gevormd.
Vier organisatieniveaus zijn:
- P celniveau
- Q molecuulniveau
- R orgaanniveau
- S organismeniveau
Vraag 24 2 punten
Schrijf de nummers van de gevolgen 1 tot en met 4 onder elkaar en noteer de letter van het bijbehorende organisatieniveau erachter. Gebruik elke letter één keer.
Bekijk het antwoord
- 1 S
- 2 R
- 3 P
- 4 Q
Over de mutatie die leidt tot het niet-werkzame SRY-gen worden de volgende uitspraken gedaan:
- 1 De mutatie kan zijn ontstaan bij de vorming van een zaadcel.
- 2 Het is een genoommutatie.
- 3 Een persoon met mannelijke primaire geslachtskenmerken kan drager zijn van de mutatie.
Vraag 25 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.
Bekijk het antwoord
- 1 juist
- 2 onjuist
- 3 onjuist
Emma zou graag een vrouwelijker uiterlijk krijgen. Om haar borstontwikkeling te stimuleren krijgt ze daarom pillen met oestradiol.
De oestradiolmoleculen worden geresorbeerd in de darm en bereiken het borstweefsel via een borstslagader.
Een aantal bloedvaten zijn:
- 1 aorta
- 2 bovenste holle ader
- 3 darmslagader
- 4 leverader
- 5 leverslagader
- 6 longader
- 7 longslagader
- 8 onderste holle ader
- 9 poortader
Vraag 26 2 punten
Door welke van deze bloedvaten gaat een oestradiol-molecuul op de kortste weg vanuit de haarvaten in de darm tot aan de borstslagader? Noteer de betreffende nummers in de juiste volgorde.
Bekijk het antwoord
9 – 4 – 8 – 7 – 6 – 1
Oestradiol leidt tot genexpressie in cellen van Emma’s borstweefsel. Hierbij vinden de volgende processen plaats:
- P binding van een hormoon aan een hormoonreceptor
- Q eiwit-vouwing in het cytoplasma
- R transport naar de kern
- S vorming van een keten van aminozuren aan de ribosomen
- T vorming van RNA
Deze processen zijn met nummers weergegeven in afbeelding 3.
Vraag 27 2 punten
Schrijf de nummers 1 tot en met 5 (afbeelding 3) onder elkaar en noteer de letter van het bijbehorende proces erachter.
Schema van een borstweefselcel waarin oestradiol via een receptor naar de celkern gaat; de processen 1 tot en met 5 zijn met cijfers aangegeven. Bekijk in Opgaven, pagina 14
Bekijk het antwoord
- 1 P
- 2 R
- 3 T
- 4 S
- 5 Q
Emma moet de oestradiolpillen dagelijks slikken, omdat het grootste deel van het oestradiol binnen enkele dagen na opname wordt uitgescheiden. Oestradiol komt dan terecht in de urine en in de ontlasting.
In de nieren komt oestradiol in de voorurine terecht. Daarna wordt in het eerste gekronkelde nierbuisje een deel van het oestradiol gereabsorbeerd.
Vraag 28 2 punten
In welk deel van de nier vindt de vorming van voorurine plaats? En in welk deel van de nier vindt de reabsorptie (terugresorptie) van oestradiol plaats?
| vorming voorurine | reabsorptie oestradiol | |
|---|---|---|
| A | niermerg | niermerg |
| B | niermerg | nierschors |
| C | nierschors | niermerg |
| D | nierschors | nierschors |
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
Oestradiol komt terecht in de ontlasting, omdat een deel op dezelfde manier als cholesterol wordt uitgescheiden.
Vraag 29 1 punt
Beschrijf op welke manier oestradiol wordt uitgescheiden zodat het terechtkomt in de ontlasting.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat oestradiol wordt uitgescheiden door de lever. / dat oestradiol via de gal terechtkomt in de darm.
Emma vraagt aan de arts of ze later kinderen kan krijgen. Die vertelt haar dat ze misschien via eiceldonatie en ivf zwanger kan worden.
De eiceldonor krijgt dan hormooninjecties toegediend, waardoor er meerdere eicellen gaan rijpen. Emma zal dan hormooninjecties toegediend krijgen die haar baarmoeder voorbereiden op de innesteling van een embryo.
Vraag 30 2 punten
Welk hormoon krijgt de eiceldonor toegediend? En welk hormoon of welke hormonen krijgt Emma toegediend?
| eiceldonor | Emma | |
|---|---|---|
| A | FSH | LH |
| B | FSH | oestradiol en progesteron |
| C | oestradiol | LH |
| D | oestradiol | oestradiol en progesteron |
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
Psychose door auto-immuunreactie?
Charles heeft tweemaal meegemaakt dat hij stemmen hoorde die er niet waren. Hij is bang dat hij aan schizofrenie lijdt, een ziekte die meerdere van zijn familieleden hebben.
De psychische aandoening schizofrenie is een ziekte waarbij iemands denken en waarnemen ernstig zijn verstoord. Een kenmerk van schizofrenie is het optreden van psychoses, waarbij iemand dingen waarneemt die er niet zijn. Maar niet iedereen die een psychose doormaakt, heeft schizofrenie. De precieze oorzaak van schizofrenie is nog niet bekend. Wel is duidelijk dat er een of meerdere erfelijke factoren een rol spelen. Als een familielid schizofrenie heeft, is de kans op het ontwikkelen van schizofrenie groter.
In de tabel is voor vijf verschillende situaties weergegeven hoe groot de kans is dat iemand de aandoening ontwikkelt.
| situatie | familielid met schizofrenie | kans op het ontwikkelen van schizofrenie |
|---|---|---|
| 1 | geen | 1% |
| 2 | neef of nicht | 3% |
| 3 | broer of zus | 9% |
| 4 | tweelingbroer of -zus; twee-eiig | 14% |
| 5 | tweelingbroer of -zus; eeneiig | 50% |
Vraag 31 1 punt
Verklaar waardoor de kans op het ontwikkelen van schizofrenie voor iemand in situatie 5 groter is dan voor iemand in situatie 4.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat eeneiige tweelingen genetisch (meer) overeenkomen. / dat twee-eiige tweelingen genetisch meer verschillen (dan eeneiige).
Opmerking
Als de kandidaat antwoordt dat eeneiige tweelingen hetzelfde DNA hebben of dat eeneiige tweelingen zijn ontstaan uit dezelfde eicel en zaadcel, het scorepunt toekennen.
De gegevens in de tabel doen vermoeden dat, behalve genetische factoren, ook de milieu-omstandigheden in de baarmoeder of rondom de bevalling invloed hebben op de kans op schizofrenie.
Vraag 32 2 punten
Leg uit hoe de vergelijking van situatie 3 met situatie 4 leidt tot dit vermoeden.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat
- de genetische overeenkomst bij situaties 3 en 4 (ongeveer) gelijk is.
- de (milieu-)omstandigheden in situatie 3 meer verschillend zijn geweest (dan in situatie 4). / de (milieu-)omstandigheden in situatie 4 (in de baarmoeder en rondom de bevalling min of meer) gelijk zijn geweest (en bij 3 niet).
Opmerking
Als de kandidaat antwoordt dat het percentage gelijk zou zijn als het alleen genetisch was, het eerste scorepunt toekennen.
Een veelvoorkomend symptoom van een psychose is het waarnemen van stemmen die er niet zijn. Ook kan het zijn dat beelden, geuren of smaken die er niet zijn, waargenomen worden.
Uit deze symptomen is af te leiden dat tijdens een psychose processen verstoord zijn in een bepaald deel van het centraal zenuwstelsel.
Vraag 33 1 punt
In welk deel is dat?
Bekijk het antwoord
Antwoord: A
A
De Australische onderzoeker Fabienne Brilot onderzocht het afweersysteem van jongeren met psychoses. Bij 19% van deze jongeren vond zij in het bloed een antistof tegen de receptor voor een bepaalde neurotransmitter. Hieruit concludeerde Brilot dat deze jongeren een auto-immuunziekte hebben: hun afweersysteem richt zich tegen een lichaamseigen stof.
In de afbeelding is een synaps weergegeven. Vier onderdelen zijn met letters aangegeven.
De antistof tegen de receptor voor de neurotransmitter verstoort de impulsoverdracht.
Vraag 34 1 punt
Noteer de letter van het onderdeel in de afbeelding waaraan deze antistof zich hecht.
Schematische synaps met de letters P (blaasje met neurotransmitter), Q (presynaptisch membraan), R (neurotransmitter in de synapsspleet) en S (postsynaptisch membraan). Bekijk in Opgaven, pagina 17
Bekijk het antwoord
(alleen de letter) S
Charles leest dat het onderzoek van Brilot in samenwerking met de universiteit van Maastricht wordt uitgebreid. Voor dit onderzoek worden proefpersonen gezocht. Charles besluit contact op te nemen. Na een intake door een psychiater wordt een bloedmonster van Charles onderzocht in een laboratorium.
In het laboratorium voegt een laborant een bepaalde stof toe aan het bloedmonster om de auto-immuunziekte te kunnen vaststellen.
Vraag 35 1 punt
Welke stof heeft de laborant toegevoegd?
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Quinoa
Anouk heeft tuinbouw en akkerbouw aan de HAS Hogeschool gestudeerd. Tijdens haar stage in Peru heeft ze kennisgemaakt met de teelt van quinoa. Als ze na haar studie het akkerbouwbedrijf van haar ouders overneemt, besluit ze ook quinoa te gaan telen.
Quinoa (Chenopodium quinoa, afbeelding 1) is een gewas dat al eeuwen geteeld wordt in Bolivia en Peru. De plant vormt grote trossen met kleine eetbare zaadjes die een hoge voedingswaarde hebben. Quinoa is een zeer tolerant gewas, vooral wat droogte betreft. Het verdraagt zowel hoge temperaturen als nachtvorst, en kan ook op verzilte bodems groeien.
Anouk vindt dat in de toekomst zowel de manier van voedsel produceren als de manier van voedsel consumeren zal moeten veranderen om de groeiende wereldbevolking van voedsel te kunnen voorzien. Zelf is ze veganist geworden en eet dus geen dierlijke producten zoals vlees, vis, eieren en zuivelproducten.
Vraag 36 2 punten
Tot welk trofisch niveau behoort een veganist? En tot welk trofisch niveau behoort iemand die zowel plantaardige als dierlijke producten eet?
| veganist | iemand die plantaardige én dierlijke producten eet | |
|---|---|---|
| A | producent | consument 1e orde en hoger |
| B | producent | alleen consument 2e orde en hoger |
| C | alleen consument 1e orde | consument 1e orde en hoger |
| D | alleen consument 1e orde | alleen consument 2e orde en hoger |
| E | consument 1e orde en hoger | consument 1e orde en hoger |
| F | consument 1e orde en hoger | alleen consument 2e orde en hoger |
Afbeelding 1 uit de inleiding van deze opgave: tekening van een quinoaplant met pluimen en een hoop zaadjes. Bekijk in Opgaven, pagina 18
Bekijk het antwoord
Antwoord: C
C
Een veganistische levenswijze heeft invloed op het gebruik van landbouwgrond. Voor het voeden van een groep mensen met een veganistische levenswijze is minder landbouwgrond nodig dan voor een even grote groep mensen die wel dierlijke producten eten.
Vraag 37 1 punt
Licht dit toe aan de hand van de energiestroom door een ecosysteem.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat er verlies van energie is bij elke (volgende) schakel in een voedselketen.
Opmerking
Als de kandidaat antwoordt dat er warmteverlies is bij elke schakel in een voedselketen, of dat er bij elke schakel in een voedselketen een deel van de vastgelegde organische stof verdwijnt als dood materiaal en afval, het scorepunt toekennen.
Anouk moet er als veganist op letten dat haar voeding voldoende eiwitrijk is. Quinoa is een goede bron van plantaardige eiwitten, omdat het alle essentiële aminozuren bevat.
Vraag 38 1 punt
Beschrijf wat essentiële aminozuren zijn.
Bekijk het antwoord
Uit het antwoord moet blijken dat het aminozuren zijn die in het voedsel aanwezig moeten zijn. / dat het aminozuren zijn die de mens niet zelf kan maken (op basis van andere aminozuren).
De quinoaplant neemt bepaalde bouwstoffen op uit het milieu voor de productie van eiwitten.
Vraag 39 2 punten
Wat neemt de plant op als bouwstof voor eiwitten?
Bekijk het antwoord
Antwoord: D
D
In het jaar voordat Anouk een akker gaat gebruiken voor de teelt van quinoa, laat ze er vlinderbloemige planten op groeien. Vlinderbloemige planten bezitten wortelknolletjes waarin knolletjesbacteriën leven. Door deze planten onder te ploegen, komt er uiteindelijk meer $\mathrm{NO_3^-}$ in de bodem.
Vier processen uit de stikstofkringloop zijn:
- 1 ammonificatie door rottingsbacteriën
- 2 nitrificatie door nitrietbacteriën en nitraatbacteriën
- 3 stikstofassimilatie door vlinderbloemige planten
- 4 stikstoffixatie door knolletjesbacteriën
Vraag 40 2 punten
In welke volgorde vinden deze processen plaats op de akker zodat uiteindelijk $\mathrm{NO_3^-}$ beschikbaar is voor quinoa? Noteer de vier nummers in de juiste volgorde.
Bekijk het antwoord
4 – 3 – 1 – 2
Anouk zaait de quinoa in maart. Nadat de zaden gekiemd zijn, groeien de planten goed. De biomassa van quinoaplanten kan snel toenemen: in vijf maanden groeit er uit een zaadje een forse plant van 1 tot 1,5 meter hoogte.
Vraag 41 1 punt
Welke beschrijving van biomassa is juist?
Bekijk het antwoord
Antwoord: B
B
Naast de quinoa-akker ligt een sloot. Anouk zaait tussen de akker en de sloot een zes meter brede strook in met inheemse wilde bloemen. De strook vergroot de biodiversiteit en kan tegengaan dat er te veel meststoffen vanuit de akker in het water terechtkomen.
Vraag 42 1 punt
Noteer de biologische term voor een teveel aan meststoffen in het water.
Bekijk het antwoord
eutrofiëring/vermesting
Opmerking
Aan het antwoord overbemesting, geen scorepunt toekennen.
Steeds meer landbouwgronden verzilten: het grondwater wordt zouter door binnendringend zeewater. Ook de akkerbouwgrond van Anouk verzilt langzaam. De meeste landbouwgewassen kunnen daar niet goed tegen.
Vraag 43 1 punt
Verklaar waardoor het voor een plant moeilijk is om water op te nemen uit een bodem waarin het grondwater verzilt is.
Bekijk het antwoord
voorbeelden van een juist antwoord:
- In een omgeving met zout grondwater diffundeert het water uit de hypotone cellen naar het hypertone grondwater.
- De osmotische waarde van het grondwater is te hoog om water aan te onttrekken.
- Door osmose gaat het water juist de plant uit.
- Water uit de plant gaat naar de hoge zoutconcentratie van de bodem.
- Het verschil in osmotische waarde wordt veel kleiner, waardoor de plant minder water kan opnemen.
Quinoa is zouttolerant omdat het veel meer zout-ionen zoals $\mathrm{Na^+}$ en $\mathrm{Cl^-}$ opneemt dan andere landbouwgewassen. Deze zout-ionen worden na opname in de wortel via de vaatbundels naar de bladeren vervoerd. Daar worden ze opgeslagen in gespecialiseerde epidermiscellen die een uitstulping hebben: de zoutblaas (afbeelding 2). In die zoutblaas bevindt zich een vacuole waar zout-ionen in hoge concentraties kunnen worden opgeslagen.
Over de opslag van zout-ionen in de epidermiscellen van quinoa worden de volgende uitspraken gedaan:
- 1 Door de opslag van zout-ionen wordt de vacuole hypotoon ten opzichte van de rest van de cel.
- 2 De opname van zout-ionen in de vacuole in een zoutblaas verloopt via membraaneiwitten.
- 3 De opname van zout-ionen in de vacuolen van de zoutblazen kost ATP.
Vraag 44 2 punten
Schrijf de nummers 1, 2 en 3 onder elkaar en noteer erachter of de betreffende uitspraak juist of onjuist is.
Afbeelding 2: dwarsdoorsnede van een quinoablad met vacuole, zoutblaas, epidermis en vaatbundel. Bekijk in Opgaven, pagina 20
Bekijk het antwoord
- 1 onjuist
- 2 juist
- 3 juist
In Peru wordt van quinoa het drankje chicha gemaakt. Anouk wil dit ook proberen. Ze vermaalt quinoazaden, voegt water toe en steriliseert het mengsel door het tien minuten te verhitten tot 95 °C. Vervolgens voegt ze er melkzuurbacteriën aan toe. Na een paar dagen is de chicha klaar. Het melkzuur geeft het drankje een lichtzure, frisse smaak.
Vraag 45 1 punt
Noteer de naam van het proces waarbij melkzuur ontstaat.
Bekijk het antwoord
(melkzuur)gisting / anaerobe dissimilatie / fermentatie
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Biologie 2024, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens biologie havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker biologie per vraagtype nakijkt, lees je op biologie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen biologie havo 2024, tijdvak 1?
Het centraal examen biologie havo 2024, tijdvak 1 telt 45 vragen. De meeste vragen gaan over bloedsomloop (10), ecologie (9) en erfelijkheid (7).
Wat zijn de antwoorden van het examen biologie havo 2024, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van biologie havo 2024, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/havo/documenten/cse-1/ha-1018-a-24-1-c).
Hoe oefen ik met het examen biologie havo 2024, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.