Eindexamen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Handel met Canada, Looneisen, S.O.S. Woonlasten, Dirk en Albert, Zelfstandig knippen, Ondernemen in de klas, Huizenprijzen in de lift, Make in India.

Kort antwoord

Het centraal examen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 loopt tot vraag 43. Van 39 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over inkomen en consumptie (12), productie en kosten (9) en internationale handel (7). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Inkomen en consumptie12-14, 16-21, 23-24, 3712
Productie en kosten8-11, 28-329
Internationale handel1-6, 427
Overheid en belastingen15, 22, 253
Marktvormen26, 332
Vraag en aanbod34, 362
Risico en verzekeren271
Geld en inflatie351
Conjunctuur381
Arbeidsmarkt431

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens economie vmbo-gl/tl sinds 2018: dit examen vroeg meer over inkomen en consumptie (31% van de vragen, gemiddeld 19%) en productie en kosten (23% van de vragen, gemiddeld 11%). Minder over arbeidsmarkt (3% van de vragen, gemiddeld 15%) en overheid en belastingen (8% van de vragen, gemiddeld 18%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Handel met Canada

Bij de beantwoording van de vragen in deze opgave hoef je geen gebruik te maken van een informatiebron in de bijlage.

Canada en de Europese Unie (EU) hebben een handelsverdrag (CETA) gesloten om de onderlinge handel gemakkelijker en goedkoper te maken. In het CETA-verdrag staan onder meer afspraken over de handel in goederen en diensten. Nederland is lid van de EU en Nederlandse bedrijven moeten zich dus houden aan de afspraken in het CETA-verdrag.

Vraag 1 1 punt

Het CETA-verdrag heeft gevolgen voor de export, maar ook voor de import. Welk gevolg heeft het wegnemen van handelsbelemmeringen voor de handel tussen Nederland en Canada? Gebruik in je antwoord het begrip afzetmarkt.

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een juist gevolg: De handel tussen beide landen neemt toe, want voor Europese en Canadese bedrijven wordt de afzetmarkt groter. (1)

Vraag 2 2 punten

De handel tussen Canada en de EU is ook sterk afhankelijk van de koers van de Canadese dollar ten opzichte van de euro. Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst door de juiste woorden te kiezen. Doe het zo: Noteer de nummers (1), (2) en (3) op je antwoordblad. Schrijf achter de nummers de juiste woorden op. Kies uit de woorden die tussen haakjes staan. Voor Europese importeurs van Canadese producten is een …(1)… (hoge / lage) koers van de Canadese dollar gunstig, omdat de Canadese producten dan relatief …(2)… (duur / goedkoop) zijn. Voor Europese exporteurs is een …(3)… (hoge / lage) koers van de euro gunstig, omdat dan de vraag naar Europese producten vanuit Canada kan toenemen.

Bekijk het antwoord
  • (1) lage (2) goedkoop (3) lage indien drie juist (2) indien twee juist (1) indien een of geen juist (0) (2)

Vraag 3 1 punt

Een groot deel van het transport van de Canadese goederen naar andere EU-landen zal verlopen via de Rotterdamse havens. Hoe wordt deze vorm van handel voor Nederland genoemd?

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist antwoord: − doorvoerhandel − wederuitvoer − transitohandel (1)

Vraag 4 1 punt

Nederland mocht voordat het CETA-verdrag werd gesloten maximaal

12 miljoen kilo kaas per jaar exporteren naar Canada. Deze hoeveelheid kan door het CETA-verdrag geleidelijk stijgen met 150%. Bereken de verwachte maximale omvang van de Nederlandse export van kaas naar Canada. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een juiste berekening: 250 12 miljoen kilo × = 30 miljoen kilo 100 (1)

Vraag 5 1 punt

Het handelsverdrag is goed nieuws voor Europese kaasproducenten en exporteurs van kaas. Zij verwachten nu veel meer kaas aan Canada te kunnen verkopen. Toch is er nog sprake van protectionisme. Van welke protectionistische maatregel door Canada is sprake?

  1. A van een contingent
  2. B van een ingestelde ruilvoet
  3. C van een uitvoerverbod
  4. D van vrijhandel
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 6 1 punt

Het CETA-verdrag leidt tot meer concurrentie voor de EU. Er kunnen Canadese producten op de Europese markt komen die van betere kwaliteit of goedkoper zijn dan die uit de EU-landen. Noem een mogelijk nadelig gevolg van het CETA-verdrag voor de EU- landen.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juist nadelig gevolg: − Er kan werkgelegenheid in de EU verloren gaan. − De Canadese importgoederen zijn mogelijk minder milieuvriendelijk geproduceerd dan die uit de EU. − De Canadese importgoederen zijn mogelijk minder veilig voor de consument dan die uit de EU. (1)

Looneisen

Bij de beantwoording van de vragen in deze opgave moet je soms gebruikmaken van informatiebron 1 in de bijlage.

Ali heeft samen met zijn vader een bouwbedrijf: Ali & Co. Ze doen verbouwingen aan bestaande woningen en bedrijfspanden. Nadat Ali zijn opleiding had afgerond, kwam hij bij zijn vader in de zaak als mede-eigenaar.

Vraag 7 1 punt

Ali en zijn vader zijn beiden eigenaar van het bedrijf. Aan het eind van het jaar verdelen ze de winst. Over deze winst betalen ze beiden inkomstenbelasting in box 1. Welke ondernemingsvorm heeft Ali & Co?

  1. A besloten vennootschap (bv)
  2. B naamloze vennootschap (nv)
  3. C stichting
  4. D vennootschap onder firma (vof)
Bekijk het antwoord

Antwoord: D

Gebruik informatiebron 1.

Vraag 8 1 punt

Ali heeft de verwachtingen voor 2018 op papier gezet. Bereken de verwachte bedrijfskosten van Ali & Co voor 2018. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een juiste berekening: € 2.700.000 − € 1.700.000 − € 175.500 = € 824.500 (1)

Op nu.nl komt Ali dit krantenartikel tegen:

Vakbonden stellen forse looneisen De tijd dat werknemers bescheiden looneisen bij de cao- onderhandelingen stellen, is voorbij volgens voorzitter Piet Fortuin van vakbond CNV. Fortuin: “In 2018 zullen we loonsverhogingen eisen van minstens

4 procent per jaar, vooral in de sectoren waar het goed gaat, zoals in de bouwsector.”

“Het is leuk dat het goed gaat in mijn sector, maar dit gaat ons flink geld kosten”, zegt Ali. Als de loonkosten in 2018 bij Ali & Co stijgen, zal ook de nettowinst veranderen.

Gebruik informatiebron 1.

Vraag 9 2 punten

Ali rekent op een stijging van de loonkosten met 4%. Bereken de verwachte nettowinst van Ali & Co in 2018 na de verhoging van de loonkosten met 4%. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord
  • loonkosten per jaar: 10 × € 48.000 = € 480.000 (1)
  • extra loonkosten: € 480.000 × 0,04 = € 19.200 € 175.500 − € 19.200 = € 156.300 (1)

Vraag 10 1 punt

Ali: “In de bouwsector zullen de loonstijgingen er toe leiden dat alle bouwbedrijven de prijzen van verbouwingen moeten verhogen. Met als gevolg dat de afzet bij alle bouwbedrijven kan dalen.” Welke keuze kunnen consumenten maken waardoor de afzet van alle bouwbedrijven kan gaan dalen?

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juiste keuze: − zelf verbouwen − de verbouwing uitstellen (1)

Vraag 11 2 punten

Ali & Co concurreert flink met bouwbedrijven uit de omgeving. Om die reden wil Ali proberen om zijn prijzen weinig te laten stijgen, ondanks die verwachte loonstijging. Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst door de juiste woorden te kiezen. Doe het zo: Noteer de nummers (1), (2) en (3) op je antwoordblad. Vul bij de nummers de juiste woorden in. Kies uit de woorden die tussen haakjes staan. De prijs van een verbouwing kan, ondanks een stijging van de loonkosten, gelijk blijven als de arbeidsproductiviteit gaat …(1)… (dalen / stijgen). Ali wil dit bereiken door …(2)… (meer / minder) kapitaalintensief te gaan produceren. Daardoor hoeven de …(3)… (afschrijvingen op machines / investeringen in kapitaal / loonkosten per eenheid product) niet te stijgen.

Bekijk het antwoord

Opmerking Let op doorwerkfouten.

S.O.S. Woonlasten

Bij de beantwoording van de vragen in deze opgave moet je soms gebruikmaken van informatiebron 2 en 3 in de bijlage.

Meike (26) en Job (30) komen met hun geld niet uit. Ze hebben via een tv-programma financiële coach Munir gevraagd om hen te helpen. Voordat Munir komt, moeten Meike en Job eerst hun financiële gegevens ordenen.

Vraag 12 2 punten

Om een financieel overzicht te krijgen gaan Meike en Job met hun bankrekeningen na waar zij hun inkomen aan uitgeven. Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst door de juiste woorden te kiezen. Doe het zo: Noteer de nummers (1), (2) en (3) op je antwoordblad. Vul bij de nummers de juiste woorden in. Kies uit de woorden die tussen haakjes staan. Een tekort op een bankrekening noemen we een ...(1)… (creditsaldo / debetsaldo). Vooral ...(2)… (huishoudelijke uitgaven / vaste lasten) worden automatisch van de bankrekening afgeschreven. Op een bankrekeningoverzicht kunnen ze volgen waaraan zij ...( 3)… (chartale / girale) betalingen hebben gedaan.

Bekijk het antwoord
  • (1) debetsaldo (2) vaste lasten (3) girale indien drie juist (2) indien twee juist (1) indien een of geen juist (0) (2)

Na enkele uren is het financiële overzicht bijna compleet.

Gebruik informatiebron 2.

Vraag 13 2 punten

Bereken het gemiddelde tekort per maand. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord
  • jaarinkomsten: € 31.000 jaaruitgaven: € 850 × 12 € 10.200 € 900 × 4 € 3.600 € 2.100 × 1 € 2.100 € 250 × 52 € 13.000 € 375 × 12 € 4.500 € 33.400 (1)
  • gemiddeld maandelijks tekort: = € 200 (1)

Meike en Job hebben duidelijk een geldtekort. Volgens Munir besteden ze te veel aan de huur van hun woning. Munir: “Een verantwoorde huurquote ligt onder de 30%. De huurquote is het percentage van het gezamenlijk inkomen dat jullie aan huur besteden.”

Gebruik informatiebron 2.

Vraag 14 1 punt

Bereken in een decimaal de huurquote voor Meike en Job. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een juiste berekening: 850 × 100% = 32,9% 31.000 12 (1)

Meike is nu benieuwd of ze in aanmerking komen voor huurtoeslag. Er staat € 1.000 op hun gezamenlijke spaarrekening.

Gebruik informatiebron 3.

Vraag 15 1 punt

Komen Meike en Job in aanmerking voor huurtoeslag? Geef twee verklaringen bij je antwoord.

Bekijk het antwoord

Opmerking Het scorepunt uitsluitend toekennen als er twee juiste verklaringen zijn gegeven.

Vraag 16 2 punten

Munir: “Er zijn twee groepen scheefhuurders. Dure scheefhuurders zijn mensen die een te hoge huur hebben in verhouding tot hun inkomen. En goedkope scheefhuurders zijn mensen met een te lage huur in verhouding tot hun inkomen. Jullie zijn dure scheefhuurders geworden, als gevolg van de grote groep goedkope scheefhuurders.” Leg uit dat het aantal dure scheefhuurders, zoals Meike en Job, kan toenemen als het aantal goedkope scheefhuurders toeneemt.

Bekijk het antwoord
  • Mensen met een hoger inkomen, die meer huur zouden kunnen betalen, blijven in een relatief goedkope huurwoning zitten (1)
  • Daardoor moeten mensen met een lager inkomen in relatief dure huurwoningen gaan wonen (1)

Vraag 17 1 punt

Job: “Een huis kopen is goedkoper dan huren. Lenen voor een huis zou daarom gemakkelijker moeten zijn.” Munir is het niet met hem eens: “Als meer mensen gemakkelijker geld kunnen lenen voor de aankoop van een huis, leidt dat tot hogere woonlasten.” Hieronder staan drie economische verschijnselen.

1 De hoogte van het hypotheekbedrag stijgt.

2 De prijzen van koophuizen stijgen.

3 De vraag naar koophuizen stijgt. In welke regel staan deze verschijnselen zo, dat een logische gedachtegang ontstaat?

  1. A Lenen wordt gemakkelijker. → 1 → 2 → 3 → De woonlasten stijgen.
  2. B Lenen wordt gemakkelijker. → 2 → 1 → 3 → De woonlasten stijgen.
  3. C Lenen wordt gemakkelijker. → 3 → 2 → 1 → De woonlasten stijgen.
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Dirk en Albert

Bij de beantwoording van de vragen in deze opgave hoef je geen gebruik te maken van een informatiebron in de bijlage.

Dirk werkt sinds kort als managementassistent bij een gewone supermarkt. Zijn oom Albert is enig eigenaar van een kleine biologische supermarkt. Ze hebben een gesprek over hun inkomens.

Vraag 18 1 punt

Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst door de juiste woorden te kiezen. Doe het zo: Noteer de nummers (1) en (2) op je antwoordblad. Vul bij de nummers de juiste woorden in. Kies uit de woorden die tussen haakjes staan. Het inkomen dat de eigenaar van een eenmanszaak ontvangt, noemen we ...(1)... (rente / vermogen / winst). Het totaal van alle beloningen in een land is gelijk aan ...(2)... (de nationale betalingsbalans / het nationaal inkomen / het nationaal overdrachtsinkomen).

Bekijk het antwoord
  • (1) winst (2) het nationaal inkomen indien twee juist (1) indien een of geen juist (0) (1)

Dirk heeft behalve loon ook wat rente ontvangen op zijn spaargeld. Drie jaar geleden stond er € 370 op zijn spaarrekening. De laatste drie jaren ontvangt hij daarop 0,7% rente per jaar. Hij neemt drie jaar niets op en voegt niets toe aan zijn spaarrekening.

Vraag 19 1 punt

Bereken in twee decimalen de rente die Dirk nu na drie jaar heeft opgebouwd op zijn spaarrekening. Ga uit van samengestelde interest. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord

Opmerking Afrondingsverschillen niet fout rekenen.

Dirk: “Ik werk 48 weken per jaar, 32 uur per week voor € 7,50 per uur.” Albert: “Dat is niet veel, Dirk. Mijn inkomen was het afgelopen jaar € 69.120.”

Vraag 20 1 punt

Bereken hoeveel jaar Dirk moet werken om evenveel te verdienen als Albert in een jaar. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een juiste berekening: € 69.120 = 6 jaar € 7,50 × 32 × 48 (1)

Vraag 21 1 punt

Dirk: “Afgelopen jaar had je dan wel een hoog inkomen, maar misschien heb je als ondernemer volgend jaar wel een negatief inkomen.” Leg uit dat ondernemers een negatief inkomen kunnen hebben.

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een juiste uitleg: Wanneer de kosten in een jaar hoger zijn dan de opbrengsten, heeft het bedrijf verlies (een negatief inkomen). (1)

Vraag 22 1 punt

Volgens Albert zijn de inkomensverschillen in Nederland niet zo groot. Dat komt onder andere door de progressieve inkomstenbelasting. Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst door de juiste woorden te kiezen. Doe het zo: Noteer de nummers (1) en (2) op je antwoordblad. Vul bij de nummers de juiste woorden in. Kies uit de woorden die tussen haakjes staan. Door de progressieve inkomstenbelasting worden de verschillen tussen de besteedbare inkomens …(1)… (groter / kleiner). Dit noemen we ...(2)... (denivellering / nivellering) van inkomens.

Bekijk het antwoord
  • (1) kleiner (2) nivellering indien twee juist (1) indien een of geen juist (0) (1)

Zelfstandig knippen

Bij de beantwoording van de vragen in deze opgave hoef je geen gebruik te maken van een informatiebron in de bijlage.

Maryam heeft net haar kappersdiploma gehaald. Ze staat voor een keuze: werken bij kappersketen GirlPower of een eigen kapsalon beginnen.

WAT VERDIENT EEN KAPPER IN LOONDIENST BIJ GIRLPOWER?

1 startsalaris zonder ervaring: € 1.200 bruto per maand

2 gemiddeld salaris: € 1.650 bruto per maand

3 salaris bij meer dan tien jaar ervaring € 2.000 bruto per maand

Vraag 23 1 punt

Waaruit bestaat het verschil tussen bruto- en nettosalaris?

  1. A belastingaftrek voor zelfstandigen
  2. B heffingskortingen
  3. C loonheffing
  4. D sociale premies
Bekijk het antwoord

Antwoord: C

Vraag 24 1 punt

Als zelfstandig werkend kapper heb je geen werktijden volgens een cao, maar deel je je eigen tijd in. Alle gewerkte tijd zou eigenlijk berekend moeten worden in het kniptarief, maar in de meeste kleine kappersbedrijven gebeurt dat niet. Welk risico loopt een zelfstandig werkende kapper als alle gewerkte uren doorberekend worden in het kniptarief?

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een juist risico: Als alle gewerkte uren meegeteld worden, is de kans groot dat het kniptarief te hoog wordt om te kunnen concurreren met andere kappers. (1)

Vraag 25 1 punt

Er is nog een belangrijk verschil tussen werknemers en zelfstandigen op het gebied van sociale zekerheid, ontdekt Maryam. Noem een sociale verzekering die geldt voor werknemers, maar niet voor zelfstandige ondernemers.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van juiste sociale verzekeringen: − WW − WIA (1)

Vraag 26 1 punt

In de kapperswereld bestaat een hevige prijsconcurrentie op het kapperstarief. Bovendien zijn de kosten van een eigen bedrijf hoog. Zelfstandigen sluiten om die reden vaak geen dure sociale verzekering af. Gelukkig bestaat er voor hen, zoals voor alle inwoners van Nederland, wel een sociaal vangnet. Van welke sociale voorziening kunnen ondernemers gebruikmaken als zij hun bron van inkomsten verliezen, terwijl ze daar niet tegen verzekerd zijn?

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juiste sociale voorziening: − Bijstandswet − Participatiewet (1)

Vraag 27 1 punt

Maryam realiseert zich dat er risico’s verbonden zijn aan het ondernemerschap. Maar zij ziet ook voordelen. Noem een voordeel van het zelfstandig ondernemerschap.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van juiste voordelen: − Ze heeft meer vrijheid in het indelen van haar werk. − Ze kan meer verdienen dan bij werken in loondienst. (1)

Ondernemen in de klas

Bij de beantwoording van de vragen in deze opgave hoef je geen gebruik te maken van een informatiebron in de bijlage.

Docente economie Albas introduceert in klas 4TL een landelijke wedstrijd. Leerlingen schrijven in groepjes een Schrijf Mijn ondernemingsplan. Het beste ondernemingsplan met de Ondernemingsplan hoogste winst maakt kans op de hoofdprijs: een weekend New York.

Vraag 28 2 punten

Bij de productie van goederen en diensten heb je vaste en variabele kosten, legt de docente uit. Geef van onderstaande kosten aan of het vaste of variabele kosten zijn. Doe het zo: Neem de letters over op je antwoordblad en schrijf daarachter ‘vast’ of ‘variabel’. a maandelijkse huur van een bedrijfspand b maandelijkse rekening van de glazenwasser c kosten van het overwerk van het personeel d kosten van verpakkingsmateriaal

Bekijk het antwoord
  • a vast b vast c variabel d variabel indien vier juist (2) indien drie juist (1) indien twee, een of geen juist (0) (2)

Vraag 29 1 punt

In elk ondernemingsplan is het bepalen van de kostprijs per eenheid product belangrijk, zegt Albas. Welke twee gegevens zijn noodzakelijk om de kostprijs per eenheid product te bepalen?

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van juiste gegevens: − de gemiddelde vaste kosten en de gemiddelde variabele kosten − de totale kosten en het aantal (geproduceerde) producten (1)

Albas tekent op het digibord vraag- en aanbodlijnen. Ze laat zien dat de omzet verandert als de vraag toeneemt.

de vraag- en aanbodlijn

30

25 aanbodlijn

20

15

10 verschoven vraaglijn b 5 oorspronkelijke vraaglijn

0 verschoven vraaglijn a

0 50 100 150 200

Gebruik bovenstaande grafiek.

Vraag 30 2 punten

Bereken de verandering van de omzet na de stijging van de vraag. Schrijf je berekening op.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Indien kleine verschillen in het aflezen bij vraaglijn b juist doorberekend worden, dan ook het scorepunt toekennen.

Esmée maakt deel uit van een groepje leerlingen die gepimpte telefoonhoesjes gaat verkopen aan de plaatselijke telefoonwinkel. De vaste kosten van de reclamecampagne bedragen € 126.

gegevens productie telefoonhoesjes verkoopprijs per stuk € 7,50 inkoopprijs per stuk €4 materialen per stuk € 0,52 reclamecampagne € 126

Vraag 31 2 punten

Bereken het minimale aantal hoesjes dat dit groepje moet verkopen om winst te maken. Schrijf je berekening op.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord
  • (break-even) = 42,3 (afgerond) (1)
  • ten minste 43 telefoonhoesjes (1)

De verkoop van de hoesjes verloopt goed. Binnen een week zijn er al 150 verkocht. Esmée redeneert: “Als we de verkoopprijs verhogen naar € 10 stijgt onze omzet en stijgt de brutowinst.”

Vraag 32 1 punt

Onder welke voorwaarde stijgt de brutowinst?

  1. A als de afzet in verhouding meer daalt dan de verkoopprijs in verhouding stijgt
  2. B als de verkoopprijs in verhouding meer stijgt dan de afzet in verhouding daalt
  3. C als de verkoopprijs meer stijgt dan de afzet daalt

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Bijlage

Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Huizenprijzen in de lift

Bij de beantwoording van de vragen in deze opgave moet je soms gebruikmaken van informatiebron 4 in de bijlage.

Koopwoningen worden op de koopwoningmarkt verkocht. Er zijn veel vragers en veel aanbieders op de koopwoningmarkt.

Vraag 33 1 punt

In welke regel staat de juiste benaming met een juiste toelichting van de marktvorm die hoort bij de koopwoningmarkt?

  1. A monopolistische concurrentie, want er is sprake van een heterogeen goed
  2. B monopolistische concurrentie, want er is sprake van een homogeen goed
  3. C volkomen concurrentie, want er is sprake van een heterogeen goed
  4. D volkomen concurrentie, want er is sprake van een homogeen goed
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 34 2 punten

De prijzen van koopwoningen worden door verschillende factoren bepaald. Een van deze factoren is de afzetsnelheid van een woning: het aantal dagen dat een woning te koop staat. Als het kort duurt voordat een huis verkocht wordt, is de afzetsnelheid laag. Maak van onderstaande zinnen een economisch juiste tekst door de juiste woorden te kiezen. Doe het zo: Noteer de nummers (1), (2) en (3) op je antwoordblad. Vul bij de nummers de juiste woorden in. Kies uit de woorden die tussen haakjes staan. Als de vraag naar koopwoningen ...(1)… (groter / kleiner) is dan het aanbod, stijgt de prijs. Als de afzetsnelheid van koopwoningen toeneemt, is dat …(2)…(gunstig / ongunstig) voor de verkoper van de koopwoning. De afzetsnelheid van koopwoningen is …(3)… (niet / wel) afhankelijk van de hoogte van de hypotheekrente.

Bekijk het antwoord
  • (1) groter (2) ongunstig (3) wel indien drie juist (2) indien twee juist (1) indien een of geen juist (0) (2)

Vraag 35 1 punt

Door de recessie van 2008 waren de huizenprijzen van koopwoningen in Nederland fors gedaald. De laatste jaren stijgen de huizenprijzen weer. Een van de oorzaken van de stijging is de zeer lage hypotheekrente. Hieronder staan drie economische verschijnselen:

1 De maandlast van een koopwoning wordt lager.

2 Er ontstaat meer vraag naar koopwoningen.

3 Een huis kopen wordt aantrekkelijker dan een huis huren. In welke regel staan deze verschijnselen zo, dat een logische gedachtegang ontstaat?

  1. A lage hypotheekrente → 1 → 2 → 3 → stijging huizenprijzen
  2. B lage hypotheekrente → 1 → 3 → 2 → stijging huizenprijzen
  3. C lage hypotheekrente → 2 → 1 → 3 → stijging huizenprijzen
  4. D lage hypotheekrente → 2 → 3 → 1 → stijging huizenprijzen
  5. E lage hypotheekrente → 3 → 1 → 2 → stijging huizenprijzen
  6. F lage hypotheekrente → 3 → 2 → 1 → stijging huizenprijzen
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Merel Domus vergelijkt de gestegen huizenprijzen in Amsterdam en de rest van Nederland. Zij twijfelt of ze een huis in Amsterdam wil gaan kopen of een gelijkwaardig huis in de rest van Nederland.

Gebruik informatiebron 4.

Vraag 36 1 punt

Bereken in een decimaal hoeveel procent de prijzen van koopwoningen in Amsterdam in 2016 ten opzichte van 2015 meer zijn gestegen dan de prijzen in de rest van Nederland. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord
  • voorbeeld van een juiste berekening: 14,7% − 4,4% × 100% = 234,1 % 4,4% (1)

Merel gaat naar de bank voor een hypotheekadvies. De bank vertelt haar dat de overheid de laatste jaren veel maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat huiseigenaren te veel lenen. Aan het eind van de looptijd kunnen sommige huiseigenaren de hypotheek niet terugbetalen aan de bank en blijven ze met een hoge restschuld zitten.

Vraag 37 1 punt

Welke maatregel kan ervoor zorgen dat huiseigenaren geen restschuld hebben?

  1. A Ze moeten de lening verplicht jaarlijks deels aflossen.
  2. B Ze moeten een minimale rentevaste periode van 10 jaar kiezen.
  3. C Ze mogen gedurende de looptijd extra geld lenen.
  4. D Ze mogen meer lenen dan de getaxeerde waarde van het huis.
Bekijk het antwoord

Antwoord: A

Vraag 38 2 punten

De Nederlandse overheid wijzigt regelmatig de regels over hypotheken, waardoor huizenkopers onzeker worden. Deze onzekerheid kan leiden tot een lagere economische groei. Leg in twee stappen uit waarom de onzekerheid bij huizenkopers kan leiden tot een lagere economische groei in Nederland.

Bekijk het antwoord
  • Door de onzekerheid daalt de vraag naar koopwoningen (1)
  • De bestedingen in Nederland (woningen, inrichting, verbouwing) nemen daardoor af (1)

Make in India

Bij de beantwoording van de vragen in deze opgave moet je soms gebruikmaken van informatiebron 5 in de bijlage.

India kende in de afgelopen jaren een forse economische groei. Toch noemen we India een ontwikkelingsland, een land waar de welvaart veel lager is dan in Nederland.

Gebruik informatiebron 5.

Vraag 39 1 punt

Noem twee gegevens waaruit, onafhankelijk van elkaar, blijkt dat India een ontwikkelingsland is.

Bekijk het antwoord

Opmerking Het scorepunt uitsluitend toekennen als beide gegevens juist zijn.

Vraag 40 1 punt

Het inkomen van een Nederlander is gemiddeld 31 keer zo hoog als het inkomen van een Indiër. Noem een oorzaak waarom een Nederlander toch niet 31 keer zo veel kan kopen als een Indiër.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van juiste oorzaken: − Het prijspeil in Nederland is hoger. − De bijdrage aan het nationaal inkomen vanuit de informele sector in India is hoger. − De mate van zelfvoorziening in India is hoger. (1)

De lonen in de Indiase landbouw zijn erg laag.

Gebruik informatiebron 5.

Vraag 41 2 punten

Bereken de gemiddelde bijdrage per jaar aan het Indiase nationaal inkomen van een Indiase werknemer in de landbouw. Schrijf je berekening op.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

voorbeelden van een juiste berekening: $ 2.264 miljard

  • $ 2.264 miljard × 0,28 = $ 633,92 miljard (1p)
  • 510 miljoen × 0,47 = 239,7 miljoen $ 633,92 miljard = $ 2.644,64 (1) 239,7 miljoen

De regering van India probeert met de campagne Make in India buitenlandse bedrijven over te halen om hun bedrijf te verplaatsen naar India, met als slogan: “Maak je producten bij ons, hier zijn de arbeidskosten laag”.

Vraag 42 1 punt

Sommige Nederlandse bedrijven hebben hun productie naar India verplaatst. De lagere loonkosten in India kunnen leiden tot een stijging van de afzet van deze Nederlandse bedrijven. Hieronder staan drie economische verschijnselen:

1 De bedrijfskosten van deze Nederlandse bedrijven dalen.

2 De concurrentiepositie van deze Nederlandse bedrijven verbetert.

3 De verkoopprijs van de producten van deze Nederlandse bedrijven daalt. In welke regel staan de verschijnselen zo, dat een logische gedachtegang ontstaat?

  1. A lagere loonkosten → 1 → 2 → 3 → stijging van de afzet
  2. B lagere loonkosten → 1 → 3 → 2 → stijging van de afzet
  3. C lagere loonkosten → 2 → 1 → 3 → stijging van de afzet
  4. D lagere loonkosten → 2 → 3 → 1 → stijging van de afzet
  5. E lagere loonkosten → 3 → 1 → 2 → stijging van de afzet
  6. F lagere loonkosten → 3 → 2 → 1 → stijging van de afzet
Bekijk het antwoord

Antwoord: B

Vraag 43 1 punt

De Indiase regering verwacht dat vooral mensen in de grote steden zullen profiteren van de stijging van de werkgelegenheid en de mensen op het platteland veel minder. Geef een reden waarom bedrijven zich eerder zullen vestigen in stedelijke gebieden dan op het platteland.

Bekijk het antwoord
  • voorbeelden van een juiste reden: − De infrastructuur in stedelijke gebieden is beter ontwikkeld. − Het opleidingsniveau in stedelijke gebieden is hoger. − Er is een groter aanbod van arbeidskrachten in stedelijke gebieden. (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vmbo-gl/tl Economie 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0233-a-19-2-o

Andere examens economie vmbo-gl/tl

Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2?

Het centraal examen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 loopt tot vraag 43. Van 39 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over inkomen en consumptie (12), productie en kosten (9) en internationale handel (7).

Wat zijn de antwoorden van het examen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vmbo-gl/documenten/cse-2/gt-0233-a-19-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen economie vmbo-gl/tl 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.