Eindexamen scheikunde havo 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Bodem bedekken, Bisfenol A, Kauwgombasis, Sake 酒, Solar-Jet, Natriumhydride.
Het centraal examen scheikunde havo 2018, tijdvak 2 telt 38 vragen. De meeste vragen gaan over duurzame chemie (7), koolstofchemie (6) en stoffen en eigenschappen (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Duurzame chemie | 5, 17, 24-25, 33, 35, 37 | 7 |
| Koolstofchemie | 2, 6, 13-14, 19, 22 | 6 |
| Stoffen en eigenschappen | 1, 27, 32, 36, 38 | 5 |
| Rekenen aan reacties | 3, 15, 20, 26 | 4 |
| Reactievergelijkingen | 4, 18, 23, 29 | 4 |
| Bindingen | 8-9, 12, 16 | 4 |
| Zuren en basen | 10, 21 | 2 |
| Reactiesnelheid | 30-31 | 2 |
| Scheidingsmethoden | 7 | 1 |
| Evenwichten | 11 | 1 |
| Redoxreacties | 28 | 1 |
| Atoombouw | 34 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over duurzame chemie (18% van de vragen, gemiddeld 8%) en stoffen en eigenschappen (13% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over redoxreacties (3% van de vragen, gemiddeld 9%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde havo 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde havo 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde havo 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Bodem bedekken
In de glastuinbouw wordt de bodem soms bedekt met piepschuimbolletjes (zie figuur 1). Deze bolletjes isoleren de grond en reflecteren het zonlicht, waardoor planten meer licht opvangen en omzetten tot chemische energie (de planten groeien).
Vraag 1 1 punt
Geef de naam van dit proces waarbij lichtenergie in planten wordt omgezet tot chemische energie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- fotosynthese/koolzuurassimilatie (1)
figuur 1 figuur 2
bedekken van de bodem met piepschuimbolletjes polystyreenbolletje (doorsnede)
De piepschuimbolletjes bestaan uit polystyreen waarin luchtbelletjes zijn ingesloten (zie figuur 2). De structuurformule van polystyreen is in figuur 3 weergegeven. Polystyreen wordt gevormd door polymerisatie van het monomeer styreen. De zijgroepen van polystyreen zijn niet reactief.
[figuur 3: zie het originele examen]
CH CH2 CH CH2 CH CH2
C C C HC CH HC CH HC CH HC CH HC CH HC CH CH CH CH
Als de bodem na de oogst wordt ontsmet met stoom, schrompelen de bolletjes ineen doordat het polystyreen zacht wordt en de lucht ontsnapt uit de bolletjes. Polystyreen is niet biodegradeerbaar en blijft achter in de bodem.
Vraag 2 2 punten
Geef de structuurformule van het monomeer styreen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien een van de volgende antwoorden is gegeven: (1)
of
Een ander soort schuimbolletjes (BioFoam®) figuur 4 bestaat uit polymelkzuur. Het polymelkzuur voor de schuimbolletjes wordt gevormd uit melkzuur dat is verkregen door fermentatie van suikers uit planten zoals suikerriet. Bij de productie van dit polymeer komt netto veel minder CO2 vrij dan bij de productie van dezelfde massa polystyreen. BioFoam®-bolletje Ook deze bolletjes schrompelen ineen bij het (doorsnede) ontsmetten van de grond met stoom.
Vraag 3 2 punten
Bereken hoeveel liter lucht aanwezig is in 1,00 m3 BioFoam®. Neem aan dat:
- de dichtheid van het polymelkzuur 1,24·103 kg m−3 is;
- 1,00 m3 schuimbolletjes een massa heeft van 25,0 kg;
- de massa van de schuimbolletjes uitsluitend wordt bepaald door de massa van het polymelkzuur.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
25, 0 3 (2) 1, 00
- 1, 24 ⋅103 ×10 = 9,8 ⋅10 (L)
In figuur 5 is een deel van de structuurformule van polymelkzuur weergegeven.
[figuur 5: zie het originele examen] O O O O CH C O CH C O CH C CH3 CH3 CH3
Polymelkzuur is, in tegenstelling tot polystyreen, wel biodegradeerbaar. De afbraak van polymelkzuur-moleculen verloopt in stappen. Eerst worden de estergroepen gehydrolyseerd. Vervolgens zetten bacteriën de afbraakproducten met behulp van zuurstof om tot koolstofdioxide en water.
Op de uitwerkbijlage is de vergelijking van de hydrolyse onvolledig weergegeven.
Vraag 4 3 punten
Geef op de uitwerkbijlage de volledige vergelijking van de reactie waarbij één esterbinding van het weergegeven deel van een molecuul polymelkzuur wordt gehydrolyseerd. Geef de koolstofverbindingen in structuurformules.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien in een overigens juist antwoord het vervolg van de ketens één of beide keren niet is aangegeven met ~ of ⋅ of
- (2p)
Opmerking Wanneer de hydrolyse van meer dan één estergroep in een kloppende vergelijking juist is weergegeven, dit goed rekenen.
BioFoam® is een duurzaam alternatief voor de piepschuimbolletjes van polystyreen. Het is wereldwijd de eerste schuimisolatie die het cradle-to-cradle-certificaat heeft verkregen. Het cradle-to-cradle-principe gaat ervan uit dat “alle stoffen steeds weer in gesloten kringlopen van productie, gebruik en recycling kunnen worden opgenomen”.
Vraag 5 2 punten
Geef een argument waaruit blijkt dat deze schuimbolletjes passen bij het cradle-to-cradle-principe. Licht je antwoord toe met behulp van de informatie in deze opgave.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist of goed te rekenen antwoord zijn:
- Bij de groei van planten wordt CO2 opgenomen, en bij biodegradatie van polymelkzuur komt die weer vrij (dus is deze korte kringloop gesloten).
- Het polymelkzuur wordt (in een aantal stappen) gemaakt van planten, en bij afbraak ontstaan weer stoffen die planten kunnen opnemen.
- Planten maken suikers van CO2 en bij de fermentatie van suikers ontstaat vervolgens melkzuur waaruit polymelkzuur kan worden gevormd. Bij de afbraak van polymelkzuur ontstaat weer CO2.
Indien een antwoord is gegeven als: “Bij de afbraak van polymelkzuur ontstaat (na hydrolyse) weer melkzuur. Uit melkzuur kan weer polymelkzuur worden gevormd.” (1) Indien een antwoord is gegeven als: “BioFoam®/polymelkzuur is biodegradeerbaar.” of “BioFoam ®/polymelkzuur is een thermoplast, dus (steeds) recyclebaar.” (1) Indien een antwoord is gegeven als: “Er komt minder CO2 vrij dan bij de vorming van polystyreen.” of “Polystyreen blijft na het ontsmetten achter in de bodem, dus dat past niet bij het cradle-to-cradle principe (en polymelkzuur wel).” (0)
Bisfenol A
Bisfenol A (BFA, C15H16O2) is een veel geproduceerde stof, die onder meer wordt gebruikt voor de fabricage van polycarbonaat. Polycarbonaat is een harde transparante kunststof, die wordt toegepast in bijvoorbeeld dvd’s en drinkwaterflesjes. De macroscopische eigenschappen van polycarbonaat hangen samen met de microstructuur ervan. In figuur 1 zijn de structuurformules van BFA (1a) en polycarbonaat (1b) weergegeven.
[figuur 1: zie het originele examen]
1a H H H H BFA
C C CH3 C C HO C C C C C OH
C C CH3 C C
H H H H
1b H H H H polycarbonaat
C C CH3 C C O O C C C C C O C
C C CH3 C C n
H H H H
Vraag 6 2 punten
Licht toe met behulp van een kenmerk op microniveau en een eigenschap op macroniveau, dat producten die bestaan uit polycarbonaat kunnen worden gevormd door middel van spuitgieten. Noteer je antwoord als volgt:
- kenmerk op microniveau: …
- eigenschap op macroniveau: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist kenmerk op microniveau zijn:
- Een polycarbonaatmolecuul is lineair / een (lange) losse keten.
- Polycarbonaatmoleculen zijn niet verbonden door middel van crosslinks.
- Polycarbonaatmoleculen vormen geen netwerk.
Voorbeelden van een juiste eigenschap op macroniveau zijn:
- Polycarbonaat wordt zacht bij verwarmen.
- Polycarbonaat wordt vervormbaar bij verwarmen.
- Polycarbonaat heeft thermoplastische eigenschappen.
Voorbeelden van een onjuiste eigenschap op macroniveau zijn:
- Het is hard en transparant.
- Het is een thermoharder.
Opmerkingen
- Wanneer in plaats van “zacht worden” het begrip “smelten” is gebruikt, dit niet aanrekenen.
- Wanneer als eigenschap op macroniveau “polycarbonaat is een thermoplast” is gegeven, dit goed rekenen.
De productie en het gebruik van BFA zijn omstreden, omdat BFA de hormoonhuishouding kan verstoren. Bij de productie van BFA ontstaat vervuild industrieel afvalwater. Inmiddels worden al lage concentraties BFA aangetroffen in het milieu. Onderzoekers hebben per toeval ontdekt dat BFA adsorbeert aan een spons die bestaat uit polyurethaan.
Vraag 7 2 punten
Beschrijf welk onderzoek kan worden uitgevoerd om aan te tonen dat BFA uit een oplossing aan de spons adsorbeert. Geef ook aan waaruit dat blijkt. Noteer je antwoord als volgt:
- Handeling(en): …
- Uit het experiment blijkt dat: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Handeling(en): Weeg de spons. Doe deze in een BFA-oplossing. Knijp de spons uit en droog de spons (in een oven). Weeg de spons opnieuw. Uit het experiment blijkt dat: de spons zwaarder is geworden (dus er is BFA geadsorbeerd).
- Handeling(en): Doe de spons in de BFA-oplossing. Knijp de spons (volledig) uit (zodat er geen aanhangend vocht meer is) en meet de hoeveelheid BFA in de spons. Uit het experiment blijkt dat: de hoeveelheid BFA in de spons groter is geworden.
- Handeling(en): Meet de concentratie BFA in de BFA-oplossing. Doe de spons in de oplossing. (Knijp de spons volledig uit zodat er geen aanhangend vocht meer is) en meet nogmaals de concentratie BFA in de oplossing. Uit het experiment blijkt dat: de concentratie BFA in de oplossing is gedaald.
- Handeling(en): Doe de spons in de BFA-oplossing. Knijp de spons (volledig) uit en doe deze in natronloog. Knijp de spons weer (volledig) uit en meet of er BFA in de natronloog is gekomen. Uit het experiment blijkt dat: het gehalte BFA(-ionen) in de natronloog is gestegen.
- het BFA-gehalte in de natronloog moet stijgen (1p)
De structuurformule van een polyurethaan is weergegeven in figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen] H
H C H
C C O O
C C
C N C N C O CH2 CH2 O
H H H n
BFA is in water matig oplosbaar en verplaatst zich vanuit het water naar het polyurethaan. Een van de oorzaken hiervan kan worden afgeleid uit de moleculaire structuur van BFA en polyurethaan. BFA bindt door middel van waterstofbruggen aan polyurethaan, maar ook op een andere manier. Op de uitwerkbijlage zijn een molecuul BFA en een fragment van een molecuul polyurethaan in structuurformules weergegeven.
Vraag 8 2 punten
Geef op de uitwerkbijlage weer hoe een molecuul BFA door middel van twee waterstofbruggen is gebonden aan het molecuul polyurethaan. Geef de waterstofbruggen weer met stippellijntjes (…..).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien in een overigens juist antwoord behalve juiste waterstofbruggen ook één of meer onjuiste waterstofbruggen zijn getekend (1)
Opmerkingen
- Wanneer één of meerdere waterstofbruggen zijn getekend van één van de O-atomen van de estergroep naar juiste waterstofatomen van BFA, dit beoordelen als (een) juiste waterstofbrug(gen).
- Wanneer een antwoord is gegeven als:
dit goed rekenen.
Vraag 9 2 punten
Licht toe aan de hand van figuur 1a en figuur 2 dat BFA zich ook op een andere manier (dan door middel van waterstofbruggen) zal binden aan polyurethaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- BFA-moleculen hebben, net als polyurethaan-moleculen, apolaire delen/(zij)groepen. Hierdoor kan BFA (sterkere) vanderwaalsbindingen vormen met polyurethaan (dan met water).
- De moleculen van BFA en polyurethaan hebben allebei een groot hydrofoob deel. Deze delen zoeken elkaar op. (En daardoor bindt BFA zich aan polyurethaan.)
BFA kan van de spons worden verwijderd met behulp van natronloog. De reactie die daarbij optreedt, kan als volgt worden weergegeven: HO-C6H4-C(CH3)2-C6H4-OH + OH– → HO-C6H4-C(CH3)2-C6H4-O– + H2O (reactie 1)
De geladen deeltjes die hierbij ontstaan worden BFA-ionen genoemd. De spons kan na afloop opnieuw worden gebruikt.
Vraag 10 2 punten
Geef aan of reactie 1 een zuur-basereactie is. Motiveer je antwoord aan de hand van formules in de vergelijking van reactie 1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- C15 H16O2 (is het zuur en) draagt H+ over aan (de base) OH– . Dus het is een zuur-basereactie.
- (De base) OH– neemt een H+ op (van C15 H16O2), want het wordt H2 O. Dus het is een zuur-basereactie.
- (Het zuur) C15 H16O2 staat een H+ af aan (de base) OH–. Dus het is een zuur-basereactie.
Indien slechts een antwoord is gegeven als: “OH– is/reageert als een/de base en BFA/C15 H16O2 is/reageert als een/het zuur.” (1) Indien een antwoord is gegeven als: “Er wordt H+ overgedragen, dus het is een zuur-basereactie.” zonder uitleg of met een onjuiste uitleg (1) Indien een antwoord is gegeven als: “Het is geen redoxreactie want er is geen elektronenoverdracht, dus het is een zuur-basereactie.” (0)
Opmerking Wanneer in plaats van de formules (C15 H16O2 en/of OH– ) de juiste namen zijn gebruikt (respectievelijk BFA/bisfenol A en (het) hydroxide(-ion)), dit niet aanrekenen.
Wanneer BFA met behulp van een polyurethaan-spons uit industrieel afvalwater wordt gehaald en dit BFA vervolgens met natronloog van de spons wordt verwijderd, ontstaat een nieuwe oplossing. Het gehalte BFA-ionen in de nieuwe oplossing kan dan hoger worden dan het gehalte BFA-moleculen in het oorspronkelijke afvalwater. Het op deze manier verhogen van het gehalte BFA kan bijdragen aan een groenere chemie.
Vraag 11 2 punten
Geef twee redenen waarom bij het verwijderen van BFA-moleculen van de spons het gebruik van 0,1 M natronloog de voorkeur verdient boven het gebruik van 0,01 M natronloog. Ga er hierbij van uit dat in beide gevallen een even grote overmaat OH– ionen zal worden gebruikt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste reden zijn:
- Bij een hogere concentratie natronloog verloopt reactie 1 sneller.
- Bij gebruik van 0,1 M blijft (na afloop) een geconcentreerdere BFA(ionen)-oplossing over. / Wanneer 0,1 M wordt gebruikt, ontstaat een minder verdunde oplossing (dan wanneer 0,01 M wordt gebruikt).
- De geconcentreerde/nieuwe afvaloplossing neemt minder volume in (en is dus gemakkelijker op te slaan / af te voeren).
Voorbeelden van een onjuiste reden zijn:
- Bij hogere concentraties verloopt alles sneller.
- Anders duurt het te lang.
- Misschien gaat BFA er met 0,01 M natronloog niet/minder af.
Kauwgombasis
De kauwgombasis is het onoplosbare deel van kauwgom dat uiteindelijk wordt weggegooid. Deze basis bevat elastomeren, harsen, weekmakers en emulgatoren. Elastomeren bestaan uit lange polymeerketens die met elkaar zijn verbonden door enkele crosslinks. Een stukje van zo’n elastomeer is schematisch weergegeven in figuur 1a. Elastomeren hebben een groot elastisch vermogen, waardoor het materiaal kan uitrekken (1b) en weer in zijn oorspronkelijke vorm (1c) kan terugkeren. In figuur 1b en 1c zijn de crosslinks weergegeven met een ●.
[figuur 1: zie het originele examen]
polymeerketen crosslink
1a 1b 1c
Vraag 12 1 punt
Beschrijf welke functie de crosslinks hebben bij het uitrekken van elastomeren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Crosslinks zorgen ervoor dat de (polymeer)ketens niet helemaal los raken / te ver uitrekken/strekken/uitrollen/bewegen/verplaatsen. − Crosslinks houden de (polymeer)ketens bij elkaar. − Crosslinks beperken de beweging van de (polymeer)ketens. − Crosslinks zorgen ervoor dat het elastomeer niet permanent vervormt / uit elkaar getrokken wordt. (1)
Veel kauwgomsoorten bevatten het elastomeer butylrubber. Butylrubber is een copolymeer, dat voor 98% bestaat uit monomeereenheden isobuteen (een vertakt isomeer van buteen) en voor 2% uit monomeereenheden isopreen. De isopreen-eenheden vormen de crosslinks. In figuur 2a is een gedeelte van het elastomeer nogmaals weergegeven. Het omcirkelde gedeelte daarin is ‘uitvergroot’ tot de structuurformule in figuur 2b. De twee polymeerketens in dit gedeelte bestaan beide uit vier eenheden isobuteen en zijn verbonden door middel van één isopreen-eenheid. Deze isopreen-eenheid maakt deel uit van beide polymeerketens.
[figuur 2: zie het originele examen]
CH3 CH3 CH3 CH3 CH3 CH2 C CH2 C CH2 C CH2 C CH2 C CH3 CH3 CH3 CH3
CH3 CH3 CH3 CH3 CH2 C CH2 C CH2 C CH2 C CH2 C polymeerketen crosslink CH3 CH3 H CH3 CH3
2a 2b
Figuur 2b is ook weergegeven in de uitwerkbijlage.
Vraag 13 2 punten
Geef de structuurformule van isobuteen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- een structuurformule met vier C-atomen en één C=C binding (1)
- de rest van de structuurformule juist (1)
Vraag 14 1 punt
Omcirkel op de uitwerkbijlage de isopreen-eenheid.
H 3C Een synthetische hars die in kauwgom vaak wordt O C toegepast is PVAc (polyvinylacetaat). PVAc is een additiepolymeer dat is gevormd uit één soort H O monomeer. De algemene structuurformule van PVAc C C is hiernaast weergegeven. H H n
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer een onjuist antwoord op vraag 14 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 13, dit antwoord op vraag 14 goed rekenen.
Vraag 15 2 punten
Bereken uit hoeveel monomeereenheden een PVAc-molecuul in kauwgom gemiddeld is opgebouwd. Neem aan dat de massa van een PVAc-molecuul in kauwgom gemiddeld 1,7·103 u is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
1, 7 ⋅103 = 2, 0 ⋅101 (monomeereenheden) 86,1
Weekmakers worden aan kauwgom toegevoegd om deze beter vervormbaar te maken tijdens het kauwen. Een veel gebruikte weekmaker in kauwgom is paraffine. Paraffine is een mengsel van alkanen met koolstofketens die in lengte variëren van 22 tot 27 koolstofatomen. Paraffinemoleculen nestelen zich tussen polymeerketens en verzwakken zo een bepaald soort binding tussen de polymeerketens.
Vraag 16 3 punten
Leg uit waarom door toevoeging van paraffine de kauwgom beter vervormbaar wordt. Gebruik in je antwoord begrippen op microniveau en de naam van het type binding dat verzwakt wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Doordat paraffinemoleculen tussen de (polymeer)ketens komen, wordt de afstand tussen de (polymeer)ketens vergroot. Daardoor worden de vanderwaalsbindingen/molecuulbindingen tussen de (polymeer)ketens zwakker, en kunnen de (polymeer)ketens gemakkelijker (langs elkaar) bewegen.
- Paraffinemoleculen verstoren de onderlinge ligging van de (polymeer)ketens. De vanderwaalsbindingen/molecuulbindingen tussen de (polymeer)ketens worden daardoor zwakker, waardoor de (polymeer)ketens gemakkelijker (ten opzichte van elkaar) kunnen bewegen.
Kauwgom die op straat wordt uitgespuugd, kan daar wel 20 tot 50 jaar blijven liggen.
Vraag 17 2 punten
Beredeneer waarom de kauwgombasis niet snel zal worden afgebroken. Baseer je antwoord op figuur 2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Het is een additiepolymeer, dus onder invloed van regen zal geen hydrolyse optreden.
- Er zitten geen esterbindingen/amidebindingen in, dus de kauwgombasis is niet hydrolyseerbaar.
- De kauwgombasis bestaat uit koolwaterstoffen / alleen uit koolstof- en waterstofatomen, en koolwaterstoffen zijn (altijd) slecht afbreekbaar.
Voorbeelden van een onjuist antwoord zijn:
- Er zitten crosslinks in, en daardoor is kauwgom niet afbreekbaar.
- Het polymeer in figuur 2 / Kauwgom is niet biodegradeerbaar.
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als: “Er zijn geen C=C bindingen, dus (uv-)licht zal butylrubber niet afbreken.”, dit goed rekenen.
Sake 酒
Sake is een traditionele alcoholische drank uit Japan. Deze drank wordt gemaakt uit rijst. Rijst bestaat voornamelijk uit zetmeel, een polysacharide die uitsluitend is opgebouwd uit glucose-eenheden. Ook bevat rijst enkele eiwitten. Voor de productie van sake worden gestoomde rijst, gist, water en koji-schimmel samengebracht in een tank. Koji-schimmel produceert enzymen die zetmeel omzetten tot glucose en enzymen die eiwitten afbreken tot aminozuren. Gist zet de door de koji-schimmel geproduceerde glucose om tot ethanol en koolstofdioxide.
Vraag 18 2 punten
Geef de vergelijking van deze reactie waarbij glucose wordt omgezet.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer een juiste vergelijking (gedeeltelijk) in structuurformules is gegeven, dit niet aanrekenen.
Hieronder is een gedeelte van een rijsteiwitmolecuul weergegeven.
~ Met
- Ala
- Pro ~
Vraag 19 4 punten
Geef dit gedeelte weer in structuurformule.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer in een overigens juist antwoord de C uiteinden en de N uiteinden zijn verwisseld, dit goed rekenen.
De kwaliteit van de geproduceerde sake in de tank wordt nauwlettend gevolgd en bewaakt. Dit gebeurt onder andere door regelmatig het zuurgehalte te bepalen. Zuren geven sake een volle smaak. Het zuurgehalte wordt uitgedrukt in gram barnsteenzuur (C4H6O4) per 100 mL sake en wordt volgens een voorgeschreven methode bepaald: aan 10,0 mL sake uit de tank wordt een aantal druppels van een geschikte indicator toegevoegd, waarna een titratie wordt uitgevoerd met 0,100 M natronloog. Van een bepaalde sake wordt het zuurgehalte bepaald. Bij deze bepaling is 1,32 mL natronloog nodig om met de zuren in 10,0 mL sake te reageren. Het zuurgehalte van deze sake kan vervolgens worden berekend met behulp van de volgende reactievergelijking:
C4H6O4 + 2 OH– → C4H4O42– + 2 H2O
Vraag 20 4 punten
Bereken het zuurgehalte van deze sake in gram barnsteenzuur per
100 mL sake. De molaire massa van barnsteenzuur is 118,1 g mol–1.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
(1,32 × 0,100 ) ×10−3 ×118,1×10= 7, 79 ⋅10−2 (g per 100 mL) 2
De pH van deze sake is 4,5.
Vraag 21 2 punten
Bereken [H+] in mol L–1 in deze sake.
Bekijk het antwoord
Indien slechts het antwoord ( [H+] = ) 10–4,5 is gegeven (1) Indien de uitkomst 3,16∙10–5 (mol L–1 ) is gegeven (zie syllabus subdomein A8) (1) Indien een antwoord is gegeven als: ([H+] = )
- log 4,5 =
- 0,65 /
- 6,5∙10–1 (0p)
Veel soorten sake bevatten de natuurlijke geurstof ethylcaproaat. Ethylcaproaat is de ester van hexaanzuur en ethanol.
Vraag 22 3 punten
Geef de structuurformule van ethylcaproaat.
Bekijk het antwoord
Indien de juiste structuurformule van hexylethanoaat is gegeven (2)
Solar-Jet
Onderzoekers van het Europese onderzoeksproject Solar-Jet zijn erin geslaagd om met behulp van kunstmatig zonlicht koolstofdioxide en water om te zetten tot syngas. Syngas is een mengsel van de gassen CO en H2. Vervolgens is het syngas met behulp van een katalysator omgezet tot kerosine. Kerosine is een vliegtuigbrandstof die voornamelijk bestaat uit koolwaterstoffen met 6 tot 16 koolstofatomen.
Vraag 23 2 punten
Geef de vergelijking van de reactie waarbij CO en H2 worden omgezet tot de koolwaterstof C12H26 en water.
Bekijk het antwoord
- uitsluitend CO en H2 voor de pijl en uitsluitend C12 H26 en H2 O na de pijl en juiste koolstofbalans (1)
- juiste zuurstof- en waterstofbalans in een vergelijking met uitsluitend de juiste formules voor en na de pijl (1)
Het doel van het Solar-Jet-project is het ontwikkelen van een proces waarbij op duurzame wijze vliegtuigbrandstof kan worden gemaakt met behulp van zonlicht. Dit is in figuur 1 schematisch weergegeven.
[figuur 1: zie het originele examen]
zonlicht O2 CO2 H2O lucht
syngas syngas reactor kerosine H2O CO2
CO2/H2O O2 CO2/H2O CO2/H2O zonlicht syngas gas kerosine ver- invangen opslag concentreren productie opslag productie branding
Bij de verbranding van koolwaterstoffen ontstaat koolstofdioxide. De uitstoot van koolstofdioxide heeft een ongewenst effect op het klimaat.
Vraag 24 1 punt
Geef de naam van dit ongewenste effect.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien het antwoord "zure regen" of "verzuring" is gegeven (0)
Opmerkingen
- Wanneer slechts het antwoord "broeikaseffect" is gegeven, dit niet aanrekenen.
- Wanneer het antwoord "verzuring van (oppervlakte)water" is gegeven, dit goed rekenen.
Vraag 25 2 punten
Leg uit dat het gebruik van Solar-Jet-kerosine niet bijdraagt aan dit ongewenste effect.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Bij de verbranding van Solar-Jet-kerosine ontstaat koolstofdioxide, maar er is voor de productie van de kerosine (minstens) evenveel koolstofdioxide gebruikt/verbruikt. (Daardoor komt er netto geen koolstofdioxide vrij, zodat het broeikaseffect niet wordt versterkt.)
Syngas kan worden geproduceerd door een mengsel van koolstofdioxide en water sterk te verhitten en vervolgens snel af te koelen. De reactie die hierbij verloopt is hieronder weergegeven. Dit is echter geen veilige methode, omdat een gevaarlijk gasmengsel ontstaat.
CO2 (g) + H2O (l) → CO (g) + H2 (g) + O2 (g)
Vraag 26 3 punten
Bereken de reactiewarmte in J voor de vorming van een mol CO (bij T = 298 K en p = p0) volgens bovenstaande vergelijking. Maak hierbij gebruik van Binas-tabel 57 of ScienceData-tabel 9.2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: –(–3,935∙105)
- (–2,86∙105 ) + (–1,105∙105 ) = 5,69∙105 (J)
Indien een antwoord is gegeven als: “–(–3,935)
- (–2,86) + (–1,105) = 5,69” (2) Indien in een overigens juist antwoord één of meer fouten zijn gemaakt in de plustekens en/of mintekens bij de verwerking van de vormingswarmtes (2) Indien in een overigens juist antwoord een andere waarde dan 0 (J mol–1 ) is gebruikt voor de vormingswarmte van zuurstof en/of de vormingswarmte van waterstof (2p)
Opmerkingen
- Wanneer een antwoord is gegeven als: “3,935 + 2,86
- 1,105 = 5,69∙105 (J)”, dit goed rekenen.
- Bij deze berekening de significantie niet beoordelen.
Vraag 27 2 punten
Leg uit waarom het gevormde gasmengsel gevaarlijker is dan syngas, en vermeld daarbij welk extra gevaar daardoor kan ontstaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Het gevormde gasmengsel bevat zuurstof (en syngas niet). Waterstof kan met zuurstof explosief reageren.
- Koolstofmonoöxide/syngas is brandbaar. Er is zuurstof aanwezig in het gevormde gasmengsel, dus zou dit gasmengsel zomaar in brand kunnen vliegen.
De onderzoekers van het Solar-Jet-project hebben een veilige methode ontwikkeld waarbij het syngas in twee stappen wordt gemaakt met behulp van een speciale reactor. In figuur 2 is een dwarsdoorsnede van deze reactor weergegeven. De reactor is zo ontworpen dat 94% van de lichtenergie wordt geleid naar een reactieruimte die bekleed is met poreus cerium(IV)oxide (CeO2).
[figuur 2: zie het originele examen]
stap 1: De reactiekamer wordt met kunstmatig zonlicht verhit tot 1600 °C. Hierdoor treedt een redoxreactie op, waarbij een deel van de cerium(IV)ionen wordt omgezet tot cerium(III)ionen en een deel van de oxide-ionen tot zuurstofmoleculen. Deze reactie is endotherm en kan worden weergegeven met de vergelijking:
4 CeO2 → 2 Ce2O3 + O2 (reactie 1)
De vrijgekomen zuurstof wordt met argon uit de reactor verdreven.
stap 2: De reactor wordt gekoeld tot 900°C en gevuld met een mengsel van koolstofdioxide en water. Dit mengsel reageert exotherm met cerium(III)oxide (Ce2O3) tot syngas en cerium(IV)oxide (CeO2). Het syngas wordt afgetapt, waarna stap 1 weer kan plaatsvinden.
Vraag 28 2 punten
Geef aan of de oxide-ionen die bij reactie 1 (stap 1) betrokken zijn, reageren als oxidator of als reductor. Motiveer je antwoord.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- De oxide-ionen worden omgezet tot zuurstofmoleculen, hierdoor raken oxide-ionen elektronen kwijt. Oxide-ionen reageren dus als reductor.
- De oxide-ionen (voor de pijl) hebben lading 2−. De zuurstofatomen (na de pijl) hebben lading 0. De oxide-ionen reageren dus als reductor.
- De oxide-ionen staan elektronen af, en reageren dus als de reductor.
Indien het antwoord “(oxide-ionen reageren als) reductor” is gegeven zonder motivatie of met een onjuiste motivatie (0)
Vraag 29 3 punten
Geef de vergelijking van de reactie die optreedt tijdens stap 2. Neem aan dat CO en H2 ontstaan in de molverhouding 1:1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- CO2 en H2O voor de pijl en uitsluitend CeO2, CO en H2 na de pijl (1)
- Ce2 O3 voor de pijl en juiste koolstof- en waterstofbalans (1)
- juiste cerium- en zuurstofbalans in een vergelijking met uitsluitend de juiste formules voor en na de pijl (1)
Door het Solar-Jet-proces wordt lichtenergie opgeslagen als chemische energie in de vorm van syngas. Dit proces is in figuur 3 schematisch in één energiediagram weergegeven.
[figuur 3: zie het originele examen]
energie geactiveerde toestand geactiveerde toestand reactieproducten van stap 1 reactieproducten van stap 2
beginstoffen
stap 1 stap 2
Uit figuur 3 blijkt dat het energieniveau van de stoffen na stap 2 tussen het energieniveau van de stoffen na stap 1, en het energieniveau van de beginstoffen in ligt.
Vraag 30 2 punten
Licht de onderlinge ligging van deze energieniveaus toe met behulp van de beschrijving van het Solar-Jet-proces. Noteer je antwoord als volgt: Het energieniveau van de reactieproducten van stap 2 ligt:
- lager dan het energieniveau van de reactieproducten van stap 1 omdat: …
- en hoger dan het energieniveau van de beginstoffen omdat:…
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: (Het energieniveau van de reactieproducten van stap 2 ligt:)
- lager dan (het energieniveau van de reactieproducten van) stap 1 omdat: stap 2 exotherm is / er bij stap 2 warmte vrijkomt
- en hoger dan (het energieniveau van) de beginstoffen omdat: bij het Solar-Jet-proces (netto) lichtenergie wordt vastgelegd/opgeslagen (als chemische energie) / de (netto) reactiewarmte van het totale proces positief/5,69∙105 (J) is / het totale proces (netto) endotherm is.
De onderzoekers hebben verschillende soorten poreus cerium( IV)oxide getest. Een bepaalde soort cerium(IV)oxide (soort X) is zowel poreus op millimeterschaal (figuur 4a) als op micrometerschaal (de uitsnede in figuur 4b). Een andere soort cerium(IV)oxide (soort Y) is alleen poreus op millimeterschaal.
[figuur 4: zie het originele examen]
4a 4b
Wanneer soort X wordt gebruikt, is de reactiesnelheid tijdens stap 2 veel hoger dan wanneer soort Y wordt gebruikt.
Vraag 31 2 punten
Leg uit aan de hand van het botsende-deeltjes-model waarom de reactiesnelheid van stap 2 bij gebruik van soort X hoger is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Het (reactie)oppervlak van soort X is groter dan het (reactie)oppervlak van soort Y . Hierdoor zijn er bij soort X meer effectieve botsingen (per tijdseenheid, waardoor de snelheid van de reactie tijdens stap 2 bij soort X veel hoger is dan bij soort Y ).
- Het (reactie)oppervlak van soort X is groter dan het (reactie)oppervlak van soort Y . Hierdoor botsen de koolstofdioxidemoleculen en de watermoleculen vaker, waardoor de kans op effectieve botsingen groter is (en de reactiesnelheid toeneemt).
Opmerking Wanneer in plaats van het begrip (reactie)oppervlak het begrip verdelingsgraad is gebruikt, dit niet aanrekenen.
Vraag 32 2 punten
Geef aan of cerium(IV)oxide in figuur 4b op microniveau is weergegeven. Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Cerium(IV)oxide is niet op microniveau weergegeven, want in figuur 4B zijn structuren weergegeven die groter zijn dan ionen.
- Nee, want 30 µm is (veel) groter dan het microniveau.
- Je ziet geen ionen, dus is het geen weergave op microniveau.
- Nee, want in de gaatjes zijn geen moleculen van een gas zichtbaar.
Voorbeelden van een onjuist antwoord zijn:
- 30 µm is heel klein, dus het is weergave op microniveau.
- Ja, want figuur 4b is een weergave op micrometerschaal.
- De foto is gemaakt met behulp van een microscoop, dus het is een weergave op microniveau.
- Het is geen weergave op microniveau want het is een weergave op mesoniveau/macroniveau.
- Het is geen weergave op microniveau, want er is geen gas te zien.
Indien een antwoord is gegeven als: “Het is geen weergave op microniveau, want er zijn geen cerium(IV)oxide-moleculen zichtbaar.” (1) Indien een antwoord is gegeven als: “Het is geen weergave op microniveau.” zonder toelichting of met een onjuiste toelichting (0)
De onderzoekers hebben berekend dat bij hun onderzoek slechts 1,7% van de zonne-energie is vastgelegd in de chemische energie van syngas. Dit lijkt erg weinig, maar de onderzoekers beweren dat de opbrengst van het Solar-Jet-proces verhoogd kan worden door terugdringen van het energieverlies.
Vraag 33 2 punten
Geef twee maatregelen die het energieverlies in het Solar-Jet-proces kunnen beperken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer een maatregel is gegeven als: “Tegelijkertijd een tweede reactor in gebruik nemen, zodat er geen zonlicht verloren gaat tijdens stap 2 van het proces in de eerste reactor (doordat de tweede reactor het zonlicht dan gebruikt voor stap 1).”, dit beoordelen als een juiste maatregel.
Natriumhydride
Natriumhydride (NaH) is een wit zout dat bestaat uit natriumionen en hydride-ionen (H–). Deze stof kan industrieel worden ingezet als sterke base en als reductor. De stof kan spontaan ontbranden aan de lucht, en wordt daarom in olie bewaard.
Vraag 34 2 punten
Geef het aantal protonen en elektronen in het hydride-ion. Noteer je antwoord als volgt: aantal protonen: … aantal elektronen: …
Bekijk het antwoord
- aantal protonen juist (1)
- aantal elektronen: aantal protonen vermeerderd met 1 (1)
De productie van natriumhydride uit methanol (CH3OH), water en natriumchloride is schematisch weergegeven in blokschema 1.
blokschema 1 NaCl II Cl 2
Na olie III
olie Na CH3OH NaH H2 I IV olie H2O
CO2
Samengevat verloopt dit productieproces als volgt:
- In ruimte I wordt waterstof geproduceerd uit methanol en stoom, volgens de volgende vergelijking: CH3OH + H2O → 3 H2 + CO2
- In ruimte II vindt een elektrolyse plaats. Hierbij worden natrium en chloorgas gevormd uit vloeibaar natriumchloride.
2 NaCl (l) → 2 Na (l) + Cl2 (g)
- In ruimte III wordt het gevormde natrium gemengd met olie. Hierbij ontstaat een suspensie van natrium in olie. In ruimte IV wordt waterstofgas in de suspensie van natrium in olie geleid. Hierbij ontstaat natriumhydride volgens:
2 Na + H2 → 2 NaH
Vraag 35 2 punten
Bereken de atoomeconomie voor de vorming van waterstof volgens de reactie in ruimte I. Maak gebruik van Binas-tabel 37H of ScienceData-tabel 1.7.7.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
3 × 2 ×1, 01 12,1( % ) ×102 = 32, 0 + 18, 0
Indien de volgende berekening is gegeven:
2 ×1, 01 4, 04 ( % ) ×102 = (1) 32, 0 + 18, 0
Opmerking Bij deze berekening de significantie niet beoordelen.
Vraag 36 2 punten
Leg uit waarom natriumchloride als vloeistof (en niet als vaste stof) aanwezig moet zijn om het proces in ruimte II te kunnen laten plaatsvinden.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Voor (elektrische) stroomgeleiding zijn vrije/beweegbare ladingen/ladingdragers nodig, hiervoor moet het zout in vloeibare toestand zijn (gebracht).
- Vast natriumchloride geleidt geen (elektrische) stroom. Elektrolyse kan (daarom) alleen plaatsvinden als het zout vloeibaar is, omdat dan de ionen kunnen verplaatsen.
- Natriumchloride bestaat uit ionen. In gesmolten toestand kunnen de (vrije/losse) ionen bewegen, en geleiden deze (geladen) deeltjes de (elektrische) stroom.
Indien slechts een antwoord is gegeven als: “(Alleen) gesmolten/vloeibaar natriumchloride/ (keuken)zout geleidt (elektrische) stroom.” of “Een vast zout geleidt geen (elektrische) stroom.” (1)
De reactie in ruimte II is verantwoordelijk voor meer dan de helft van de energiebehoefte van het gehele productieproces. Uit de beschrijving van het proces in ruimte II zijn twee gegevens te halen waaruit blijkt dat voor deze reactie energie nodig is.
Vraag 37 2 punten
Geef deze twee gegevens en vermeld daarbij welke soort energie wordt gebruikt.
Bekijk het antwoord
Indien slechts twee juiste gegevens of slechts twee juiste energiesoorten zijn genoemd (1)
In ruimte III wordt een suspensie gemaakt. De vloeistof in deze suspensie is olie. Vanwege een bepaalde stofeigenschap van natrium kon hiervoor geen water worden gebruikt.
Vraag 38 1 punt
Geef deze stofeigenschap.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer het antwoord “Natrium is corrosiegevoelig.” is gegeven, dit goed rekenen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Scheikunde 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-18-2-o
Andere examens scheikunde havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde havo 2018, tijdvak 2?
Het centraal examen scheikunde havo 2018, tijdvak 2 telt 38 vragen. De meeste vragen gaan over duurzame chemie (7), koolstofchemie (6) en stoffen en eigenschappen (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde havo 2018, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde havo 2018, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-18-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen scheikunde havo 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.