Eindexamen scheikunde havo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Houtspons, Metal fuels, BioGlue®, Alcohol in de auto, Bijensteek.

Kort antwoord

Het centraal examen scheikunde havo 2022, tijdvak 2 telt 38 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (8), redoxreacties (6) en scheidingsmethoden (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen scheikunde havo 2022, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Koolstofchemie6, 16-17, 22, 33-34, 36-378
Redoxreacties2-3, 11, 14, 26, 296
Scheidingsmethoden5, 8, 12-13, 155
Bindingen4, 7, 27-284
Rekenen aan reacties9, 21, 23, 324
Reactiesnelheid10, 19-203
Duurzame chemie24, 30-313
Zuren en basen1, 382
Reactievergelijkingen18, 352
Stoffen en eigenschappen251

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over redoxreacties (16% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde havo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde havo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde havo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Houtspons

Bij scheepsongelukken kan olie lekken naar het water. Om milieuschade te voorkomen hebben onderzoekers een materiaal op basis van hout ontwikkeld, waarmee olie uit water kan worden opgenomen. De werking van dit materiaal lijkt op die van een spons. Daarom heeft het de naam ‘houtspons’ gekregen. Hout bestaat uit cellulose, lignine en hemicellulose. Bij het maken van een houtspons moet het hout als volgt worden behandeld:

stap 1: Lignine wordt verwijderd. stap 2: Hemicellulose wordt verwijderd. stap 3: De overgebleven cellulose wordt gedroogd. stap 4: De gedroogde cellulose wordt hydrofoob gemaakt.

stap 1 Voor het verwijderen van lignine wordt een oplossing van natriumchloriet gebruikt met een pH van 4,7. Deze oplossing bevat onder andere chlorietionen (ClO2–). Uit deze chlorietionen wordt chloordioxide (ClO2) gevormd volgens reactie 1.

5 ClO2– + 4 H+ → 4 ClO2 + Cl– + 2 H2O (reactie 1)

Chloordioxide (ClO2) reageert vervolgens met lignine. Bij deze redoxreactie wordt ClO2 omgezet tot ClO2– volgens onderstaande halfreactie a. Deze vergelijking is onvolledig: er ontbreekt een elektron.

ClO2 → ClO2– (halfreactie a)

Vraag 1 2 punten

Bereken de [H+] in mol L–1 van een oplossing met een pH van 4,7. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juiste berekening is: ([H+]=) 10–4,7 = 2∙10–5 (mol L–1)

Vraag 2 2 punten

Leg uit of ClO2 in halfreactie a reageert als oxidator of als reductor.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • ClO2 + e– → ClO2– , dus ClO2 reageert als oxidator.
  • ClO2 neemt een elektron op, dus ClO2 reageert als oxidator.
  • Om ClO2– te vormen is een elektron opgenomen door ClO2, dus ClO2 is de oxidator.

Indien slechts een antwoord als het volgende is gegeven: ClO2 wordt ClO2–, dus ClO2 reageert als oxidator. (1)

ClO2– wordt in reactie 1 omgezet en tijdens de reactie van ClO2 met lignine weer gevormd. Toch is ClO2– geen katalysator.

Vraag 3 2 punten

Leg uit met behulp van reactie 1 en halfreactie a dat ClO2– geen katalysator is.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Uit vijf ionen ClO2– (ontstaan vier moleculen ClO2, dus) worden slechts vier ionen ClO2– terug gevormd. Een deel van de ClO2–-ionen wordt dus verbruikt. (ClO2– is dus geen katalysator.)
  • De molverhouding ClO2– : ClO2 is 5 : 4 bij reactie 1, maar 1 : 1 bij halfreactie a, dus er reageert meer ClO2– dan dat er wordt terug gevormd. (ClO2– is dus geen katalysator.)
  • Uit ClO2– wordt behalve ClO2 ook Cl– gevormd dat niet meer wordt omgezet tot ClO2–. ClO2– wordt dus (deels) verbruikt (en is dus geen katalysator).

De reactie met ClO2 veroorzaakt veranderingen in de structuur van lignine. In figuur 1 is zo’n verandering schematisch weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

CH3 H O O O C HC C HC

C C O R C O HC C HC C C O− R2 R2

fragment van een ligninemolecuul fragment van een ligninemolecuul voor reactie met ClO2 na reactie met ClO2

Door deze veranderingen wordt lignine beter oplosbaar in water en kan lignine uit het hout verwijderd worden. De verbeterde oplosbaarheid is onder andere te danken aan de vorming van waterstofbruggen met de ontstane zuurgroep en door hydratatie van de geladen groep.

Vraag 4 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit op de uitwerkbijlage:

  • Teken twee watermoleculen die de geladen groep hydrateren.
  • Teken nog eens twee watermoleculen die elk met een waterstofbrug zijn verbonden met de ontstane zuurgroep. Geef de waterstofbruggen weer met stippellijntjes (• • •).
  • Geef de watermoleculen weer met .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Indien in plaats van vier watermoleculen slechts twee watermoleculen zijn getekend, waarvan er één met een juiste waterstofbrug is verbonden met de zuurgroep en er één op een juiste manier rond de O– is getekend (1)

Opmerkingen

  • Als behalve juiste waterstofbruggen ook onjuiste waterstofbruggen zijn getekend, het derde scorepunt niet toekennen.
  • Als een juiste waterstofbrug van een watermolecuul naar de =O van de zuurgroep van het ligninemolecuul is getekend, dit beoordelen als een juiste waterstofbrug.

stap 2 en 3 Na het verwijderen van de lignine wordt de hemicellulose uit het hout verwijderd met natronloog. Van het hout blijft dan alleen de cellulose over, die nog een kleine hoeveelheid water bevat. Dit water moet ook nog worden verwijderd. Hiertoe wordt de cellulose sterk afgekoeld, zodat het aanwezige water bevriest. Door de luchtdruk steeds laag te houden, verdampt het bevroren water en wordt dit vervolgens afgevoerd. Deze scheidingsmethode heet ‘vriesdrogen’ en heeft overeenkomsten met het indampen van een oplossing. Zo zijn bijvoorbeeld de fasen van het water en van het residu, direct na uitvoering van het vriesdrogen, gelijk aan de fasen direct na uitvoering van het indampen van een oplossing.

Vraag 5 2 punten

Geef de toestandsaanduidingen van het residu en van het water direct na het vriesdrogen van cellulose. Noteer je antwoord als volgt: toestandsaanduiding residu: … toestandsaanduiding water: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • toestandsaanduiding residu: s/vast (1)
  • toestandsaanduiding water: g/gas (1)

stap 4 Om olie te kunnen opnemen, moet het oppervlak van de cellulose hydrofoob worden gemaakt. Dit gebeurt door een behandeling waardoor op de cellulose een laagje van het polymeer polysiloxaan wordt gevormd. Daarna is de houtspons klaar. In figuur 2 is de reactie tussen drie monomeereenheden van polysiloxaan en drie monomeereenheden van cellulose schematisch weergegeven.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 6 1 punt

Geef aan welke stof (X) bij deze reactie wordt afgesplitst.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • water/H2O (1)

Olie is een mengsel van koolwaterstoffen.

Vraag 7 2 punten

Leg uit waardoor olie beter aan houtspons bindt dan aan cellulose. Gebruik de structuurformules die zijn weergegeven in figuur 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Cellulose heeft een hydrofiel/polair oppervlak vanwege de OH-groepen en houtspons heeft een hydrofoob/apolair oppervlak vanwege de CH3-groepen. Olie is / Koolwaterstoffen zijn hydrofoob/apolair (en binden dus beter aan houtspons dan aan cellulose).
  • Cellulose bevat OH-groepen. Deze zijn niet meer aanwezig in houtspons. Houtspons is dus hydrofoob/apolair. Olie is / Koolwaterstoffen zijn ook hydrofoob/apolair (dus bindt olie beter aan houtspons dan aan cellulose).
  • Cellulose bevat OH-groepen en kan dus waterstofbruggen vormen. Houtspons bevat enkel CH3-groepen en dus kan houtspons geen waterstofbruggen / alleen vanderwaalsbindingen vormen. Olie vormt / Koolwaterstoffen vormen geen waterstofbruggen / alleen vanderwaalsbindingen (dus olie bindt beter aan houtspons dan aan cellulose).
  • cellulose kan waterstofbruggen vormen maar olie/koolwaterstoffen en houtspons niet / vormen enkel vanderwaalsbindingen (1p)

Geabsorbeerde olie kan uit houtspons worden verwijderd door deze eenvoudigweg eruit te persen. De houtspons veert daarna terug tot zijn oude vorm en kan opnieuw worden gebruikt. Onderzoekers hebben de opname van olie door de houtspons gemeten tijdens een aantal cycli van opname en uitpersen. De resultaten zijn in figuur 3 weergegeven. De opname van olie is uitgedrukt in het aantal gram olie dat per gram houtspons is opgenomen.

[figuur 3: zie het originele examen]

30 opgenomen olie (gram per gram houtspons) 25

20

15

10

5

0

0 1 2 3 4 5 6 7 8 aantal cycli Legenda: opname olie uitpersen

Vraag 8 1 punt

Geef aan hoe uit figuur 3 blijkt dat de olie niet volledig uit de houtspons geperst kan worden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Er wordt ongeveer 25 g olie opgenomen, maar na uitpersen blijft er nog ruim 7 g olie achter in de spons. − De uitgeperste hoeveelheid olie is kleiner dan de opgenomen hoeveelheid olie. − De gestippelde pijlen gaan niet terug naar 0 (dus de spons wordt niet volledig leeg geperst). − De gestippelde pijl blijft steken op ruim 7 g olie / na de eerste cyclus blijft er telkens ruim 7 g olie in de spons achter. (1)

In 2018 botste in de Rotterdamse haven een Noorse olietanker op een steiger, waardoor de tanker 200 ton olie verloor.

Vraag 9 3 punten

Bereken aan de hand van figuur 3 hoeveel cycli van opname en uitpersen minimaal nodig zijn om 200 ton olie uit het water van de haven te verwijderen met behulp van 100 kg houtspons. Lees de opgenomen olie af in één decimaal. Neem aan dat:

  • de gemiddelde opname per cyclus overeenkomt met die van cyclus 8.
  • 1 ton = 103 kg

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

200 × 103 = 128, 2 (dus 129 cycli) ( 22,8

  • 7, 2 ) × 100

of

De gemiddelde absorptiecapaciteit is 22,8 (± 0,3)

  • 7, 2 (± 0,3) = 15,6 (g g–1). Per cyclus neemt 100 kg houtspons dus

100 × 103 × 15,6 × 10−3 = 1,56 ·103 kg olie op.

200 × 103 Het benodigde aantal cycli is dus = 128, 2 . 1,56 ·103 (Er zijn dus 129 cycli nodig.)

Opmerking Bij deze berekening fouten in de afronding van het aantal cycli, bijvoorbeeld ‘128,2 dus 128 cycli’, niet aanrekenen.

Metal fuels

De komende jaren zullen steenkolencentrales worden gesloten om de elektriciteitsproductie duurzamer te maken. Een onderzoeksteam van de TU Eindhoven onderzoekt of deze centrales toch nog langer te gebruiken zijn wanneer steenkool wordt vervangen door een zogeheten ‘metal fuel’. Een metal fuel is een metaalpoeder dat verbrand kan worden. Het onderzoeksteam gebruikt hiervoor ijzerpoeder.

De verbrandingsreactie van ijzerpoeder verloopt als volgt:

4 Fe (s) + 3 O2 (g) → 2 Fe2O3 (s) (reactie 1)

In deze opgave wordt de productie van elektrische stroom op basis van de verbranding van ijzerpoeder beschreven. Op de uitwerkbijlage is hiervoor een vereenvoudigd en nog onvolledig blokschema gegeven. Eerst wordt ijzerpoeder dat in ruimte I is opgeslagen, gemengd met lucht. In een verbrandingskamer (ruimte II) wordt dit lucht-ijzermengsel tot ontbranding gebracht.

Vraag 10 2 punten

Leg uit met behulp van het botsende-deeltjesmodel dat de verbrandingssnelheid van ijzerpoeder hoger wordt, wanneer eenzelfde massa ijzerpoeder met een kleinere deeltjesgrootte wordt gebruikt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: IJzerpoeder met een kleinere deeltjesgrootte heeft een grotere verdelingsgraad / een groter (contact)oppervlak / een groter reactieoppervlak (dan ijzerpoeder met een grotere deeltjesgrootte). Hierdoor vinden er (per tijdseenheid) meer / vaker (effectieve) botsingen plaats (waardoor de reactiesnelheid hoger is / de reactie sneller verloopt).

Indien slechts een juist verband is gegeven tussen de deeltjesgrootte van het ijzerpoeder en het aantal botsingen (1)

De verbranding van ijzerpoeder in figuur 1 ruimte II verloopt specifiek: de zuurstof reageert aan het oppervlak van de ijzerpoederdeeltjes en er vormt zich een korst van ijzeroxide. Dit is weergegeven in figuur 1. De korst wordt steeds dikker en uiteindelijk blijft er een vast poederdeeltje deeltje over dat voornamelijk uit Fe2O3 bestaat.

Wanneer ijzerpoederdeeltjes reageren in ruimte II nemen ze in massa toe. Wanneer de poederdeeltjes na de verbranding groot en zwaar genoeg zijn, zakken ze naar de onderkant van de verbrandingskamer en komen ze in een opvangruimte terecht (ruimte III).

Vraag 11 1 punt

Geef een verklaring voor het toenemen van de massa van de poederdeeltjes.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − IJzer is / ijzeratomen zijn gebonden aan zuurstof(atomen) waardoor de massa is toegenomen. − De massa is toegenomen doordat zuurstof erbij is gekomen / zuurstofatomen erbij zijn gekomen. (1)

De overgebleven gassen uit de lucht worden in ruimte II verhit, door de warmte figuur 2 die vrijkomt bij de verbranding van ijzerpoeder (zie uitwerkbijlage). De hete apparaat (IV) gassen worden boven uit ruimte II afgetapt en gebruikt voor de productie van hete stoom. Hiervoor moet de energie van de hete gassen via een apparaat (IV) worden overgedragen aan water. Het symbool voor dit apparaat is in figuur 2 weergegeven. Met de gevormde hete stoom wordt een stoomturbine (V) met elektriciteitsgenerator (VI) aangedreven. De stoom die uit de stoomturbine komt, wordt afgekoeld in een koeler (VII) en het gevormde afgekoelde water wordt weer naar het apparaat (IV) teruggevoerd.

Vraag 12 1 punt

Geef de naam van het apparaat (IV) dat is weergegeven in figuur 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • warmtewisselaar (1)

Vraag 13 2 punten

Vul het blokschema op de uitwerkbijlage aan:

  • Teken het symbool voor het apparaat (IV) en verbind deze met de stoomturbine (V) en met de koeler (VII).
  • Geef aan welke waterstroom afgekoeld water en welke waterstroom hete stoom bevat.
  • Noteer de letters van onderstaande stofstromen op de juiste plek in het blokschema:

A hete gassen

B afgekoelde gassen

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • het getekende apparaat (IV) is op een juiste manier verbonden met de stoomturbine en met de koeler (1)
  • de letters A en B zijn juist geplaatst en de waterstromen “afgekoeld water” en “hete stoom” zijn juist geplaatst (1)

Het ontstane ijzeroxide bestaat voornamelijk uit Fe2O3 en is opgevangen in ruimte III. Dit Fe2O3 wordt vervolgens in een recyclingproces weer omgezet tot ijzerpoeder. Deze terugwinning van ijzer is mogelijk door Fe2O3 te laten reageren met waterstof. Hierbij ontstaan ijzer en water.

Vraag 14 2 punten

Geef de vergelijking voor de reactie van Fe2O3 met waterstof.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Indien de volgende vergelijking is gegeven: Fe2O3 + 6 H → 2 Fe + 3 H2O (1)

In het eerder weergegeven blokschema op de uitwerkbijlage ontbreekt een blok voor het recyclingproces.

Vraag 15 2 punten

Maak op de uitwerkbijlage het blokschema compleet.

  • Teken een blok voor het recyclingproces.
  • Teken de pijlen van de ontbrekende stofstromen.
  • Noteer de nummers van de onderstaande stoffen bij de juiste pijlen.

1 ijzer

2 ijzeroxide

3 water

4 waterstof

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in plaats van de juiste nummers, juiste formules of stofnamen zijn gegeven, dit niet aanrekenen.

BioGlue®

BioGlue® is een lijm die chirurgen gebruiken bij het repareren van de wand van een bloedvat. BioGlue® bevat onder andere de stof glutaaraldehyde. Glutaaraldehyde kan worden gemaakt door stof X te laten reageren met zuurstof. De molecuulformule van stof X is C5H8. In een molecuul van stof X zijn alle C-atomen gerangschikt in een ring.

Vraag 16 2 punten

Geef de structuurformule van stof X.

Bekijk het antwoord
  • de gegeven structuurformule voldoet aan de formule C5H8 (1)
  • de rest van de structuurformule juist (1)

De werking van BioGlue® is onder andere gebaseerd op de reactie van de stof glutaaraldehyde met (vrije) NH2-groepen in de restgroepen van eiwitten.

Vraag 17 2 punten

Geef de 3-lettersymbolen van de vier aminozuren die een (vrije) NH2-groep in de restgroep hebben.

Bekijk het antwoord

Indien 3 aminozuren juist en 1 aminozuur ontbrekend of onjuist (1) Indien meer dan 1 aminozuur onjuist (0)

Opmerkingen

  • Als in plaats van de 3-lettersymbolen, de namen of 1-lettersymbolen van de juiste aminozuren zijn gegeven, dit goed rekenen.
  • Als meer dan vier aminozuren zijn gegeven, enkel de eerste vier beoordelen.

In figuur 1 is de reactie van de C=O-groepen van glutaaraldehyde met NH2-groepen weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

Wanneer glutaaraldehyde-moleculen reageren met NH2-groepen in de restgroepen van een eiwit, ontstaan crosslinks. Op de uitwerkbijlage is de reactievergelijking voor de vorming van een crosslink tussen twee eiwitmoleculen met één glutaaraldehyde-molecuul schematisch en onvolledig weergegeven.

Vraag 18 3 punten

Maak de reactievergelijking op de uitwerkbijlage compleet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • 2 H2O na de pijl (1)
  • crosslink weergegeven als N=C-C-C-C-C=N (1)
  • de H-atomen in de structuur na de pijl juist weergegeven (1)

BioGlue® wordt geleverd in een spuit met twee compartimenten met verschillende oplossingen (figuur 2). Wanneer de spuit wordt ingedrukt, komen een glutaaraldehyde-oplossing en een oplossing van het eiwit albumine in de juiste verhouding gemengd bij elkaar in de tip. De druppels BioGlue® die uit de tip komen, moeten vrijwel meteen op de wond worden aangebracht.

[figuur 2: zie het originele examen]

De wand van een bloedvat bevat veel eiwitten. Om een gescheurd bloedvat te repareren, brengt een chirurg BioGlue® aan op de wanden van het bloedvat en drukt deze wanden samen. Door de reactie van glutaaraldehyde met albumine én met de eiwitten in de wand van het bloedvat ontstaat een netwerk dat de scheur afdicht (figuur 3). Hierbij wordt BioGlue® hard. Dit wordt uitharden genoemd.

[figuur 3: zie het originele examen]

wand wand bloedvat bloedvat

G G G = albumine-molecuul

G G G

G = eiwitmolecuul in bloedvat

G G = glutaaraldehyde-molecuul

G G G

gescheurd bloedvat uitvergroting van de scheur

Het kan gebeuren dat de chirurg te lang wacht voor hij de lijm aanbrengt nadat glutaaraldehyde en albumine zijn gemengd. In dat geval hardt de lijm wel uit, maar wordt de scheur niet goed afgedicht.

Vraag 19 2 punten

Geef een verklaring op microniveau waarom de scheur niet goed wordt afgedicht wanneer de chirurg te lang wacht met het aanbrengen van de lijm. Gebruik eventueel figuur 3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Wanneer de chirurg te lang wacht met het aanbrengen van de lijm, zullen de glutaaraldehyde-moleculen en albumine-moleculen al (uitsluitend) met elkaar hebben gereageerd. Hierdoor kunnen glutaaraldehyde-moleculen niet meer reageren met de (NH2-groepen van de) eiwitmoleculen op de bloedvaten.
  • Volgens figuur 3 moeten moleculen glutaaraldehyde aan de éne kant gekoppeld zijn aan een eiwitmolecuul van de bloedvatwand en aan de ándere kant gekoppeld zijn aan een albumine-molecuul. Wanneer de chirurg te lang wacht met het aanbrengen van de lijm, zullen de glutaaraldehyde-moleculen al aan beide kanten gebonden zijn met (uitsluitend) albumine-moleculen.
  • De lijm is al uitgehard doordat glutaaraldehyde-moleculen met albumine-moleculen hebben gereageerd en dus kunnen glutaaraldehyde-moleculen niet meer met (NH2-groepen van de) eiwitmoleculen uit de bloedvatwand reageren.

Opmerking Als in het antwoord geen aanduidingen op microniveau zijn gebruikt voor glutaaraldehyde, albumine en eiwitten in de bloedvatwand, dit slechts eenmaal aanrekenen.

Onderzoekers hebben de snelheid onderzocht waarmee de lijm uithardt. Zij mengden gelijke hoeveelheden albumine met verschillende hoeveelheden glutaaraldehyde. Vervolgens werd de uithardingstijd van de lijm gemeten. In figuur 4 zijn de resultaten weergegeven.

[figuur 4: zie het originele examen]

200 uithardingstijd (seconden) 150 massa albumine

100 α= massa glutaaraldehyde 50

0

0 5 10 15 20 α

Vraag 20 3 punten

Leg uit aan de hand van figuur 4 of de reactiesnelheid van het uitharden van de lijm toeneemt of afneemt, wanneer een grotere hoeveelheid glutaaraldehyde wordt toegevoegd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een grotere hoeveelheid glutaaraldehyde betekent dat α een kleinere waarde heeft. Een lage α leidt volgens figuur 4 tot een kortere uithardingstijd. Een kortere uithardingstijd betekent dat de reactiesnelheid toeneemt.

Indien slechts een juist verband is gegeven tussen de hoeveelheid glutaaraldehyde en α en tussen α en de reactiesnelheid (2) Indien slechts een juist verband is gegeven tussen de hoeveelheid glutaaraldehyde en de reactiesnelheid (0)

Om een optimale afstemming te krijgen tussen de uithardingstijd en het dichten van de scheur, is het compartiment met albumine-oplossing vier maal zo groot als het compartiment met glutaaraldehyde-oplossing.

Vraag 21 3 punten

Bereken de massaverhouding waarin glutaaraldehyde en albumine gemengd worden bij het gebruik van BioGlue®. Noteer je antwoord als volgt: massa glutaaraldehyde : massa albumine = 1,0 : … Neem aan dat:

  • de albumine-oplossing 45 massaprocent albumine bevat en een dichtheid heeft van 1,1 g mL–1;
  • de glutaaraldehyde-oplossing 10 massaprocent glutaaraldehyde bevat en een dichtheid heeft van 1,0 g mL–1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 10 (1 ×) 1, 0 × 2

10 = 0,10 dus glutaaraldehyde : albumine = 1, 0 : 20

45 1,98

4 × 1,1 × 2 10 of

Dit antwoord gaat uit van een oplossing met 1 mL glutaaraldehyde- oplossing en 4 mL albumine-oplossing.

1 mL glutaaraldehyde-oplossing heeft een massa van 1,0 (g).

4 mL albumine-oplossing heeft een massa van 4 × 1,1 = 4, 4 (g). De massa’s van albumine en glutaaraldehyde in deze oplossingen zijn: 10 1, 0 × 2 = 0,10 (g) glutaaraldehyde 10

45 4, 4 × = 1,98 (g) albumine 102 De massaverhouding glutaaraldehyde : albumine = 1,0 : 20.

Alcohol in de auto

Een fabrikant heeft een elektrische auto ontwikkeld die rijdt op een oplossing van ethanol (alcohol, C2H6O). Deze auto maakt in een ‘reformer’ waterstofgas uit de ethanoloplossing. Vervolgens produceert een zogenoemde ‘solid oxide-brandstofcel’ (SOFC) elektrische stroom uit waterstofgas. De elektrische energie wordt opgeslagen in een batterij en kan worden gebruikt voor het aandrijven van de motor. In figuur 1 is deze energievoorziening schematisch en vereenvoudigd weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 22 1 punt

Geef de structuurformule van ethanol.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: of CH3-CH2-OH (1)

In de reformer wordt de ethanoloplossing omgezet tot waterstofgas en koolstofdioxide. Dit proces kan vereenvoudigd worden weergegeven met onderstaande vergelijking.

C2H6O (l) + 3 H2O (l) → 6 H2 (g) + 2 CO2 (g) (reactie 1)

Vraag 23 3 punten

Bereken de reactiewarmte van reactie 1 in J per mol waterstof (bij T = 298 K en p = p0). Gebruik Binas-tabel 57 of ScienceData-tabel 9.2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

1 3 2 5 −1 × 2, 78 + × 2,86

  • × 3,94 ·10 = 5,8 ·10 (J mol ) 4

6 6 (6)

of

Ebegin + Eeind =

1 3 (2)

  • × (−2, 78 ·105 ) + × (−2,86 ·105 ) + × (−3,94 ·105 ) = 5,8 ·104 (J mol−1 )

6 6 (6)

of

− Ebegin + Eeind =

  • (−2, 78 ·105 ) + 3 × (−2,86 ·105 ) + 2 × (−3,94 ·105 ) = 3, 48 ·105 (J per 6 mol H 2 ) 3, 48 ·105 Dat is = 5,8 ·104 (J mol−1 ). 6

Opmerking Een antwoord als het volgende goed rekenen:

1 3 (2) × 2,78 + × 2,86

  • × 3,94 = 5,8 · 10 4 (J mol −1 )

6 6 (6)

Vraag 24 2 punten

Bereken de atoomeconomie voor de vorming van waterstof volgens reactie 1. Gebruik Binas-tabel 37H of ScienceData-tabel 1.7.7.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

6 × 2,02 × 102 (%) = 12,1(%) 46,1 + 3 × 18,0

of

6 × 2,02 × 102 (%) = 12,1(%)

2 × 44,0 + 6 × 2,02

Opmerking Als de omrekening naar percentage is weggelaten, dit niet aanrekenen.

In figuur 2 is de SOFC schematisch weergegeven. De gevormde waterstof reageert bij elektrode A van de SOFC. Bij elektrode B reageert zuurstof uit de lucht. Hierbij treden de volgende halfreacties op:

elektrode A: H2 + O2− → H2O + 2 e ̶ elektrode B: O2 + 4 e ̶ → 2 O2−

[figuur 2: zie het originele examen]

In figuur 2 ontbreken de stoffen die halfcel B verlaten.

Vraag 25 1 punt

Geef de naam van een van deze stoffen. Neem aan dat O2 volledig reageert.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in plaats van een juiste naam een juiste formule is gegeven, dit niet aanrekenen.

Vraag 26 2 punten

Geef met behulp van de vergelijkingen van bovenstaande halfreacties de vergelijking van de totale reactie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

H2 + O2− → H2O + 2 e– (2×) O2 + 4 e– → 2 O2– (1×)

2 H2 + O2 → 2 H2O

Opmerking Als slechts de volgende vergelijking is gegeven, dit goed rekenen:

2 H2 + O2 → 2 H2O

De elektrolyt in de SOFC is vast en kan bestaan uit zirkoniumoxide (ZrO2) waaraan een kleine hoeveelheid yttriumoxide (Y2O3) is toegevoegd. In figuur 3 zijn de roosters van zuiver ZrO2 en van het mengsel van ZrO2 en Y2O3 schematisch weergegeven.

[figuur 3: zie het originele examen]

Vraag 27 2 punten

Geef de naam van het type kristalrooster in figuur 3, en geef de naam van het type binding tussen de samenstellende deeltjes.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • ionrooster (1)
  • ionbinding (1)

Door de toevoeging van Y2O3 ontstaan lege plekken in het rooster van ZrO2 die ‘gaten’ worden genoemd. De oorzaak hiervan is dat er per twee Zr4+-ionen die worden vervangen door twee Y3+-ionen, één O2–-ion minder nodig is in het rooster.

Vraag 28 2 punten

Leg deze oorzaak uit aan de hand van de ionladingen van de betrokken ionen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Twee Zr4+-ionen hebben een lading van 8+. Twee Y3+-ionen hebben een lading van 6+. Er hoeft dus voor een lading van 2+ minder gecompenseerd te worden. Dat is precies de lading van één O2−-ion.

De wijze waarop de elektrolyt elektrische stroom geleidt, is als volgt:

  • De SOFC wordt verhit tot 600 °C.
  • Bij deze temperatuur kunnen O2–-ionen naar een volgende lege plek springen.
  • Netto verplaatsen zich op deze manier O2–-ionen door de elektrolyt heen, van de ene elektrode naar de andere elektrode.

Vraag 29 2 punten

Leg uit met behulp van de gegeven halfreacties in welke richting de O2– -ionen zich tijdens de stroomlevering verplaatsen, van elektrode A naar elektrode B of van B naar A.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • O2–-ionen worden bij elektrode B gevormd (en bij A gebruikt), dus ze bewegen van elektrode B naar A.
  • O2–-ionen worden gebruikt bij elektrode A (en bij B gevormd), dus ze bewegen van elektrode B naar A.
  • De elektronen bewegen van A naar B. De O2–-ionen bewegen dus in tegengestelde richting, van B naar A.

Tijdens het rijden wordt vanuit de reformer CO2 uitgestoten (reactie 1). Toch is onder een bepaalde voorwaarde het rijden met deze auto CO2-neutraal.

Vraag 30 2 punten

Geef deze voorwaarde en licht toe waarom rijden met deze auto dan CO2-neutraal is. Noteer je antwoord als volgt: voorwaarde: … toelichting: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • voorwaarde: gebruikmaken van bio-ethanol toelichting: De gevormde CO2 is eerder opgenomen tijdens de fotosynthese / groei van planten.
  • voorwaarde: De gebruikte alcohol/het ethanol wordt gemaakt van planten. toelichting: Dit ethanol bevat koolstofverbindingen die uit de korte koolstofkringloop komen (en dus is de gevormde CO2 recentelijk door de planten opgenomen).

Opmerking Een antwoord als het volgende goed rekenen: voorwaarde: een bos planten toelichting: De CO2-uitstoot wordt opgenomen tijdens de groei van bomen.

Er zijn ook auto’s die rijden op waterstofgas. Op grond van de uitgangspunten van de groene chemie kunnen voordelen en nadelen van een SOFC-auto ten opzichte van een waterstofauto worden gegeven.

Vraag 31 2 punten

Geef een voordeel en een nadeel van een SOFC-auto ten opzichte van een waterstofauto.

  • Baseer je antwoord op twee van de volgende uitgangspunten: 2, 8 of 12.
  • Gebruik Binas-tabel 97F of ScienceData-tabel 38.6.
  • Noteer je antwoord als volgt: uitgangspunt: … voordeel: … uitgangspunt: … nadeel: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist voordeel zijn: punt 12, voordeel: Een ethanoloplossing is veel minder explosief (dan waterstofgas). / Met een ethanoloplossing is het risico op chemische ongelukken veel kleiner (dan met waterstofgas).

Voorbeelden van een juist nadeel zijn: punt 2, nadeel: De SOFC-auto gebruikt niet alle atomen uit ethanol (en een waterstofauto wel uit waterstof) / de atoomeconomie in een SOFC-auto is laag. punt 8, nadeel: In een SOFC-auto moet van ethanol eerst waterstof gemaakt worden. Dat is een stap extra (ten opzichte van een waterstofauto).

Bijensteek

Een bij steekt de mens alleen uit verdediging. Tijdens een bijensteek wordt gif in het lichaam gespoten. Het gif bestaat uit water en een aantal vaste stoffen. Deze vaste stoffen vormen het ‘drooggewicht’. De meest voorkomende vaste stoffen in bijengif staan in tabel 1.

[tabel 1: zie het originele examen]

stoffen in bijengif massapercentage van het drooggewicht mellitine 50% fosfolipase A2 12% histamine 9%

Tijdens de bijensteek wordt 50 µg gif in het lichaam gespoten.

Vraag 32 4 punten

Bereken hoeveel mol mellitine door een bijensteek in het lichaam terechtkomt. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers. Gebruik onder andere de volgende gegevens:

  • Het gif bestaat voor 88 massaprocent uit water.
  • De molaire massa van mellitine is 2847 g mol–1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

50 (100

  • 88) (50) 2 × (2) × × 10 −6 = 1,1 ·10 −9 (mol)

10 10 2847

of

(100

  • 88) Een bijensteek met 50 μg gif bevat 50 × = 6, 00 (μg) droge stof. 102 50 Elke steek levert 6,00 × 2 = 3, 00 (μg) = 3, 00 ·10−6 (g) mellitine. 10 3, 00 ·10−6 Dit komt overeen met = 1,1 ·10−9 (mol) mellitine. 2847

Op de plaats van de bijensteek veroorzaken de eiwitten mellitine en fosfolipase A2 schade aan celmembranen. Een fragment van een gedeelte van mellitine is: ~ Leu

  • Pro
  • Ala ~.

Vraag 33 4 punten

Geef de structuurformule van dit fragment. Gebruik Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in een overigens juist antwoord de C-uiteinden en de N-uiteinden zijn verwisseld, dit goed rekenen.

Celmembranen bestaan uit fosfolipidemoleculen. Een fosfolipidemolecuul is opgebouwd uit een glycerolmolecuul dat is veresterd met twee vetzuurmoleculen en een fosforzuurverbinding. Een voorbeeld van een fosfolipidemolecuul dat in celmembranen voorkomt is in figuur 1 weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

Vraag 34 2 punten

Geef de namen van de twee vetzuren die in het fosfolipidemolecuul van figuur 1 zijn veresterd. Gebruik Binas-tabel 67G2 of ScienceData-tabel 13.2g.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • arachidonzuur (1)
  • oliezuur (1)

Het enzym fosfolipase A2 uit bijengif bevordert de hydrolyse van fosfolipidemoleculen. Op de uitwerkbijlage is de vergelijking van deze hydrolyse onvolledig weergegeven. Op de uitwerkbijlage zijn de koolstofatomen van het fosfolipidemolecuul genummerd. De hydrolyse vindt uitsluitend plaats bij de estergroep aan het C-atoom met nummer 2. De andere estergroepen blijven ongewijzigd.

Vraag 35 3 punten

Geef op de uitwerkbijlage, in structuurformules, de vergelijking van deze hydrolyse. Geef het koolwaterstofgedeelte van het vetzuur op dezelfde manier weer als in het fosfolipidemolecuul.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • uitsluitend de formules van het triglyceride en H2O voor de pijl (1)
  • arachidonzuur als enige vetzuur na de pijl (1)
  • alle coëfficiënten en de structuurformule van de glycerolverbinding na de pijl in overeenstemming met het afgesplitste vetzuurmolecuul / de afgesplitste vetzuurmoleculen (1)

Vraag 36 1 punt

Geef een verklaring voor het feit dat bij deze reactie uitsluitend de estergroep aan het C-atoom met nummer 2 wordt gehydrolyseerd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Fosfolipase A2 is specifiek (voor de esterbinding aan het tweede C-atoom). − Fosfolipase A2 katalyseert maar één soort reactie (die voor het middelste C-atoom). − Enzymen zijn specifiek (dus fosfolipase A2 kan alleen de esterbinding bij C-atoom met nummer 2 hydrolyseren) − Fosfolipase A2 kan niet aan de andere estergroep(en) binden. (1)

Op de plaats van de bijensteek geven bepaalde lichaamscellen histamine af. Deze histamine én de histamine uit bijengif veroorzaken de zwelling, roodheid en jeuk. De structuurformule van histamine is hieronder weergegeven.

histamine

In het lichaam wordt histamine gemaakt uit het aminozuur histidine. Hierbij ontstaat behalve histamine nog één ander deeltje.

Vraag 37 1 punt

Geef de molecuulformule van het andere deeltje. Gebruik Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als in plaats van de molecuulformule de juiste naam of structuurformule is gegeven, dit goed rekenen.

Op de internetsite www.bijenhouders.nl staat dat het innemen van een antihistamine-tablet de gevolgen van een bijensteek kan beperken. Een andere internetsite geeft het advies om de plaats van een bijensteek te behandelen met zuiveringszout, omdat zuiveringszout reageert met gif. Bijengif heeft namelijk een lage pH van 4,5 tot 5,5. Helaas is dit middel niet effectief, omdat het zuiveringszout niet in de huid kan binnendringen waardoor het niet in contact komt met het gif.

Vraag 38 2 punten

Geef met behulp van Binas-tabel 66A of ScienceData-tabel 10.2a de formule van zuiveringszout en licht toe waarom zuiveringszout met bijengif met een lage pH reageert. Noteer je antwoord als volgt: formule zuiveringszout: … toelichting: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

formule zuiveringszout: NaHCO3 toelichting: het bijengif (is zuur en) reageert met de base waterstofcarbonaat / het (zure) bijengif reageert met de base HCO3–

Opmerking Wanneer als toelichting is gegeven dat bijengif reageert met de base NaHCO3, dit goed rekenen.

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Scheikunde 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-22-2-o

Andere examens scheikunde havo

Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde havo 2022, tijdvak 2?

Het centraal examen scheikunde havo 2022, tijdvak 2 telt 38 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (8), redoxreacties (6) en scheidingsmethoden (5).

Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde havo 2022, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde havo 2022, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-22-2-c).

Hoe oefen ik met het examen scheikunde havo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.