Eindexamen scheikunde havo 2025, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Bacteriën maken aniline uit suiker, Zeewater-accu, Stikstofbindende bacteriën maken etheen, Mondkapjes, Hyaluronzuur in fillers.

Kort antwoord

Het centraal examen scheikunde havo 2025, tijdvak 2 telt 36 vragen. De meeste vragen gaan over rekenen aan reacties (6), redoxreacties (5) en koolstofchemie (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen scheikunde havo 2025, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Rekenen aan reacties9, 15, 23, 29, 31, 356
Redoxreacties11-12, 14, 17, 225
Koolstofchemie18, 24, 27-28, 365
Bindingen5, 19, 25, 304
Zuren en basen3-4, 213
Scheidingsmethoden6-83
Stoffen en eigenschappen10, 16, 263
Reactiesnelheid20, 33-343
Duurzame chemie1-22
Reactievergelijkingen13, 322

Vergeleken met andere jaren

De verdeling over de onderwerpen ligt dicht bij het gemiddelde van de andere 17 examens scheikunde havo sinds 2018. Geen enkel onderwerp wijkt meer dan zes procentpunten af.

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Bacteriën maken aniline uit suiker

Aniline (C6H5NH2) is een grondstof voor onder andere schuimrubber. In 2022 werd 9,4 miljoen ton aniline geproduceerd. Het meest gebruikte proces voor de productie van aniline is het nitrobenzeenproces. Het nitrobenzeenproces verloopt in twee stappen: Stap 1: Benzeen ( C6H6) reageert met geconcentreerd salpeterzuur tot nitrobenzeen (C6H5NO2) en water. Als katalysator wordt geconcentreerd zwavelzuur gebruikt. C6H6 + HNO3 → C6H5NO2 + H2O (reactie 1) Stap 2: Nitrobenzeen wordt met behulp van waterstof omgezet tot aniline en water. Dit gebeurt bij een temperatuur van 200 °C tot 300 °C in aanwezigheid van een tweede katalysator. C6H5NO2 + 3 H2 → C6H5NH2 + 2 H2O (reactie 2)

Het hele proces kan met één vergelijking worden weergegeven.

Vraag 1 4 punten

− Geef de totale vergelijking voor de productie van aniline uit benzeen via het nitrobenzeenproces.

  • Bereken de atoomeconomie van het nitrobenzeenproces.
Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

C6H6 + HNO3 + 3 H2 → C6H5NH2 + 3 H2O 93,1 = 0, 633 (63,3%) 78,1 + 63, 0 + 3 × 2, 02

of

C6H6 + HNO3 + 3 H2 → C6H5NH2 + 3 H2O 93,1 = 0, 633 (63,3%) 93,1 + 3 × 18, 0

Opmerking Als, bij een ontbrekend antwoord op de eerste deelvraag, de atoomeconomie van reactie 2 juist is berekend, deze berekening van de atoomeconomie goed rekenen.

Het nitrobenzeenproces is niet “groen” te noemen. Gebruik van de stof benzeen past niet bij uitgangspunt 7 van de groene chemie, omdat benzeen een bestanddeel is van aardolie. Gebruik van geconcentreerd salpeterzuur past niet bij uitgangspunt 12 van de groene chemie.

Vraag 2 1 punt

Leg uit dat het gebruik van geconcentreerd salpeterzuur niet bij uitgangspunt 12 van de groene chemie past.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Deze stof is bijtend/corrosief. − Deze stof geeft brand- en explosiegevaar. (1)

In Duitsland heeft Covestro een fabriek gebouwd die gebruik maakt van genetisch aangepaste bacteriën voor de productie van aniline. Figuur 1a toont een onvolledig blokschema voor deze fabriek. In een reactor die bacteriën bevat (R1), wordt een oplossing van onder andere glucose en ammoniumchloride ( NH4Cl) ingevoerd als voedingsstof voor de bacteriën. Bacteriën zetten deze stoffen om tot anthraniline (figuur 1b).

[figuur 1: zie het originele examen]

Na een bepaalde tijd zijn de voedingsstoffen omgezet en wordt de inhoud van de reactor gefiltreerd (S1). Het residu bestaat uit bacteriën die kunnen worden hergebruikt. Omdat de bacteriën zich vermenigvuldigen, wordt een deel hiervan afgevoerd. In het filtraat zijn onder andere water, anthraniline en wateroplosbare bijproducten aanwezig. De pH van het filtraat is 7,5. Bij deze pH hebben moleculen anthraniline een H+-ion afgestaan.

Vraag 3 3 punten

Bereken [OH–] in mol L–1 bij pH = 7,5 (T = 298 K). Geef je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juiste berekening is: pOH = 14, 00

  • 7,5 = 6,5 [OH
  • ] = 10−6,5 = 3 ·10−7 (mol L−1 ).

Vraag 4 1 punt

Omcirkel in de figuur op de uitwerkbijlage welk H-atoom van anthraniline als H+-ion is afgestaan bij pH = 7,5.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Zie het correctievoorschrift (1)

Het filtraat wordt geleid naar een tweede reactor (R2). Bij een temperatuur van 160 °C wordt anthraniline volledig omgezet tot aniline en koolstofdioxide. In R2 wordt koolstofdioxide afgescheiden van het mengsel van water, aniline en wateroplosbare bijproducten. Vervolgens wordt aniline in scheidingsruimte 2 (S2) gescheiden van de rest van het reactiemengsel door middel van extractie met dodecaan-1-ol. De extractie in S2 wordt uitgevoerd met dodecaan-1-ol, omdat aniline hierin beter oplost dan in water. In figuur 2 is schematisch weergegeven hoe twee moleculen dodecaan-1-ol een anilinemolecuul omringen.

[figuur 2: zie het originele examen]

Tussen moleculen aniline en dodecaan-1-ol zijn verschillende bindingstypen aanwezig.

Vraag 5 2 punten

Geef de twee bindingstypen die aanwezig zijn tussen moleculen aniline en moleculen dodecaan-1-ol.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • waterstofbrug (1)
  • vanderwaalsbinding/molecuulbinding (1)

Omdat water en dodecaan-1-ol niet mengen, ontstaan in S2 twee vloeistoflagen. De vloeistoflaag met daarin dodecaan-1-ol vormt hierbij de bovenste laag.

Vraag 6 1 punt

Geef aan door welk verschil in stofeigenschap de laag met dodecaan-1-ol boven de waterlaag in S2 terechtkomt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • (verschil in) dichtheid (1)

De vloeistoflaag met dodecaan-1-ol en aniline wordt in S2 afgescheiden van de laag met water en de wateroplosbare bijproducten. De laag met dodecaan-1-ol en aniline wordt gescheiden in scheidingsruimte 3 (S3). Dodecaan-1-ol wordt hergebruikt. In de tabel is informatie opgenomen over aniline en dodecaan-1-ol.

tabel

stof structuurformule kookpunt (°C) aniline 184

dodecaan-1-ol 259

Vraag 7 2 punten

Leg uit welke scheidingsmethode kan worden toegepast om dodecaan-1-ol en aniline te scheiden in S3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: De kookpunten zijn verschillend dus destillatie.

  • consequente conclusie (1p)

indien het volgende antwoord is gegeven: (1) De kookpunten zijn verschillend dus indampen.

Op de uitwerkbijlage is het onvolledige blokschema van figuur 1a nogmaals weergegeven.

Vraag 8 4 punten

Maak het blokschema op de uitwerkbijlage compleet.

  • Teken de blokken S2 en S3.
  • Teken de pijlen van de ontbrekende stofstromen bij R2, S2 en S3.
  • Noteer de nummers van de onderstaande stoffen bij de juiste pijlen:

1 aniline

2 dodecaan-1-ol

3 koolstofdioxide

4 water

5 wateroplosbare bijproducten

  • Je moet sommige nummers meer dan één keer gebruiken.
  • Houd rekening met hergebruik van stoffen.
  • Bij de voorgedrukte pijlen hoef je geen nummers te noteren.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als in plaats van nummers, juiste formules of stofnamen zijn gegeven, dit niet aanrekenen.
  • Als nummers zijn gezet bij de reeds weergegeven stofstromen, dit niet beoordelen.
  • Als bij S2 ook een instroom van nummer 2 van buiten is getekend, dit niet aanrekenen mits elders in het blokschema een uitstroom van nummer 2 is getekend.

Zeewater-accu

De huidige lithium-ionbatterij is geschikt voor de duurzame opslag van energie, maar het benodigde lithium is schaars. Daarom wordt onderzoek gedaan naar een accu die natrium-ionen gebruikt. Na+-ionen zijn overvloedig aanwezig in zeewater. De molariteit van de Na+-ionen hierin is gemiddeld 470 mmol per liter zeewater.

Vraag 9 2 punten

Bereken de concentratie van de Na+-ionen in zeewater in gram per liter.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: De molariteit Na+-ionen is 470 × 10−3 = 4, 70 ·10−1 (mol L−1 ). De concentratie Na+-ionen is dan 4, 70 ·10−1 × 23, 0 = 10,8 (g L−1 ).

of

De concentratie Na+-ionen is 470 × 23, 0 = 1, 08 ·104 (mg L−1 ). De concentratie Na+-ionen is dan 1, 08 ·104 × 10−3 = 10,8 (g L−1 ).

Een accu die Na+-ionen uit zeewater gebruikt, wordt een zeewater-accu genoemd. Het opladen van een bepaald type zeewater-accu is in figuur 1 schematisch weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

Oplossing A bevat het zout natriumtrifluormethaansulfonaat (NaCF3SO3). Dit zout bevat twee soorten ionen: Na+-ionen en trifluormethaansulfonaat- ionen.

Vraag 10 1 punt

Geef de formule van het trifluormethaansulfonaat-ion.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • CF3SO3– (1)

Bij het opladen vindt aan de natriumelektrode een halfreactie plaats waarbij Na+-ionen uit oplossing A worden omgezet tot natrium. Zeewater is licht basisch. Aan de koolstofelektrode reageren bij het opladen hydroxide-ionen tot zuurstof en water volgens halfreactie 1.

opladen: 4 OH– → O2 + 2 H2O + 4 e– (halfreactie 1)

Vraag 11 2 punten

− Geef de halfreactie die aan de natriumelektrode plaatsvindt bij het opladen.

  • Leid de totale vergelijking af van de reacties bij het opladen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Na+ + e– → Na 4×

4 OH– → O2 + 2 H2O + 4 e– 1× +

4 Na+ + 4 OH– → 4 Na + O2 + 2 H2O

De accu kan uiteraard ook stroom leveren.

Vraag 12 2 punten

Leg uit of aan de koolstofelektrode bij stroomlevering de halfreactie van een oxidator of een reductor plaatsvindt. Doe dit aan de hand van halfreactie 1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn: In halfreactie 1 staan elektronen na de pijl en reageert dus een reductor. Bij opladen reageert dus een oxidator aan de koolstofelektrode.

Bij stroomlevering draait halfreactie 1 om. Aan de koolstofelektrode worden dan elektronen opgenomen en reageert dus een oxidator.

De natrium-elektrode is goed afgesloten voor water. Als toch een kleine hoeveelheid water in de elektroderuimte terechtkomt, kan water reageren met natrium. Hierbij wordt vast natriumhydroxide (NaOH) gevormd. Ook ontstaat een andere stof, hierop is gevarenzin H220 van toepassing.

Vraag 13 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef de vergelijking van de reactie tussen natrium en water.
  • Geef aan op welke stof H220 van toepassing is. Gebruik de Binas-tabellen 48 en 96E of ScienceData-tabellen 9.1F en 38.3. Noteer je antwoord als volgt: reactie: … H220 is van toepassing op de stof: …

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: reactie: 2 H2O + 2 Na → 2 NaOH + H2 H220 is van toepassing op de stof: waterstof/H2

Opmerking Als NaOH is genoteerd als Na + + OH–, dit goed rekenen.

Vanwege de risico’s van het gebruik van natriumelektroden is onderzoek gedaan naar het gebruik van andere elektroden in zeewater-accu’s. Een van de onderzochte elektroden is een elektrode van di-antimoontrisulfide (Sb2S3). Deze stof reageert bij opladen met Na+-ionen tot het metaal antimoon (Sb) en een zout (halfreactie 2). Vervolgens worden Sb-atomen en Na+-ionen omgezet tot de legering Na3Sb (halfreactie 3).

Sb2S3 + 6 Na+ + 6 e– → 2 Sb + 3 Na2S (halfreactie 2)

2 Sb + 6 Na+ + 6 e– → 2 Na3Sb (halfreactie 3)

In halfreactie 3 neemt een van de deeltjes elektronen op.

Vraag 14 2 punten

− Geef de formule van het deeltje in halfreactie 3 dat elektronen opneemt.

  • Geef aan welk type rooster aanwezig is in de legering Na3Sb.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: (Het deeltje dat in halfreactie 3 elektronen opneemt:) Na+ In Na3Sb is een metaalrooster aanwezig.

  • metaalrooster (1p)

indien het volgende antwoord is gegeven: (1) (Het deeltje dat in halfreactie 3 elektronen opneemt:) Sb In Na3Sb is een ionrooster aanwezig.

Uit halfreacties 2 en 3 blijkt dat per mol Sb2S3 veel elektronen worden opgenomen. Dit is een belangrijk gegeven voor de energiedichtheid van een accu. De energiedichtheid van deze accu is de hoeveelheid energie die per kg elektrodemateriaal (Sb2S3) kan worden geleverd. De energiedichtheid wordt uitgedrukt in Wh kg–1 (wattuur per kg). De maximale energie die deze accu per mol elektronen kan leveren, is

51 Wh.

Vraag 15 4 punten

Bereken de energiedichtheid van deze accu. Geef je antwoord in het juiste aantal significante cijfers. Gebruik halfreacties 2 en 3 en het volgende gegeven: De molaire massa van Sb2S3 is 340 g mol–1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: Per mol Sb2S3 wordt 12 mol elektronen overgedragen. De energie die per mol Sb2S3 wordt geleverd, is 12 × 51 = 6,12 ·102 (Wh mol−1 ). 6,12 ·10 2 De energie die per gram Sb2S3 wordt geleverd, is = 1,80 (Wh g −1 ). 340 De energiedichtheid van Sb2S3 is 1,80 × 10 = 1,8 ·10 (Wh kg −1 ).

3 (3)

  • significantie (1p)

of

1, 0 ·103 De chemische hoeveelheid Sb2S3 per kilogram is = 2,94 (mol). 340 De chemische hoeveelheid elektronen die per kg Sb2S3 kan worden geleverd is 2,94 × 12 = 3,53 ·101 (mol). De energiedichtheid van Sb2S3 is 3,53 ·101 × 51 = 1,8 ·103 (Wh kg −1 ).

Een probleem met een massieve Sb2S3-elektrode is dat Na+-ionen moeilijk tot het binnenste gedeelte van de elektrode kunnen doordringen (figuur 2a). Hierdoor is de elektrode minder efficiënt. De onderzoekers hebben daarom een elektrode gemaakt waarin het Sb2S3 in de vorm van dunne naaldjes (figuur 2b) aanwezig is.

[figuur 2: zie het originele examen]

SB2S3-elektrode elektronenmicroscoop-opname (bestaande uit een massieve staaf van een SB2S3-elektrode (bestaande uit naaldjes)

De gemiddelde diameter van de atomen in de naaldjes is 3,7 Å (1,0 Å = 0,1 nm).

Vraag 16 2 punten

Bepaal hoeveel atomen dik een naaldje minimaal is. Gebruik de dikte van het naaldje aangegeven met k in figuur 2b.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juiste berekening is: De dikte van het naaldje bij letter k is 10,5 mm (10,0 ≤ dikte ≤ 11,0). De lengte van het maatbalkje is 13,0 mm (12,5 ≤ lengte ≤ 13,5). 200 De dikte van het naaldje is × 10,5 = 1, 62 ·102 (nm). 13, 0 1, 62 ·102 De dikte is = 4, 4 ·102 (atomen). 0,37

Vraag 17 2 punten

Leg uit of een accu met een elektrode in de vorm van naaldjes meer of minder energie kan opslaan dan een accu met een elektrode in de vorm van een even zware massieve staaf. Gebruik figuur 2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Bij gebruik van naaldjes ontstaat een open structuur. / Er zit ruimte tussen de naaldjes. Hierdoor kunnen Na+-ionen een groter gedeelte van de elektrode bereiken en worden in totaal meer elektronen opgenomen. De accu kan dus meer energie opslaan.
  • Het gedeelte van de elektrode waarin Na+-ionen kunnen doordringen is bij gebruik van naaldjes in verhouding groter, zodat er in totaal meer elektronen kunnen worden opgenomen. De accu kan dus meer energie opslaan.
  • Het gedeelte van de elektrode waarin Na+-ionen niet kunnen doordringen is bij gebruik van naaldjes kleiner geworden. Er vinden meer reacties plaats tussen Na+-ionen en het elektrodemateriaal (en dus wordt er meer energie opgeslagen). De accu kan dus meer energie opslaan.

Stikstofbindende bacteriën maken etheen

Planten halen hun voedingsstoffen uit de bodem en de lucht. Voedingsstoffen voor planten moeten onder andere het element stikstof bevatten. Zonder het element stikstof kunnen planten een bepaalde bouwstof niet aanmaken.

Vraag 18 1 punt

Geef de naam van deze bouwstof die het element stikstof bevat.

Bekijk het antwoord

Opmerking Het volgende antwoord hier goed rekenen: aminozuren.

Planten kunnen stikstofmoleculen uit de lucht niet opnemen of omzetten. Planten nemen daarom het element stikstof op in de vorm van stikstofhoudende verbindingen. Rondom de wortels van planten kunnen stikstofbindende bacteriën voorkomen. Deze bacteriën zijn in staat om bij kamertemperatuur stikstofmoleculen om te zetten tot ammoniakmoleculen (NH3). Als mensen daarentegen ammoniak willen maken, dan gebeurt dat in fabrieken of laboratoria bij een temperatuur van ongeveer 500 °C.

Vraag 19 2 punten

Geef de structuurformules van de stoffen stikstof en ammoniak.

Bekijk het antwoord

Opmerking De bindingshoeken niet beoordelen.

Vraag 20 2 punten

Leg uit hoe het mogelijk is dat in bacteriën de omzetting van stikstofmoleculen tot ammoniakmoleculen wel bij kamertemperatuur kan verlopen. Gebruik in je uitleg het begrip activeringsenergie.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • De omzetting verloopt bij een lagere temperatuur dan in de industrie. De activeringsenergie van de reactie is dus verlaagd. Dit komt door de aanwezigheid van enzymen / een (bio)katalysator (die de reactie katalyseren/katalyseert).
  • (De omzetting van stikstof (en waterstof) tot ammoniak heeft een zeer hoge activeringsenergie.) De omzetting in de bacteriën verloopt onder invloed van enzymen, waardoor de activeringsenergie wordt verlaagd.

Indien een antwoord is gegeven als: (1) De omzetting in de bacteriën verloopt onder invloed van enzymen, waardoor de activeringsenergie kan worden overbrugd.

Planten nemen geen ammoniakmoleculen op, maar ammonium-ionen. Ammoniak is een base. Als ammoniak reageert met water, ontstaan onder andere ammonium-ionen.

Vraag 21 2 punten

Geef de vergelijking voor de reactie van ammoniak met water waarbij onder andere ammonium-ionen ontstaan.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een goed te rekenen reactievergelijking zijn:

  • NH3 + H2O → NH4+ + OH–
  • NH3 + H2O NH4+ + OH–

Stikstofbindende bacteriën gebruiken sulfaat-ionen om het aminozuur methionine te maken. Wanneer de concentratie sulfaat laag is, kunnen sommige soorten bacteriën ook op een andere manier methionine maken. Als bijproduct wordt dan etheen gevormd. Onderzoekers hebben vastgesteld dat in deze bacteriën uiteindelijk een stof met de formule C3H8SO wordt omgezet tot etheen. Deze omzetting is een redoxreactie.

Een van de halfreacties is hieronder onvolledig weergegeven (halfreactie 1).

C3H8SO → CH3SH + C2H4 + H2O (halfreactie 1)

In deze halfreactie ontbreken H+-ionen en elektronen.

Vraag 22 3 punten

Neem de onvolledige halfreactie 1 over en maak deze compleet.

  • Zet H+ en e– aan de juiste kant van de pijl.
  • Maak de halfreactie kloppend.
Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • elementbalans en ladingsbalans juist bij uitsluitend juiste formules voor en na de pijl (1p)

indien het volgende antwoord is gegeven: (2) C3H8SO + 2 H+ → CH3SH + C2H4 + H2O + 2 e–

De stof etheen kan problemen vormen bij het telen van gewassen. De etheen-concentratie in de bodem kan namelijk door aanwezigheid van een bacteriesoort, zoals R. rubrum, steeds hoger worden. Onderzoek heeft aangetoond dat de groei van plantenwortels wordt verstoord bij een etheen-concentratie die hoger is dan 0,1 cm3 per m3 grond. De onderzoekers hebben de etheenproductie van deze bacteriën gemeten in het laboratorium. Onder geschikte omstandigheden werd door de bacteriën in een reageerbuisje in 1 uur tijd 3·10–2 μmol etheen gevormd.

Roos probeert zich voor te stellen wat het effect van deze hoeveelheid etheen is. Ze wil deze hoeveelheid vergelijken met de concentratie etheen waarbij de wortelgroei wordt verstoord. Ze berekent daarom het volume grond in dm3 waarbij de wortelgroei net niet wordt verstoord door 3·10–2 μmol etheen.

Vraag 23 3 punten

Geef deze berekening van het volume grond in dm3. Ga ervan uit dat:

  • het volume van 1 mol etheen 24 dm3 is;
  • alle gevormde etheen gelijkmatig door de grond verspreid is en blijft.
Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: Het volume etheen dat in het buisje ontstaat, is

3 ·10−2 × 10−6 × 24 × 103 = 7, 2 ·10−4 (cm3 ). Het volume grond waarbij de wortelgroei net niet wordt verstoord, is 7, 2 ·10−4 ×103 = 7 (dm3 ). 0,1

De chemische hoeveelheid etheen per m3 grond bij de drempelwaarde is 0,1 × 10−3 = 4, 2 ·10−6 (mol). Dit komt overeen met 4,2 μmol per m3, ofwel 24 4,2·10–3 μmol per dm3. Het volume grond waarbij de wortelgroei net niet wordt verstoord, is

3 ·10−2 −3 = 7 (dm3 ). 4, 2 ·10

  • omrekening van de drempelwaarde van etheen naar de chemische hoeveelheid etheen (1p)

Opmerking Een fout in de omrekening van eenheden hier slechts eenmaal aanrekenen.

Mondkapjes

Tijdens de covid-19-pandemie werden er grote hoeveelheden mondkapjes gebruikt, zoals het mondkapje type IIR (figuur 1).

[figuur 1: zie het originele examen]

Dit mondkapje bestaat uit drie lagen:

  • laag 1: de buitenlaag die grote vochtdruppels tegenhoudt.
  • laag 2: de middenlaag met zeer kleine poriën. Deze laag houdt kleinere vochtdruppels tegen die virusdeeltjes kunnen bevatten.
  • laag 3: de binnenlaag die vocht uit de uitgeademde lucht kan opnemen.

Lagen 1 en 2 kunnen worden gemaakt van polymeer A (figuur 2). Polymeer A is een additiepolymeer.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 24 2 punten

Geef de structuurformule van het monomeer waaruit polymeer A is gevormd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Indien het volgende antwoord is gegeven: (1)

Lagen 1 en 2 houden druppels water tegen, maar laten waterdamp door. De losse watermoleculen in waterdamp binden namelijk niet aan polymeer A.

Vraag 25 2 punten

Leg aan de hand van figuur 2 uit dat watermoleculen niet binden aan polymeer A. Gebruik in je antwoord begrippen op microniveau.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: De ketens van polymeer A bevatten alleen C- en H-atomen / bevatten geen OH- en geen NH-groepen. De stof is dus / De ketens zijn dus hydrofoob/apolair (waardoor watermoleculen niet kunnen binden).

Bij de productie van laag 2 wordt aan polymeer A een hulpstof toegevoegd. Deze hulpstof is opgebouwd uit magnesium-ionen en stearaat-ionen (C17H35COO–).

Vraag 26 1 punt

Geef de verhoudingsformule van deze hulpstof.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Mg(C17H35COO)2 − Mg(C18H35O2)2 (1)

Laag 2 van het mondkapje wordt geproduceerd in 2 stappen (figuur 3):

Stap 1: Polymeer A en de hulpstof worden in een extruder gemengd en verwarmd. Stap 2: Onder invloed van een sterke warme luchtstroom wordt het vloeibare mengsel tot zeer kleine vezeltjes geblazen. Deze vezeltjes vormen laag 2.

[figuur 3: zie het originele examen]

Een stofeigenschap van polymeer A maakt het materiaal geschikt om te verwerken in een extruder. Deze stofeigenschap kan onder andere worden verklaard uit een kenmerk op microniveau.

Vraag 27 2 punten

− Geef aan welke stofeigenschap polymeer A heeft, waardoor het geschikt is om te verwerken in een extruder.

  • Geef aan hoe deze eigenschap kan worden verklaard uit een kenmerk op microniveau.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste stofeigenschap zijn:

  • Polymeer A kan smelten/vloeibaar worden.
  • Polymeer A wordt vervormbaar bij verwarmen.

Voorbeelden van een juist kenmerk op microniveau zijn:

  • Polymeer A is een ketenpolymeer / bestaat uit losse ketens.
  • Er zijn geen crosslinks aanwezig (in polymeer A) / Moleculen/ketens van polymeer A vormen geen netwerk.

Laag 3 van het mondkapje wordt vaak ook gemaakt van polymeer A, maar polymeer A kan geen water binden. Om laag 3 waterbindende eigenschappen te geven wordt door reactie met zuurstof een deel van de polymeerketens voorzien van carboxylgroepen. In figuur 4 is de vergelijking van deze reactie onvolledig weergegeven.

[figuur 4: zie het originele examen]

Door de reactie breekt een polymeerketen in twee fragmenten. Fragment X bevat een carboxylgroep.

Vraag 28 2 punten

Geef de structuurformule van fragment X.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de carboxylgroep juist (1)
  • de rest van het fragment en het begin van de keten weergegeven met ~ (1)

In 2020 werden wereldwijd op een gegeven moment per dag 2,0 miljard mondkapjes met polymeer A in afvalovens verbrand.

Vraag 29 3 punten

Bereken hoeveel ton CO2 per dag vrijkwam door de verbranding van polymeer A in deze mondkapjes. Gebruik de volgende gegevens en aannames:

  • Een mondkapje bevat gemiddeld 2,45 gram polymeer A.
  • De massa van de repeterende eenheid in polymeer A is 42,1 u.
  • Bij de verbranding ontstaan drie moleculen CO2 per repeterende eenheid in polymeer A.
  • 1 ton = 103 kg.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 2, 45 Een mondkapje bevat = 5,82 ·10−2 (mol) eenheden polymeer A. 42,1 Bij verbranding ontstaat per mondkapje 5,82 ·10 −2 × 3 = 1, 75 ·10 −1 (mol) CO 2 . De massa CO2 per mondkapje is 1, 75 ·10−1 × 44, 0 = 7, 68 (g). De totale massa CO2 is 7, 68 × 2, 0 ·109 × 10−6 = 1,5 ·104 (ton).

of

De totale massa van polymeer A die werd verbrand is 2, 0 ·109 × 2, 45 = 4,90 ·109 (gram) . De chemische hoeveelheid repeterende eenheden in polymeer A is 4,90 ·109 = 1,16 ·108 (mol). 42,1 Bij verbranding ontstaat 3 × 1,16 ·108 = 3,49 ·108 (mol) CO 2 . De massa CO2 is 3,49 ·108 × 44, 0 = 1,54 ·1010 (g). Het aantal ton CO2 is dus 1,54 ·1010 × 10−6 = 1,5 ·104 (ton).

Hyaluronzuur in fillers

Om rimpels op te vullen, kan een ‘filler’ in de huid geïnjecteerd worden. Moderne fillers bevatten vaak de polysacharide hyaluronzuur (HyZ). Volgens fabrikanten houdt je huid door het gebruik van een filler met HyZ beter water vast. Hierdoor worden rimpels opgevuld en ziet je huid er strakker uit. In figuur 1 is de structuurformule van een repeterende eenheid van HyZ weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

HyZ heeft een zeer hoog waterbindend vermogen. Een klein deel van de gebonden watermoleculen is via waterstofbruggen direct gebonden aan HyZ. Een groter deel is niet direct gebonden, maar is via andere watermoleculen gebonden aan HyZ.

Vraag 30 2 punten

Voer op de uitwerkbijlage de volgende opdrachten uit:

  • Teken een watermolecuul dat met een waterstofbrug direct gebonden is aan de repeterende eenheid van HyZ.
  • Teken een tweede watermolecuul dat via één waterstofbrug gebonden is aan het eerste watermolecuul.
  • Geef de waterstofbruggen weer met stippellijntjes (• • •).
  • Geef de watermoleculen weer met .

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als meer dan twee waterstofbruggen zijn getekend, per onjuiste waterstofbrug één scorepunt in mindering brengen.

Tijdens een onderzoek is bepaald dat 1,0 gram HyZ 44 gram water kan binden.

Vraag 31 2 punten

Bereken het aantal watermoleculen dat volgens dit onderzoek gebonden kan worden aan een repeterende eenheid van het HyZ. De massa van een repeterende eenheid HyZ is 379 u.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: De chemische hoeveelheid repeterende eenheden in 1,0 gram HyZ is 1, 0 = 2, 64 ·10 −3 (mol). 379 44 De chemische hoeveelheid water die gebonden wordt, is = 2, 44 (mol). 18, 0 Dus het aantal watermoleculen dat elke repeterende eenheid kan binden, is 2, 44 = 9,3 ·102. 2, 64 ·10−3

De massa van watermoleculen die worden gebonden aan één repeterende eenheid HyZ, is 44 × 379 = 1, 67 ·104 (u). Dus het aantal watermoleculen dat elke repeterende eenheid kan binden, is 1, 67 ·104 = 9,3 ·102. 18, 0

  • berekening van de massa van watermoleculen die worden gebonden aan één repeterende eenheid HyZ (1p)

Opmerking Als in de berekening van de chemische hoeveelheid repeterende eenheden HyZ ook de massa van de uiteinden wordt meegenomen, dit niet beoordelen.

HyZ is een polysacharide en wordt in een ongebruikte filler langzaam afgebroken door hydrolyse. Daarom kan een ongebruikte filler niet oneindig lang worden bewaard. Op de uitwerkbijlage is de vergelijking van de hydrolyse van een repeterende eenheid HyZ onvolledig weergegeven. De plaats van de hydrolyse is met een pijl aangegeven.

Vraag 32 3 punten

Maak op de uitwerkbijlage de reactievergelijking van deze hydrolyse compleet. Gebruik structuurformules voor de koolstofverbindingen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de formule van water voor de pijl (1)
  • na de pijl de binding tussen de ringen verbroken en aan weerszijden van de verbroken binding een hydroxylgroep getekend (1)
  • de rest van de structuurformules na de pijl juist (1)

Onderzoekers hebben de hydrolyse van HyZ onderzocht. Gedurende meerdere maanden hebben de onderzoekers in een filler de gemiddelde molaire massa van HyZ gemeten. In figuur 2 zijn de onderzoeksresultaten weergegeven.

[figuur 2: zie het originele examen]

Figuur 2 toont de molaire massa van HyZ als de filler wordt bewaard bij kamertemperatuur. Op de uitwerkbijlage is figuur 2 nogmaals weergegeven.

Vraag 33 2 punten

Schets op de uitwerkbijlage het verloop van de gemiddelde molaire massa van HyZ als de filler gedurende dezelfde tijd in de koelkast wordt bewaard.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de geschetste lijn begint in 17,0·103 en eindigt hoger dan de lijn voor de afbraak bij kamertemperatuur (1)
  • de geschetste lijn heeft de juiste vorm (1)

Ook in het lichaam wordt HyZ afgebroken. Dit gebeurt onder invloed van het enzym hyaluronidase. Deze afbraak in het lichaam verloopt snel in vergelijking met buiten het lichaam. Om de enzymatische afbraak van HyZ in het lichaam tegen te gaan, wordt in een filler vaak gebruikgemaakt van HyZ waarin de ketens met crosslinks aan elkaar zijn gekoppeld (figuur 3).

[figuur 3: zie het originele examen]

De enzymatische afbraak van HyZ door hyaluronidase verloopt niet in de delen van HyZ met crosslinks. De ingespoten filler behoudt hierdoor langer zijn werking.

Vraag 34 1 punt

Geef een verklaring voor het feit dat de enzymatische afbraak van HyZ niet verloopt in de delen van HyZ met crosslinks.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Hyaluronidase / Het enzym is specifiek voor hyaluronzuur (en kan dus niet hyaluronzuur met crosslinks afbreken). − Hyaluronidase / Het enzym katalyseert maar één soort reactie (en kan dus de crosslink niet afbreken). − De vorm van hyaluronzuur / de beginstof is veranderd, waardoor het enzym niet meer past. − Er past alleen maar hyaluronzuur / één soort deeltje (de sleutel) op het enzym/hyaluronidase (het slot). (1)

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Een stof die veel gebruikt wordt als crosslinker is BDDE. Maar deze stof is zeer reactief en kan schade aan weefsels opleveren. Er mag daarom van het niet-gereageerde BDDE maximaal 1,0·10–5 mol L–1 in de filler aanwezig zijn.

Vraag 35 3 punten

Bereken het gehalte BDDE in massa-ppm dat maximaal in de filler aanwezig mag zijn. Gebruik de volgende gegevens:

  • De dichtheid van de filler is 1,0 g mL–1.
  • De molecuulformule van BDDE is C10H18O4.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn: De molaire massa van BDDE is 202 (g mol–1). De massa van 1,0·10–5 mol BDDE is 1, 0 ·10−5 × 202 = 2, 02 ·10−3 (g). De massa van 1,0 liter filler is (1, 0 × 103 =) 1, 0 ·103 (g). 2, 02 ·10−3 De veilige grens in de filler is dus: × 106 = 2, 0 (massa-ppm). 1, 0 ·103

of

De molaire massa BDDE = 202 (g mol–1). De massa van 1,0·10–5 mol BDDE is 1, 0 ·10−5 × 202 × 103 = 2, 02 (mg). De massa van 1,0 liter filler is (1, 0 × 103 × 10−3 =) 1, 0 (kg). Massa-ppm is het aantal mg per kg. De veilige grens in de filler is dus 2,0 (massa-ppm).

In het lichaam zal het gecrosslinkte HyZ uiteindelijk toch worden afgebroken. De BDDE-crosslink wordt hierbij omgezet tot de lichaamseigen stoffen glycerol en butaandizuur.

Vraag 36 3 punten

Geef de structuurformule van butaandizuur.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • een koolstofketen met vier koolstofatomen getekend (1)
  • de structuurformule bevat een carboxylgroep (1)
  • een tweede carboxylgroep en de rest van de structuurformule juist (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Scheikunde 2025, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-25-2-o

Andere examens scheikunde havo

Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde havo 2025, tijdvak 2?

Het centraal examen scheikunde havo 2025, tijdvak 2 telt 36 vragen. De meeste vragen gaan over rekenen aan reacties (6), redoxreacties (5) en koolstofchemie (5).

Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde havo 2025, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-25-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.