Eindexamen scheikunde havo 2021, tijdvak 3: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Geleisuiker, Van kunststofafval tot grondstof, CO-meting, Zonlicht maakt zout water zoet, Kringloop.
Het centraal examen scheikunde havo 2021, tijdvak 3 telt 33 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (7), rekenen aan reacties (6) en bindingen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 3, 7, 9, 25, 28-30 | 7 |
| Rekenen aan reacties | 4, 10-11, 13, 17, 27 | 6 |
| Bindingen | 1, 5, 8, 16 | 4 |
| Scheidingsmethoden | 12, 21-22, 26 | 4 |
| Redoxreacties | 18, 23-24, 31 | 4 |
| Duurzame chemie | 14, 32-33 | 3 |
| Reactievergelijkingen | 2, 15 | 2 |
| Reactiesnelheid | 19-20 | 2 |
| Zuren en basen | 6 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde havo sinds 2018: dit examen vroeg minder over stoffen en eigenschappen (0% van de vragen, gemiddeld 8%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde havo 2021, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde havo 2021, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde havo 2021, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Geleisuiker
Rian maakt aardbeienjam. Volgens haar recept moet ze gepureerde aardbeien vier minuten lang koken met wat citroensap en geleisuiker. Geleisuiker is een mengsel van suiker (sacharose), pectine en citroenzuur. Sacharose geeft de jam een zoete smaak. Ook bindt sacharose een groot deel van het water uit het fruit, waardoor micro-organismen in jam nauwelijks kunnen groeien en de jam lang houdbaar blijft. Op de uitwerkbijlage bij dit examen is de structuurformule van een sacharosemolecuul weergegeven.
Vraag 1 2 punten
Teken op de uitwerkbijlage twee watermoleculen die elk met een waterstofbrug aan het sacharosemolecuul zijn gebonden.
- Geef elk watermolecuul weer met .
- Geef de waterstofbruggen weer met stippellijntjes (• • •).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien slechts één watermolecuul met waterstofbrug(gen) juist is weergegeven (1) Indien behalve twee watermoleculen met twee of meer juiste waterstofbruggen ook één of meer onjuiste waterstofbruggen zijn weergegeven (1)
Tijdens het koken treedt hydrolyse op van de sacharosemoleculen. Op de uitwerkbijlage is deze hydrolyse onvolledig weergegeven.
Vraag 2 3 punten
Geef op de uitwerkbijlage de reactievergelijking in structuurformules van de hydrolyse van sacharose.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- De stand van de OH-groepen in de reactieproducten niet beoordelen.
- Wanneer voor water een molecuulformule in plaats van een structuurformule is gegeven, dit niet aanrekenen.
- Wanneer één of meer overschrijffouten zijn gemaakt in de structuurformules van glucose en fructose, dit slechts eenmaal aanrekenen.
Het verdikkingsmiddel pectine maakt de jam minder vloeibaar. Hieronder is een fragment van een pectinemolecuul in structuurformule weergegeven.
Pectine is een copolymeer. Pectine wordt gevormd uit monomeren van galacturonzuur (monomeereenheid I) en monomeren van stof II (monomeereenheid II). Stof II kan beschouwd worden als de ester van galacturonzuur en één andere stof.
Vraag 3 2 punten
Geef de structuurformule van deze andere stof.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien in plaats van de juiste structuurformule de juiste naam of molecuulformule is gegeven (1) Indien de structuurformule van methaanzuur is gegeven (1)
Rian heeft berekend dat een potje jam 1,6 gram pectine bevat.
Vraag 4 4 punten
Bereken het totale aantal mol pectine in dit potje jam. Gebruik de volgende gegevens:
- Een pectinemolecuul bestaat gemiddeld uit 5,1∙10 2 monomeereenheden.
- 72% van de 5,1∙102 monomeereenheden is monomeereenheid II .
- Monomeereenheid II heeft een molaire massa van 190 g mol–1.
- Monomeereenheid I heeft de formule C6H8 O6.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 1, 6 = 1, 7 ⋅10−5 (mol) 72 28 5,1 ⋅102 × × 190 + × 176 100 100
of
Een pectinemolecuul bevat gemiddeld 72 × 5,1 ⋅102 = 367 monomeereenheden II 100 (100
- 72) en 143 monomeereenheden I. × 5,1 ⋅102 = 100 De molaire massa van een monomeereenheid I is 176 (g mol−1 ) . De gemiddelde molaire massa van pectine is
367 × 190 + 143 × 176 = 9, 49 ⋅104 (g mol−1 ). 1, 6 Dus het potje jam bevat =4 1, 7 ⋅10−5 (mol) pectine. 9, 49 ⋅10
- omrekening naar de chemische hoeveelheid pectine in mol (1p)
of
−1 De molaire massa van een monomeereenheid I is 176 (g mol ) . De gemiddelde molaire massa van een monomeereenheid is
28 (72) × 176 + × 190 = 186 (g mol−1 ) .
100 100 De gemiddelde molaire massa van pectine is 5,1⋅102 × 186 = 9, 49 ⋅104 (g mol−1 ) . 1, 6 Dus het potje jam bevat = 1, 7 ⋅10−5 (mol) pectine. 9, 49 ⋅104
Wanneer de jam na het koken afkoelt, vormt zich een netwerk van pectinemoleculen dat de andere stoffen insluit. Een dergelijk netwerk wordt een gel genoemd. In onderstaande figuur zijn twee pectinemoleculen te zien die door middel van bindingen (zie 1) tussen de estergroepen en bindingen (zie 2) tussen de carboxylgroepen met elkaar verbonden zijn.
figuur
Vraag 5 2 punten
Geef de naam van het bindingstype dat wordt aangeduid met cijfer 1 in de figuur. Licht je antwoord toe aan de hand van de structuurformules van de betrokken groepen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- De binding (bij cijfer 1) is een binding tussen (apolaire/hydrofobe) methylgroepen/CH3-groepen en is dus een vanderwaalsbinding/molecuulbinding.
- De twee groepen (bij cijfer 1) bestaan uitsluitend uit C-atomen en H-atomen. Het is dus een vanderwaalsbinding/molecuulbinding.
- De groepen (bij cijfer 1) bevatten geen –NH- en geen –OH-groepen. Het is dus een vanderwaalsbinding/molecuulbinding.
- De groepen (bij cijfer 1) zijn apolair/hydrofoob. Het gaat dus om een vanderwaalsbinding/molecuulbinding.
- De groepen (bij cijfer 1) kunnen geen waterstofbruggen vormen, dus er is enkel sprake van vanderwaalsbinding/molecuulbinding.
Het citroensap dat Rian heeft toegevoegd, bevat een zuur dat de vorming van een gel bevordert en de pH rond 3,2 brengt.
Vraag 6 2 punten
Bereken [H+] in mol L–1 in deze jam met pH = 3,2. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: −3,2 −4 −1 ([H+ ] =) 10 = 6 ⋅10 (mol L )
De structuurformule van het zuur in citroensap is te omschrijven als propaan met op het eerste, tweede en derde koolstofatoom een carboxylgroep in plaats van een H -atoom. Ook bevindt zich aan het middelste koolstofatoom een hydroxylgroep in plaats van een H-atoom. De molecuulformule is C6H8 O7.
Vraag 7 2 punten
Geef de structuurformule van het zuur op basis van bovenstaande beschrijving.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- keten van 3 koolstofatomen waarbij aan het eerste, tweede en derde C-atoom een carboxylgroep is getekend (1)
- de rest van de structuurformule juist (1)
Als Rian vergeet om citroensap toe te voegen wordt de pH van de jam hoger dan 4,1. Bij deze hogere pH zal de meerderheid van de carboxylgroepen (COOH ) in pectine zijn omgezet tot COO
- -groepen. Zonder citroensap zullen er dus weinig tot geen carboxylgroepen zijn, waardoor de binding die in de figuur is aangeduid met cijfer 2 niet aanwezig is. De afwezigheid van deze binding zorgt ervoor dat de pectinemoleculen niet bij elkaar worden gehouden en er zich geen gel vormt. Tussen de COO
- -groepen vindt zelfs een interactie plaats die gelvorming tegengaat.
Vraag 8 2 punten
Geef de naam van het bindingstype dat is aangeduid met cijfer 2 en geef aan welke interactie tussen COO− -groepen plaatsvindt waardoor gelvorming wordt tegengegaan. Noteer je antwoord als volgt: bindingstype (aangeduid met cijfer 2): … interactie tussen COO
- -groepen: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer als tegengesteld effect is gegeven dat door hydratatie pectineketens verder van elkaar af worden geduwd, dit goed rekenen.
Van kunststofafval tot grondstof
In Europa werd in 2016 van al het ingezamelde kunststofafval ongeveer 30% gerecycled. De rest van het kunststofafval belandde op de vuilnisbelt of werd verbrand. Sommige kunststoffen, zoals thermoharders, zijn moeilijk te recyclen.
Vraag 9 2 punten
Geef aan op macroniveau en op microniveau, waarom een thermoharder moeilijk te recyclen is. Noteer je antwoord als volgt: macroniveau: … microniveau: …
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Macroniveau: een thermoharder kan niet worden (om)gesmolten. Microniveau: een thermoharder is een netwerk(polymeer)/bevat (polymeer)ketens met crosslinks/bestaat uit (polymeer)ketens met dwarsverbindingen (waardoor de ketens niet los van elkaar kunnen komen, wat nodig is voor recycling).
Opmerkingen
- Wanneer als toelichting op macroniveau is gegeven dat een thermoharder ontleedt bij verwarmen, dit goed rekenen.
- Wanneer als toelichting op microniveau is gegeven dat een thermoharder één groot molecuul is, dit goed rekenen.
In de haven van Rotterdam wordt een fabriek gebouwd die niet-recyclebaar kunststofafval gaat omzetten tot waardevolle chemicaliën. Een voorbeeld is de vorming van de grondstof methanol. In figuur 1 is een onvolledig blokschema van dit proces weergegeven.
[figuur 1: zie het originele examen]
In reactor 1 (R1) wordt kunststofafval omgezet tot een gasmengsel. Voor deze omzetting is energie nodig. Op de uitwerkbijlage is een onvolledig energiediagram weergegeven van deze reactie.
Vraag 10 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage het energiediagram van deze reactie af. Geef de volgende onderdelen weer, met bijbehorende bijschriften:
- het energieniveau van de reactieproducten;
- het energieniveau van de geactiveerde toestand;
- de reactiewarmte.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer in het antwoord bij één of meer van de getekende onderdelen het bijschrift onjuist is of ontbreekt, dit slechts eenmaal aanrekenen.
Het in R1 ontstane gasmengsel wordt vervolgens gezuiverd tot synthesegas: een mengsel van koolstofmono-oxide en waterstof. In reactor 2 (R2) wordt uit dit synthesegas methanol gevormd volgens onderstaande vergelijking.
CO + 2 H2 → CH3OH
Bij deze reactie komt warmte vrij.
Vraag 11 2 punten
Bereken de reactiewarmte van deze reactie in J per mol methanol (T = 298K en p = p 0). Gebruik Binas-tabel 57 of ScienceData-tabel 9.2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: (1,11
- 2,39) ⋅105 =
- 1, 28 ⋅105 (J mol−1 )
of
− ( −1,11 ⋅105 ) + ( −2,39 ⋅105 ) =
- Ebegin + Eeind =
- 1, 28 ⋅105 (J mol−1 )
Opmerking 5 Wanneer een berekening is gegeven als ‘ 1,11
- 2,39 =
- 1,28 ⋅ 10 ’, dit goed rekenen.
In een chemische fabriek zal de vrijgekomen reactiewarmte zo veel mogelijk elders in het proces weer gebruikt worden. Hierbij worden warmtewisselaars ingezet. In deze opgave wordt een warmtewisselaar weergegeven zoals in figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
Op de uitwerkbijlage is het blokschema uit figuur 1 weergegeven en uitgebreid met één warmtewisselaar. In dit blokschema ontbreekt een tweede warmtewisselaar.
Vraag 12 2 punten
Voer in het blokschema op de uitwerkbijlage de volgende opdrachten uit:
- Teken de tweede warmtewisselaar.
- Geef bij elke warmtewisselaar met een pijl de richting aan van de waterinvoer en de wateruitvoer.
- Geef bij elke warmtewisselaar aan welke stroom koud water bevat en welke stroom warm water bevat.
- Houd rekening met hergebruik van energie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer de waterstromen van de warmtewisselaars zijn weergegeven als een gesloten systeem, dit niet aanrekenen.
- Wanneer behalve de gevraagde waterstromen ook extra stofstromen zijn gegeven, deze niet beoordelen.
- De richting van de waterstroom in de warmtewisselaar ten opzichte van de richting van de stofstroom niet beoordelen.
- Wanneer de warmtewisselaar om of in de reactor is getekend, bijvoorbeeld zoals in onderstaande afbeelding, dit goed rekenen.
De Rotterdamse fabriek kan 3,6∙10 5 ton kunststofafval verwerken tot 2,13∙10 5 ton methanol (1,0 ton = 1,0∙103 kg). Deze opbrengst is lager dan volgens de theorie te verwachten is.
Vraag 13 3 punten
Bereken het rendement van de omzetting van kunststofafval tot methanol. Neem aan dat kunststofafval 60 massaprocent koolstof bevat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 2,13 ⋅105 × 102 (%) = 37(%)
5 60 32, 0 3, 6 ⋅10 × ×
100 12, 0
of
De massa van koolstof in 3, 6 ⋅105 ton kunststofafval is 60 3, 6 ⋅105 × = 2,16 ⋅105 (ton). 100 2,16 ⋅105 × 106 Dit komt overeen met = 1,80 ⋅1010 (mol) koolstof. 12, 0 Hieruit kan 1,80 ⋅1010 × 32, 0 = 5, 76 ⋅1011 (g) methanol ontstaan. 2,13 ⋅105 × 106 Het rendement is dus 37(%) . × 102 (%) = 5, 76 ⋅1011
of
2,13 ⋅105 × 106 2,13 ⋅105 ton methanol komt overeen met = 6, 66 ⋅109 (mol). 32, 0 6, 66 ⋅109 mol methanol bevat 6, 66 ⋅109 × 12, 0 = 7,99 ⋅1010 (g) koolstof. 100 7,99 ⋅1010 g koolstof zit in 7,99 ⋅1010 × × 10−6 = 1,33 ⋅105 (ton) 60 kunststofafval. 1,33 ⋅105 Het rendement is dus (5) × 102 (%) = 37(%) 3, 6 ⋅10
Methanol is een belangrijke grondstof voor de productie van alkenen, die gebruikt kunnen worden voor de productie van bijvoorbeeld kunststoffen.
Vraag 14 2 punten
Geef één argument waaruit blijkt dat kunststof die is gemaakt met behulp van methanol uit de Rotterdamse fabriek past bij het cradle-to-cradle-principe. Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- De methanol wordt gemaakt uit kunststofafval. Methanol wordt vervolgens omgezet tot nieuwe kunststof. Hierdoor is er (voor kunststof) een gesloten kringloop ontstaan. (Dit is een van de uitgangspunten van cradle-to-cradle.)
- Van kunststofafval wordt methanol gemaakt. Vervolgens kan men van methanol alkenen en van alkenen een kunststof maken. (Hiermee is de kringloop rond.)
- Van een kunststof wordt na gebruik, via methanol, weer een nieuwe kunststof (van vergelijkbare kwaliteit) gemaakt.
- Uit kunststofafval wordt een grondstof voor nieuwe kunststof(fen) gemaakt. (Dit past bij cradle-to-cradle.)
- van methanol wordt (via alkenen) kunststof gemaakt (1p)
- deze kunststof kan weer worden omgezet tot methanol (1p)
CO-meting
In een verkeerd afgestelde cv-ketel kan onvolledige verbranding van aardgas optreden. Daarbij kan, behalve water en koolstofdioxide, ook het giftige gas koolstofmono-oxide (CO ) ontstaan.
Vraag 15 3 punten
Geef de vergelijking voor de onvolledige verbranding van aardgas. Neem aan dat:
- aardgas alleen uit methaan bestaat;
- uitsluitend CO, koolstofdioxide en water ontstaan;
- CO en koolstofdioxide ontstaan in de molverhouding 1 : 2.
Bekijk het antwoord
- CH4 en O2 voor de pijl (1)
- H2O, CO en CO2 na de pijl waarbij CO : CO2 in de verhouding 1 : 2 (1)
- de elementbalans juist in een vergelijking met uitsluitend de juiste formules voor en na de pijl (1)
Koolstofmono-oxide is giftig doordat het zuurstof uit het lichaam verdringt. Bij inademing van schone lucht wordt zuurstof uit de lucht gebonden door het eiwit hemoglobine (Hb). Hierbij ontstaat oxyhemoglobine (HbO 2), dat zuurstof via de bloedbaan door het lichaam verspreidt. Wanneer lucht is verontreinigd met koolstofmono-oxide, wordt koolstofmono-oxide in plaats van zuurstof door Hb gebonden. Er ontstaat dan Hb CO. Slechts een kleine concentratie koolstofmono-oxide leidt al tot een vergiftiging. Inademing van lucht die 0,10 volumeprocent koolstofmono-oxide bevat, leidt ertoe dat 50% van alle Hb-moleculen bindt met CO-moleculen en 50% van de Hb-moleculen bindt met O2-moleculen.
Vraag 16 2 punten
Leid uit bovenstaande informatie af dat Hb-moleculen bij voorkeur aan CO-moleculen binden. Gebruik eventueel een gegeven uit Binas-tabel 83C of ScienceData-tabel 21.4.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Lucht bevat ongeveer 21 volumeprocent zuurstof en 0,10 volumeprocent koolstofmono-oxide. Er ontstaat evenveel HbCO als HbO2. (Hb-moleculen binden dus bij voorkeur aan CO-moleculen.)
- (De ingeademde) lucht bevat ongeveer 200 keer zo veel / (veel) meer / een (veel) hogere concentratie zuurstof dan CO, terwijl er evenveel HbCO als HbO2 ontstaat. (Hb-moleculen binden dus bij voorkeur aan CO-moleculen.)
Bij een vermoeden van CO -vergiftiging kan het CO -gehalte in de uitgeademde lucht worden gemeten met een CO -meter. Deze meting is mogelijk omdat koolstofmono-oxide dat aan hemoglobine is gebonden, ook weer kan loslaten en geleidelijk wordt uitgeademd. Uit de meetwaarde wordt vervolgens het Hb CO -gehalte in het bloed berekend. Het verband tussen het CO -gehalte in de uitgeademde lucht en het Hb CO -gehalte in het bloed is in de figuur weergegeven.
figuur
Bij een Hb CO -gehalte van meer dan 12% is er sprake van CO-vergiftiging. Het CO-gehalte op de horizontale as is uitgedrukt in volume-ppm. 1 volume-ppm komt overeen met 1∙10 –6 liter koolstofmono-oxide per liter lucht. Bij een meting blijkt de uitgeademde lucht van een persoon 3,0∙10 2 µg koolstofmono-oxide te bevatten. Het volume van de uitgeademde lucht van deze persoon was 4,0 L.
Vraag 17 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Bereken het CO-gehalte in volume-ppm in de uitgeademde lucht van deze persoon. De dichtheid van koolstofmono-oxide is 1,25 g L–1.
- Leg uit met behulp van de figuur of er sprake is van CO-vergiftiging.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 3, 0 ⋅102 × 10−6 1, 25
60 (volume-ppm) . × 106 (volume-ppm) = 4, 0 Aflezen in de grafiek geeft een HbCO-gehalte van 9% (±1). Dit is minder dan 12%. Er is dus geen sprake van CO-vergiftiging.
of
2 −4 Een massa van 3, 0 ⋅10 μg CO komt overeen met 3,0 ⋅10 g CO. Deze massa van CO komt overeen met een volume van 3, 0 ⋅10−4 = 2, 40 ⋅10−4 (L) . 1, 25 2, 40 ⋅10−4 Het gehalte CO is × 106 (volume-ppm) =
60 (volume-ppm) . 4, 0 Bij een HbCO-gehalte van 12% is er sprake van CO-vergiftiging. Een gehalte van 12% komt overeen met 80 (±2) volume-ppm. Dit is meer dan
60 (volume-ppm). Er is dus geen sprake van CO-vergiftiging.
De werking van de CO -meter is gebaseerd op een redoxreactie in een elektrochemische cel. De uitgeademde lucht wordt langs een van de elektroden geleid. Het CO wordt daarbij omgezet tot CO2 volgens onderstaande halfreactie.
H2O + CO → 2 H+ + CO2 + 2 e–
Aan de andere elektrode van de CO -meter reageert zuurstof. Bij deze omzetting reageren ook H+ -ionen.
Vraag 18 3 punten
Geef de vergelijking van de andere halfreactie en de vergelijking van de totale reactie in de CO -meter. Gebruik Binas-tabel 48 of ScienceData-tabel 9.1F.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
H2O + CO → 2 H+ + CO2 + 2 e– (2×) O 2 + 4 H+ + 4 e– → 2 H2 O (1×)
2 CO + O2 → 2 CO2
Opmerkingen
- Wanneer in de halfreactie(s) in plaats van een enkele pijl het evenwichtsteken staat, dit goed rekenen.
- Wanneer als halfreactie van de oxidator is gegeven: ‘O2 + 2 H+ + 2 e– → H2O2 ’, leidend tot de totaalreactie: ‘O2 + H2O + CO → H2 O2 + CO2’, dit hier goed rekenen.
- Wanneer in een overigens juist antwoord voor de halfreactie bij de zuurstofelektrode de vergelijking O2 + 2 H2O + 4 e– → 4 OH– is gegeven, gevolgd door de reactie H+ + OH– → H2 O en het wegstrepen van H2 O voor en na de pijl, dit goed rekenen.
Iemand met een CO-vergiftiging moet snel schone lucht inademen die geen koolstofmono-oxide bevat. CO-moleculen die loslaten van Hb-moleculen worden dan verdrongen door de overmaat aan O2-moleculen die wordt ingeademd. De vrijgekomen Hb-moleculen binden vervolgens O2-moleculen in plaats van CO-moleculen. De snelheid waarmee de concentratie Hb CO in het bloed afneemt is zodanig dat elke
5 uur de concentratie Hb CO halveert. De concentratie Hb CO in het bloed van een patiënt is 2,28 mmol L –1.
Vraag 19 2 punten
Bereken de gemiddelde snelheid in mol L–1 s–1 waarmee de concentratie Hb CO gedurende de eerste 5,0 uur afneemt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 2, 28 −3 ⋅10
2 = 6,3 ⋅10−8 (mol L−1 s −1 ) 5, 0 × 60 × 60
of
2, 28 Na 5,0 uur is [CO] afgenomen met = 1,14 (mmol L–1). 2 1,14 mmol L–1 komt overeen met 1,14∙10–3 (mol L–1). 4 5,0 uur komt overeen met 5, 0 × 60 × 60 = 1,8 ⋅10 (s) . De gemiddelde snelheid waarmee [CO] afneemt is dus 1,14 ⋅10−3 = 6,3 ⋅10−8 (mol L−1 s −1 ). 1,8 ⋅104
Een nadeel van de inademing van lucht is dat het lang duurt voordat de concentratie Hb CO op een niet-giftig niveau is gekomen. Bij ernstige CO-vergiftiging wordt daarom vaak beademd met zuivere zuurstof. De tijd die nodig is om de concentratie Hb CO te halveren wordt dan teruggebracht tot 1,0 uur.
Vraag 20 2 punten
Leg uit, met behulp van het botsende-deeltjesmodel, dat bij beademen met zuivere zuurstof een lege bindingsplek in een Hb-molecuul sneller wordt gevuld door een O2 -molecuul dan bij het inademen van lucht.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- In zuivere zuurstof is de zuurstofconcentratie hoger (dan in lucht). Hierdoor vinden er vaker botsingen plaats / meer botsingen plaats (per tijdseenheid) (tussen een Hb-molecuul en O2 -moleculen. Daardoor wordt een lege bindingsplek in een Hb-molecuul sneller gevuld dan wanneer lucht wordt ingeademd).
- Lucht bevat minder zuurstofmoleculen per volume-eenheid (dan zuivere zuurstof). Hierdoor is de kans op (effectieve) botsingen (tussen een Hb-molecuul en O2 -moleculen) kleiner. (Daardoor wordt een lege bindingsplek in een Hb-molecuul minder snel gevuld dan wanneer zuivere zuurstof wordt ingeademd).
Indien slechts een juist verband is gegeven tussen het gebruik van zuivere zuurstof/de reactiesnelheid en het aantal botsingen (1)
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als: ‘Bij zuivere zuurstof zijn er meer O2-deeltjes die tegelijkertijd kunnen botsen met Hb-deeltjes, waardoor er meer effectieve botsingen zijn’, dit goed rekenen.
Zonlicht maakt zout water zoet
Voor het verbouwen van gewassen zoals rijst is veel water nodig. Grondwater bevat vaak te veel opgeloste zouten om het water voor gewasteelt te kunnen gebruiken. Deze zouten moeten worden verwijderd. Hierna wordt het water ‘zoet water’ genoemd. Destillatie van grote hoeveelheden grondwater kost veel energie en is duur. Een mogelijk alternatief is elektrodialyse. Bij elektrodialyse stroomt zout grondwater door een opstelling met membranen waarover een spanning is aangelegd (figuur 1). De benodigde elektrische energie wordt met behulp van zonlicht opgewekt.
[figuur 1: zie het originele examen]
In figuur 1 is weergegeven hoe zout grondwater van onderaf een opstelling met zes compartimenten binnenstroomt. Na inschakelen van de spanningsbron kunnen de ionen die in het zoute water aanwezig zijn zich door een membraan verplaatsen. Membraan A laat uitsluitend positieve ionen door en membraan B uitsluitend negatieve ionen. Doordat de membranen A en B afwisselend zijn geplaatst, vindt in sommige compartimenten een verwijdering van ionen plaats en in andere compartimenten een toename van de concentratie van ionen. Er stromen dus twee vloeistoffen uit de opstelling: zoet water en zeer zout water.
Vraag 21 2 punten
Geef op de uitwerkbijlage aan welke van de getekende ionen zich door een membraan verplaatsen na het inschakelen van de spanningsbron. Geef ook telkens de richting van deze verplaatsing aan met een pijl.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- door membraan A bewegen uitsluitend positief geladen ionen en door membraan B bewegen uitsluitend negatief geladen ionen (1)
- de bewegende positief geladen ionen bewegen naar de negatieve pool en de bewegende negatief geladen ionen bewegen naar de positieve pool (1)
Vraag 22 1 punt
Geef aan welke vloeistofstroom bestaat uit zoet water en welke vloeistofstroom uit zeer zout water. Noteer je antwoord als volgt: vloeistofstroom 1: … vloeistofstroom 2: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer een juist antwoord op vraag 22 inconsequent is met het gegeven antwoord op vraag 21, voor dit antwoord op vraag 22 geen scorepunt toekennen.
- Wanneer een onjuist antwoord op vraag 22 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 21, dit antwoord op vraag 22 goed rekenen.
Aan de negatieve elektrode ontstaat waterstof volgens halfreactie 1. Als deze waterstof wordt opgeslagen, kan die gebruikt worden voor een brandstofcel die ‘s nachts de opstelling van energie voorziet. De waterstof wordt gevormd volgens onderstaande halfreactie:
2 H2 O + 2 e– → H2 + 2 OH– (halfreactie 1)
Langs beide elektroden wordt een elektrolyt-oplossing geleid. Hiervoor wordt een oplossing van natriumsulfaat (Na2 SO4 ) gebruikt.
Vraag 23 2 punten
Leg uit of de elektrolyt-oplossing aan de negatieve elektrode (na enige tijd) ververst moet worden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Aan de negatieve elektrode ontstaat OH– . Er is dus verversing van de elektrolyt-oplossing nodig (aangezien de oplossing anders steeds basischer wordt).
- In de elektrolyt-oplossing komen steeds meer Na+ -ionen, waardoor het nodig is om de elektrolyt-oplossing te verversen.
- Aan de negatieve elektrode verdwijnt H2 O / wordt H2O omgezet. Er is dus verversing nodig.
In de opstelling van figuur 1 wordt voorkómen dat chloride-ionen in de elektrolyt-oplossing aan de positieve elektrode komen. Dit voorkomt het optreden van een ongewenste halfreactie van Cl– aan deze elektrode. Volgens het GHS-systeem zou dan gevarenzin H330 van toepassing zijn.
Vraag 24 2 punten
Geef de vergelijking voor deze halfreactie en geef aan op welke stof H330 van toepassing is. Gebruik Binas-tabellen 48 en 97E of ScienceData-tabellen 9.1F en 38.3. Noteer je antwoord als volgt: vergelijking halfreactie: … H330 is van toepassing op de stof: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- vergelijking halfreactie: 2 Cl– → Cl2 + 2 e– (1)
- H330 is van toepassing op de stof: Cl2 / chloor(gas) (1)
In figuur 2 is de structuurformule weergegeven van een additiepolymeer waaruit een van de twee soorten membranen uit de opstelling is gemaakt. Dit additiepolymeer is gevormd uit twee soorten monomeren. Een van de monomeren is ook apart in figuur 2 weergegeven. Het andere monomeer zorgt voor crosslinks tussen de ketens van het polymeer.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 25 3 punten
Geef de structuurformule van het andere monomeer, dat zorgt voor crosslinks tussen de ketens van het polymeer.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien een van de volgende antwoorden is gegeven: (1)
Vraag 26 2 punten
Leg uit of het membraan dat is gemaakt van dit polymeer (dat is weergegeven in figuur 2) alleen positieve ionen of juist alleen negatieve ionen doorlaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Het polymeer bevat ketens met (vaste) SO3– -groepen en (losse) Na+ -ionen als tegenionen. (Losse) Na+ -ionen kunnen van SO3– -groep naar SO3– -groep worden doorgegeven (en worden vervangen door nieuwe Na+ -ionen). De structuurformule uit figuur 2 hoort dus bij een membraan dat positieve ionen kan doorlaten.
- Het polymeer bevat ketens met (vaste) negatief geladen groepen en (losse) positief geladen tegenionen. (Losse) negatief geladen ionen / Cl– -ionen worden door de negatief geladen groepen in de ketens afgestoten en kunnen het membraan dus niet passeren. De structuurformule uit figuur 2 hoort dus bij een membraan dat positieve ionen kan doorlaten.
Indien een antwoord is gegeven als: ‘Dit membraan laat positieve ionen door, want de aanwezige negatief geladen groepen trekken positieve ionen aan.’ (1) Indien een antwoord is gegeven als: ‘De negatief geladen groep bindt positieve ionen. De positieve ionen worden dus niet doorgelaten en de negatieve wel.’ (1)
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als: ‘Een negatief geladen membraan zal negatief geladen ionen afstoten en deze dus niet doorlaten. Dit membraan laat dus positieve ionen door’, dit goed rekenen.
Een belangrijk voordeel van elektrodialyse is het lage energieverbruik. Met 2,3 kWh aan energie kan 1,0 m3 zout grondwater worden gezuiverd. De benodigde energie kan bovendien met zonlicht worden opgewekt. Bij het destilleren van zout grondwater ligt het energieverbruik veel hoger, doordat veel energie nodig is om water te laten verdampen. Met behulp van onderstaande gegevens kan worden berekend dat met 2,3 kWh aan energie via destillatie veel minder dan 1,0 m3 zout grondwater gezuiverd kan worden. Gegevens:
- 1,0 kWh komt overeen met 3,6∙10 6 J.
- De verdampingsenergie van zout grondwater is 2,26∙10 6 J per kg.
- De dichtheid van zout grondwater is 1,02∙10 3 kg m–3.
Vraag 27 4 punten
Bereken met behulp van deze gegevens het volume zout grondwater in m 3 dat met 2,3 kWh aan energie gezuiverd kan worden via destillatie. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 2,3 × 3, 6 ⋅106 6 = 3 3, 6 ⋅10−3 (m3 ) 2, 26 ⋅10 × 1, 02 ⋅10
of
6 (6) 2,3 kWh komt overeen met 2,3 × 3,6 ⋅10 = 8, 28 ⋅10 (J) . De massa zout grondwater die met deze energie kan verdampen is 8, 28 ⋅106 = 3, 66 (kg) . 2, 26 ⋅106 3, 66 Er kan dus een volume van = 3, 6 ⋅10−3 (m3 ) worden gezuiverd via 1, 02 ⋅103 destillatie.
of
6 (6) 2,3 kWh komt overeen met 2,3 × 3,6 ⋅10 = 8, 28 ⋅10 (J) . De energie die nodig is voor de verdamping van 1,0 m3 zout grondwater is 2, 26 ⋅106 × 1, 02 ⋅103 = 2,31⋅109 (J) . Dus het volume zout grondwater dat met 2,3 kWh kan worden gezuiverd 8, 28 ⋅106 via destillatie is =9 3, 6 ⋅10−3 (m3 ). 2,31 ⋅10
Kringloop
Planten maken de zwavelbevattende aminozuren cysteïne en methionine uit sulfaationen. Deze ionen worden opgenomen uit de bodem. Door het eten van planten krijgen mensen deze aminozuren binnen. In het menselijk lichaam worden vrijwel alle zwavelbevattende stoffen gemaakt uit de aminozuren cysteïne of methionine. Zo wordt de stof diwaterstofsulfide, die helpt de bloeddruk te reguleren, gemaakt uit cysteïne. Deze omzetting is hieronder schematisch weergegeven.
cysteïne + H2 O → aminozuur X + H2 S
Vraag 28 1 punt
Geef de naam van aminozuur X. Gebruik Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer het antwoord ‘Ser’ of ‘S’ is gegeven, dit goed rekenen.
Het lichaam bewaart cysteïne door het om te zetten tot glutathion en dit vervolgens op te slaan. Glutathion is een verbinding van de aminozuren glutaminezuur, cysteïne en glycine. Glutathion kan worden weergegeven als:
Glu *-Cys-Gly
Hierbij is het aminozuur glutaminezuur weergegeven als Glu *, omdat dit aminozuur op een opmerkelijke manier aan cysteïne is gebonden. De carboxylgroep van de restgroep van glutaminezuur is gebonden aan de aminogroep van cysteïne. Cysteïne en glycine zijn wel op de gebruikelijke manier aan elkaar gebonden.
Vraag 29 4 punten
Geef de structuurformule van glutathion.
Bekijk het antwoord
Indien het volgende antwoord is gegeven: (3)
Indien het volgende antwoord is gegeven: (2)
Het overschot aan zwavelbevattende aminozuren wordt in het lichaam van mensen en dieren omgezet tot sulfaationen die via de urine worden uitgescheiden. Deze ionen kunnen via het grondwater door planten worden opgenomen, maar kunnen ook via het oppervlaktewater in zee belanden. In zee kunnen de sulfaationen worden omgezet tot organische verbindingen. Bij de afbraak van deze verbindingen ontstaan vluchtige zwavelbevattende stoffen, zoals carbonylsulfide. De molecuulformule van carbonylsulfide is COS.
Vraag 30 2 punten
Geef de structuurformule van COS.
Bekijk het antwoord
- een structuurformule gegeven die voldoet aan de formule COS en de covalenties van het koolstofatoom en van het zuurstofatoom juist (1)
- de covalentie van het zwavelatoom juist (1)
De vluchtige zwavelbevattende stoffen komen vrij uit de oceaan en worden in de atmosfeer omgezet tot zwaveldioxide. Vervolgens worden de zwaveldioxidemoleculen in een reactie met andere moleculen omgezet tot sulfaationen. De sulfaationen komen, met bijvoorbeeld regen, in de bodem terecht.
Vraag 31 2 punten
Leg uit aan de hand van de lading van de genoemde deeltjes of sulfaationen de enige deeltjes zijn die ontstaan bij deze omzetting van zwaveldioxide.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- (SO2-)moleculen hebben geen lading/lading 0. Sulfaat-ionen zijn wel geladen / hebben lading 2–. (De totale lading voor en na de reactie moet gelijk zijn) dus moet nog een ander reactieproduct ontstaan / dus moeten nog andere ionen (met een positieve lading) ontstaan. Sulfaationen zijn dus niet de enige deeltjes.
- SO2 + O2 → SO42– Sulfaationen zijn dus niet het enige reactieproduct (aangezien de ladingsbalans niet klopt).
- Behalve negatief geladen sulfaationen moeten er ook positief geladen deeltjes ontstaan, aangezien de ladingsbalans anders niet klopt. Sulfaationen zijn dus niet de enige deeltjes die ontstaan bij omzetting van zwaveldioxide.
Indien een antwoord is gegeven als: ‘Nee, want er ontbreken positief geladen ionen’. (1) Indien een antwoord is gegeven als: ‘Het aantal S- en O-atomen voor en na de pijl is gelijk, dus sulfaationen zijn het enige reactieproduct’. (0)
Het gedeelte van de kringloop dat in deze opgave wordt beschreven, is op de uitwerkbijlage vereenvoudigd en onvolledig weergegeven. De verschillende zwavelbevattende stoffen ontbreken en de richting van vier stofstromen is niet aangegeven.
Vraag 32 3 punten
Vul het schema op de uitwerkbijlage aan.
- Maak pijlen van alle lijnen, zodat die de juiste richting van de stofstromen aangeven.
- Noteer op elke stippellijn het nummer van de juiste stof, stofgroep of ionsoort. Houd er rekening mee dat er één nummer is dat vaker dan één keer moet worden gebruikt.
1 vluchtige zwavelbevattende stoffen
2 sulfaationen
3 zwavelbevattende aminozuren
4 zwaveldioxide
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer er behalve het juiste nummer ook een of meer onjuiste nummers zijn geplaatst op een stippellijn, het betreffende scorepunt voor dat juiste nummer niet toekennen.
Vraag 33 2 punten
Leg uit of de kringloop die in deze opgave is beschreven, een stofkringloop of een elementkringloop is. Geef ook aan op welke stof of element de kringloop betrekking heeft. Noteer je antwoord als volgt: Dit is een … kringloop van …, omdat …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Dit is een elementkringloop van zwavel, omdat zwavel in alle verschillende verbindingen voorkomt.
- Dit is een elementkringloop van (het element) S, omdat alle verschillende stoffen in deze kringloop dit element S bevatten.
- Dit is een elementkringloop van zwavel, omdat de zwavelverbindingen steeds veranderen (; het dus kan geen stofkringloop zijn).
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Scheikunde 2021, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-3/ha-1028-a-21-3-o
Andere examens scheikunde havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde havo 2021, tijdvak 3?
Het centraal examen scheikunde havo 2021, tijdvak 3 telt 33 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (7), rekenen aan reacties (6) en bindingen (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde havo 2021, tijdvak 3?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde havo 2021, tijdvak 3?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/havo/documenten/cse-3/ha-1028-a-21-3-c).
Hoe oefen ik met het examen scheikunde havo 2021, tijdvak 3 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.