Eindexamen scheikunde havo 2025, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Plaatstaal maken, Beitsvloeistof recyclen, Groene coatings, Plastic-etende bacterie, Waterstofbromide-flowbatterij, Disulfiram.

Kort antwoord

Het centraal examen scheikunde havo 2025, tijdvak 1 telt 33 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (9), redoxreacties (4) en reactievergelijkingen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen scheikunde havo 2025, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Koolstofchemie11-12, 15, 18-19, 24, 26, 31, 339
Redoxreacties3-4, 27-284
Reactievergelijkingen5, 13, 17, 324
Bindingen1, 16, 203
Reactiesnelheid6, 21-223
Rekenen aan reacties7, 14, 303
Scheidingsmethoden8-92
Duurzame chemie10, 252
Zuren en basen23, 292
Stoffen en eigenschappen21

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over koolstofchemie (27% van de vragen, gemiddeld 16%). Minder over rekenen aan reacties (9% van de vragen, gemiddeld 16%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Plaatstaal maken

Staal is een legering die voornamelijk uit ijzer bestaat. Plaatstaal is een toepassing van staal die onder andere in auto’s en treinen wordt gebruikt. Plaatstaal wordt gemaakt door middel van walsen. Hierbij worden langwerpige blokken staal verhit tot 1200 °C en vervolgens tussen verwarmde rollen geperst. Zo ontstaat een lange plaat. Door het staal meerdere malen achter elkaar te walsen, kan de gewenste plaatdikte worden verkregen. De lange plaat wordt vervolgens opgerold en afgekoeld. Zie figuur 1.

De reden dat staal eerst wordt verhit voordat het geperst wordt, is dat staal bij kamertemperatuur moeilijk vervormbaar is.

Vraag 1 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef de naam van het meest voorkomende bindingstype in staal.
  • Licht toe op microniveau dat staal door verhitten beter vervormbaar wordt.

Walsproces: blok staal wordt verhit tot 1200 °C, daarna geperst en opgerold tot plaatstaal. Bekijk in Opgaven, pagina 2

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

metaalbinding

Door de hoge temperatuur bewegen de ionen/atomen sneller / hebben de ionen/atomen meer bewegingsenergie (waardoor het staal makkelijker vervormd kan worden).

Opmerking: de volgende toelichting goed rekenen: Bij hoge temperatuur wordt de (metaal)binding / worden bindingen (in het metaalrooster) zwakker. (Daardoor kan het staal makkelijker vervormd worden.)

Tijdens het walsen reageert het hete staal met zuurstof uit de lucht. Hierbij ontstaat een dun laagje ijzeroxide (mengsel van $\mathrm{FeO}$ en $\mathrm{Fe_2O_3}$). Voor sommige toepassingen van plaatstaal moet dit laagje worden verwijderd. Dit gebeurt tijdens een proces dat beitsen wordt genoemd. Hierbij wordt een rol plaatstaal afgerold, door een bad met beitsvloeistof geleid en weer opgerold. Zie figuur 2. Beitsvloeistof is een oplossing van $\mathrm{HCl}$ in water.

Vraag 2 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Noteer het nummer of de omschrijving van een gevarenpictogram dat past bij beitsvloeistof. Maak gebruik van Binas-tabel 96A en B of ScienceData-tabel 38.1.
  • Licht je antwoord toe.

Beitsen: plaatstaal met laagje ijzeroxide gaat door een beitsbad en komt er gebeitst uit. Bekijk in Opgaven, pagina 3

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

Binas:

  • Het pictogram dat hoort bij de omschrijving: “corrosief; fysisch/gezondheid”. De beitsvloeistof bevat een (sterk) zuur (en is dus corrosief).
  • Het pictogram dat hoort bij de omschrijving: “schadelijk; gezondheid”. De beitsvloeistof bevat zoutzuur (en is dus schadelijk).
  • (Pictogram) 5, want de beitsvloeistof bevat (een hoge concentratie) $\mathrm{H^+}$(-ionen) / bevat zoutzuur.
  • (Pictogram) 7, want beitsvloeistof heeft een (zeer) lage pH.

ScienceData:

  • Het pictogram dat past bij een bijtende stof. De beitsvloeistof bevat zoutzuur (en zoutzuur is bijtend).
  • Het pictogram dat past bij “acute gezondheidseffecten”, want beitsvloeistof bevat (een hoge concentratie) $\mathrm{H^+}$(-ionen) / bevat zoutzuur / bevat een (sterk) zuur / heeft een (zeer) lage pH (en dat is schadelijk).

Opmerkingen

  • Als in plaats van het juiste nummer of de juiste omschrijving een tekening van het juiste pictogram is gegeven of een beschrijving van wat er in het pictogram te zien is, dit goed rekenen.
  • Als juist pictogram ook goed rekenen: pictogram 6 of 9 (Binas) / “acuut giftig” of “milieu-gevaarlijk” (ScienceData).

Vraag 3 1 punt

Geef een algemene scheikundige naam voor reacties van metalen met zuurstof.

Bekijk het antwoord

corrosie/corroderen/oxidatie/oxideren

Indien “roesten” is gegeven: 0

Opmerking: de volgende antwoorden goed rekenen:

  • redoxreactie
  • verbrandingsreactie

Tijdens het beitsen treden de volgende reacties op:

\mathrm{Fe_2O_3(s) + Fe(s) + 6\,H^+(aq) \longrightarrow 3\,Fe^{2+}(aq) + 3\,H_2O(l)} \qquad \text{(reactie 1)}

\mathrm{FeO(s) + 2\,H^+(aq) \longrightarrow Fe^{2+}(aq) + H_2O(l)} \qquad \text{(reactie 2)}

Reactie 1 is een redoxreactie.

Vraag 4 2 punten

Leid af, aan de hand van de ladingsverandering van de ijzerionen, of de ijzerionen in $\mathrm{Fe_2O_3}$ in reactie 1 als oxidator of als reductor reageren.

Noteer je antwoord als volgt:

  • lading van de ijzerionen in $\mathrm{Fe_2O_3}$: ...
  • lading van de ijzerionen na reactie 1: ...
  • IJzerionen in $\mathrm{Fe_2O_3}$ reageren dus als: ...
Bekijk het antwoord

lading van de ijzerionen in $\mathrm{Fe_2O_3}$: 3+

lading van de ijzerionen na reactie 1: 2+

IJzerionen in $\mathrm{Fe_2O_3}$ reageren dus als: oxidator.

Beitsvloeistof recyclen

Bij het maken van plaatstaal wordt beitsvloeistof gebruikt. Na gebruik bevat deze waterige vloeistof $\mathrm{Fe^{2+}}$-ionen, $\mathrm{H^+}$-ionen en $\mathrm{Cl^-}$-ionen. In deze opgave worden twee processen beschreven waarmee gebruikte beitsvloeistof wordt gerecycled: het proces van New Zealand Steel (proces A) en het proces van SMS Siemag (proces B). In beide processen wordt gebruikte beitsvloeistof omgezet tot onder andere $\mathrm{Fe^{3+}}$-ionen en $\mathrm{HCl}$-gas.

Proces A

Het bedrijf New Zealand Steel maakt gebruik van een vortexreactor. Zie figuur 1. Een vortexreactor is een reactor waarin een ronddraaiende stroom van gassen (een vortex) aanwezig is. De reactor wordt verwarmd met behulp van gasbranders. De gebruikte beitsvloeistof wordt via vernevelaars van boven in de reactor gebracht bij een temperatuur van minimaal 350 °C. Hierdoor verdampt het water waarin de ionen zijn opgelost en ontstaan vast $\mathrm{FeCl_2}$ en gasvormig $\mathrm{HCl}$. Het vaste $\mathrm{FeCl_2}$ reageert vervolgens in de vortexreactor tot $\mathrm{Fe_2O_3}$, wat aan de onderkant van de reactor wordt afgevoerd en opgeslagen. $\mathrm{HCl}$ en stoom verlaten de vortexreactor aan de bovenkant en worden opgevangen.

Vraag 5 3 punten

Geef het ontstaan van vast $\mathrm{FeCl_2}$ en van gasvormig $\mathrm{HCl}$ uit de beitsvloeistof weer in één reactievergelijking. Gebruik toestandsaanduidingen.

Vortexreactor van proces A (New Zealand Steel): vernevelaars boven, een vortex, gasbranders, afvoer van HCl en stoom boven en van Fe2O3 onder. Bekijk in Opgaven, pagina 4

Bekijk het antwoord

\mathrm{Fe^{2+}(aq) + 3\,Cl^-(aq) + H^+(aq) \longrightarrow FeCl_2(s) + HCl(g)}

Opmerking: de volgende antwoorden goed rekenen:

  • $\mathrm{Fe^{2+}(aq) + 2\,Cl^-(aq) \longrightarrow FeCl_2(s)}$ en $\mathrm{Cl^-(aq) + H^+(aq) \longrightarrow HCl(g)}$
  • $\mathrm{Fe^{2+}(aq) + 3\,Cl^-(aq) + H^+(aq) + H_2O(l) \longrightarrow FeCl_2(s) + HCl(g) + H_2O(g)}$

De omzetting van $\mathrm{FeCl_2}$ tot $\mathrm{Fe_2O_3}$ verloopt volgens reactie 1.

\mathrm{4\,FeCl_2(s) + 4\,H_2O(g) + O_2(g) \longrightarrow 2\,Fe_2O_3(s) + 8\,HCl(g)} \qquad \text{(reactie 1)}

Reactie 1 verloopt zeer snel onder de omstandigheden in de reactor.

Vraag 6 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Noem één omstandigheid in de reactor die bijdraagt aan een hoge reactiesnelheid.
  • Licht je antwoord toe met behulp van het botsende-deeltjesmodel.
Bekijk het antwoord

Voorbeelden van juiste omstandigheden met toelichting zijn:

  • De temperatuur is hoog (350 °C). Hierdoor bewegen de deeltjes snel. / Hierdoor hebben de deeltjes een hoge bewegingsenergie. Daardoor botsen de deeltjes vaak (effectief) / botsen ze veel (effectief per tijdseenheid) / botsen ze hard/effectief. (Hierdoor is de reactiesnelheid hoog.)
  • De vloeistof wordt verneveld (tot kleine druppels). / Er is een vortex aanwezig (waardoor intensieve menging plaatsvindt). Hierdoor is het reactie-oppervlak groot. / Hierdoor is de verdelingsgraad groot. Dit leidt tot veel (effectieve) botsingen (per tijdseenheid en een hoge reactiesnelheid).

Indien bij een juiste omstandigheid slechts een juist verband is gegeven tussen de omstandigheid en het aantal botsingen of tussen de reactiesnelheid en het aantal botsingen: 2.

Indien een antwoord is gegeven als: Door de vortex vindt intensieve menging plaats. Hierdoor bewegen de deeltjes sneller en botsen de deeltjes vaker/harder/effectiever (waardoor de reactiesnelheid hoog is): 2.

Reactie 1 is exotherm.

Vraag 7 3 punten

Bereken de reactiewarmte van reactie 1 per mol gevormd $\mathrm{HCl}$.

Gebruik Binas-tabel 57 of ScienceData-tabel 9.2.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

\left(\tfrac{4}{8}\times 3{,}42 + \tfrac{4}{8}\times 2{,}42 - \tfrac{2}{8}\times 8{,}24 - \tfrac{8}{8}\times 0{,}923\right)\cdot 10^5 = -6\cdot 10^3\ \mathrm{(J\,mol^{-1}\,HCl)}

of

-E_{begin} + E_{eind} = -\left[\tfrac{4}{8}\times(-3{,}42\cdot 10^5) + \tfrac{4}{8}\times(-2{,}42\cdot 10^5)\right] + \left[\tfrac{2}{8}\times(-8{,}24\cdot 10^5) + \tfrac{8}{8}\times(-0{,}923\cdot 10^5)\right] = -0{,}06\cdot 10^5\ \mathrm{(J\,mol^{-1}\,HCl)}

of

-E_{begin} + E_{eind} = -\left[4\times(-3{,}42\cdot 10^5) + 4\times(-2{,}42\cdot 10^5)\right] + \left[2\times(-8{,}24\cdot 10^5) + 8\times(-0{,}923\cdot 10^5)\right] = -0{,}504\cdot 10^5\ \mathrm{(J\ per\ 8\ mol\ HCl)}

\frac{-0{,}504\cdot 10^5}{8} = -0{,}06\cdot 10^5\ \mathrm{(J\,mol^{-1}\,HCl)}

Opmerking: de volgende berekening goed rekenen:

\tfrac{4}{8}\times 3{,}42 + \tfrac{4}{8}\times 2{,}42 - \tfrac{2}{8}\times 8{,}24 - \tfrac{8}{8}\times 0{,}923 = -6\cdot 10^3\ \mathrm{(J\,mol^{-1}\,HCl)}

Proces B

Het proces van SMS Siemag vindt plaats in drie stappen en is op de uitwerkbijlage onvolledig en schematisch weergegeven:

Stap 1: De gebruikte beitsvloeistof wordt verwarmd tot 70 °C in een pre-concentrator. Hierdoor verdampt een deel van het water en een deel van het opgeloste $\mathrm{HCl}$. Deze gassen worden naar een opvangvat geleid. Een geconcentreerde oplossing van $\mathrm{Fe^{2+}}$-ionen, $\mathrm{H^+}$-ionen en $\mathrm{Cl^-}$-ionen stroomt naar reactor 1 (R1).

Stap 2: In R1 reageren alle $\mathrm{Fe^{2+}}$-ionen met zuurstof volgens reactie 2, bij een temperatuur van 150 °C en een druk van 7 bar.

\mathrm{12\,Fe^{2+}(aq) + 3\,O_2(g) \longrightarrow 8\,Fe^{3+}(aq) + 2\,Fe_2O_3(s)} \qquad \text{(reactie 2)}

Stap 3: De ontstane suspensie wordt in reactor 2 (R2) geleid bij een temperatuur van 170 °C. Hier verdampt nog meer water. Ook treedt reactie 3 op:

\mathrm{2\,Fe^{3+}(aq) + 6\,Cl^-(aq) + 3\,H_2O \longrightarrow 6\,HCl(g) + Fe_2O_3(s)} \qquad \text{(reactie 3)}

Vast $\mathrm{Fe_2O_3}$ wordt onder in R2 afgevoerd en opgeslagen. Alle overige $\mathrm{H^+}$-ionen en $\mathrm{Cl^-}$-ionen verlaten R2 als $\mathrm{HCl}$-gas. Alle gasvormige stoffen worden naar het opvangvat geleid.

Vraag 8 1 punt

Noem een stofeigenschap op basis waarvan vast $\mathrm{Fe_2O_3}$ in R2 wordt gescheiden van het reactiemengsel.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

kookpunt

Opmerking: het volgende antwoord hier goed rekenen: dichtheid/oplosbaarheid.

Op de uitwerkbijlage is proces B in een onvolledig blokschema weergegeven.

Vraag 9 3 punten

Maak het blokschema op de uitwerkbijlage compleet.

  • Neem aan dat er na stap 2 geen zuurstof en geen $\mathrm{Fe^{2+}}$ meer overblijft.
  • Teken de pijlen van de ontbrekende stofstromen.
  • Noteer de nummers van de volgende stoffen en/of deeltjes bij de juiste pijlen:
  • 1 $\mathrm{HCl}$-gas
  • 2 $\mathrm{Fe_2O_3}$
  • 3 $\mathrm{Fe^{2+}}$-ionen
  • 4 $\mathrm{Fe^{3+}}$-ionen
  • 5 waterdamp
  • 6 oplossing met $\mathrm{H^+}$ en $\mathrm{Cl^-}$
  • 7 zuurstof

Sommige nummers moet je meer dan één keer gebruiken.

Onvolledig blokschema van proces B met pre-concentrator, R1, R2 en opvangvat, met pijlen en stippellijnen om in te vullen. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is het blokschema op de uitwerkbijlage met de juiste pijlen en nummers (figuur, zie het correctievoorschrift).

Opmerkingen

  • Als de instroom in het opvangvat als volgt is weergegeven, dit goed rekenen: (figuur in het correctievoorschrift).
  • Als behalve de juiste nummers ook nummer 5 is toegevoegd tussen de pre-concentrator en R1 en tussen R1 en R2, dit goed rekenen.
  • Als er nummers zijn gezet bij de ingaande stroom van gebruikte beitsvloeistof in de pre-concentrator, deze nummers niet beoordelen.
  • Als nummer 7 toch is toegevoegd tussen R1 en R2, maar daarbij is teruggeleid naar het opvangvat, dit niet aanrekenen.

Beide processen (A en B) zijn bedoeld om stoffen te hergebruiken. Op basis van de uitgangspunten van de groene chemie hebben beide processen voordelen en nadelen.

Vraag 10 2 punten

Geef op de uitwerkbijlage voor elk proces een mogelijk nadeel ten opzichte van het andere proces. Noteer hierbij telkens het nummer van het uitgangspunt waarop je het nadeel baseert. Maak gebruik van Binas-tabel 97A of ScienceData-tabel 38.6.

Tabel met de kolommen proces, nadeel en nummer uitgangspunt om in te vullen. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van juiste nadelen zijn:

procesnadeelnummer uitgangspunt
proces A (New Zealand Steel)De temperatuur (van de vortexreactor) is hoger (dan in het proces van SMS Siemag).6
proces B (SMS Siemag)Het proces (van SMS Siemag) vindt plaats in meer stappen (dan het proces van New Zealand Steel).8
proces B (SMS Siemag)Stap 2 vindt plaats onder hoge druk, (dat is bij het proces van New Zealand Steel niet het geval).6

Groene coatings

Om oppervlakken van metalen of kunststoffen te beschermen tegen invloeden van buitenaf, kunnen ze worden bedekt met een laagje van een polymeer. Dit laagje wordt een coating genoemd. Veel coatings bevatten polyacrylaten, zoals poly-ethylacrylaat. In figuur 1 is een fragment van een molecuul poly-ethylacrylaat weergegeven.

Poly-ethylacrylaat wordt gemaakt door poly-additie van het monomeer ethylacrylaat.

Vraag 11 2 punten

Geef de structuurformule van het monomeer ethylacrylaat.

Fragment van een molecuul poly-ethylacrylaat (figuur 1 bij de inleiding van de opgave). Bekijk in Opgaven, pagina 7

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

\mathrm{CH_2{=}CH{-}C(=O){-}O{-}C_2H_5}

Indien een van de volgende antwoorden is gegeven: 1 (een fragment van poly-ethylacrylaat met een enkele C-C-binding in de keten, ~CH–CH2~ met C=O, O en C2H5, of het molecuul $\mathrm{CH_3{-}CH_2{-}C(=O){-}O{-}C_2H_5}$).

Indien het volgende antwoord is gegeven: 0 (een polymeer van poly-ethylacrylaat met de herhalingseenheid tussen haakjes en index n).

Polyacrylaten worden gemaakt uit aardolie en zijn daardoor niet duurzaam. Nederlands onderzoek heeft geleid tot een nieuwe methode om monomeren voor coatings te maken. In deze nieuwe methode wordt uitgegaan van biomassa. Uit biomassa wordt de stof furfural gemaakt. Furfural kan in twee stappen worden omgezet tot een stof die als monomeer voor coatings kan worden gebruikt. In stap 1 reageert furfural dat is opgelost in methanol, met zuurstof tot hydroxybutenolide. In figuur 2 zijn de structuurformules van furfural en hydroxybutenolide weergegeven.

Vraag 12 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Beschrijf wat structuurisomeren zijn.
  • Leg vervolgens uit of furfural en hydroxybutenolide structuurisomeren van elkaar zijn.

Structuurformules van furfural en hydroxybutenolide (figuur 2). Bekijk in Opgaven, pagina 7

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • Structuurisomeren zijn stoffen met dezelfde molecuulformule maar met een andere structuurformule. Uit de gegeven structuurformules blijkt dat hydroxybutenolide een C-atoom minder heeft dan furfural. / een O-atoom meer heeft dan furfural. Dit zijn dus geen structuurisomeren.
  • Structuurisomeren zijn stoffen met dezelfde aantallen en soorten atomen in een molecuul, maar met een andere rangschikking. De structuren in figuur 2 zijn dus geen structuurisomeren, want het aantal C-atomen/O-atomen verschilt.
  • Structuurisomeren zijn verschillende stoffen met dezelfde molecuulformule. De molecuulformules van furfural en hydroxybutenolide zijn verschillend, dus het zijn geen structuurisomeren.

Opmerking: een antwoord als het volgende goed rekenen: Structuurisomeren hebben dezelfde molecuulformule, maar een andere structuurformule. De stoffen in figuur 2 zijn dus geen structuurisomeren.

In stap 2 wordt de temperatuur verhoogd. Hydroxybutenolide reageert dan met methanol tot methoxybutenolide, afgekort B2. Zie figuur 3.

Butenolides zoals B2 zijn monomeren voor polymerisatiereacties. In plaats van methanol kunnen ook andere alcoholen worden gebruikt voor stap 2. Hierbij ontstaan andere butenolides. Zo ontstaat het monomeer B4 uit de reactie van propaan-2-ol met hydroxybutenolide. Op de uitwerkbijlage is deze reactie onvolledig weergegeven.

Vraag 13 3 punten

Maak op de uitwerkbijlage de vergelijking van de reactie van propaan-2-ol met hydroxybutenolide compleet. Gebruik structuurformules.

Onvolledige reactievergelijking: propaan-2-ol plus hydroxybutenolide, stap 2, geeft B4 plus water. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 2

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is de reactievergelijking met structuurformules van propaan-2-ol, hydroxybutenolide, B4 en water (figuur in het correctievoorschrift, niet overgenomen).

B4 kan met een ander monomeer worden gepolymeriseerd tot een copolymeer dat geschikt is als coating. Het andere monomeer bepaalt de eigenschappen van het copolymeer. Een voorbeeld van zo’n ander monomeer is VeoVa-10. Zie figuur 4. Polymerisatie van B4 met VeoVa-10 levert een thermoplast op.

In een onderzoek werd de reactiesnelheid van B4 met VeoVa-10 bepaald. Na 8000 seconden bleek 96% van alle moleculen B4 en 96% van alle moleculen VeoVa-10 via een poly-additiereactie te zijn omgezet tot een copolymeer.

Vraag 14 4 punten

Bereken hoeveel gram copolymeer in 1,0 L oplossing is ontstaan na 8000 seconden. Maak onder andere gebruik van de volgende gegevens:

  • De beginconcentraties van B4 en van VeoVa-10 waren 2,15 M.
  • De molaire massa van B4 is 142 g mol⁻¹.

Structuurformule van VeoVa-10 (figuur 4). Bekijk in Opgaven, pagina 8

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juiste berekening is:

De molaire massa van VeoVa-10 is 198 (g mol⁻¹).

Na 8000 s heeft

\frac{2{,}15\times 96}{10^2} = 2{,}06\ \mathrm{(mol\,L^{-1})}

van beide monomeren gereageerd.

De massa van het gereageerde B4 per liter oplossing is $2{,}06\times 142 = 293$ (g).

De massa van het gereageerde VeoVa-10 per liter oplossing is $2{,}06\times 198 = 409$ (g).

De totale massa polymeer die per 1,0 liter oplossing is ontstaan, is $409 + 293 = 7{,}0\cdot 10^2$ (g).

of

De molaire massa van VeoVa-10 is 198 (g mol⁻¹).

Na 8000 s heeft

\frac{2{,}15\times 96}{10^2} = 2{,}06\ \mathrm{(mol\,L^{-1})}

van beide monomeren gereageerd.

De molaire massa van het copolymeer is 198 + 142 = 340 (g mol⁻¹).

De totale massa van het copolymeer die per 1,0 liter oplossing is ontstaan, is dus $2{,}06\times 340 = 7{,}0\cdot 10^2$ (g).

Deelscores bij de tweede berekening: molaire massa van VeoVa-10 (1); juiste verwerking van het omzettingspercentage (1); berekening van de molaire massa van het copolymeer (1); omrekening naar de totale massa van het copolymeer (1).

Indien het volgende antwoord is gegeven: 2

Na 8000 s heeft $\frac{2{,}15\times 96}{10^2} = 2{,}06$ (mol L⁻¹) gereageerd. De massa gereageerd B4 is $2{,}06\times 142 = 293$ (g L⁻¹). De totale massa polymeer die per 1,0 liter oplossing is ontstaan, is dus $2{,}9\cdot 10^2$ (g).

Coatings die ontstaan uit de poly-additie van B2 of B4 met VeoVa-10 zijn vervormbaar. Wanneer een lagere vervormbaarheid gewenst is, moet men butenolides met een ander monomeer dan VeoVa-10 polymeriseren. Een voorbeeld van een monomeer dat door poly-additie met B2 een coating met een lagere vervormbaarheid oplevert, is DVE. Zie figuur 5.

Vraag 15 3 punten

Verklaar aan de hand van de structuurformule van DVE of door poly-additie met B2 een thermoharder ontstaat.

Structuurformules van DVE en B2 (figuur 5). Bekijk in Opgaven, pagina 9

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • In de structuurformule van een molecuul DVE zijn twee C=C-groepen aanwezig. Als deze beide reageren (door een additiereactie met moleculen B2) kan één molecuul DVE in twee verschillende (groeiende) polymeerketens terechtkomen. Zo ontstaat er een netwerk(polymeer), wat kenmerkend is voor een thermoharder.
  • Een thermoharder bevat crosslinks. (Een molecuul) DVE bevat twee reactieve groepen en kan daardoor (via een poly-additiereactie met beide C=C-groepen) crosslinks tussen de polymeerketens vormen. Er ontstaat dus een thermoharder.

Een andere belangrijke eigenschap van een coating is een goede hechting aan het te beschermen oppervlak. De onderzoekers onderzochten bij verschillende copolymeren hoe goed ze hechtten aan oppervlakken van polyetheen. Voorbeelden van deze copolymeren zijn die van DVE met B2 en met B3. De structuurformules van B2 en B3 zijn in figuur 6 weergegeven.

Een copolymeer van DVE met B2 (copolymeer A) bleek slechter te hechten aan een oppervlak van polyetheen dan een copolymeer van DVE met B3 (copolymeer B).

Vraag 16 2 punten

Geef een mogelijke verklaring waarom copolymeer B beter hecht aan een oppervlak van polyetheen dan copolymeer A. Gebruik hierbij figuur 6.

Structuurformules van B2 en B3 met het hydrofiele gedeelte aangeduid (figuur 6). Bekijk in Opgaven, pagina 9

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • (Een molecuul) B3 heeft een langere zijketen/zijgroep van (hydrofobe/apolaire) koolstofatomen (dan een molecuul B2). Een (co)polymeer met B3 zal dus meer hydrofoob/apolair zijn en beter hechten aan het hydrofobe/apolaire oppervlak van polyetheen.
  • (Co)polymeerketens met B3 erin verwerkt, bevatten lange hydrofobe/apolaire zijketens/kool(water)stofketens. Hierdoor hechten ze beter aan het hydrofobe/apolaire polyetheen (dan copolymeerketens met B2 erin verwerkt).

of

  • Een (co)polymeerketen met B3 erin verwerkt, heeft een veel groter effectief raakoppervlak dankzij de lange zijketens/zijgroepen. Daardoor heeft dit (co)polymeer gemiddeld een sterkere vanderwaalsbinding met het oppervlak van polyetheen.

Opmerking: het volgende antwoord goed rekenen: (Co)polymeerketens met B2 erin verwerkt, zijn in verhouding hydrofieler dan (co)polymeerketens met B3 erin verwerkt. Hierdoor zullen de (co)polymeerketens met B2 gemakkelijker water uit de omgeving kunnen binden, waardoor de hechting met polyetheen verzwakt wordt.

Plastic-etende bacterie

Het polymeer polyethyleentereftalaat (PET), waarvan PET-flessen worden gemaakt, is slecht afbreekbaar en wordt vaak op vuilnisbelten gestort. Japanse onderzoekers hebben in 2016 in slib van een vuilnisbelt een soort bacterie aangetroffen die PET kan afbreken. Deze bacterie bleek het enzym PET-ase te produceren, dat de afbraak van PET mogelijk maakt. Dit enzym kan de oplossing zijn voor onze berg PET-afval die steeds groter wordt. In figuur 1 is de eerste stap van deze afbraakreactie weergegeven.

Vraag 17 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef de formule van stof A.
  • Geef de naam van het type afbraakreactie waarmee PET-ase de groep met cijfer 2 in figuur 1 verbreekt.

Eerste stap van de afbraakreactie van PET door PET-ase, met stof A en de groepen met cijfers 1, 2 en 3 (figuur 1). Bekijk in Opgaven, pagina 10

Bekijk het antwoord
  • $\mathrm{H_2O}$ of de structuurformule H–O–H
  • hydrolyse

Opmerking: als in plaats van de formule $\mathrm{H_2O}$ de naam ‘water’ is gegeven, dit goed rekenen.

Wanneer PET-ase aan een molecuul PET gebonden is, vindt de afbraakreactie plaats. PET-ase kan een molecuul PET doormidden ‘knippen’ bij de karakteristieke groep die in figuur 1 is aangeduid met de cijfers 1, 2 en 3.

Vraag 18 1 punt

Geef de naam van de karakteristieke groep die in figuur 1 is aangeduid met de cijfers 1, 2 en 3.

Bekijk het antwoord

ester(groep)

Om de structuur van het enzym PET-ase te achterhalen, gebruikten onderzoekers een tussenproduct van de afbraak van PET: de stof BHET. De structuurformule van BHET is in figuur 2 weergegeven.

Uit onderzoek blijkt dat drie aminozuur-eenheden van het enzym PET-ase een belangrijke rol spelen bij de afbraak van BHET door PET-ase. Dit zijn serine, histidine en asparaginezuur. De restgroepen van deze aminozuur-eenheden zijn door middel van waterstofbruggen met elkaar of met het molecuul BHET verbonden.

Op de uitwerkbijlage zijn deze aminozuur-eenheden, een molecuul BHET en hun onderlinge bindingen (deels vereenvoudigd en onvolledig) weergegeven. Van de aminozuur-eenheid Ser ontbreekt de restgroep. Er is één waterstofbrug weergegeven, tussen de OH-groep van Asp en een N-atoom van His. In dit geval gaat het N-atoom namelijk een waterstofbrug aan.

Vraag 19 3 punten

Maak de weergave op de uitwerkbijlage compleet.

  • Teken de ontbrekende restgroep van de serine-eenheid op de juiste plaats. Gebruik Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.
  • Teken door middel van een stippellijn (stippellijn) de volgende twee waterstofbruggen:
  • 1 een waterstofbrug tussen de serine-eenheid en BHET;
  • 2 een waterstofbrug tussen de histidine-eenheid en BHET.

Onvolledige weergave van de aminozuur-eenheden Ser, His en Asp, een molecuul BHET en hun waterstofbruggen. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 2

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is de weergave op de uitwerkbijlage met de restgroep van serine en twee stippellijnen (waterstofbruggen) tussen Ser en BHET en tussen His en BHET (figuur in het correctievoorschrift, niet overgenomen).

Opmerkingen

  • Als er behalve twee juiste waterstofbruggen ook onjuiste waterstofbruggen zijn gegeven tussen Ser en BHET en/of tussen His en BHET, de betreffende deelscore niet toekennen.
  • Een juiste waterstofbrug met de O-atomen in de estergroep van het molecuul BHET goed rekenen.
  • Een antwoord als het volgende goed rekenen: (figuur in het correctievoorschrift).

Bij de binding van een molecuul BHET aan PET-ase zijn ook de aminozuur-eenheden Met, Trp, Ala en Ile van belang. Hierbij zijn de hydrofobe restgroepen van deze aminozuur-eenheden betrokken.

Vraag 20 1 punt

Geef de naam van het type binding tussen deze aminozuren en BHET.

Bekijk het antwoord

vanderwaalsbinding / molecuulbinding

Om het pH-optimum van PET-ase te onderzoeken, mengden de onderzoekers PET-folie en PET-ase met telkens een andere oplossing met een pH-waarde tussen 6,00 en 10,00. Bij elk experiment werd na 18 uur de concentratie van vrijgekomen afbraakproducten gemeten.

Figuur 3 toont de resultaten van dit onderzoek.

Vraag 21 2 punten

Bij welke pH ligt het pH-optimum van PET-ase? Licht je antwoord toe. Gebruik figuur 3.

Grafiek van de concentratie vrijgekomen afbraakproducten (mM) tegen de pH van 6 tot 10, met het hoogste punt bij pH 9 (figuur 3). Bekijk in Opgaven, pagina 12

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

De concentratie vrijgekomen afbraakproducten is het hoogst bij pH 9(,00).

Dus het pH-optimum is 9(,00).

Indien een antwoord als het volgende is gegeven: Bij pH 9(,00), want daar zit de top.: 1

Opmerking: een antwoord als het volgende goed rekenen: Bij het optimum is de concentratie afbraakproducten het hoogst. Dit is ergens tussen pH = 8,5 en pH = 9,5, aangezien je niet voldoende metingen hebt om de precieze ligging van het optimum te bepalen.

Vraag 22 3 punten

Bereken met behulp van figuur 3 de gemiddelde reactiesnelheid in mol afbraakproducten per liter per seconde bij een pH van 10,00. Lees af op 2 decimalen en geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.

Grafiek van de concentratie vrijgekomen afbraakproducten tegen de pH (figuur 3). Bekijk in Opgaven, pagina 12

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juiste berekening is:

Bij pH = 10,00 is de concentratie 1,17 mM. Dat is 1,17·10⁻³ M.

18 uur = 18 × 60 × 60 = 6,48·10⁴ (s)

Dus de reactiesnelheid bij pH = 10,00 is:

\frac{1{,}17\cdot 10^{-3}}{6{,}48\cdot 10^{4}} = 1{,}8\cdot 10^{-8}\ \mathrm{(mol\,L^{-1}\,s^{-1})}

Opmerking: als afgelezen is op minder dan 2 decimalen, dit slechts eenmaal aanrekenen.

Vraag 23 2 punten

Bereken de $\mathrm{[OH^-]}$ in mol L$^{-1}$ bij pH = 9,50 (T = 298K).

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juiste berekening is:

\mathrm{pOH} = 14{,}00 - 9{,}50 = 4{,}50

\mathrm{[OH^-]} = 10^{-4{,}50} = 3{,}2\cdot 10^{-5}\ \mathrm{(mol\,L^{-1})}

Indien het volgende antwoord is gegeven: 1

\mathrm{[OH^-]} = 10^{-9{,}50} = 3{,}2\cdot 10^{-10}\ \mathrm{(mol\,L^{-1})}

Het belangrijkste afbraakproduct van PET is de stof MHET. MHET wordt vervolgens door een ander enzym, MHET-ase, met water omgezet tot de stof TPA en nog één andere stof, stof X. TPA en stof X zijn grondstoffen voor nieuw PET. In figuur 4 zijn de structuurformules van MHET en TPA weergegeven.

Vraag 24 2 punten

Geef de structuurformule van stof X.

Structuurformules van MHET en TPA (figuur 4). Bekijk in Opgaven, pagina 13

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

\mathrm{HO{-}CH_2{-}CH_2{-}OH}

Momenteel wordt ingezameld PET nog vaak door extruderen verwerkt tot nieuwe voorwerpen. Maar bij meerdere keren achter elkaar extruderen ontstaat PET met veel kortere ketens. Als PET door enzymen zou kunnen worden afgebroken tot TPA en stof X (de grondstoffen van PET) heeft dit een aantal voordelen ten opzichte van extruderen.

Vraag 25 2 punten

Beschrijf met behulp van informatie in deze opgave twee voordelen van de afbraak van PET door enzymen ten opzichte van het recyclen van PET door extruderen.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van juiste voordelen zijn:

  • Je hebt de mogelijkheid om iets anders van de grondstoffen te maken (door afbraak van PET tot de grondstoffen). (Bij extruderen blijft het PET.)
  • Je hebt de mogelijkheid om dezelfde kwaliteit PET te maken (door afbraak van PET tot de grondstoffen). / Je kunt weer PET met langere ketens maken (door afbraak van PET tot de grondstoffen). (Bij extruderen gaat de kwaliteit met elke extrusiestap achteruit. / Extruderen kan niet oneindig vaak plaatsvinden.)
  • Bij gebruik van enzymen is er minder energie nodig. / Bij gebruik van enzymen is een lagere temperatuur nodig. (Bij extruderen is er een hoge druk / hoge temperatuur / is er meer energie nodig).
  • De afvalberg wordt kleiner door afbraak van PET tot de grondstoffen. (Bij extruderen behoud je PET, totdat het niet meer bruikbaar is en als afval overblijft.)

Per juist voordeel: 1.

Waterstofbromide-flowbatterij

Om duurzame energie betaalbaar op te slaan, hebben onderzoekers van de Technische Universiteit Eindhoven een batterij ontwikkeld die voldoende zonne-energie kan opslaan om een kantoor enkele weken van elektrische energie te voorzien. Deze batterij is een waterstofbromide-flowbatterij (HBFB) en heeft de grootte van een aantal zeecontainers.

Een HBFB bevat een oplossing van het zuur waterstofbromide (HBr) in water. Deze oplossing bevat de deeltjes $\mathrm{H^+(aq)}$ en $\mathrm{Br^-(aq)}$. De zure oplossing wordt door een pomp door de batterij gepompt. Een laagje polypropeen aan de binnenzijde van de pomp beschermt deze tegen de hoge zuurgraad.

Vraag 26 3 punten

Geef een stukje uit het midden van de structuurformule van polypropeen. In dit stukje moeten drie monomeereenheden zijn verwerkt.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is: een keten van zes C-atomen met enkelvoudige bindingen ertussen, met de methylgroepen aan de keten en de H-atomen juist weergegeven, en de uiteinden weergegeven met ~ (een structuurformule die voldoet aan de covalentieregels; zie het correctievoorschrift).

Indien het volgende antwoord is gegeven: 1

\sim\mathrm{CH_2{-}CH{-}CH_3{-}CH_2{-}CH{-}CH_3{-}CH_2{-}CH{-}CH_3}\sim

De HBFB bevat vijftig elektrochemische cellen die met elkaar zijn verbonden. Elke elektrochemische cel bestaat uit twee halfcellen: een HBr-halfcel en een H2-halfcel. Zie figuur 1. De HBr-halfcel bevat een poreuze elektrode van koolstof waar de zure HBr-oplossing doorheen wordt gepompt. De H2-halfcel bevat ook een poreuze elektrode van koolstof. De halfcellen worden van elkaar gescheiden door een membraan dat H⁺-ionen doorlaat.

Wanneer een HBFB voor de eerste keer wordt opgeladen, worden in de HBr-halfcel de Br⁻-ionen omgezet tot Br₃⁻-ionen. In de H2-halfcel worden H⁺-ionen die door het membraan zijn gegaan, omgezet tot waterstofgas.

Tijdens het opladen treden de volgende halfreacties op:

\mathrm{HBr{-}halfcel:}\quad 3\,\mathrm{Br^-(aq)} \longrightarrow \mathrm{Br_3^-(aq)} + 2\,\mathrm{e^-}

\mathrm{H_2{-}halfcel:}\quad 2\,\mathrm{H^+(aq)} + 2\,\mathrm{e^-} \longrightarrow \mathrm{H_2(g)}

Vraag 27 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef de vergelijking van de totale reactie voor het opladen van de HBFB.
  • Leg uit dat met behulp van deze totale vergelijking is af te leiden dat er H⁺-ionen van de oorspronkelijke HBr-oplossing overblijven.

Schematische weergave van één elektrochemische cel van de HBFB, met HBr-halfcel, H2-halfcel en H⁺-doorlatend membraan (figuur 1). Bekijk in Opgaven, pagina 14

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juiste vergelijking zijn:

\mathrm{3\,Br^- + 2\,H^+ \longrightarrow Br_3^- + H_2}

of

\mathrm{3\,Br^- \longrightarrow Br_3^- + 2\,e^-}

\mathrm{2\,H^+ + 2\,e^- \longrightarrow H_2}

\mathrm{3\,Br^- + 2\,H^+ \longrightarrow Br_3^- + H_2}

Voorbeelden van een juiste uitleg zijn:

  • Per drie omgezette Br⁻-ionen worden twee H⁺-ionen omgezet. Er blijft dus één H⁺-ion over per drie Br⁻-ionen.
  • De waterstofbromide-oplossing bevat evenveel H⁺-ionen als Br⁻-ionen. H⁺ blijft over omdat er meer Br⁻-ionen worden omgezet.
  • In de waterstofbromide-oplossing komen H⁺-ionen en Br⁻-ionen voor in de verhouding 1 : 1. Volgens de vergelijking van de totale reactie reageren H⁺-ionen en Br⁻-ionen in de verhouding 2 : 3. (Dus blijven H⁺-ionen uit de waterstofbromide-oplossing over.)
  • Er ontstaat Br₃⁻. Er ontstaan geen andere ionen, dus er moet per ontstaan Br₃⁻-ion ook nog 1 H⁺-ion overblijven.

Op de uitwerkbijlage is de elektrochemische cel nogmaals schematisch weergegeven.

Vraag 28 2 punten

Geef in de figuur op de uitwerkbijlage aan in welke richting de elektronen zich door de stroomdraad verplaatsen en in welke richting H⁺-ionen zich door het membraan verplaatsen tijdens het opladen. Doe dit door het tekenen van:

  • een pijl met het bijschrift e⁻ bij de stroomdraad;
  • een pijl met het bijschrift H⁺ door het membraan.

Schematische weergave van de elektrochemische cel met stroomdraad, koolstofelektroden en H⁺-doorlatend membraan, om de pijlen in te tekenen. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 3

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is de figuur op de uitwerkbijlage met een pijl met het bijschrift e⁻ bij de stroomdraad en een pijl met het bijschrift H⁺ door het membraan, met consequente richtingen (figuur in het correctievoorschrift, niet overgenomen).

Ook goed: H⁺ juist aangegeven en de richting van de elektronenstroom consistent met de richting van H⁺ (1 + 1 punt).

Figuur 2 geeft een vereenvoudigde weergave van de HBFB. In plaats van 50 elektrochemische cellen zijn er maar 5 getekend.

De HBr-halfcellen zijn aangesloten op een voorraadvat met HBr-oplossing. Hierin komt na het opladen ook Br₃⁻ terecht. Uit voorzorg is rond dit voorraadvat een opvangbak met calciumcarbonaat geplaatst. Wanneer de zure HBr-oplossing zou lekken, ontstaat een gevaarlijke situatie. Het calciumcarbonaat vermindert dit gevaar.

Vraag 29 2 punten

Geef de formule van calciumcarbonaat en leg uit dat calciumcarbonaat het gevaar vermindert bij een lekkage van HBr-oplossing.

Noteer je antwoord als volgt:

  • formule calciumcarbonaat: ...
  • uitleg: ...

Vereenvoudigde weergave van de HBFB: vijf cellen, voorraadvaten met HBr/Br₃⁻ en waterstof, een opvangbak met calciumcarbonaat en een pomp (figuur 2). Bekijk in Opgaven, pagina 16

Bekijk het antwoord

formule calciumcarbonaat: $\mathrm{CaCO_3}$

Voorbeelden van een juiste uitleg zijn:

  • Het carbonaat-ion / calciumcarbonaat is een base die reageert met de zure waterstofbromide-oplossing.
  • Calciumcarbonaat neutraliseert de zure waterstofbromide-oplossing.

De H2-halfcellen zijn aangesloten op 4 voorraadvaten met waterstof. Het volume van elk vat is 50 m³. De dichtheid van H₂ in een opgeladen HBFB is 0,732 kg m⁻³. Uiteindelijk wordt 89% van deze hoeveelheid H₂ omgezet tijdens stroomlevering. Hierbij komt 2,4·10⁵ J per mol H₂ vrij.

Vraag 30 4 punten

Bereken de maximale hoeveelheid elektrische energie in kWh die kan worden geleverd door de HBFB.

1,0 kWh = 3,6·10⁶ J.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

Het volume aan H₂ in de voorraadvaten is 4 × 50 = 2,00·10² (m³).

Dit komt overeen met 2,00·10² × 0,732 = 1,46·10² (kg).

De massa H₂ die wordt omgezet is

1{,}46\cdot 10^2 \times \frac{89}{10^2} = 1{,}30\cdot 10^2\ \mathrm{(kg)}

De chemische hoeveelheid waterstof is

\frac{1{,}30\cdot 10^2 \cdot 10^3}{2{,}02} = 6{,}45\cdot 10^4\ \mathrm{(mol\ waterstof)}

De vrijgekomen energie is

6{,}45\cdot 10^4 \times 2{,}4\cdot 10^5 = 1{,}55\cdot 10^{10}\ \mathrm{(J)}

Dat komt overeen met

\frac{1{,}55\cdot 10^{10}}{3{,}6\cdot 10^6} = 4{,}3\cdot 10^3\ \mathrm{(kWh)}

of

Het volume aan H₂ in de voorraadvaten is 4 × 50 = 2,00·10² (m³). Dit komt overeen met 2,00·10² × 0,732 = 1,46·10² (kg).

De massa H₂ die wordt omgezet is

1{,}46\cdot 10^2 \times \frac{89}{10^2} = 1{,}30\cdot 10^2\ \mathrm{(kg)}

Per mol waterstof komt vrij:

\frac{2{,}4\cdot 10^5}{3{,}6\cdot 10^6} = 6{,}67\cdot 10^{-2}\ \mathrm{(kWh)}

De maximale hoeveelheid elektrische energie is dus:

\frac{1{,}30\cdot 10^2 \times 6{,}67\cdot 10^{-2}}{2{,}02\cdot 10^{-3}} = 4{,}3\cdot 10^3\ \mathrm{(kWh)}

Disulfiram

Disulfiram ($\mathrm{C_{10}H_{20}N_2S_4}$) is een alcohol-ontwenningsmiddel. Wanneer bij gebruik slechts een kleine hoeveelheid van een alcoholhoudende drank wordt gedronken, veroorzaakt disulfiram al vervelende lichamelijke verschijnselen, zoals hoofdpijn en overgeven. Bij de afbraak van alcohol ontstaat ethanal. Disulfiram zorgt ervoor dat het enzym dat ethanal omzet tot azijnzuur, niet meer werkt.

Vraag 31 2 punten

Geef de structuurformule van azijnzuur.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

\mathrm{CH_3{-}C(=O){-}OH}

Indien een antwoord is gegeven als: CH₃COOH: 1

Een hoge concentratie ethanal in het bloed geeft de drinker het gevoel doodziek te zijn. De plek waar disulfiram met het enzym reageert, is in het onderstaande fragment:

~Cys–Cys~

Disulfiram verbindt de cysteïne-eenheden met elkaar door middel van een S–S-binding tussen de SH-groepen van de restgroepen. Deze reactie is in de figuur schematisch en onvolledig weergegeven.

Op het stippellijntje na de pijl ontbreekt één coëfficiënt en één soort deeltje.

Vraag 32 2 punten

Geef de coëfficiënt en de juiste formule van dit deeltje.

Schematische reactie van het enzym met disulfiram: fragment met S–S-binding, disulfiram (C10H20N2S4) en het ontstane deeltje met het onvolledige stippellijntje na de pijl. Bekijk in Opgaven, pagina 17

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is: 2 $\mathrm{H^+}$

Ook goed: ladingsbalans juist en elementbalans juist bij een juiste formule (ieder 1 punt).

Indien het volgende antwoord is gegeven: (1) H⁺: 1

Vraag 33 3 punten

Geef de structuurformule van het fragment ~Cys–Cys~ dat is ontstaan nadat het enzym met disulfiram heeft gereageerd. Gebruik de figuur en Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.

Fragment ~Cys–Cys~ met S–S-binding, zoals ontstaan na de reactie met disulfiram (figuur bij de opgave). Bekijk in Opgaven, pagina 17

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is de structuurformule van het fragment met een S–S-binding tussen de twee CH2-groepen van de cysteïne-restgroepen, twee peptidegroepen, en begin en einde van de peptideketen aangegeven met ~ (structuurformule in het correctievoorschrift, niet overgenomen).

Indien het volgende antwoord is gegeven: 2 (een fragment met H2N- aan het begin en -C(=O)-OH aan het einde, met de S–S-binding en de peptidegroepen; zie het correctievoorschrift).

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Scheikunde 2025, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens scheikunde havo

Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde havo 2025, tijdvak 1?

Het centraal examen scheikunde havo 2025, tijdvak 1 telt 33 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (9), redoxreacties (4) en reactievergelijkingen (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde havo 2025, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/havo/documenten/cse-1/ha-1028-a-25-1-c).

Hoe oefen ik met het examen scheikunde havo 2025, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.