Eindexamen scheikunde havo 2019, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Vitamine B6, Sterretjes, 19 daarmee op de markt voor groene chemische producten., Koele kauwgom, Honing, Beitsen en verzinken.
Het centraal examen scheikunde havo 2019, tijdvak 2 telt 37 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (6), rekenen aan reacties (6) en reactievergelijkingen (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 2, 11, 13-15, 17 | 6 |
| Rekenen aan reacties | 3, 6, 19-21, 34 | 6 |
| Reactievergelijkingen | 5, 12, 22-23, 29 | 5 |
| Zuren en basen | 25-28, 32 | 5 |
| Bindingen | 1, 18, 30 | 3 |
| Reactiesnelheid | 4, 7-8 | 3 |
| Duurzame chemie | 16, 35, 37 | 3 |
| Stoffen en eigenschappen | 10, 31 | 2 |
| Scheidingsmethoden | 33, 36 | 2 |
| Atoombouw | 9 | 1 |
| Redoxreacties | 24 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over zuren en basen (14% van de vragen, gemiddeld 6%). Minder over redoxreacties (3% van de vragen, gemiddeld 9%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde havo 2019, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde havo 2019, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde havo 2019, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Vitamine B6
Vitamine B6 speelt onder meer een rol bij de vorming van rode bloedcellen en een goede werking van het zenuwstelsel. De aanduiding ‘vitamine B6’ wordt gebruikt voor een aantal hydrofiele verbindingen die in het lichaam in elkaar kunnen worden omgezet. De namen van twee van deze verbindingen worden afgekort weergegeven met PL en PLP. De structuurformules van PL en PLP zijn hieronder weergegeven.
O H H H
C O H
H C H H O O H
H O C C H O C C P
C C C C O O O H
H H
C C C C
C N H C H
H N
H H H PL PLP De structuurformule van PL is nogmaals weergegeven op de uitwerkbijlage.
Vraag 1 2 punten
Geef op de uitwerkbijlage weer hoe twee watermoleculen aan een PL-molecuul kunnen binden door middel van waterstofbruggen. Teken de watermoleculen in structuurformules en geef de waterstofbruggen met stippellijntjes (….) weer.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien slechts één watermolecuul met een juiste structuurformule is weergegeven en één waterstofbrug tussen dit watermolecuul en het PL-molecuul juist is weergegeven (1)
Opmerkingen
- Wanneer er behalve één of meerdere juist weergegeven waterstofbruggen ook één of meerdere onjuiste waterstofbruggen zijn weergegeven, het tweede scorepunt niet toekennen.
- Wanneer een waterstofbrug van een watermolecuul naar de O van de aldehydegroep van het PL-molecuul is gegeven, dit beoordelen als een juiste waterstofbrug.
- De bindingshoek(en) van de gegeven watermoleculen niet beoordelen.
PL en PLP zijn betrokken bij een bepaalde omzetting die plaatsvindt door reactie van één van beide stoffen met ATP. Hierbij ontstaat de andere stof en ADP. De structuurformules van ATP en ADP staan hieronder.
NH2 N C OH OH C N HC HO P O P O CH2 O N C N CH O O HC H H CH
C C ADP OH OH
NH2 N C OH OH OH C N HC HO P O P O P O CH2 O N C N CH O O O HC H H CH
C C ATP OH OH
Vraag 2 2 punten
Leg uit aan de hand van de structuurformules of PLP bij deze omzetting de beginstof of het reactieproduct is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Bij de omzetting van ATP naar ADP komen een H atoom, een P atoom en drie O atomen vrij. Het verschil in structuurformule van PL en PLP is (+) HPO3. Dus PLP is het reactieproduct.
- De structuurformule van ADP heeft één H atoom, één P atoom en drie O atomen minder dan ATP. Bij de omzetting van PL naar PLP wordt een H vervangen door / verandert een H in H2PO3. Dus PLP is het reactieproduct.
- ATP heeft een P atoom meer dan ADP, PLP heeft een P atoom meer dan PL, dus moet PL zijn omgezet tot PLP. Dus PLP is het reactieproduct.
Indien een antwoord is gegeven als ‘PL + ATP → PLP + ADP, dus PLP is het reactieproduct’ (1)
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven dat neerkomt op ‘PL + ATP → PLP + ADP, want C8 H9NO3 + C10 H16N5O13P3 → C8 H10NO6 P + C10H15N5 O10P2 , dus PLP is het reactieproduct’, dit goed rekenen.
Het menselijk lichaam kan vitamine B6 niet zelf aanmaken. Daarom moet deze vitamine uit voedsel worden opgenomen. De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid (ADH) voor vitamine B6 is 1,5 mg.
Op internet zijn verschillende tabellen te vinden met gegevens over de hoeveelheid vitamines in voeding. Goede bronnen van vitamine B6 zijn bijvoorbeeld vlees, bananen en eieren. Het Voedingscentrum geeft aan dat 100 g banaan 0,291 mg vitamine B6 bevat. De website www.vitamine-info.nl vermeldt dat één banaan 28% van de ADH van vitamine B6 bevat.
Vraag 3 2 punten
Toon met behulp van een berekening aan dat deze gegevens over de hoeveelheid vitamine B6 in banaan nagenoeg met elkaar overeenkomen. Ga ervan uit dat een banaan gemiddeld 147 gram weegt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
28 100 1,5 × × 0, 29 (mg) (Dat is nagenoeg 0,291 mg.) =
102 147
of
28 Een banaan van 147 g bevat 1,5 × 0, 420 (mg) vitamine B6. = 102 0, 420
100 g banaan bevat dus 0, 29 (mg) vitamine B6. ×100 = 147 (Dat is nagenoeg 0,291 mg.)
- omrekening naar de massa vitamine B6 in mg per 100 g banaan (1p)
of
0, 291× 147 102 × 29% (Dat is nagenoeg 28%.) =
100 1,5
of
0, 291 × 147 Een banaan van 147 g bevat = 0, 428 (mg) vitamine B6. 100 0, 428 Dat is ×102 = 29% van de ADH. (Dat is nagenoeg 28%.) 1,5
- omrekening naar het percentage van de ADH van vitamine B6 (1p)
of
0, 291 × 147 Volgens het Voedingscentrum bevat een banaan = 0, 428 (mg) 100 vitamine B6. 28 Volgens www.vitamine-info.nl bevat een banaan 1,5 × 0, 42 (mg) = 102 vitamine B6 (en dat is nagenoeg gelijk).
Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.
Vitamine B6 fungeert als een soort ‘hulpdeeltje’ van het enzym glutaminezuurdecarboxylase (GAD). Wanneer vitamine B6 bindt aan GAD ontstaat een biokatalysator die de ‘decarboxylering’ van het aminozuur glutaminezuur katalyseert. Hierbij wordt uitsluitend glutaminezuur omgezet. Deze decarboxylering is een reactie waarbij één molecuul koolstofdioxide wordt afgesplitst. Er ontstaat dan een stof (gamma-aminoboterzuur) die een rol speelt in het zenuwstelsel.
Vraag 4 1 punt
Noem de eigenschap van deze biokatalysator die ervoor zorgt dat er geen andere stoffen dan glutaminezuur worden omgezet.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- specificiteit/selectiviteit (1)
Vraag 5 2 punten
Geef de reactievergelijking in molecuulformules voor de decarboxylering van glutaminezuur. Maak gebruik van Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien de vergelijking ‘C5 H9NO4 → C3 H9N + 2 CO2’ is gegeven (1) Indien in een overigens juist antwoord structuurformules zijn gebruikt in plaats van molecuulformules (1)
Sterretjes
Rond ‘Oud en Nieuw’ worden zogenoemde sterretjes aangestoken. Een sterretje is een soort vuurwerk dat langzaam opbrandt en daarbij wegspringende vonken geeft. Een sterretje bestaat uit een stukje ijzerdraad dat voor een deel is bedekt met een zogenoemde sas. De sas kan bestaan uit een zuurstofleverende stof (bariumnitraat), een bindmiddel (bijvoorbeeld dextrine), aluminiumpoeder en ijzervijlsel. Bij een aangestoken sterretje treedt tegelijkertijd een aantal reacties op, waarbij veel energie vrijkomt. De vergelijking van één van de reacties die optreedt wanneer een sterretje wordt aangestoken is hieronder weergegeven:
10 Al + 3 Ba(NO3)2 → 3 BaO + 3 N2 + 5 Al2O3
Hierdoor ontstaat gas waardoor gloeiende ijzerdeeltjes worden weggeschoten. De voor sterretjes kenmerkende vonken ontstaan door de snelle verbranding van deze wegvliegende ijzerdeeltjes met zuurstof uit de lucht.
Wanneer ijzer reageert met zuurstof treedt de volgende exotherme reactie op:
4 Fe + 3 O2 → 2 Fe2O3
Vraag 6 2 punten
Licht toe aan de hand van de reactiewarmte dat de reactie van ijzer met zuurstof exotherm is. Gebruik hierbij Binas-tabel 57A of ScienceData-tabel 9.2 en vermeld de waarde die je hebt gebruikt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: De vormingswarmte van Fe2 O3 is –8,24 ·105 (J mol–1). (En de vormingswarmtes van Fe en O2 zijn allebei 0 J mol–1 ). De reactiewarmte van deze reactie is dus negatief (dus de reactie is exotherm).
Indien in een overigens juist antwoord de factor 105 niet is vermeld (1)
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als:
2 × (−8, 24)
- 4 × (0p)
- 3 × (0) ‘Het energie-effect is −8, 24 ⋅105 (J mol−1 ) , en is = 2 dus negatief (dus de reactie is exotherm).’ dit goed rekenen.
Guus onderzoekt of een sterretje kan branden in een kleine ruimte. Daarom steekt hij een sterretje aan en stopt dat, met de aangestoken kant naar beneden, in een smalle open fles. Hij doet de volgende waarnemingen: a In de fles is slechts enkele seconden een vonkenregen te zien. Daarna niet meer. b Bij de halsopening komen af en toe vonken uit de fles. c Het sterretje brandt helemaal ‘op’: de sas is verdwenen.
Vraag 7 1 punt
Geef een mogelijke verklaring voor het verschijnsel dat de vonkenregen in de fles wel begint, maar snel uitdooft (waarneming a).
Bekijk het antwoord
- Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: De vonkenregen stopt snel omdat er in de fles (te) weinig / een beperkte hoeveelheid zuurstof (uit de lucht) aanwezig is (die dus snel opraakt ten opzichte van de hoeveelheid ijzerdeeltjes). (1)
Vraag 8 1 punt
Geef aan waardoor het mogelijk is dat het sterretje wel opbrandt (waarneming c).
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Bariumnitraat levert de zuurstof voor de verbranding. − Doordat er een zuurstofleverende stof aanwezig is (kan het sterretje opbranden). (1)
Het verbranden van ijzerdeeltjes veroorzaakt goudwitte vonken. Het ontstaan van de vonken heeft te maken met de bouw van de elektronenwolk van de aanwezige metaalatomen. Bij toevoer van energie kan een elektron overgaan naar een hogere energietoestand. Dit elektron zal echter snel teruggaan naar de oorspronkelijke energietoestand waarbij de overtollige energie vrijkomt. Een deel hiervan wordt uitgezonden in de vorm van licht.
Op de uitwerkbijlage is de kern van een ijzeratoom weergegeven met daaromheen een K-, L-, M- en N-schil. De K- en L-schil zijn volledig gevuld, de M-schil van een ijzeratoom bevat 14 elektronen en de N-schil 2 elektronen.
Vraag 9 4 punten
Geef op de uitwerkbijlage de bouw van een atoom Fe-56. Geef de plaats van de protonen, neutronen en elektronen aan door middel van de notaties p, n en e. Noteer hierbij ook steeds het aantal (protonen, neutronen of elektronen).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien in een overigens juist antwoord in de kern de juiste aantallen zijn gegeven, maar de letters p en n ontbreken of zijn verwisseld (3)
Opmerking Wanneer in een overigens juist antwoord de letters e ontbreken, dit niet aanrekenen.
Om vonken met een andere kleur te laten ontstaan kunnen metaalverbindingen aan de sas worden toegevoegd. Ook wordt dan een chloorverbinding toegevoegd, waardoor bij hoge temperaturen metaalchloriden ontstaan die voor de kleureffecten zorgen. Zo kan bijvoorbeeld strontiumcarbonaat worden gebruikt om rode vonken te laten ontstaan.
Vraag 10 2 punten
Geef, met behulp van Binas-tabel 65A of ScienceData-tabel 8.9, de formule van een ander carbonaat dat bij het branden van een sterretje voor rode vonken zorgt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien het antwoord ‘Li + ’ of ‘Ca2+ ’ is gegeven (1) Indien het antwoord ‘lithiumcarbonaat’ of ‘calciumcarbonaat’ is gegeven (1) Indien slechts het antwoord ‘Li’ of ‘lithium’ of ‘Ca’ of ‘calcium’ is gegeven (0)
19 daarmee op de markt voor groene chemische producten.
naar: Naar groene chemie en groene materialen
Een voorbeeld van een onverzadigd vetzuur (regel 2) is hieronder in een vereenvoudigde structuurformule weergegeven:
O
H O C C17H33
Vraag 11 2 punten
Leid af dat dit vetzuur onverzadigd is. Gebruik hierbij bovenstaande vereenvoudigde structuurformule.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- In de gegeven structuurformule is n=17. Voor een verzadigde C-keten geldt Cn H2n+1. De gegeven keten bevat echter slechts 33 H atomen in plaats van 35, dus er moet een C=C binding aanwezig zijn. (Dit betekent dat oliezuur onverzadigd is.)
- Een verzadigde C17-keten heeft 35 waterstofatomen. In het gegeven vetzuur bevat de C17-keten 33 waterstofatomen. Dit betekent dat er een/één dubbele binding in zit (waardoor dit vetzuur een onverzadigd vetzuur is).
- Een verzadigde C17-keten is (CH2 )17H en heeft dus 35 H-atomen. Er moet dus een C=C binding aanwezig zijn, want de gegeven structuur heeft twee waterstofatomen minder dan een verzadigde C17-keten (dus is dit vetzuur onverzadigd).
Het ‘splitsen’ (regels 1 en 2) kan gebeuren door het vet te laten reageren met water.
Vraag 12 3 punten
Geef, in structuurformules, de vergelijking weer van de reactie van een vet met water. Gebruik daarvoor een vet waarin twee eenheden palmitinezuur en één eenheid stearinezuur zijn veresterd met glycerol. Noteer het koolwaterstofgedeelte van palmitinezuur als C15H31 en dat van stearinezuur als C17H35.
Bekijk het antwoord
- juiste structuurformule van de glyceryltriëster en H2O voor de pijl (1)
- juiste structuurformules van glycerol, palmitinezuur en stearinezuur na de pijl (1)
- de elementbalans juist bij uitsluitend de juiste (structuur)formules voor en na de pijl (1)
Alkeenmetathese (regel 11) is een gekatalyseerde reactie die plaatsvindt tussen twee onverzadigde koolstofverbindingen. In deze reactie worden twee dubbele bindingen verbroken en twee nieuwe dubbele bindingen gevormd. Er is sprake van zelfmetathese wanneer als beginstof slechts één soort koolstofverbinding reageert. Het proces van zelfmetathese is in figuur 1 schematisch weergegeven. R1 en R2 stellen verschillende restgroepen voor.
[figuur 1: zie het originele examen]
H H
H H R1 C C R2 R1 C C R2 + + R1 C C R2 R1 C C R2 H H
H H
Bij de zelfmetathese van oliezuur (Binas-tabel 67G2 of ScienceData-tabel 13.2g) ontstaat octadec-9-eendizuur (zie figuur 2) en één andere stof (stof X). Ook uit andere vetzuren kan, door zelfmetathese, octadec-9-eendizuur ontstaan. In de uitwerkbijlage zijn de structuurformules van een aantal vetzuren weergegeven.
[figuur 2: zie het originele examen]
H O
C (CH2)7 C O H O
C (CH2)7 C O H H
Vraag 13 2 punten
Geef de structuurformule van stof X, die ontstaat bij de zelfmetathese van oliezuur.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- structuurformule met 18 koolstofatomen en een C=C binding (1)
- structuurformule met de C=C binding op de juiste plaats en de rest van de structuurformule juist (1)
Vraag 14 2 punten
Omcirkel op de uitwerkbijlage de dubbele C=C bindingen die worden verbroken wanneer uit de gegeven vetzuren, via zelfmetathese, octadec-9-eendizuur wordt gevormd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer een onjuist antwoord op vraag 14 het consequente en chemisch juiste gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 13, dit antwoord op vraag 14 goed rekenen.
- Wanneer behalve of in plaats van (een) juiste dubbele C=C binding(en) ook onjuiste dubbele C=C bindingen zijn omcirkeld, per onjuist omcirkelde dubbele C=C binding één scorepunt aftrekken.
Octadec-9-eendizuur is een hoogwaardig tussenproduct in de polymeerindustrie. Het kan bijvoorbeeld via polycondensatie reageren tot het copolymeer dat is weergegeven in figuur 3. Dit copolymeer speelt een belangrijke rol bij de productie van bijvoorbeeld polyurethanen, die onder meer worden gebruikt in autolakken.
[figuur 3: zie het originele examen]
O O
H O ( C (CH2)7 CH CH (CH2)7 C O (CH2)2 O (n H
Vraag 15 2 punten
Geef de structuurformule van de verbinding die met octadec-9-eendizuur bovenstaand copolymeer geeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn weergegeven:
of
In het tekstfragment wordt een aantal aspecten van het productieproces bij Croda genoemd die vergeleken kunnen worden met de uitgangspunten van de groene chemie.
Vraag 16 2 punten
Noem twee van dergelijke aspecten uit het tekstfragment met het corresponderende regelnummer, en vermeld het bijbehorende uitgangspunt van de groene chemie. Maak hierbij gebruik van Binas-tabel 97F of ScienceData-tabel 38.6. Noteer je antwoord als volgt:
- aspect 1 uit tekst : … regelnummer: … uitgangspunt groene chemie: …
- aspect 2 uit tekst : … regelnummer: … uitgangspunt groene chemie: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist aspect met het corresponderende regelnummer en daarbij behorend uitgangspunt zijn:
- aspect uit tekst: er worden vetzuren uit natuurlijke oliën gehaald. regelnummer: 9 uitgangspunt groene chemie: gebruik van hernieuwbare grondstoffen / nummer 7
- aspect uit tekst: de katalysator wordt teruggewonnen. regelnummer: 11/12 uitgangspunt groene chemie: preventie / nummer 1
- aspect uit tekst: er wordt gebruikgemaakt van een energiezuinig proces. regelnummer: 12 uitgangspunt groene chemie: energie-efficiënt ontwerpen / nummer 6
- aspect uit tekst: Croda ontwikkelde een uniek katalytisch proces. regelnummer: 5 uitgangspunt groene chemie: katalyse / nummer 9 of aspect uit tekst: met behulp van een katalysator regelnummer: 11 uitgangspunt groene chemie: katalyse / nummer 9
- aspect uit tekst: vetzuren uit reststromen regelnummer: 9 uitgangspunt groene chemie: preventie / nummer 1
Koele kauwgom
Even lekker een kauwgompje kauwen voor een frisse adem. Maar wat maakt kauwgom nou zo lekker fris? Esther onderzoekt de verfrissende werking van haar favoriete kauwgom ‘Xylifresh menthol ice’. Ze denkt dat menthol zorgt voor een frisse adem. Op de verpakking leest zij de volgende informatie:
SUGAR FREE GUM, GEZOET MET ZOETSTOFFEN. INGREDIENTEN: ZOETSTOFFEN (XYLITOL 63%, ASPARTAAM 0,1%), GOMBASIS, AROMA’S, DICALCIUMFOSFAAT 1,3%, STABILISATOR (GLYCEROL), KLEURSTOFFEN (E141, E171), GLANSMIDDEL, GROENE THEE EXTRACT 0,1%
Op internet ontdekt ze dat menthol een natuurlijke aromatische stof is, die inderdaad bijdraagt aan het verkoelende effect. Dit komt doordat in onze zintuigcellen een eiwit (TRPM8) aanwezig is dat reageert op verandering in temperatuur en waarschuwt voor kou. Merkwaardig genoeg kan niet alleen kou, maar ook menthol dit eiwit activeren. Een mentholmolecuul past namelijk precies in een holte van TRPM8. De hersenen verwerken dit als een signaal voor kou.
In figuur 1 is in structuurformules weergegeven hoe een mentholmolecuul (vet gedrukt) in de holte van TRPM8 past.
[figuur 1: zie het originele examen]
Vraag 17 2 punten
Geef, met behulp van Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c, de 3-lettersymbolen van de aminozuureenheden die aanwezig zijn in het hierboven weergegeven deel van TRPM8.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer in plaats van het 3-lettersymbool de juiste naam of het juiste 1-lettersymbool is gegeven, dit niet aanrekenen.
Vraag 18 2 punten
Licht toe aan de hand van figuur 1 en de begrippen hydrofoob en hydrofiel waarom menthol zich bij voorkeur niet in water, maar in de holte van TRPM8 bevindt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- De koolwaterstofdelen in zowel menthol als TRPM8 zijn hydrofoob en zullen goed mengen. Water is hydrofiel en daarmee mengen hydrofobe delen slecht(er).
- Menthol en TRPM8 zijn vanwege de koolwaterstofdelen grotendeels hydrofoob, en water is hydrofiel. Hydrofobe delen mengen onderling beter dan dat hydrofiele delen met hydrofobe delen mengen.
Opmerking Wanneer in een overigens juist antwoord ook de mogelijkheid om waterstofbruggen te vormen tussen menthol en TRMP8 is gegeven, dit goed rekenen.
Vervolgens ontdekt Esther dat het eigenlijk vooral het hoofdbestanddeel van de kauwgom, xylitol, is dat zorgt voor verkoeling. Deze zoetstof is goed oplosbaar in water (speeksel). Voor het oplossen van xylitol is energie nodig.
Vraag 19 1 punt
Verklaar waardoor het oplossen van xylitol in speeksel zorgt voor een verkoelend effect in de mond.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- (Het oplossen van xylitol kost energie / is endotherm.) De warmte/energie (die nodig is voor het oplossen) wordt onttrokken aan de mond/het speeksel (en zorgt daarmee voor afkoeling/verkoeling). (1)
Esther merkt dat het verkoelende effect maar enkele minuten duurt. Ze vraagt zich af of de xylitol zo snel uit de kauwgom weg is. Om dit te onderzoeken weegt ze een kauwgompje (1,45 gram), doet het in haar mond en kauwt goed. Om de zoveel tijd haalt ze het kauwgompje uit haar mond, droogt het af en weegt het opnieuw. Haar resultaten zijn weergegeven in figuur 2.
[figuur 2: zie het originele examen]
massa 1,6 kauwgom (g) 1,4
1,2
1,0
0,8
0,6
0,4
0
0 1 2 3 4 5 6 7 tijd (min)
Na vijf minuten is ruim 90% van de xylitol uit het kauwgompje verdwenen.
Vraag 20 2 punten
Laat dit door middel van een berekening zien.
- Maak gebruik van de massapercentages in de gegeven informatie op de verpakking.
- Neem aan dat xylitol de enige stof is die oplost in het speeksel.
- Lees figuur 2 af in twee decimalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
1, 45
- 0,59 × 102 (%) = 94(%) 1, 45 × 0, 63
of
1, 45
- 0,59 × 102 (%) is meer dan 90(%) afname. 1, 45 × 0, 63
of
Na 5 minuten is 1, 45
- 0,59 = 0,86 (g) xylitol opgelost. 63 Het kauwgompje bevat 1, 45 × 2 = 0,914 (g) xylitol. 10 0,86 De hoeveelheid xylitol is dus met × 102 (%) =94(%) / meer dan 90(%) 0,914 afgenomen.
Opmerking De significantie bij deze berekening niet beoordelen.
Vraag 21 3 punten
Bereken hoeveel °C de temperatuur van het speeksel met opgelost xylitol ('speekselmengsel'), na één minuut is gedaald. Maak gebruik van figuur 2 en neem aan dat:
- voor het oplossen 153 J per gram xylitol nodig is;
- xylitol gedurende de eerste minuut oplost tot 3 g speekselmengsel;
- bij het afkoelen van 1 g speekselmengsel 4,2 J per °C vrijkomt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
(1, 45
- 0, 86) × 153 = (−)7 (°C)
3 × (−)4, 2
of
Na 1 minuut is 1, 45
- 0,86 = 0,59 (g) xylitol opgelost. De oplosenergie hiervoor is 0,59 × 153 = 90 (J) . 90 De temperatuurdaling is dus = 7 (°C) .
3 × 4, 2
Opmerkingen
- De significantie bij deze berekening niet beoordelen.
- Wanneer zowel bij vraag 20 als vraag 21 een fout is gemaakt in de nauwkeurigheid van de afgelezen massa, deze fout bij vraag 21 niet aanrekenen.
Honing
Honing wordt door bijen gemaakt uit nectar, een suikerrijke vloeistof uit bloemen. Nectar bevat behalve water onder andere sacharose, glucose en fructose. Bijen zetten deze nectar met behulp van enzymen om tot honing, waarbij het massapercentage suikers (koolhydraten) toeneemt. Daarbij wordt de sacharose grotendeels omgezet tot glucose en fructose. Deze reactie is een hydrolyse.
Vraag 22 2 punten
Leg uit dat door de hydrolyse van sacharose het massapercentage suikers toeneemt.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Bij de hydrolyse (van sacharose) wordt water omgezet, daardoor neemt het gehalte water af (en het massapercentage suikers dus toe).
- Bij de hydrolyse (van sacharosemoleculen) worden de H atomen en de O atomen van de watermoleculen “ingebouwd” / gebruikt voor de vorming van glucosemoleculen en fructosemoleculen. De massa van de (oorspronkelijke) watermoleculen komt dus terecht in de moleculen van suikers (waardoor het massapercentage suikers toeneemt).
- Sacharose weegt 342 g per mol en glucose en fructose wegen elk 180 g per mol, dus de totale massa suikers neemt toe (met 18 gram per mol sacharose) wanneer sacharose wordt gehydrolyseerd. (Het massapercentage suikers neemt daardoor toe.)
- Bij de hydrolyse ontstaan per molecuul sacharose steeds twee moleculen suiker: glucose en fructose. De massa van een molecuul glucose en een molecuul fructose samen is groter dan die van een molecuul sacharose (dus het massapercentage neemt toe).
Voorbeelden van een onjuist antwoord zijn:
- Uit 1 mol suiker ontstaat 2 mol suiker.
- Er ontstaan 2 suikers uit 1 suiker.
Indien een antwoord is gegeven als ‘De totale massa van de suikers na hydrolyse van sacharose is groter dan voor hydrolyse (dus het massapercentage neemt bij de hydrolyse toe).’ (1)
Honing heeft een antibacteriële werking. Wanneer op de huid rond een wondje een beetje honing wordt gesmeerd, remt dit de bacteriegroei rond de wond. Door de hoge concentratie suikers drogen de bacteriën uit. Een andere oorzaak van deze ontsmettende werking kan worden verklaard met de aanwezigheid van het enzym glucose-oxidase in honing. In matig verdunde en enigszins zure honing wordt dit enzym actief. Glucose-oxidase zet glucose met behulp van zuurstof en water om tot gluconzuur (C6H12O7) en waterstofperoxide. Hierbij is zuurstof de oxidator. Het gevormde waterstofperoxide remt de groei van bacteriën.
Vraag 23 2 punten
Geef de totale vergelijking van de reactie waarbij glucose met behulp van zuurstof en water wordt omgezet tot gluconzuur en waterstofperoxide.
Bekijk het antwoord
Indien een vergelijking is gegeven met uitsluitend de juiste formules voor en na de pijl maar waarin de elementbalans onjuist is (1)
Vraag 24 2 punten
Geef de vergelijking van de halfreactie van de oxidator. Maak gebruik van Binas-tabel 48 of ScienceData-tabel 9.1f.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien een van de volgende vergelijkingen is gegeven: (1) O 2 + 4 H+ + 4 e– → 2 H2 O O2 + 2 H2 O + 4 e– → 4 OH–
De bovenstaande oorzaken zijn echter onvoldoende om de ontsmettende werking van honing volledig te verklaren. Bij een onderzoek werd in een bepaald soort honing het eiwit ‘defensine 1’ ontdekt. Bijen gebruiken defensine 1 in hun afweersysteem. Defensine 1 is in de lichtzure honing (pH = 4) positief geladen. De zijgroepen van bepaalde aminozuren in het eiwit hebben dan een positieve lading. Deze positieve lading is noodzakelijk voor de antibacteriële werking van het eiwit. Schematisch kan het ontstaan van de positieve lading als volgt worden weergegeven:
+ + Def1 NH2 + H Def1 NH3
Hieronder is de aminozuurvolgorde in een fragment van dit eiwit weergegeven:
Leu Leu Ser Phe Lys Gly
Vraag 25 2 punten
Geef het 3-lettersymbool van het aminozuur in bovenstaand fragment dat deze positieve lading zou kunnen krijgen.
- Gebruik Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.
- Licht je antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Lys, want dit aminozuur heeft een vrije NH2-groep / de zijtak van dit aminozuur heeft een NH2-groep (die bij lage pH H+ opneemt / NH3+ wordt).
Opmerkingen
- Wanneer in plaats van het 3-lettersymbool de juiste naam is gegeven, dit niet aanrekenen.
- Wanneer een antwoord is gegeven als ‘Lysine/Lys, want dit is (volgens Binas-tabel 67H1 / ScienceData-tabel 13.7c) een basisch aminozuur.’, dit goed rekenen.
Vraag 26 2 punten
Leg uit waardoor er minder positieve lading aanwezig is in basisch milieu (pH groter dan 7).
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- In basisch milieu is er weinig H+ zodat er geen Def1-NH3+ gevormd kan worden / alle Def1 als Def1-NH2 aanwezig is.
- Bij een pH hoger dan 7 zal de aanwezige OH– reageren met Def1-NH3+ tot (het ongeladen) Def1-NH2.
- Bij hoge(re) pH is er veel/meer OH– en daardoor zal alle Def1 in de vorm Def1-NH2 aanwezig zijn.
Honing zal na verloop van tijd kristalliseren. Door de honing voorzichtig te verwarmen kan de honing weer kristalvrij worden gemaakt. Wanneer de honing echter enige tijd boven 40 °C is verwarmd, blijkt een groot deel van de antibacteriële activiteit, ook na afkoelen, verloren te zijn gegaan.
Vraag 27 2 punten
Geef aan de hand van de informatie uit deze opgave twee mogelijke verklaringen voor deze afname van de antibacteriële activiteit.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer een verklaring is gegeven als ‘De pH verandert bij verhitten (doordat water verdampt) en dat heeft invloed op de werking van defensine’, dit beoordelen als een juiste verklaring.
Beitsen en verzinken
IJzeren voorwerpen kunnen tegen corrosie worden beschermd door ze te ‘verzinken’. Deze voorwerpen worden eerst enige tijd in een bad met ‘beitszuur’ gehangen om reeds aanwezig roest (Fe2O3.3H2O) te verwijderen. Beitszuur is zoutzuur dat ongeveer 50 gram opgelost HCl per liter bevat. Daarbij treedt een reactie op die hieronder onvolledig is weergegeven:
Fe2O3.3H2O + … H+ → … Fe3+ + … H2O
Vraag 28 2 punten
Bereken de pH van beitszuur dat 50 gram (opgelost) HCl per liter bevat.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 50
- log =−0,14. 36,5
of
50 De concentratie H+ is = 1,37 (mol L−1 ) . 36,5
Indien het antwoord ‘pH =
- log 50 = –1,70’ is gegeven (1p)
Vraag 29 1 punt
Neem de onvolledige reactievergelijking over, en maak deze kloppend door de drie ontbrekende coëfficiënten in te vullen.
Bekijk het antwoord
- Fe2 O3.3H2 O + 6 H+ → 2 Fe3+ + 6 H2 O (1)
Na het beitsen worden de ijzeren voorwerpen in een bad met vloeibaar zink gedompeld. Hierdoor wordt een laagje ijzer-zinklegering gevormd op het voorwerp.
Vraag 30 2 punten
Beschrijf op microniveau de roosteropbouw van een ijzer-zinklegering. Verwerk in je antwoord het type binding tussen de deeltjes.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- De zinkatomen (afkomstig uit het vloeibare zink) en de ijzeratomen (afkomstig uit het ijzeren voorwerp) zijn door elkaar (in een metaalrooster) aanwezig, en zijn door metaalbindingen aan elkaar gebonden.
- De zinkionen (afkomstig uit het vloeibare zink) en de ijzerionen (afkomstig uit het ijzeren voorwerp) zijn door elkaar aanwezig in een ‘zee’ van (vrije gedelokaliseerde) elektronen.
Indien in een overigens juist antwoord ‘zinkmoleculen’ of ‘zink’ is gebruikt in plaats van ‘zinkatomen/zinkionen’ en/of ‘ijzermoleculen’ of ‘ijzer’ in plaats van ‘ijzeratomen/ijzerionen’ (1)
Op een website over thermisch verzinken wordt vermeld dat de temperatuur van het zink in het bad ongeveer 400 °C moet zijn. Piet merkt op dat dat niet juist kan zijn en zegt: “een temperatuur van 400 °C is niet hoog genoeg.”
Vraag 31 2 punten
Geef aan of Piet gelijk heeft. Motiveer je antwoord met een gegeven uit Binas of ScienceData.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- De temperatuur moet minstens gelijk zijn aan het smeltpunt (van zink): minimaal 693 K = 420 °C (dus Piet heeft gelijk: 400 °C is niet hoog genoeg).
- De temperatuur moet hoger zijn dan het smeltpunt (van zink). En
400 °C is 673 K, deze temperatuur is lager dan 693 K (dus Piet heeft gelijk: 400 °C is niet hoog genoeg).
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als ‘Voor het vormen van een legering moet er voldoende beweging van de metaaldeeltjes mogelijk zijn waardoor de zinkdeeltjes tussen de ijzerdeeltjes kunnen bewegen; dus moet ook het ijzer (een beetje) smelten. IJzer heeft een smeltpunt van 1811 K, dit is
1538 °C, dus 400 °C is niet hoog genoeg.’, dit goed rekenen.
De voorwerpen worden met behulp van gereedschappen uit het beitsbad gehaald en in het zinkbad gedompeld. Het beitsbad raakt daardoor 2– verontreinigd. Hierbij ontstaan ZnCl4 ionen. Wanneer deze ionen niet verwijderd worden, moet het verontreinigde zuur uit het beitsbad worden afgevoerd als chemisch afval. Daarom wordt het verontreinigde afvalzuur 2– door een zogenoemde selectieve ionenwisselaar geleid. De ZnCl4 ionen 2– worden in de ionenwisselaar gebonden. Voor elk ZnCl4 ion dat wordt gebonden, komen twee OH– ionen vrij.
Vraag 32 2 punten
Leg uit of de pH van het afvalzuur als gevolg van de ionenwisseling hoger of lager wordt.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
De (vrijgekomen) OH–-ionen reageren met de H+ -ionen van het zuur. Daardoor (wordt [H+] kleiner en) wordt de pH hoger.
Indien een antwoord als ‘De oplossing wordt minder zuur, dus de pH wordt hoger.’ is gegeven (1)
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als ‘OH– is een base, dus de pH stijgt.’ of ‘Er komt een base vrij, dus de pH stijgt.’ of ‘Er komen OH– -ionen vrij, dus de pH wordt hoger.’, dit goed rekenen.
Het proces dat hiervoor is beschreven kan vereenvoudigd worden weergegeven met een blokschema. Dit blokschema bevat drie blokken en vijf stofstromen:
- bad met beitszuur
- bad met zink
- ionenwisselaar A: afvalzuur zonder ZnCl42– ionen B: afvalzuur met ZnCl42– ionen C: ijzeren voorwerpen met roest D: ijzeren voorwerpen zonder roest E: verzinkte ijzeren voorwerpen
Vraag 33 3 punten
Teken dit blokschema. Zet bij elke stofstroom de juiste letter (A tot en met E) uit de bovenstaande opsomming. Noteer ook de juiste aanduiding in de blokken. 2– Het afvalzuur waaruit de ZnCl4 ionen zijn verwijderd, kan worden gebruikt voor de productie van ijzer(III)chloridesulfaat (FeClSO4).
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn weergegeven:
C bad D bad E met met beitszuur zink
Opmerking Wanneer stofstroom A uit de ionenwisselaar is teruggevoerd naar het bad met beitszuur, dit niet aanrekenen.
Vraag 34 3 punten
Bereken hoeveel kg FeClSO4 kan worden geproduceerd uit 10 ton (1 ton = 103 kg) afvalzuur dat 8,0 massaprocent Fe3+ bevat. Ga ervan uit dat alle Fe3+ wordt omgezet tot FeClSO4.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 8, 0 × 10 × 103 × 188 2 = 2, 7 ·103 (kg)
10 × 55,9
of
8, 0
10 ton afvalzuur bevat (2) × 10 × 103 = 8, 00 ·102 (kg) Fe3+ . 10 8, 00 ·102 × 103 Dit is = 1, 43 ·104 (mol) Fe3+. 55,9 De molaire massa van FeClSO4 is 187 (g mol–1).
Dus er wordt 1, 43 ·104 × 187 × 10−3 = 2, 7 ·103 (kg) FeClSO4 gevormd.
- juiste molaire massa van FeClSO4 en omrekening naar de massa FeClSO4 in kg die per 10 ton afvalzuur kan worden geproduceerd (1p)
of
8, 0
10 ton afvalzuur bevat (2) × 10 × 103 = 8, 00 ·102 (kg) Fe3+ . 10 De molaire massa van FeClSO4 is 187 (g mol–1). 187 De massaverhouding tussen FeClSO4 en Fe3+ is = 3,35 . 55,9 Dus er wordt 8, 00 ·102 × 3,35 = 2, 7 ·103 (kg) FeClSO4 geproduceerd.
Piet vraagt zich af of de in deze opgave beschreven methode waarmee met het afvalzuur wordt omgegaan in overeenstemming is met het cradle-to-cradle principe. Hij vindt op www.duurzaamheid.nl dat de cradle-to-cradle ontwerpstrategie “ervan uitgaat dat alle materialen een voortdurende en blijvende waarde houden en steeds weer in gesloten kringlopen van productie, gebruik en recycling kunnen worden opgenomen.”
Vraag 35 2 punten
Formuleer twee van de vragen waarop Piet antwoord nodig heeft om te kunnen beoordelen of de beschreven methode past binnen het cradle-to-cradle principe.
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juiste vraag zijn: − Kan de ionenwisselaar volledig worden geregenereerd? − Wat gebeurt er met de ZnCl42– ionen na het regenereren van / bij het vervangen van de ionenwisselaar? − Wordt het ijzer(III)chloridesulfaat zodanig gebruikt dat het blijvend zijn waarde behoud? − Wordt het beitszuur/afvalzuur dat uit de ionenwisselaar komt weer opgewerkt en heringezet in het beitsbad? per juiste vraag (1) (2)
FeClSO4 wordt gebruikt in de afvalwaterzuivering om fosfaationen te verwijderen. De ijzer(III)ionen uit het ijzer(III)chloridesulfaat reageren met de fosfaationen, waarna het fosfaathoudende reactieproduct uit het afvalwater kan worden verwijderd. Het gezuiverde afvalwater wordt uiteindelijk op het oppervlaktewater geloosd.
Vraag 36 2 punten
Geef aan met welke scheidingsmethode het fosfaathoudende reactieproduct uit het afvalwater kan worden verwijderd. Licht je antwoord toe aan de hand van Binas-tabel 45A of ScienceData-tabel 8.4d.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Volgens de tabel vormen ijzerionen/Fe3+-ionen met fosfaationen/PO43– ionen een slecht oplosbaar zout / neerslag / slecht oplosbare vaste stof. Deze vaste deeltjes zijn door filtreren/centrifugeren/bezinken te verwijderen.
Indien een antwoord is gegeven als ‘Er ontstaat een vaste stof, dus destillatie’ (1)
Vraag 37 1 punt
Geef aan waarom het ongewenst is als fosfaationen (overvloedig) in het oppervlaktewater terechtkomen.
Bekijk het antwoord
- Uit een juist antwoord blijkt dat te veel fosfaat eutrofiëring veroorzaakt. (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Scheikunde 2019, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-19-2-o
Andere examens scheikunde havo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde havo 2019, tijdvak 2?
Het centraal examen scheikunde havo 2019, tijdvak 2 telt 37 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (6), rekenen aan reacties (6) en reactievergelijkingen (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde havo 2019, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde havo 2019, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-19-2-c).
Hoe oefen ik met het examen scheikunde havo 2019, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.