Eindexamen scheikunde havo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Smart StitchTM, Slimme kattenbakkorrels, Terugwinning van lithium, Gemodificeerd zetmeel, Yoghurt.
Het centraal examen scheikunde havo 2026, tijdvak 2 telt 32 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (7), rekenen aan reacties (4) en redoxreacties (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 2, 6, 14, 22, 30-32 | 7 |
| Rekenen aan reacties | 3, 12, 24, 27 | 4 |
| Redoxreacties | 10-11, 18, 23 | 4 |
| Duurzame chemie | 1, 4, 25 | 3 |
| Zuren en basen | 8-9, 17 | 3 |
| Stoffen en eigenschappen | 13, 15-16 | 3 |
| Bindingen | 5, 7 | 2 |
| Reactiesnelheid | 19, 29 | 2 |
| Reactievergelijkingen | 20, 28 | 2 |
| Scheidingsmethoden | 21, 26 | 2 |
Vergeleken met andere jaren
De verdeling over de onderwerpen ligt dicht bij het gemiddelde van de andere 17 examens scheikunde havo sinds 2018. Geen enkel onderwerp wijkt meer dan zes procentpunten af.
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde havo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde havo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde havo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Smart StitchTM
Veel kleding wordt niet duurzaam ontworpen en eindigt na gebruik op vuilstortplaatsen of in verbrandingsovens. Doordat bijvoorbeeld ritsen en knopen zijn vastgenaaid, kan de kleding moeilijk gerecycled worden. Het Belgische bedrijf Resortecs heeft hier iets op bedacht: smeltbaar garen om de verschillende onderdelen mee vast te naaien (Smart Stitch™). De kleding kan worden gerecycled in een speciale oven, waarin het Smart Stitch™-garen smelt. Daarna valt de kleding zonder schade in losse onderdelen uit elkaar. In een experiment met spijkerbroeken kon 70% van de teruggewonnen spijkerstof worden gebruikt voor nieuwe kledingstukken.
Vraag 1 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef een argument waarom gebruik van kleding met Smart Stitch™- garen aansluit bij het cradle-to-cradle-principe.
- Geef een argument waarom gebruik van kleding met Smart Stitch™- garen niet aansluit bij het cradle-to-cradle-principe.
Bekijk het antwoord
Juiste argumenten waarom gebruik van Smart Stitch™-garen aansluit bij het cradle-to-cradle-principe zijn:
− Een groot deel van de spijkerstof wordt teruggewonnen (zonder kwaliteitsverlies).
− Er kan nu meer van de spijkerstof worden teruggewonnen dan in de oude situatie.
− Voor een groot deel van de spijkerstof is een gesloten kringloop van materialen mogelijk.
Juiste argumenten waarom gebruik van Smart Stitch™-garen niet aansluit bij het cradle-to-cradle-principe zijn:
− Niet alle spijkerstof kan opnieuw worden gebruikt.
− Er is geen sprake van een gesloten kringloop van materialen (omdat toch spijkerstof verloren gaat).
− Het Smart Stitch™-garen wordt niet hergebruikt (omdat het smelt en aan de spijkerstof vast gaat plakken).
− De kwaliteit van de spijkerstof gaat achteruit door het dragen van de kleding, dus de stof kan nooit zonder kwaliteitsverlies worden gerecycled.
- juist argument waarom gebruik van Smart Stitch-garen aansluit bij het cradle-to-cradle-principe (1)
- juist argument waarom gebruik van Smart Stitch™-garen niet aansluit bij het cradle-to-cradle-principe (1)
Resortecs maakt verschillende soorten Smart Stitch™-garen. Een bepaalde soort Smart Stitch™-garen wordt gemaakt van polypropeen (C₃H₆)_n. Polypropeen is het additiepolymeer van propeen (figuur 1).
figuur 1
Vraag 2 2 punten
Geef de structuurformule van een fragment uit het midden van een molecuul polypropeen. Dit fragment moet bestaan uit drie eenheden propeen.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:

- een keten van zes koolstofatomen met enkelvoudige bindingen ertussen (1)
- de uiteinden weergegeven met bijvoorbeeld ~ en de rest van de structuurformule juist (1)
Indien een antwoord als het volgende is gegeven: (0)
Het gebruikte polypropeen wordt gemaakt van fossiele brandstoffen. Aan het eind van de levensduur wordt de kleding met het Smart Stitch™-garen verbrand. Om de totale CO₂-uitstoot door het gebruik van dit type Smart Stitch™-garen te bepalen, is een levenscyclus-analyse uitgevoerd. Hierbij worden alle processen meegenomen: productie, transport, afvalverwerking en verbranding.
De totale CO₂-uitstoot bleek 3,88 kg per kilogram garen te zijn. Een groot deel van deze uitstoot was afkomstig van verbranding van het garen.
Vraag 3 5 punten
Bereken hoeveel procent van deze 3,88 kg CO₂-uitstoot werd veroorzaakt door verbranding van 1,0 kg Smart Stitch™-garen.
Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers. Gebruik de volgende aannames:
- Dit type Smart Stitch™-garen bestaat volledig uit polypropeen.
- Bij de verbranding van een mol repeterende eenheden polypropeen ontstaat 3 mol CO₂.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
De molaire massa (van de repeterende eenheid) is 42,1 (g mol^–1). De chemische hoeveelheid repeterende eenheden in 1,0 kg garen is 1,0 ⋅ 10³ = 23,8 (mol).
42,1
De chemische hoeveelheid CO₂ die ontstaat is 23,8 × 3 = 71,3 (mol). De massa CO₂ is 71,3 ×44,0 = 3,14 ⋅ 10³(g).
Het percentage CO₂ is 3,14 ⋅ 10³ × 10²(%) = 81(%) 3,88 ⋅ 10³
- de molaire massa’s van de repeterende eenheid polypropeen en van CO₂ (1)
- juiste verwerking van de molaire massa’s (1)
- juiste verwerking van de molverhouding tussen de repeterende eenheid en CO₂ (1)
- de rest van de berekening (1)
- significantie (1)
Een ander soort Smart Stitch™-garen is een polyamide. Een van de grondstoffen voor dit polyamide is ricinus-olie, die wordt gewonnen uit de zaden van de ricinusplant. Uit de analyse blijkt dat het garen op basis van dit polyamide gedurende de hele levenscyclus minder bijdraagt aan het versterkt broeikaseffect dan het garen op basis van polypropeen.
Vraag 4 1 punt
Geef een argument waarom het garen op basis van dit polyamide gedurende de hele levenscyclus minder bijdraagt aan het versterkt broeikaseffect dan het garen op basis van polypropeen.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
− Bij gebruik van dit polyamide is de koolstof, die bij de verbranding vrijkomt als CO₂, eerder opgenomen tijdens de groei van planten. − Bij gebruik van dit polyamide maken de grondstoffen onderdeel uit van de korte koolstofkringloop (en de grondstoffen voor polypropeen niet). − (Bij gelijke ketenlengte) bevat de hoofdketen van een polyamide ook N-atomen, waardoor er minder CO₂ vrijkomt bij verbranding.
De algemene structuurformule van het gebruikte polyamide is weergegeven in figuur 2.

Voor het recyclen in een oven is het belangrijk dat het Smart Stitch™- garen de juiste smelttemperatuur heeft. De smelttemperatuur wordt bepaald door de mate van binding tussen de ketens onderling. Zie figuur 3.

Bij polyamides wordt deze aantrekking tussen ketens mede bepaald door waterstofbruggen tussen C=O-groepen en NH-groepen. De smelttemperatuur van polyamides blijkt afhankelijk te zijn van het aantal CH₂-groepen (n) per repeterende eenheid. Hoe groter dit aantal CH₂-groepen, hoe lager de smelttemperatuur.
Vraag 5 2 punten
Leg uit op microniveau dat een groter aantal CH₂-groepen per repeterende eenheid leidt tot een lagere smelttemperatuur van het polyamide.
- Gebruik gegevens uit figuren 2 en 3.
- Ga ervan uit dat polyamides met een verschillend aantal CH₂-groepen per repeterende eenheid wel dezelfde gemiddelde ketenlengte hebben.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
Als er meer CH₂-groepen per repeterende eenheid zijn, zijn er relatief minder NH-groepen. Hierdoor kunnen minder waterstofbruggen tussen de ketens worden gevormd.
De sterkte van de binding/aantrekking tussen de ketens neemt daardoor af (waardoor de smelttemperatuur lager wordt).
- inzicht dat meer CH₂-groepen per repeterende eenheid leidt tot minder NH-groepen (1)
- inzicht dat minder waterstofbruggen tussen de ketens worden gevormd en conclusie met betrekking tot de sterkte van de binding tussen de ketens onderling (1)
In figuur 4 is het verband weergegeven tussen de smelttemperatuur van de polyamides en het aantal CH₂-groepen per repeterende eenheid in de polyamides.

Het polyamide dat voor Smart Stitch™-garen wordt gebruikt, heeft een smelttemperatuur van 195 °C.
Vraag 6 3 punten
Teken de structuurformule van het monomeer van dit polyamide. Gebruik gegevens uit figuur 2 en 4.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

of

- inzicht dat n = 10 (1)
- de aminogroep en carboxylgroep juist (1)
- de rest van de structuurformule juist (1)
Indien een antwoord als het volgende is gegeven: (2)

Opmerking
Antwoorden waarbij n = 9 of n = 11 ook goedrekenen.
Slimme kattenbakkorrels
Een kattenbak wordt gevuld met korrels van een stof die kattenurine kan adsorberen, zoals silicagel. Silicagel bestaat uit een driedimensionaal netwerk van voornamelijk silicium- en zuurstofatomen. Op de uitwerkbijlage is een deel van een korrel silicagel vereenvoudigd weergegeven.
Kattenurine bevat ammoniak. Deze stof heeft een onaangename geur. Silicagel bindt ammoniak, waardoor de ammoniakgeur wordt verminderd.
Vraag 7 3 punten
Teken op de uitwerkbijlage twee moleculen ammoniak die elk met een waterstofbrug zijn gebonden aan het oppervlak van silicagel.
- Geef de moleculen ammoniak met structuurformules weer.
- Geef de waterstofbruggen weer met een stippellijntje: •••.

Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:

- de structuurformule van twee moleculen ammoniak (1)
- een waterstofbrug tussen een molecuul ammoniak en silicagel (1)
- een tweede waterstofbrug tussen een molecuul ammoniak en silicagel (1)
Opmerkingen: − Een juiste waterstofbrug tussen een molecuul ammoniak en een O-atoom in de Si-O-Si-groep goedrekenen.
− Als meer dan twee waterstofbruggen zijn getekend, per onjuiste waterstofbrug één scorepunt in mindering brengen.
− De bindingshoeken in de structuurformule van NH₃ niet beoordelen.
Je kunt de gezondheid van je kat in de gaten houden door analyse van zijn urine. Er zijn kattenbakkorrels op de markt waarin indicatoren zijn verwerkt. Je kunt deze korrels mengen met de normale kattenbakkorrels. De verkleuring van deze indicatorkorrels geeft dan aan of je met je kat naar de dierenarts moet. Een van de indicatoren die gebruikt zou kunnen worden, is de zuur-base-indicator broomthymolblauw (tabel 1).
tabel 1
| pH | kleur | |
|---|---|---|
| zuur | < 6,0 | geel |
| omslagtraject | 6,0-7,6 | groen |
| basisch | > 7,6 | blauw |
Urine van gezonde katten heeft een pH tussen 6,3 en 6,6. Een afwijkende pH is een indicatie voor een nier- of blaasontsteking.
Vraag 8 2 punten
Bereken de minimale [H⁺] in mol L^–1 in urine van gezonde katten.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juiste berekening is: [H⁺] = 10^–6,6 = 3·10^–7(mol L^–1)
- keuze van de juiste pH (1)
- consequente berekening van de [H⁺] (1)
Eslem gebruikt broomthymolblauw om de urine van haar kat te controleren. De korrels kleuren groen.
Vraag 9 2 punten
Leg uit of de groene kleur in dit geval voldoende informatie geeft om vast te stellen of de pH van de urine afwijkend is.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
− Bij een groene kleur kan de pH 6,1 zijn, maar ook 7,5. De kat kan ziek zijn, maar dat hoeft niet. De informatie is dus onvoldoende. − Een groene kleur van de indicator wil zeggen dat de pH tussen 6,0 en 7,6 ligt. Het pH-gebied van het omslagtraject is breder dan het pH-gebied van de gezonde urine. Alleen deze groene kleur geeft dus onvoldoende informatie.
- inzicht dat de groene kleur optreedt binnen de pH-grenzen van het omslagtraject (1)
- de rest van de uitleg juist en juiste conclusie (1)
Er zijn kattenbakkorrels op de markt die glucose in de urine van katten kunnen aantonen. Glucose in urine is een aanwijzing voor suikerziekte. Deze kattenbakkorrels bevatten een mengsel van kaliumjodide, zetmeel en twee enzymen. Aanwezige glucose kan enzymatisch worden omgezet tot gluconolacton volgens reactie 1.

Reactie 1 is een redoxreactie. De halfreactie waarbij glucose wordt omgezet, is onvolledig weergegeven op de uitwerkbijlage.
Vraag 10 2 punten
Maak de halfreactie op de uitwerkbijlage compleet met elektronen en coëfficiënten.

Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:

- de elementbalans juist (1)
- e^– na de pijl en ladingsbalans juist (1)
Vervolgens katalyseert een ander enzym reactie 2 tussen het ontstane H₂O₂ en jodide-ionen:
H₂O₂ + 2 I^– → 2 OH^– + I₂ (reactie 2)
Het jood (I₂) dat in reactie 2 ontstaat, geeft een kleur aan het zetmeel dat in de korrels zit. Hoe meer jood is ontstaan, hoe donkerder de kleur. De kleur varieert van lichtgroen bij een kleine hoeveelheid jood tot zwart bij een grote hoeveelheid jood.
Vraag 11 2 punten
Leg uit dat een donkere kleur van de korrels duidt op een grote hoeveelheid glucose in de urine. Gebruik reacties 1 en 2.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
− Een donkere kleur van de korrels betekent veel I₂. Veel I₂ betekent dat veel H₂O₂ heeft gereageerd (volgens reactie 2). Veel H₂O₂ betekent dat veel glucose heeft gereageerd (volgens reactie 1).
− Veel glucose betekent dat veel H₂O₂ zal reageren (volgens reactie 1). Veel H₂O₂ betekent dat veel I₂ zal reageren (volgens reactie 2). En veel I₂ geeft de korrels een donkerder kleur. (Een donkere kleur betekent dus veel glucose.)
- juiste koppeling tussen de kleur van de korrels en de hoeveelheid I₂ en H₂O₂ (1)
- juiste koppeling tussen de hoeveelheid H₂O₂ en de hoeveelheid glucose (1)
Indien slechts een koppeling is gegeven tussen de kleur van de korrels, de hoeveelheid I₂ en de hoeveelheid glucose (1)
Opmerking
Als concentratie is gebruikt in plaats van hoeveelheid, dit goedrekenen.
Bij katten met suikerziekte moet de urine regelmatig worden gecontroleerd. Dit gebeurt niet alleen met korrels, maar ook met teststrips die de concentratie glucose in urine meten. Door urine op te vangen en de teststrip erin te dopen, kan de katteneigenaar de concentratie glucose bepalen. In tabel 2 is de schaalverdeling van twee merken teststrips weergegeven, met de bijbehorende glucose-concentraties.
Merk A drukt de glucose-concentratie uit in mmol L^–1 en merk B drukt de glucose-concentratie uit in mg dL^–1.
tabel 2
| schaalverdeling | + | ++ | +++ | ++++ |
|---|---|---|---|---|
| merk | ||||
| A (mmol L–1) | 15 | 30 | 60 | 110 |
| B (mg dL–1) | 250 | 500 | 1000 | >2000 |
Roelof heeft een kat met suikerziekte. De dierenarts heeft niet gezegd welk merk teststrips hij voor de urinetests moet gebruiken. Roelof kan na een berekening gelukkig concluderen dat de waarde +++ op beide schaalverdelingen behoorlijk overeenkomt.
Vraag 12 2 punten
Laat met een berekening zien dat de concentraties die bij merk A en B aangegeven worden met de waarde +++ redelijk overeenkomen.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
Uitgaande van merk A:
De glucose-concentratie van merk A is 60 ×10⁻³× 180 = 10,8 (g L⁻¹). Dat is gelijk aan 10,8 ⋅ 10³ × 10⁻ 1 = 1080 (mg dL⁻¹).
Dat is ongeveer gelijk aan 1000 mg dL^–1.
of
Uitgaande van merk B:
De glucose-concentratie van merk B is 1000 ×10 = 1,0 ⋅ 10 (mg L⁴⁻¹).
De glucose-concentratie is 1,0 ⋅ 10⁴ = 56 (mmol L⁻¹). 180 Dat is ongeveer gelijk aan 60 mmol L^–1.
- juiste verwerking van de molaire massa van glucose (1)
- de rest van de omrekening en de berekende waarde vergeleken met de waarde bij het andere merk (1)
Terugwinning van lithium
Door de toename van het aantal elektrische auto’s zijn er steeds meer lithium-ion-accu’s (LIA’s) nodig. Het metaal lithium is echter vrij schaars. Daarom wordt veel onderzoek gedaan naar methodes voor het terugwinnen van lithium en andere metalen uit oude LIA’s. Veel van deze methodes gebruiken sterke zuren, zoals zoutzuur. Bij de methodes met zoutzuur ontstaat het gevaarlijke gas chloor (Cl₂). Voor chloor gelden onder andere de gevarenaanduidingen H318 en H319.
Op basis van deze aanduidingen kunnen werknemers van recyclebedrijven specifieke voorzorgsmaatregelen nemen.
Vraag 13 2 punten
Geef de nummers van twee P-zinnen die twee verschillende van deze voorzorgsmaatregelen beschrijven. Gebruik Binas-tabel 96E of ScienceData-tabel 38.3.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van juiste P-zinnen zijn: − P-262
− P-280
- eerste P-zin juist (1)
- tweede P-zin juist (1)
Opmerking
Algemene voorzorgsmaatregelen of voorzorgsmaatregelen die niet specifiek zijn gericht op het ontstaan van chloorgas in een fabriek niet goedrekenen.
Zweedse onderzoekers hebben een methode op basis van oxaalzuur (H₂C₂O₄) bedacht om lithium en andere metalen uit LIA’s terug te winnen. Hierbij ontstaan geen schadelijke gassen. Oxaalzuur is een triviale naam.
Vraag 14 2 punten
Geef de structuurformule van oxaalzuur.
Bekijk het antwoord

- structuurformule met een carboxylgroep (1)
- de rest van de structuurformule juist (1)
De Zweedse onderzoekers gebruiken elektrodemateriaal van een bepaald soort LIA. Hierin zijn grafiet, koper, aluminium en het zout NMC111 aanwezig. NMC111 is een oxide van de metalen lithium, nikkel, mangaan en kobalt, met de verhoudingsformule Li₃NiMnCoO₆.
Het Co-ion in NMC111 heeft de lading 3+.
Vraag 15 2 punten
Leid de lading af van het mangaan-ion in NMC111. Gebruik Binas-tabel 40A of ScienceData-tabel 8.1.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juiste afleiding zijn: De lading van het oxide-ion is 2–. De totale negatieve lading is 6 × 2 −= 12 . − (Dan is de totale positieve lading dus 12+.) De lading van het kobalt-ion is 3+. De lading van 3 lithium-ionen is 3 1 ×+= 3 . + De lading van het nikkel-ion is 2+.
Het mangaan-ion heeft dus een lading van 12 − (3 ++ 3 2) = 4+.
of
De lading van het oxide-ion is 2–.
De totale negatieve lading is dus 6 × 2 −= 12 . − Volgens het informatieboek is de lading van het mangaan-ion 2+ of 4+. Als de lading 2+ is, dan is de lading van het zout:
12 − (2 ×3) − (2 ×2) = 2 . −
Dat kan niet, dus dan is de lading van het mangaan-ion 4+.
- juiste ladingen van het oxide-ion, het lithium-ion en het nikkel-ion (1)
- consequente afleiding van de lading van het mangaan-ion (1)
De methode die de Zweedse onderzoekers bedachten, is op de uitwerkbijlage bij vraag 21 met een onvolledig blokschema weergegeven. Als eerste wordt het elektrodemateriaal fijngemalen en gezeefd. Het verkregen mengsel wordt ‘zwarte massa’ genoemd.
De zwarte massa wordt in reactor 1 (R1) met oxaalzuur-oplossing gemengd. Het mengsel in R1 wordt intensief geroerd, zie figuur 1. NMC111 uit de zwarte massa reageert met oxaalzuur.

Als het elektrodemateriaal is fijngemalen, hoeft het minder lang in de reactor te verblijven voor volledige omzetting dan wanneer het niet fijngemalen zou zijn. Dit kan met het botsende-deeltjesmodel worden verklaard.
Vraag 16 2 punten
Geef deze verklaring.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
− Fijngemalen elektrodemateriaal/zwarte massa heeft een groter (reactie/contact)oppervlak. Hierdoor zijn er meer deeltjes beschikbaar voor botsingen.
− Fijngemalen elektrodemateriaal/zwarte massa heeft een grotere verdelingsgraad. Hierdoor zijn er meer deeltjes beschikbaar voor botsingen.
- juist verband gegeven tussen het fijnmalen en het (reactie/contact)oppervlak / en de verdelingsgraad (1)
- juist verband gegeven tussen het (reactie/contact)oppervlak en het aantal deeltjes dat beschikbaar is voor botsingen / tussen de verdelingsgraad en het aantal deeltjes dat beschikbaar is voor botsingen (1)
Indien slechts een juist verband is gegeven tussen het fijnmalen en het aantal botsingen / tussen de reactiesnelheid en het aantal botsingen (1)
De vergelijking van de reactie van NMC111 met oxaalzuur is als volgt:

Lithium-ionen blijven in oplossing. De andere metaal-ionen vormen met oxalaat-ionen vaste stoffen. De gevormde zouten van positief geladen metaalionen en C₂O₄ ^2–-ionen worden oxalaten genoemd. Reactie 1 is zowel een zuur-basereactie als een redoxreactie.
Vraag 17 1 punt
Geef de formule van het deeltje in NMC111 dat als base optreedt in de zuur-basereactie.
Bekijk het antwoord
O^2–
De lading van het kobalt-ion in NMC111 is 3+.
Vraag 18 2 punten
Leg uit, aan de hand van de ladingsverandering van de kobaltdeeltjes, of de kobalt-ionen in NMC111 in reactie 1 als oxidator of als reductor reageren. Noteer je antwoord als volgt:
- lading van het kobalt-ion in CoC₂O₄: ...
- uitleg en conclusie: …
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
lading van het kobalt-ion in CoC₂O₄: 2+ uitleg en conclusie: Kobalt-ionen nemen elektronen op en reageren dus als oxidator.
- juiste lading van het kobalt-ion in CoC₂O₄ (1)
- consequente uitleg met betrekking tot de richting van de elektronenoverdracht en consequente conclusie (1)
Opmerking
Als een onjuist antwoord op vraag 18 een consequent gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 17, dit antwoord op vraag 18 goedrekenen.
In R1 reageert oxaalzuur ook met aluminium uit het elektrodemateriaal. Hierbij ontstaat opgelost aluminiumoxalaat (reactie 2). Reactie 1 en 2 vinden tegelijk plaats. Het gevormde CO₂ verlaat de reactor. Het gevormde reactiemengsel wordt in scheidingsruimte 1 (S1) gefiltreerd. In het filtraat zijn vooral opgeloste lithium-, aluminium- en oxalaat-ionen aanwezig. Het residu bevat vooral de andere metaaloxalaten.
In een experiment met 1,25 gram zwarte massa was de verblijftijd in R1 60 minuten. Het massapercentage lithium in de zwarte massa was 3,4%. Het rendement waarmee lithium-ionen in het filtraat terechtkwamen was 98,8%.
Vraag 19 4 punten
Bereken de gemiddelde snelheid in mol s^–1 waarmee lithium-ionen in het filtraat terechtkwamen vanuit de zwarte massa.
Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
De massa lithium in de zwarte massa is 1,25 × 3,4 = 4,25 ⋅ 10⁻²(g) . 10²
De massa lithium in het filtraat is 4,25 ⋅ 10⁻²× 98,8 = 4,20 ⋅ 10⁻²(g) . 10²
De chemische hoeveelheid lithium is 4, 20 ⋅ 10⁻ 2 = 6,05 ⋅ 10⁻³(mol) . 6,94
De snelheid is 6,05 ⋅ 10⁻ 3 = 1,7 ⋅ 10⁻⁶(mol s⁻¹) . 60 ×60
- juiste verwerking van de twee percentages (1)
- juiste verwerking van de molaire massa van lithium (1)
- de rest van de berekening van de snelheid in mol s^–1 (1)
- significantie (1)
In reactor 2 (R2) wordt een overmaat natronloog toegevoegd aan het filtraat afkomstig uit S1. De hydroxide-ionen uit natronloog reageren met de aluminium-ionen tot een vast zout dat bestaat uit aluminium-ionen en hydroxide-ionen. De lithium-ionen en oxalaat-ionen blijven opgelost. Door filtratie in scheidingsruimte 2 (S2) kan aluminiumhydroxide als residu worden verkregen.
Vraag 20 3 punten
Geef de vergelijking van de reactie voor de vorming van vast aluminiumhydroxide. Gebruik toestandsaanduidingen.
Bekijk het antwoord
Al³⁺ (aq) + 3 OH^– (aq) → Al(OH)₃ (s)
- Al³⁺ en OH^– voor de pijl (1)
- Al(OH)₃ na de pijl (1)
- juiste toestandsaanduidingen en elementbalans juist in een vergelijking met uitsluitend de juiste stoffen voor en na de pijl (1)
Indien een antwoord is gegeven als: (2)
Al²⁺ (aq) + 2 OH^– (aq) → Al(OH)₂ (s)
Indien een antwoord is gegeven als: (2)
Al³⁺ (aq) + 3 OH^– (aq) → AlOH₃ (s)
Ten slotte wordt in reactor 3 (R3) een overmaat van een natriumcarbonaat-oplossing toegevoegd. Zo ontstaat het slecht oplosbare lithiumcarbonaat. Na filtratie in scheidingsruimte (S3) wordt lithiumcarbonaat als residu verkregen. Lithiumcarbonaat kan dienen als grondstof voor het maken van nieuwe accu’s.
Op de uitwerkbijlage ontbreken stofstromen en bijschriften bij de stofstromen.
Vraag 21 3 punten
Maak het blokschema op de uitwerkbijlage compleet.
- Teken de pijlen van de ontbrekende stofstromen.
- Noteer op de stippellijntjes en bij de zelf getekende pijlen de juiste nummers van de onderstaande stoffen. 1 natronloog 2 oplossing van lithium-ionen 3 oplossing van natriumcarbonaat 4 oplossing van oxalaat-ionen 5 vast aluminiumhydroxide 6 vast lithiumcarbonaat
- Sommige nummers moeten meerdere keren worden gebruikt.
- Bij de pijl met een * hoeft geen nummer te worden genoteerd.

Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:

- pijl getekend met instroom van 1 in R2 en pijl getekend met instroom van 3 in R3 (1)
- stofstromen 2 en 5 juist (1)
- de rest van de stofstromen juist (1)
Opmerking
Als nummers zijn genoteerd bij de pijl die is aangegeven met een *, deze nummers niet beoordelen.
Gemodificeerd zetmeel
Zetmeel wordt vaak gebruikt als waterbindend middel in voedingsmiddelen, zoals sauzen. De sauzen worden daardoor dikker. Om de waterbindende eigenschappen te verbeteren, wordt zetmeel chemisch veranderd, oftewel gemodificeerd. Een veelgebruikte methode is de reactie van zetmeel met een oplossing van natriumhypochloriet (NaClO). Het hypochloriet-ion (ClO^–) zet daarbij een deel van de hydroxylgroepen in zetmeel om tot onder andere carboxylgroepen. In figuur 1 zijn structuurformules van zetmeel en gemodificeerd zetmeel weergegeven.

De omzetting vindt plaats in basisch milieu. In basisch milieu zal een aantal van de ontstane carboxylgroepen van gemodificeerd zetmeel als zuur reageren. Op de uitwerkbijlage is de structuurformule van een deel van een keten van gemodificeerd zetmeel onvolledig weergegeven.
Vraag 22 2 punten
Maak in het omkaderde deel op de uitwerkbijlage de structuurformule compleet. Uit de structuurformule moet blijken dat de carboxylgroep in gemodificeerd zetmeel als zuur heeft gereageerd.

Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:

- beide C-atomen hebben een =O-groep (1)
- de rest van de ontbrekende atomen juist en een negatieve lading weergegeven bij de carboxylaatgroep (1)
De omzetting van hydroxylgroepen tot carboxylgroepen is een redoxreactie. De halfreacties die hierbij verlopen, zijn in figuur 2 weergegeven.

Halfreactie 1 is onvolledig weergegeven: er ontbreken coëfficiënten.
Vraag 23 3 punten
Voer op de uitwerkbijlage de volgende opdrachten uit:
- Maak halfreactie 1 kloppend.
- Leid met behulp van deze halfreactie en halfreactie 2 de vergelijking af van de totale reactie.

Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:

- halfreactie 1 juist (1)
- de halfreacties zijn in de juiste verhouding opgeteld, consequent met de gegeven halfreactie 1 (1)
- gelijke deeltjes voor en na de pijl tegen elkaar weggestreept (1)
Voor de productie van gemodificeerd zetmeel wordt een suspensie van zetmeel gebruikt. Bij de omzettingen (figuur 2) komt een oplossing van natriumchloride vrij. Deze oplossing moet worden weggespoeld voordat het omgezette zetmeel kan worden gebruikt in voedingsmiddelen.
Vraag 24 3 punten
Bereken hoeveel gram natriumchloride er per kilogram suspensie van zetmeel ontstaat. Ga uit van de volgende gegevens:
- De suspensie bevat 39 massaprocent zetmeel.
- Per gram zetmeel wordt 0,20 g NaClO verbruikt.
- De molaire massa van NaClO is 74,5 g mol^–1 en die van NaCl is 58,5 g mol^–1.
- De molverhouding tussen NaClO en NaCl is 1 : 1.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: De massa NaClO die nodig is per 1,0 kg suspensie is
1,0 × 39 × 0,20 = 7,80 ⋅ 10⁻² (kg). 10²
De chemische hoeveelheid NaClO is 7,80 ⋅ 10⁻² ⋅ 10³ = 1,05 (mol). 74,5 De chemische hoeveelheid NaCl die ontstaat is ook 1,05 (mol). De massa NaCl is 1,05 × 58,5 = 6,1 10 (g). ⋅ ¹
of
De massa NaClO die nodig is per 1,0 kg suspensie is
1,0 × 39 × 0,20 = 7,80 ⋅ 10⁻² (kg). 10²
Het massapercentage NaCl in NaClO is 58,574,5 ×10₂ = 78,5 (%).
De massa NaCl is 78,5 × 7,80 ⋅ 10⁻ 2 × 10³ = 6,1 ⋅ 10 (g).¹ 10²
- berekening van de massa van NaClO (1)
- juiste verwerking van de molaire massa’s van NaClO en NaCl (1)
- de rest van de berekening (1)
Er zijn ook andere manieren om gemodificeerd zetmeel te produceren, zoals door de reactie van zetmeel met waterstofperoxide. De totale reactievergelijking kan worden weergegeven met reactie 1. ~C₆H₁₀O₅~ + 2 H₂O₂ → ~C₆H₈O₆~ + 3 H₂O (reactie 1) Deze reactie heeft een hogere atoomeconomie.
Vraag 25 2 punten
Bereken de atoomeconomie van reactie 1. Gebruik Binas-tabel 37H of ScienceData-tabel 1.7.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
De molaire massa van de repeterende eenheid van zetmeel is 162 (g mol^–1) en die van gemodificeerd zetmeel is 176 (g mol^–1). De atoomeconomie is:
162 + 176 2 ×34,0 = 0,77 (=77%)
of
176 +× 176 3 18,0 = 0,77 (=77%)
- de molaire massa’s juist (1)
- juiste verwerking van de coëfficiënten en de rest van de berekening (1)
Yoghurt
Yoghurt is een product dat wordt gemaakt van melk. De industriële productie van yoghurt verloopt in een aantal stappen. Bij de eerste stap wordt verse melk door centrifugeren gescheiden in drie stofstromen: vaste deeltjes, room en magere melk. Magere melk bevat voornamelijk suikers, eiwitten en water. De room bestaat voor een groot deel uit vet en blijft daarom drijven op de magere melk. Een doorsnede van de centrifuge is in figuur 1 weergegeven.

De centrifuge bevat een stapel schijven met gaten die zeer snel ronddraaien en zo melk scheiden in vaste deeltjes, room en magere melk. Deze drie stofstromen worden afzonderlijk afgetapt op de plekken die in figuur 1 zijn aangeduid met 1, 2 of 3.
Vraag 26 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef het verschil in stofeigenschap waarop de scheiding door centrifugeren berust.
- Leg uit aan de hand van dit verschil in stofeigenschap op welke plek (1, 2 of 3) de room wordt afgetapt.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
− De stofeigenschap is dichtheid.
De dichtheid van room is het laagst (want die drijft op de magere melk). De (stof met de laagste dichtheid eindigt aan de binnenkant van de centrifuge en de) room zal dus op plek 1 worden afgetapt. − De stofeigenschap is dichtheid.
De stof met de laagste dichtheid eindigt aan de binnenkant van de centrifuge. Room blijft op de magere melk drijven, dus room wordt bij plek 1 afgetapt.
- dichtheid (1)
- inzicht dat de dichtheid van room het laagst is (1)
- consequente conclusie met betrekking tot de plek waar de room wordt afgetapt (1)
Indien een antwoord is gegeven als het volgende: (2)
stofeigenschap: massa/gewicht/dichtheid uitleg: Het gewicht van room is kleiner dan het gewicht van (magere) melk dus room wordt bij plek 1 afgetapt. / Room is lichter dan (magere) melk (en vaste deeltjes) dus room wordt bij plek 1 afgetapt.
Yoghurt wordt gemaakt met een mengsel van magere melk en room. Op een zeker moment worden hieraan twee bacteriesoorten toegevoegd. Uit onderzoek blijkt dat deze twee bacteriesoorten elkaar stimuleren, waardoor het melkmengsel wordt omgezet tot yoghurt. Tijdens dit proces zetten de bacteriën lactose (C₁₂H₂₂O₁₁) met water om tot melkzuur (C₃H₆O₃). Zie reactie 1. De bacteriën gebruiken de energie die bij deze omzetting vrijkomt.
C₁₂H₂₂O₁₁ (aq) + H₂O (l) → 4 C₃H₆O₃ (aq) (reactie 1)
De vormingswarmte van C₁₂H₂₂O₁₁ bedraagt –22,26·10⁵ J mol^–1 en die van C₃H₆O₃ bedraagt −7,00·10⁵ J mol^–1.
Vraag 27 3 punten
Bereken de reactiewarmte van reactie 1 in joule per mol melkzuur. Gebruik Binas-tabel 57 of ScienceData-tabel 9.2.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
( 1/4 × 22,26 + 1/4 × 2,86 − 7,00) ⋅ 10⁵ =− 0,72 ⋅ 10 (J mol⁵⁻¹)
of
( − E_begin + E_eind =
− 1/4 ×− ( 22,26 ⋅ 10⁵) + 1/4 ×− ( 2,86 ⋅ 10⁵) + ( −7,00 ⋅ 10⁵) =− 0,72 ⋅ 10 (J mol⁵⁻¹)
of
( − E_begin + E_eind =
− ( −22,26 ⋅ 10⁵) +− ( 2,86 ⋅ 10⁵) + 4 ×−( 7,00 ⋅ 10⁵) =
− 2,88 ⋅ 10 (joule per 4 mol melkzuur)⁵ Dat is per mol melkzuur − 2,88 ⋅ 10⁵= − 0,72 ⋅ 10 (J mol⁵⁻¹) 4
- absolute waardes van de vormingswarmtes (1)
- juiste verwerking van de coëfficiënten (1)
- de rest van de berekening (1)
Opmerking
Een antwoord als het volgende goedrekenen:
1/4 × 22,26 + 1/4 × 2,86 − 7,00 =− 0,72 ⋅ 10 (J mol⁵⁻ 1 )
Melk bevat een stof met de formule CH₄N₂O. De bacteriën bevatten een enzym dat CH₄N₂O met water omzet tot ammoniak en koolstofdioxide, zie reactie 2.
CH₄N₂O (aq) + H₂O (l) → CO₂ (aq) + 2 NH₃ (aq) (reactie 2)
De H-atomen in CH₄N₂O zijn uitsluitend gebonden aan N-atomen.
Vraag 28 2 punten
Geef reactie 2 weer met structuurformules voor alle stoffen.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:

- juiste structuurformules voor H₂O voor de pijl en voor CO₂ en NH₃ na de pijl, en juiste coëfficiënten (1)
- juiste structuurformule van CH₄N₂O (1)
Opmerkingen: − De bindingshoeken in de structuurformules niet beoordelen. − Als in vraag 7 en vraag 28 eenzelfde fout in de structuurformule van NH₃ is gemaakt, dit bij vraag 28 niet aanrekenen.
Door reactie 1 daalt de pH van het melkmengsel. Als de pH te veel daalt, stoppen de enzymen in de bacteriën met de melkzuurproductie. De ontstane NH₃ gaat de pH-daling enigszins tegen.
Vraag 29 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Verklaar waarom de enzymen stoppen met de melkzuurproductie als de pH te veel daalt.
- Geef een verklaring voor het feit dat NH₃ de pH-daling enigszins tegengaat.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
De enzymen stoppen omdat pH dan te ver van het pH-optimum ligt. De pH daalt minder snel omdat NH₃/ammoniak een base is / omdat NH₃/ammoniak het melkzuur neutraliseert.
- antwoord op de eerste deelvraag juist (1)
- antwoord op de tweede deelvraag juist (1)
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
De bacteriën maken ook stoffen die invloed hebben op de smaak van yoghurt. Een van deze smaakstoffen is aceetaldehyde, C₂H₄O, dat ontstaat door een reactie waarbij het aminozuur threonine wordt omgezet tot uitsluitend aceetaldehyde en één ander aminozuur.
Vraag 30 1 punt
Geef de naam van dit andere aminozuur.
Gebruik Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.
Bekijk het antwoord
glycine
Opmerking
Als in plaats van de naam het 3-lettersymbool, het 1-lettersymbool of de structuurformule is gegeven, dit goedrekenen.
Yoghurt bevat stoffen die de gezondheid bevorderen. Een van deze stoffen is een tripeptide dat kan worden weergegeven als: Val-Pro-Pro.
Vraag 31 3 punten
Geef de structuurformule van het tripeptide Val-Pro-Pro. Gebruik Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:

- de peptidegroepen juist (1)
- de restgroepen juist (1)
- de rest van de structuurformule juist (1)
Opmerking
Als de juiste structuurformule van het tripeptide Pro-Pro-Val is gegeven, dit goedrekenen.
De bacteriën maken ook korte sachariden die bestaan uit drie, vier of vijf monomeereenheden.
Vraag 32 2 punten
Leid de molecuulformule af van de sacharide die is gevormd uit drie glucose-moleculen. Gebruik eventueel Binas-tabel 67F of ScienceDatatabel 13.1d.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
(Glucose heeft de molecuulformule C₆H₁₂O₆.)
Bij de vorming van de sacharide worden twee moleculen water afgesplitst. De molecuulformule is dus 3 × C ₆H₁₂ O – 2× H₆ ₂O = C₁₈ H ₃₂O₁₆ .
- inzicht dat 3 × C ₆H₁₂ O = C₆₁₈ H ₃₆O₁₈ (1)
- inzicht dat twee moleculen water worden afgesplitst en consequente formule (1)
of
De formule van de repeterende eenheid bij polymeren van glucose is C₆H₁₀O₅. Er zijn drie repeterende eenheden, en aan begin en einde moet er nog H en OH aan vast / en er moet nog een watermolecuul bij. De formule is dus HO-(C₆H₁₀O₅)₃-H ofwel C₁₈H₃₂O₁₆.
- inzicht dat 3 × C ₆H₁₀ O = C₅₁₈ H ₃₀O₁₅ . (1)
- inzicht dat er één H₂O bij moet en consequente formule (1)
Indien een juiste structuurformule is gegeven (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Scheikunde 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens scheikunde havo
- 2026, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde havo 2026, tijdvak 2?
Het centraal examen scheikunde havo 2026, tijdvak 2 telt 32 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (7), rekenen aan reacties (4) en redoxreacties (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde havo 2026, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde havo 2026, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/havo/documenten/cse-2/ha-1028-a-26-2-c).
Hoe oefen ik met het examen scheikunde havo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.