Eindexamen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: De PEF-fles, Zijde verven, Fenolproductie, Fotonenboer.
Het centraal examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1 telt 27 vragen. De meeste vragen gaan over duurzame chemie (5), bindingen (5) en reactievergelijkingen (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Duurzame chemie | 1-2, 6-8 | 5 |
| Bindingen | 9-13 | 5 |
| Reactievergelijkingen | 5, 15, 25 | 3 |
| Reactiesnelheid | 16-17, 26 | 3 |
| Rekenen aan reacties | 18-19, 24 | 3 |
| Redoxreacties | 22-23, 27 | 3 |
| Koolstofchemie | 3-4 | 2 |
| Scheidingsmethoden | 20-21 | 2 |
| Stoffen en eigenschappen | 14 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over duurzame chemie (19% van de vragen, gemiddeld 4%) en reactiesnelheid (11% van de vragen, gemiddeld 4%). Minder over koolstofchemie (7% van de vragen, gemiddeld 23%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
De PEF-fles
Ieder jaar worden grote hoeveelheden PET-frisdrankflessen geproduceerd. Het Nederlandse bedrijf Avantium heeft een proces ontwikkeld om de kunststof PEF als alternatief voor PET te produceren. Bij de productie van PEF wordt biomassa als grondstof gebruikt, terwijl PET wordt geproduceerd uit aardolie. Voor de productie van PEF worden plantaardige monosachariden zoals glucose gebruikt. Glucose wordt in een eerste proces omgezet tot HMF. Uit HMF kunnen verschillende stoffen worden gemaakt die voor de chemische industrie bruikbaar zijn. In onderstaand schema zijn enkele van deze stoffen schematisch weergegeven.
schema
O H3C O O O HO
H OH
2 1 7
O O O O O O HO HO OH HO H OH FDCA HMF O 6
O O O H3C O CH3 HO OH HO OH
3 4 5
Bij de omzettingen van glucose tot de bovenstaande reactieproducten komt geen koolstofdioxide vrij in de chemische reacties.
Vraag 1 2 punten
Laat dit zien aan de hand van het schema.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: In moleculen glucose zijn zes C atomen aanwezig. In moleculen HMF en van alle andere stoffen in het schema zijn ook zes C atomen aanwezig. (Bij de omzettingen worden dus geen C atomen afgesplitst waardoor in de omzettingen geen CO2 kan vrijkomen.)
Een ander gebruik van glucose is vergisting tot bio-ethanol, een proces dat kan worden weergegeven met onderstaande reactievergelijking.
C H O → 2 C H O + 2 CO
6 12 6 2 6 2
De atoomeconomie van de vergisting van glucose is minder gunstig dan de atoomeconomie van de productie van HMF uit glucose. Voor de productie van HMF is geen andere beginstof dan glucose nodig.
Vraag 2 3 punten
Bereken de atoomeconomie van de productie van ethanol uit glucose en de atoomeconomie van de productie van HMF uit glucose. Gebruik Binas-tabel 37H of ScienceData-tabel 1.7.7.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn weergegeven:
2 × 46,1 Ethanol uit glucose: × 102 = 51, 2(%) 180 126 HMF uit glucose: × 102 = 70, 0(%) 180
Opmerkingen
- Fouten in de significantie hier niet aanrekenen.
- Wanneer de omrekeningen naar percentages zijn weggelaten, dit niet aanrekenen.
Zowel PET als PEF zijn polyesters. PEF is een copolymeer van ethaan-1,2-diol en FDCA (zie schema).
Vraag 3 3 punten
Geef een gedeelte van een molecuul PEF in structuurformule weer. Dit gedeelte moet komen uit het midden van het molecuul en moet bestaan uit twee eenheden van beide monomeren.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer geheel of gedeeltelijk gebruik is gemaakt van juiste schematische structuurformules, dit niet aanrekenen.
Sommige andere stoffen uit het schema kunnen ook worden gebruikt als monomeren voor polyesters. De polymeren zijn dan meestal copolymeren van twee monomeren. Eén stof uit het schema kan echter zonder een ander monomeer als grondstof dienen voor een polyester.
Vraag 4 1 punt
Geef het nummer van de stof uit het schema die zonder gebruik van een ander monomeer een polyester kan vormen.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer als antwoord ‘nummer 1’ is genoemd, dit goed rekenen.
Avantium heeft een productieproces ontwikkeld waarbij FDCA met een hoog rendement geproduceerd kan worden uit HMF. De productie start met de reactie van HMF met methanol waarbij de stof MMF ontstaat. MMF is een ether. HMF + methanol → MMF + H O 2 (reactie 1) In het Avantium-proces wordt MMF vervolgens omgezet tot FDCA volgens reactie 2. MMF + zuurstof → FDCA + methanol (reactie 2)
Vraag 5 3 punten
Geef de vergelijking van reactie 2. Gebruik structuurformules voor de ether MMF, FDCA en methanol.
Bekijk het antwoord
Indien de volgende vergelijking is gegeven: (1)
3 O2 + 2 C7H8 O3 → 2 C6 H4O5 + 2 CH4 O
Opmerkingen
- Wanneer geheel of gedeeltelijk gebruik is gemaakt van juiste schematische structuurformules, dit niet aanrekenen.
- Wanneer O2 is weergegeven met een structuurformule of een onjuiste structuurformule, dit niet aanrekenen.
- Wanneer in vraag 3 onderstaande fout is gemaakt in de structuurformule van de monomeereenheid van FDCA
en in vraag 5 dezelfde fout is gemaakt in de structuurformules van MMF en/of FDCA, dit hier niet aanrekenen.
Een al langer bekend proces om MMF om te zetten tot FDCA is weergegeven in reactie 3. MMF + zuurstof → FDCA + H O + CO 2 2 (reactie 3) De productie van FDCA volgens reacties 1 en 2 heeft een hoger rendement dan volgens reacties 1 en 3. Ook is de productiemethode van Avantium duurzamer als je let op de uitgangspunten van de Groene Chemie. Een medewerker van Avantium schrijft een artikel voor een breed publiek. In het artikel verwerkt de medewerker twee argumenten op basis van uitgangspunten 1 en 2 van de Groene Chemie, zodat duidelijk wordt dat het productieproces van Avantium duurzamer is dan het oude proces.
Vraag 6 2 punten
Geef twee argumenten die de medewerker in het artikel kan opnemen. Maak gebruik van Binas-tabel 97F of ScienceData-tabel 38.6. Noteer je antwoord als volgt:
- Op basis van uitgangspunt 1:
- Op basis van uitgangspunt 2:
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd, per uitgangspunt enkele voorbeeldantwoorden: Op basis van uitgangspunt 1:
- Als reacties 1+2 worden opgeteld is te zien dat alleen H2 O als bijproduct ontstaat. Bij reacties 1+3 komt ook nog CO2 vrij. CO2 is een afvalstof (die bijdraagt aan het versterkte broeikaseffect).
- In het oude proces komt CO2 vrij. CO2 is een afvalstof (die bijdraagt aan het versterkte broeikaseffect).
- In reactie 2 komt methanol vrij. Dit is geen afvalstof omdat dit kan worden gebruikt in reactie 1 / kan worden verkocht / kan dienen als brandstof.
- Het rendement van het proces van Avantium is hoger. Dat betekent dat er (meer product en) minder afval wordt geproduceerd.
Op basis van uitgangspunt 2:
- In het oude proces komt CO2 vrij. Het C atoom van methanol wordt dus niet in het product opgenomen.
- Bij reacties 1+3 komt meer water vrij. De atoomeconomie van reacties 1+2 is dus beter dan die van 1+3.
- Bij reacties 1 en 2 komt alleen H2 O vrij, terwijl bij 1 en 3 ook nog CO2 vrijkomt. De atoomeconomie van reacties 1+2 is dus beter dan van reacties 1+3.
- Bij reacties 1+3 is meer zuurstof nodig dan bij reacties 1+2. De atoomeconomie van reacties 1+2 is dus beter dan van reacties 1+3.
- Uit de totaalvergelijkingen van de reacties valt op te maken dat bij reacties 1+2 minder grondstof nodig is: 1+2: C6 H6O3 + 1½ O2 → C6H4 O5 + H2O 1+3: C6 H6O3 + CH4O + 3 O2 → C6 H4 O5 + 3 H2 O + CO2 .
Opmerking Wanneer als argument op basis van uitgangspunt 1 is geantwoord dat bij reacties 1+3 meer water (als afval) vrijkomt, dit als argument goed rekenen.
Wetenschappers hebben met behulp van modellen de CO2-uitstoot berekend tijdens de zogeheten levenscyclus van zowel PET als PEF. In de berekening van deze CO2-levenscyclus-uitstoot wordt uitgegaan van de volgende punten:
1 de CO2-uitstoot van het productieproces en het transport van stoffen.
2 PET en PEF worden even vaak gerecycled.
3 de CO2-uitstoot van het verbranden van PET- en PEF-afval. De CO2-uitstoot van de verbranding van PEF (punt 3) wordt buiten beschouwing gelaten als FDCA en ethaan-1,2-diol geheel uit biomassa worden gemaakt. De CO2-uitstoot van de verbranding van PET wordt niet buiten beschouwing gelaten.
Vraag 7 2 punten
Leg uit waarom de CO2-uitstoot van de verbranding van PEF-afval buiten beschouwing wordt gelaten in de berekening van de CO2-levenscyclus- uitstoot als FDCA en ethaan-1,2-diol geheel uit biomassa zijn gemaakt en waarom die bij PET niet buiten beschouwing wordt gelaten.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Bij de vorming van biomassa is kort geleden (tijdens de fotosynthese) CO2 vastgelegd. Als PEF wordt verbrand, komt deze CO2 weer vrij (waardoor de verbranding van PEF geen bijdrage levert aan het versterkte broeikaseffect). PET is geheel geproduceerd op basis van aardolie. Als PET wordt verbrand, komt CO2 vrij die lang geleden is vastgelegd.
Opmerking Wanneer het volgende antwoord is gegeven: ‘De CO2 -uitstoot van PEF is (uiteindelijk) afkomstig uit de korte koolstofkringloop en de CO2-uitstoot van PET niet’, dit goed rekenen.
De berekende waarde van de CO2-uitstoot tijdens de levenscyclus van geheel uit biomassa gemaakt PEF is 0,8 ton CO2 per ton polymeer. De berekende waarde van de CO2-uitstoot tijdens de levenscyclus van PET is 4,4 ton CO2 per ton polymeer.
Vraag 8 3 punten
Bereken hoeveel ton CO2 per ton PET wordt uitgestoten door het productieproces en het transport van stoffen. Gebruik C10H8O4 als formule voor (de repeterende eenheid van) PET.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: 106 44, 0 4, 4
- × 10 × 2,1 (ton) = 192 106
Zijde verven
Zijderupsen spinnen een cocon van zijdevezels waarin ze verpoppen. Deze vezels worden al eeuwen gebruikt om er kleding van te produceren. In de zijdevezels zijn twee soorten eiwitten aanwezig: sericine en fibroïne. De sericine vormt de buitenste laag van de vezels. Bij de productie van zijdegaren voor kleding wordt de sericine voor een groot deel verwijderd. De fibroïne komt voor in de vorm van vezels die niet alleen zacht maar ook sterk zijn. Een aantal structuurkenmerken van fibroïne-vezels is in figuur 1 weergegeven.
[figuur 1: zie het originele examen] 1.1 gebieden met gestapelde bèta-platen 1.2 heen en weer slingerende eiwitketen in één bèta-plaat
restgroepen Ala (boven vlak)
restgroepen Gly (onder vlak)
In figuur 1.1 is te zien dat in fibroïne ongeordende stukken eiwitketen worden afgewisseld met sterk geordende gebieden. In de geordende gebieden zijn telkens ongeveer tien β-platen op elkaar gestapeld. De primaire structuur van de eiwitketen in een β-plaat in fibroïne kan vereenvoudigd worden weergegeven als ~ ( Gly
- Ala )n ~. In figuur 1.2 is schematisch met streepjes en bolletjes weergegeven dat de restgroepen van Ala zich steeds aan de ene zijde van een β-plaat bevinden, terwijl de restgroepen van Gly zich aan de andere zijde bevinden. Uit figuur 1.2 is op te maken dat de eiwitketen heen en weer slingert in een β-plaat. De C=O groepen en de N–H groepen van de aminozuureenheden in de eiwitketen liggen tegenover elkaar. Deze groepen vormen uitsluitend in het vlak van de β-plaat waterstofbruggen. Op de uitwerkbijlage is een fragment van een β-plaat onvolledig weergegeven. De eiwitketen in het fragment begint linksboven. Met zijn bindingen aangegeven die omhoog wijzen en met zijn bindingen aangegeven die naar beneden wijzen. Onder het fragment is schematisch ruimtelijk weergegeven hoe de eiwitketen op en neer gaat in een β-plaat.
Vraag 9 4 punten
Maak het fragment op de uitwerkbijlage compleet met de ontbrekende atomen en atoombindingen. Geef waterstofbruggen aan met stippellijntjes.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer CH3 groepen ‘naar binnen toe’ zijn weergegeven, dit niet aanrekenen.
- Wanneer, behalve juiste waterstofbruggen, ook onjuiste waterstofbruggen zijn weergegeven, de vierde deelscore niet toekennen.
Binnen de fibroïne-vezels zijn de ongeordende stukken eiwitketen gemakkelijk te vervormen. Hiermee kunnen de elastische eigenschappen van zijde worden verklaard. De geordende gebieden vertonen daarentegen een grote weerstand tegen vervormen. Dit kan worden verklaard door de sterke vanderwaalsbinding die tussen de β-platen heerst.
Vraag 10 2 punten
Geef twee redenen op microniveau waarom tussen de β-platen een sterke vanderwaalsbinding heerst.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van juiste redenen (twee van de volgende): − De β-platen hebben een groot contact-oppervlak. − De β-platen hebben een grote massa / zijn grote moleculen. − De onderlinge afstand tussen de β-platen is klein. − De ketens zijn compact gestapeld / passen precies op elkaar / hebben een regelmatige opbouw. per juiste reden (1) (2)
Uit metingen blijkt dat de β-platen in de geordende gebieden een regelmatige tussenafstand van afwisselend 0,35 nm en 0,57 nm vertonen. Dat er tussen de β-platen twee verschillende tussenafstanden bestaan, komt door de manier waarop de β-platen zijn gestapeld.
Vraag 11 2 punten
Leg uit op welke manier de β-platen zijn gestapeld. Geef in je antwoord aan hoe met deze stapeling kan worden verklaard dat in de geordende gebieden twee verschillende tussenafstanden bestaan. Maak gebruik van figuur 1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: In figuur 1.2 is te zien dat op één β-plaat de CH3 groepen / de restgroepen van Ala telkens naar boven steken. De CH3 restgroepen nemen meer ruimte in (tussen de β-platen) dan de H atomen / dan de restgroepen van Gly. De twee verschillende tussenafstanden tussen de β-platen ontstaan doordat de β-platen zo zijn gestapeld dat de CH3 groepen van opeenvolgende β-platen telkens naar elkaar wijzen (en de H atomen ook telkens naar elkaar wijzen).
Indien een antwoord is gegeven als: ‘In figuur 1.1 is te zien dat de platen zijn gestapeld als , waar de afstand tussen de platen klein is. Als de platen zijn gestapeld als , is de afstand tussen de platen groter.’ (1) Indien een antwoord is gegeven als: ‘Als de platen zijn gestapeld als , zitten de platen telkens dicht bij elkaar en dan weer verder weg.’ (0)
Zijde verven is erg milieubelastend, omdat veel water wordt verbruikt dat na gebruik vervuild is met resten van de kleurstoffen. Een groep Indiase onderzoekers heeft onderzocht of het mogelijk is de zijderupsen gekleurde zijde te laten produceren door hun voedsel te besprenkelen met kleurstoffen. De gekozen kleurstoffen behoren tot de zogeheten azoverbindingen. In azoverbindingen komt het structuurelement R–N=N–R voor. Hierbij staat R voor een fenylgroep. Azoverbindingen kunnen zowel in een cis- als in een trans-vorm voorkomen.
Vraag 12 3 punten
Geef de Lewisstructuren van de cis- en de trans-vorm van een azoverbinding en leg uit waarom van een azoverbinding zowel een cis- als een trans-vorm voorkomt. Gebruik R–N=N–R als notatie voor een azoverbinding.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd:
Er is geen vrije draaibaarheid rond de N=N binding. / De N=N binding is star (en aan elk N atoom zijn twee ongelijke groepen gebonden waardoor van azoverbindingen cis- en trans-vormen voorkomen).
Opmerking Wanneer bij de groep(en) R ook niet-bindende elektronenparen zijn weergegeven, dit niet aanrekenen.
Als een rups de kleurstof heeft opgenomen, zal de kleurstof zich in het zijdespinsel verdelen over de relatief hydrofiele sericine en de hydrofobe fibroïne. Om vooraf te bepalen of een kleurstof overwegend in de sericine of in de fibroïne zal worden opgenomen, hebben de onderzoekers van een aantal kleurstoffen de verdelingscoëfficiënt bepaald in een tweelagen- systeem van water en de hydrofobe vloeistof octaan-1-ol.
Hierbij was de hypothese dat deze verdelingscoëfficiënt een relatie heeft met de mate van kleuring van beide vezelsoorten sericine en fibroïne. Deze verdelingscoëfficiënt Kv kan worden weergegeven als: [ kleurstof ]octaan-1-ol Kv = [ kleurstof ]water De resultaten van de onderzoekers zijn in onderstaande tabel samengevat. In de tabel staan de structuurformules van de deeltjes zoals die in een oplossing in water voorkomen. De onderzochte kleurstoffen zijn gerangschikt op toenemende Kv.
tabel
stof structuurformule Kv N SO3 HO N
D1 OH 2·10–2 N O3S N
N O 3S N
D2 OH 2·10–1 O3S
OH
N N
D3 2 SO3
OH HO SO3 N D4 N 3
OH
N D5 N SO3 4
OH
> 102 N D6 N N N
Vraag 13 2 punten
Geef een verklaring aan de hand van de structuurformules waarom de waarde van Kv van stof D6 groter is dan die van stof D1. Je hoeft hierbij geen rekening te houden met de molecuulmassa.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer het volgende antwoord is gegeven: ‘Een hoge waarde van Kv geeft aan dat de kleurstof beter oplost in octaan-1-ol dan in water. D6 is meer hydrofoob doordat in het molecuul minder OH groepen aanwezig zijn / doordat het molecuul minder waterstofbruggen kan vormen.’, dit goed rekenen.
Het blijkt dat de cocons gekleurd zijn als de stoffen D3, D4 en D5 aan het voedsel van de rupsen worden toegevoegd. De stoffen D1, D2 en D6 geven geheel geen kleuring. Op basis van de tabel en informatie uit deze opgave kan worden bepaald welke van de kleurstoffen D3, D4 of D5 het meest geschikt is om op deze manier zijdevezels voor textiel te kleuren.
Vraag 14 2 punten
Leg uit welke van de kleurstoffen D3, D4 of D5 het meest geschikt is om op deze manier zijdevezels voor textiel te kleuren. Maak gebruik van de tabel en eerder in deze opgave verstrekte gegevens.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Stof D5. Van de cocons wordt alleen de fibroïne gebruikt. Omdat fibroïne hydrofoob is, is de meest hydrofobe kleurstof het meest geschikt. Uit de tabel blijkt dat D5 de hoogste waarde van K v heeft / het meest hydrofoob is.
Opmerking Wanneer een onjuist antwoord op vraag 14 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 13, dit niet aanrekenen.
Fenolproductie
Fenol (benzenol) is een belangrijke grondstof voor veel synthetische producten, waaronder geneesmiddelen en kunststoffen. Fenol wordt geproduceerd volgens het zogeheten cumeen-proces. Een vereenvoudigd blokschema van dit proces staat op de uitwerkbijlage. Uit het blokschema kan de totaalvergelijking voor de vorming van fenol volgens het cumeen- proces worden afgeleid.
Vraag 15 2 punten
Geef de totaalvergelijking voor de vorming van fenol volgens het cumeen- proces. Gebruik structuurformules voor de koolstofverbindingen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien het volgende antwoord is gegeven (1)
Indien in een overigens juist antwoord H2SO4 voor en na de pijl is genoteerd (1)
Opmerkingen
- Wanneer geheel of gedeeltelijk gebruik is gemaakt van juiste schematische structuurformules, dit niet aanrekenen.
- Wanneer O2 is weergegeven met een structuurformule of een onjuiste structuurformule, dit niet aanrekenen.
- Wanneer in een overigens juist antwoord H2 SO4 boven de pijl is genoteerd, dit niet aanrekenen.
In reactor 1 (R1) reageert propeen volledig met benzeen. Daarbij ontstaat cumeen. In R2 reageert een deel van het gevormde cumeen met zuurstof tot cumeenhydroperoxide (CHP), zoals weergegeven in onderstaande reactievergelijking. O H O H3C CH CH3 H3C C CH3
O2
cumeen CHP
In scheidingsruimte 1 (S1) wordt een groot deel van het overgebleven cumeen afgescheiden. Het mengsel dat overblijft, bevat 82,5 massa% CHP en 17,5 massa% cumeen. In R3 wordt CHP grotendeels omgezet tot fenol en propanon. Fenol en propanon ontstaan in de molverhouding 1 : 1. Hierbij wordt zwavelzuur als katalysator gebruikt. Omdat de reactie in R3 zeer exotherm is, is het belangrijk om de temperatuur in deze reactor nauwkeurig te regelen. Als de temperatuur te hoog oploopt, leidt dat namelijk tot veiligheidsrisico’s. Tevens ontstaan dan ongewenste nevenproducten.
Vraag 16 1 punt
Geef een mogelijke verklaring waarom de vorming van nevenproducten in R3 alleen optreedt bij een hoge temperatuur.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juiste verklaring zijn: − De reacties die leiden tot nevenproducten hebben mogelijk een hoge activeringsenergie. (Als de activeringsenergie hoog is, is een hogere temperatuur nodig om de reactie te laten verlopen.) − De nevenproducten worden mogelijk in een evenwicht gevormd dat bij lage temperatuur aan de exotherme kant ligt / dat bij hoge temperatuur naar de endotherme kant verschuift. − De reacties die leiden tot nevenproducten zijn mogelijk endotherm. − Bij hoge temperatuur kunnen de reactieproducten ontleden / met elkaar reageren. − Bij hoge temperatuur verlopen reacties sneller, die anders te langzaam zijn om een product van enig belang te kunnen produceren. (1)
Reactor 3 is een buisreactor. Door het grote oppervlak van de buis kan R3 goed worden gekoeld. Voordat het mengsel afkomstig uit S1 in R3 wordt gepompt, wordt nog extra propanon toegevoegd. Het toevoegen van propanon aan de instroom in R3 draagt bij aan een veilig proces in R3.
Vraag 17 2 punten
Geef twee redenen waarom het toevoegen van propanon aan de instroom in R3 bijdraagt aan een veilig proces in R3.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer de volgende reden is gegeven: ‘Door het toevoegen van propanon wordt het massapercentage van het explosiegevaarlijke CHP verlaagd.’, deze reden goed rekenen.
Aan de instroom in R3 wordt extra propanon toegevoegd, zodat in de uitstroom van R3 de molverhouding fenol : propanon gelijk is aan 1,00 : 1,50. De molaire massa van propanon is 58,1 g mol–1 en die van CHP is 152 g mol–1.
Vraag 18 3 punten
Bereken hoeveel ton propanon er aan 1,0 ton van de instroom in R3 moet worden toegevoegd om de juiste molverhouding fenol : propanon in de uitstroom van R3 te handhaven. Een ton is 103 kg. Neem hier aan dat CHP volledig wordt omgezet tot fenol en propanon.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- berekening van het aantal mol CHP per ton mengsel bij de instroom in R3: 1,0 (ton) vermenigvuldigen met 106 (g ton–1) vermenigvuldigen met 82,5(%) en delen door 102 (%) en delen door 152 (g mol–1 ) (1)
- notie dat een halve mol propanon per mol CHP aan de instroom van R3 moet worden toegevoegd (omdat in R3 1 mol propanon wordt gevormd per mol fenol) (1)
- berekening van de massa toegevoegde propanon: het aantal mol CHP vermenigvuldigen met het berekende aantal mol propanon per mol CHP dat moet worden toegevoegd en vermenigvuldigen met 58,1 (g mol–1) en de uitkomst delen door 106 (g ton–1 ) (1)
Het CHP-gehalte in de uitstroom van R3 wordt voortdurend gecontroleerd. Een gehalte hoger dan 2 massa% leidt namelijk tot explosiegevaar in de scheidingsruimten die erna komen. Deze controle gebeurt door een klein gedeelte van de uitstroom van R3 naar een microreactor te leiden. In de microreactor reageert het aanwezige CHP volgens dezelfde reactie als in R3, waardoor de temperatuur van de vloeistofstroom stijgt. Uit de temperatuurstijging van de vloeistofstroom kan het gehalte CHP in de uitstroom van R3 worden berekend. Op een gegeven moment wordt een temperatuurstijging van 7,3 °C gemeten. De soortelijke warmte van een stof kan worden gedefinieerd als het aantal joule dat nodig is om 1 g stof 1 K in temperatuur te laten stijgen.
Vraag 19 3 punten
Ga door berekening na of er in dit geval sprake is van explosiegevaar. De reactiewarmte van de reactie is –252 kJ per mol CHP. De soortelijke warmte van de vloeistof is 2,4 J g–1 K–1. In scheidingsruimten S2, S3 en S4 wordt het mengsel afkomstig uit R3 gescheiden door destillatie. De kookpunten (p = p0) van de stoffen bedragen: propanon (56 °C); cumeen (152 °C); CHP (153 °C); fenol (182 °C); zwavelzuur (330 °C).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van juiste antwoorden zijn:
1 × 2, 4 × 7,3 × 152
- 252 ⋅103 × 102 = 1,1(%) . Het bepaalde massapercentage is 1 lager dan 2%, dus er is geen explosiegevaar. 2 × 252 ⋅103
- 152 = 14 (o C) . Deze temperatuurstijging is hoger dan
100 × 2, 4 gemeten, dus er is geen explosiegevaar.
- berekening van het aantal mol CHP dat maximaal aanwezig mag zijn, bijvoorbeeld per 100 gram reactiemengsel: 2 (g) delen door
152 (g mol–1) (1)
- berekening van de maximaal toegestane temperatuurstijging en consequente conclusie: de vrijgekomen energie delen door 100 (g) en door 2,4 (J g–1 K–1) en consequente conclusie (1p)
Opmerking De significantie in deze vraag niet beoordelen.
Vraag 20 2 punten
Leg mede met behulp van het blokschema uit tussen welke grenzen de temperatuur in S2 moet liggen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Uit het blokschema blijkt dat zwavelzuur wordt gescheiden van cumeen, fenol en propanon. De temperatuur moet dus hoger zijn dan 182 °C, want dat is hoger dan de kookpunten van cumeen, fenol en propanon. De temperatuur moet lager zijn dan 330 °C / het kookpunt van zwavelzuur.
Indien juiste waardes zijn gegeven zonder uitleg (1)
Opmerking Wanneer in een overigens juiste redenering de waardes 183 °C en 329 °C als grenzen zijn vermeld, dit niet aanrekenen.
Op de wereldmarkt stijgt de vraag naar fenol sneller dan de vraag naar propanon. Om te voorkomen dat propanon afval wordt, heeft het Japanse bedrijf Mitsui een methode ontwikkeld om de ontstane propanon om te zetten tot propeen. In een extra reactor (R4) verloopt de additie van waterstof aan de C=O groep van het propanon. In een volgende reactor (R5) ontstaan door een eliminatiereactie water en propeen uit de in R4 gevormde stof. Na een scheidingsstap (S5) wordt het gevormde propeen weer gebruikt in het cumeen-proces.
Vraag 21 4 punten
Vul het blokschema op de uitwerkbijlage aan met de methode die Mitsui heeft ontwikkeld. Geef ontbrekende blokken en pijlen weer en vermeld stofnamen bij de pijlen. Neem aan dat er hierbij geen andere stoffen nodig zijn, dat er geen nevenproducten ontstaan en dat de reacties aflopend zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer behalve de instroom van propeen in R1 uit S5 ook nog een instroom van buiten is weergegeven dit niet aanrekenen, mits elders in het blokschema een (gedeeltelijke) uitstroom van propanon is aangegeven.
- Wanneer in het antwoord bij vraag 15 de structuurformule van propanal is gegeven en in vraag 21 bij de uitstroom van R4 naar R5 propaan-1-ol is aangegeven, dit hier niet aanrekenen.
Fotonenboer
Een Nederlandse melkveehouder voorziet sinds 2010 met zonnecellen in de eigen energiebehoefte. Voor de opslag van overdag teveel geproduceerde energie is op de boerderij een zogeheten Vanadium Redox Flow Battery (VRFB) geplaatst. In deze VRFB worden oplossingen met verschillende vanadiumionen vanuit twee opslagtanks door een aantal geschakelde elektrochemische cellen gepompt. Dit proces is in de figuur hieronder vereenvoudigd weergegeven met één elektrochemische cel. In deze opgave wordt de term vanadiumionen gebruikt voor (combinaties van) de deeltjes VO2 , VO2+, V3+ en V2+. +
In beide oplossingen is verder alleen opgelost zwavelzuur aanwezig.
figuur
VO2+ V3+
VO2+ V2+ H+ SO42- membraan H+ SO42-
Wanneer de VRFB voor het eerst in gebruik wordt genomen, is van de genoemde vanadiumionen in de linker opslagtank alleen VO2+ aanwezig en in de rechter opslagtank alleen V3+. In deze situatie levert de VRFB geen stroom. Doordat in de VRFB selectieve membranen worden toegepast, worden tijdens het opladen en de stroomlevering vrijwel uitsluitend H+ ionen doorgelaten.
Vraag 22 4 punten
Geef de vergelijking van beide halfreacties die tijdens het opladen optreden. Geef je antwoord als volgt weer: linker halfcel: … rechter halfcel: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien het volgende antwoord is gegeven: (2) linker halfcel: VO2+ + 2 H+ + 2 e– → V2+ + H2O rechter halfcel: V3+ + 2 H2O → VO2+ + 4 H+ + 2 e–
Opmerking Wanneer vergelijkingen zijn gegeven, die gelden voor de stroomlevering, hiervoor maximaal 3 scorepunten toekennen.
Vraag 23 2 punten
Leg uit in welke richting de H+ ionen door het membraan passeren tijdens het opladen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Tijdens het opladen verandert de totale lading van de positieve ionen in de linker halfcel van 2+ naar 3+. In de rechter halfcel verandert de lading van 3+ naar 2+. Omdat beide oplossingen neutraal moeten blijven, moeten positieve ionen van de linker naar de rechter halfcel worden getransporteerd. Omdat alleen H+ ionen het membraan kunnen passeren, zullen deze van links naar rechts bewegen.
Indien een antwoord is gegeven als: ‘In de linker halfcel ontstaan H+ ionen, dus de H+ ionen bewegen van links naar rechts.’ (1)
Opmerkingen
- Wanneer een antwoord is gegeven als: ‘Tijdens het opladen bewegen de elektronen van links naar rechts, dus de H+ ionen bewegen van links naar rechts.’, dit goed rekenen.
- Wanneer een onjuist antwoord op vraag 23 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 22, dit niet aanrekenen.
De VRFB van de fotonenboer is een CellCube type FB 10-100. Het typenummer geeft informatie over de twee belangrijkste kenmerken van de VRFB:
- Het vermogen (de hoeveelheid energie die per seconde kan worden geleverd) bedraagt 10 kJ s–1.
- De opslagcapaciteit (de maximale hoeveelheid elektrische energie die kan worden geleverd) bedraagt 100 kWh.
Het totale rendement van de omzetting van chemische energie in elektrische energie van deze VRFB bedraagt 67%. Bij stroomlevering geeft 1 mol elektronen 1,35·105 J energie af aan het lichtnet.
Vraag 24 3 punten
Bereken hoeveel m3 oplossing voor één opslagtank nodig is om de VRFB voor het eerste gebruik te vullen. Gebruik onder andere de volgende gegevens:
- Vóór het eerste gebruik bedraagt de concentratie van de vanadiumionen in de gebruikte oplossingen 1,7 M.
- Een kWh is 3,6·106 J.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: 6 102 100 × 3, 6 ⋅ 10 × 67 ×1 5 1,35 ⋅10 × 10−3 = 2,3 (m3 ) 1, 7
Opmerking Wanneer een onjuist antwoord op vraag 24 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 22, dit niet aanrekenen.
Uit onderzoek is gebleken dat onder bepaalde omstandigheden een neerslag van de vaste stof V2O5.3H2O ontstaat in de linker opslagtank. Deze stof wordt gevormd uit VO2+ ionen en één andere stof. Bij deze reactie ontstaat één ander soort deeltje. +
Vraag 25 3 punten
Geef de reactievergelijking van de vorming van V2O5.3H2O uit VO2 .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- links van de pijl uitsluitend VO2+ en H2O (1)
- rechts van de pijl uitsluitend V2O5 .3H2O en H3O+/H+ (1)
- bij juiste formules voor en na de pijl juiste coëfficiënten (1)
Een andere boer wil een VRFB aanschaffen met een hogere opslagcapaciteit en een hogere maximale stroomsterkte dan de genoemde CellCube. In de tabel op de uitwerkbijlage staan vijf aanpassingen die de fabrikant kan doen om tegemoet te komen aan de eisen van deze boer. Uit de tabel valt onder andere op te maken dat een hogere concentratie vanadiumionen zorgt voor een toename van de opslagcapaciteit en de maximale stroomsterkte van de VRFB.
Vraag 26 2 punten
Verklaar aan de hand van het botsende-deeltjes-model dat een hogere concentratie vanadiumionen zorgt voor een toename van de maximale stroomsterkte van de VRFB.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Bij een hogere concentratie vanadiumionen zijn er per seconde meer (effectieve) botsingen (op het oppervlak van de elektroden). Hierdoor worden (per seconde) meer elektronen opgenomen/afgestaan (waardoor de maximale stroomsterkte toeneemt).
Vraag 27 2 punten
Geef in de tabel op de uitwerkbijlage met een kruisje aan welke aanpassingen een toename van de opslagcapaciteit en/of een toename van de maximale stroomsterkte veroorzaken. Neem steeds aan dat de overige factoren geen beperking vormen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking De rij ‘de tanks vergroten’ niet beoordelen.
veroorzaakt een toename van de opslag-capaciteit stroomsterkte Aanpassing VRFB (J) (C s–1) de concentratie vanadiumionen X X verhogen meerdere elektrochemische cellen X aansluiten op dezelfde tanks de tanks vergroten membranen gebruiken die de X ionenstroom beter doorlaten poreuze elektrodes gebruiken voor X een groter contactoppervlak
indien drie rijen juist ingevuld (2) indien twee rijen juist ingevuld (1) in alle andere gevallen (0)
Opmerking Wanneer in de tabel bijvoorbeeld mintekens zijn opgenomen in plaats van lege plekken, dit niet aanrekenen.
Toelichting op het vervallen van de rij ‘de tanks vergroten’: Het is mogelijk dat een kandidaat de aanpassing ‘de tanks vergroten’ verkeerd interpreteert. Wanneer de interpretatie is ‘alleen het volume van de tanks neemt toe, maar niet het volume van de vloeistof’, zou de kandidaat onnodig een scorepunt missen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2018, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-1/vw-1028-a-18-1-o
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1?
Het centraal examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1 telt 27 vragen. De meeste vragen gaan over duurzame chemie (5), bindingen (5) en reactievergelijkingen (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2018, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-1/vw-1028-a-18-1-c).
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.