Eindexamen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Dioxines en PCB’s, Alcoholen uit CO2, Biodiesel uit sheaboter, Bacteriële polymeren, Ademtest voor leverziekte.
Het centraal examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (7), rekenen aan reacties (5) en bindingen (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 1, 14, 16-19, 22 | 7 |
| Rekenen aan reacties | 6, 10, 12, 23-24 | 5 |
| Bindingen | 2, 15, 21 | 3 |
| Atoombouw | 3-4 | 2 |
| Stoffen en eigenschappen | 8, 20 | 2 |
| Reactievergelijkingen | 11, 13 | 2 |
| Redoxreacties | 5 | 1 |
| Zuren en basen | 7 | 1 |
| Scheidingsmethoden | 9 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over koolstofchemie (29% van de vragen, gemiddeld 21%) en atoombouw (8% van de vragen, gemiddeld 0%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Dioxines en PCB’s
Dioxines en PCB’s zijn zeer giftige chloorbevattende stoffen die zich gemakkelijk ophopen in vetweefsel. Onder de term dioxines vallen twee groepen stoffen: PC-DD’s en PC-DF’s. In figuur 1 is de basisstructuur van de PC-DD’s, PC-DF’s en PCB’s weergegeven.
[figuur 1: zie het originele examen]
In elke weergegeven structuur kunnen een of meer waterstofatomen zijn vervangen door chlooratomen. In de afkortingen wordt daarom PC (polychloor) gebruikt.
Vraag 1 3 punten
Geef het aantal mogelijke structuurisomeren voor elke groep stoffen in figuur 1, wanneer in de structuurformules één chlooratoom aanwezig is. Noteer je antwoord als volgt: PC-DD: … isomeren PC-DF: … isomeren PCB: … isomeren
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- PC-DD: twee isomeren (1)
- PC-DF: vier isomeren (1)
- PCB: drie isomeren (1)
In 1976 kwam in Seveso in Italië door een fout in de productie van 2,4,5-trichloorfenol een grote hoeveelheid 2,3,7,8-tetrachloor-DD vrij. Deze stof is de giftigste dioxine. Men heeft ontdekt dat de toxische werking hiervan mede wordt veroorzaakt door de platte vorm van de moleculen. In figuur 2 zijn de structuurformules van twee PCB’s weergegeven. Een molecuul PCB-126 kan ook een platte vorm aannemen, wat mede verklaart waarom deze stof een vergelijkbare toxische werking heeft als 2,3,7,8-tetrachloor-DD. PCB-54 heeft deze toxische werking niet.
Vraag 2 2 punten
Leg uit dat PCB-126 wel een platte vorm kan aannemen en PCB-54 niet. Gebruik hierbij begrippen op microniveau.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Om een platte vorm aan te kunnen nemen, moeten de twee benzeenringen in hetzelfde vlak komen te liggen. (Als op plaatsen 2-2’-6-6’ waterstofatomen aanwezig zijn, kunnen de benzeenringen voldoende draaien.) Chlooratomen zijn veel groter dan waterstofatomen / Chlooratomen hebben wel een partiële lading (en waterstofatomen niet). Als op plaatsen 2-2’-6-6’ chlooratomen aanwezig zijn, stoten deze elkaar af / zitten deze elkaar in de weg. (Een molecuul PCB-54 kan daarom geen platte vorm aannemen).
Dioxines ontstaan bij verbrandingsreacties, zowel in verbrandingsovens als bij natuurlijke branden. Eenmaal in het milieu terechtgekomen, hopen dioxines zich op in het vetweefsel van onder andere paling. Omdat paling wordt geconsumeerd, wordt regelmatig onderzocht of in paling dioxines aanwezig zijn. Hiertoe worden monsters van palingen genomen, waarna met massaspectrometrie wordt bepaald welke stoffen in de monsters aanwezig zijn. In figuur 3 is het massaspectrum van zuiver 2,3,7,8- tetrachloor-DD vereenvoudigd weergegeven.
[figuur 3: zie het originele examen]
De bundel van vijf pieken vanaf m/z = 320 is afkomstig van het molecuulion. De formule van het molecuulion is C12H4O2Cl4+.
Vraag 3 2 punten
Geef de isotopensamenstelling van het molecuulion met m/z = 322.
- Neem aan dat van alle isotopen van C, H en O alleen de meest voorkomende isotopen in het ion aanwezig zijn.
- Noteer van elke atoomsoort de isotoop en het aantal atomen.
- Gebruik hierbij Binas-tabel 25 of ScienceData-tabel 1.11.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Het deeltje bevat twaalf atomen 12C, vier atomen 1H, twee atomen 16O, drie atomen 35Cl en één atoom 37Cl.
- 12 C12 1H 4 16 O 2 35 Cl3 37 Cl
In het massaspectrum zijn drie samenhangende piekenbundels te zien. Vanaf m/z = 320 zijn er vijf pieken van het molecuulion, vanaf m/z = 257 vier pieken van één fragmention en vanaf m/z = 194 drie pieken van één volgend fragmention. De piekenbundels ontstaan doordat telkens een fragment COCl afsplitst.
Vraag 4 2 punten
Leg uit dat de piekenbundel bij m/z = 257 vier pieken bevat. Neem aan dat van alle isotopen van C, H en O alleen de meest voorkomende isotopen in het ion aanwezig zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: De piekenbundel vanaf m/z = 257 hoort bij het molecuulion met drie chlooratomen. Omdat chloor twee isotopen heeft (A en B), zijn er vier pieken te zien: AAA
- BAA
- BBA
- BBB.
Alcoholen uit CO2
De stijging van het CO2-gehalte in de atmosfeer heeft geleid tot onderzoek naar het gebruik van CO2 als grondstof voor brandstoffen. Zo is bijvoorbeeld de elektrochemische omzetting van CO2 tot methanol onderzocht. Hierbij is gebruikgemaakt van een elektrochemische cel zoals is weergegeven in figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Vraag 5 3 punten
Geef met behulp van figuur 1 de vergelijking van de halfreactie waarbij CO2 wordt omgezet tot methanol.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- links van de pijl CO2 en rechts van de pijl CH3OH en de C-balans juist (1)
- rechts van de pijl H2O en de O-balans juist bij uitsluitend de juiste stoffen links en rechts van de pijl (1)
- links van de pijl H+ en e–, en de H-balans en de ladingsbalans juist (1)
De totaalvergelijking van de reactie in de elektrochemische cel is hieronder weergegeven.
2 CO2 (g) + 4 H2O (l) → 2 CH3OH (l) + 3 O2 (g) (totaalreactie)
Vraag 6 3 punten
Bereken de reactiewarmte van de totaalreactie per mol methanol.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
( 3,94 + 2 × 2,86
- 2,39 ) ·105 = 7, 27 ·105 (J mol−1 )
of
De reactiewarmte is
- Ebegin + Eeind =
2 4 (2)
- × (−3,94 ·105 ) + × (−2,86 ·105 ) + × (−2,39 ·105 ) = 7, 27 ·105 (J mol−1 )
2 2 (2)
Opmerking De volgende berekening goed rekenen: 3,94 + 2 × 2,86
- 2,39 = 7, 27 ·105 (J mol−1 )
De elektrode die in het onderzoek is gebruikt, was bedekt met een laagje polyaniline. Hiervoor is gekozen omdat door de polyaniline niet alleen elektrische energie maar ook lichtenergie kan worden overgedragen bij elektrochemische reacties. Het rendement van de omzetting van CO2 tot methanol nam inderdaad sterk toe wanneer de elektrode werd belicht met een felle lamp. Men heeft de stroomsterkte tijdens de omzetting onderzocht, waarbij de volgende omstandigheden werden gekozen:
- De oplossing bevatte geen CO2 (blanco) of was juist verzadigd met CO2.
- De cel werd verlicht of verduisterd.
Vraag 7 3 punten
Bereken de pH van een verzadigde oplossing van CO2 in water.
- Ga er hierbij van uit dat CO2 zich gedraagt als een eenwaardig zuur.
- De maximale oplosbaarheid van CO2 bedraagt 5,31∙10–2 mol L–1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
(H2CO3 + H2O H3O+ + HCO3– , dus) [H3O+ ][HCO3− ] Kz = . De pH is gevraagd, dus stel H3O+ op x. [H 2 CO3 ] 2 x·x x Kz = , gegevens invullen levert 4,5 ·10−7 = . [H 2 CO 3 ]
- x 5,31·10−2
- x Hieruit volgt x = 1,54 ·10−4 (mol L−1 ) dus pH =
- log1,54 ·10−4 = 3,81 .
Indien het volgende antwoord is gegeven: pH =
- log (5,31 ·10−2 ) = 1, 27 (1p)
Opmerking Als een juiste uitkomst is gegeven op basis van een verwaarlozing in de −7 x2 noemer van Kz, zoals in 4,5 ·10 = , dit goed rekenen. 5,31·10−2
Voorafgaand aan de experimenten werd met een buffer de waarde van de pH ingesteld op 4 ofwel op 7. De resultaten van de metingen zijn in de tabel weergegeven. De waardes in de tabel zijn de gemeten stroomsterktes in μA.
tabel
blanco verzadigd met CO2 donker licht donker licht pH = 4 7 34 12 67 pH = 7 2 6 8 15
Uit de blanco metingen blijkt dat er ook stroom loopt als er geen CO2 aanwezig is. De stoffen uit de gebruikte buffer kunnen niet als oxidator optreden, en verklaren dus ook niet de stroom die er loopt. Op grond van de resultaten formuleerden de onderzoekers twee conclusies:
1 Aan de polyaniline elektrode verloopt ook de halfreactie
2 H + + 2 e– → H 2.
2 De halfreactie 2 H+ + 2 e– → H2 wordt ook versneld door de polyaniline elektrode.
Vraag 8 3 punten
Geef met behulp van de tabel een onderbouwend argument voor elk van beide conclusies.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
1 Bij de blanco-metingen neemt de stroomsterkte toe bij lagere pH. Bij lagere pH is de [H3O+]/[H+] groter, dus de halfreactie van H+ is verantwoordelijk voor de stroomsterkte.
2 Bij de blanco proef neemt de stroomsterkte toe als de cel wordt verlicht.
Uit onderzoek met gaschromatografie bleek dat er behalve methanol ook een aanzienlijke hoeveelheid ethanol aan de polyaniline elektrode wordt gevormd. In het onderzoek werd de ontstane molverhouding tussen ethanol en methanol bepaald. Aangezien de detector een verschillende gevoeligheid kent voor ethanol en methanol werd eerst een chromatogram gemaakt met een standaardoplossing. Deze standaardoplossing bevatte ethanol en methanol in de molverhouding 1 : 1. In figuur 2 zijn het chromatogram van de standaardoplossing en dat van een monster weergegeven. Naast elke piek is het relatieve piekoppervlak genoteerd.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 9 3 punten
Leg uit met behulp van figuur 2 of in deze bepalingen de stationaire fase meer of minder polair was dan de mobiele fase.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Uit figuur 2 blijkt dat ethanol een grotere retentietijd heeft dan methanol. Ethanol heeft een extra CH2-groep ten opzichte van methanol / ethanol is minder polair dan methanol. Als een stof een grote(re) retentietijd heeft, lost deze minder goed op in de mobiele fase. De stationaire fase is dus minder polair dan de mobiele fase.
Vraag 10 2 punten
Bereken met behulp van figuur 2 de molverhouding tussen methanol en ethanol in het monster. Geef de verhouding weer als: methanol : ethanol = … : 1,0.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
signaal methanol 69,1 Uit het GC van het monster blijkt dat = = 1,58 . signaal ethanol 43, 6 Uit het GC van de standaardoplossing blijkt dat (bij molverhouding 1 : 1) signaal methanol 112, 7 = = 1, 07. signaal ethanol 105,5 1,58 De werkelijke molverhouding in het monster is dus = 1, 48. 1, 07 Dus methanol : ethanol = 1,5 : 1,0.
signaal methanol
Biodiesel uit sheaboter
De oliën en vetten uit sheanoten worden toegepast in onder andere cosmetica en margarine. De meest voorkomende vetzuren in deze triglyceriden in sheaboter zijn gegeven in tabel 1. [tabel 1: zie het originele examen]
vetzuur afkorting linolzuur L oliezuur O palmitinezuur P stearinezuur S
Onderzocht wordt of sheaboter ook geschikt is als grondstof voor biodiesel. Biodiesel wordt verkregen door de reactie van methanol met de triglyceriden. In deze reactie worden de vetzuren volledig omgezet tot methylesters. Het meest voorkomende triglyceride in sheaboter wordt aangeduid met de afkorting SOS.
Vraag 11 3 punten
Geef de vergelijking van de reactie van het triglyceride SOS met methanol. Gebruik hierbij voor de koolwaterstofrest van de vetzuren de notatie CxHy met de juiste getalwaarden voor x en y.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- links van de pijl de structuurformule van SOS (1)
- links van de pijl de structuurformule van methanol en rechts van de pijl de structuurformules van de methylesters van de vetzuren consequent juist (1)
- rechts van de pijl de structuurformule van glycerol en de elementbalans juist bij uitsluitend de juiste formules links en rechts van de pijl (1)
Behalve SOS komen nog andere triglyceriden in sheaboter voor. In tabel 2 is de samenstelling van een monster sheaboter gegeven. [tabel 2: zie het originele examen]
triglyceride massapercentage molaire massa (%) (g mol–1) SOS 41,0 889 SOO 37,5 887 OOO 11,0 885 SLO 10,5 885
Vraag 12 4 punten
Bereken het totale gehalte C=C-bindingen in mol per gram sheaboter. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
chemische chemische aantal C=C- hoeveelheid hoeveelheid bindingen triglyceride C=C-bindingen per molecuul (mol per g olie) (mol per g olie) 0, 410 = 4, 612 ·10 −4 ×1= 4,612∙10–4 889 0, 375 = 4, 228 ·10 −4 ×2= 8,456∙10–4 887 0,110 = 1, 243 ·10 −4 ×3= 3,729∙10–4 885 0,105 = 1,186 ·10 −4 ×3= 3,559∙10–4 885 20,356∙10–4 totaal Het gehalte C=C-bindingen is 2,036∙10–3 (mol per gram olie).
In een proefopstelling werd een monster van de gevormde biodiesel verbrand. Het bleek dat onder de gebruikte omstandigheden 10% van de koolstofatomen werd omgezet tot koolstofmono-oxide en de rest tot koolstofdioxide.
Vraag 13 3 punten
Geef de vergelijking van de verbranding van deze biodiesel. De gemiddelde molecuulformule van de biodiesel is C18H36O2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- links en rechts van de pijl uitsluitend de juiste formules (1)
- de koolstof- en de waterstofbalans juist, waarbij CO2 : CO = 9 : 1 (1)
- de zuurstofbalans juist (1)
Bacteriële polymeren
PHA is de verzamelnaam van polyesters die door bacteriën worden gevormd. Deze polyesters worden door de bacterie gebruikt als reservestof. In de bacterie worden eerst allerlei voedingsstoffen omgezet tot een groep stoffen, hier aangeduid met HA. In de eerste stap van de productie van PHA wordt een molecuul van een HA gekoppeld aan het S-atoom van de biologische hulpstof ‘co-enzym-A’ (H-S-CoA). Het gevormde HA-S-CoA wordt vervolgens onder invloed van het enzym PHA-synthase omgezet tot een polyester. Beide stappen van dit proces zijn in figuur 1 weergegeven.
[figuur 1: zie het originele examen]
In de structuur van een molecuul van een HA kan onder andere de groep R variëren. Hierdoor kunnen vele soorten PHA worden gevormd. De systematische naam van een polyester zoals PHA wordt gevormd door ‘poly-’ gevolgd door de systematische naam van het monomeer.
Vraag 14 3 punten
Geef de systematische naam van het polymeer waarin R = C2H5.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- poly-3-hydroxypentaanzuur
- poly-3-hydroxypentaan-1-zuur
Bij de vorming van PHA door PHA-syntase wordt telkens een nieuwe eenheid HA gekoppeld aan het zich vormende polymeer. Het blijkt dat hierbij een molecuul HA-S-CoA op een specifieke manier georiënteerd is in het enzym. Dit is op de uitwerkbijlage bij vraag 16 weergegeven. Deze oriëntatie wordt onder andere mogelijk doordat een atoomgroep van het HA-S-CoA een elektrostatische interactie heeft met de negatief geladen restgroep van een cysteïne-eenheid ~Cys– in de peptideketen van PHA-synthase.
Vraag 15 2 punten
Leg uit welke interactie/binding aanwezig is tussen een atoomgroep van HA-S-CoA en ~Cys–.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- De C=O-binding in HA-S-CoA is polair. Het C-atoom (in deze binding heeft een δ+-lading en) trekt ~Cys– / het negatief geladen S-atoom aan. Dit is een ion-dipoolbinding.
- Het C-atoom van de C=O-groep in HA-S-CoA is enigszins positief geladen / heeft een δ+-lading. Dit C-atoom wordt aangetrokken door ~Cys– / het negatief geladen S-atoom. De binding is dus een ion- dipoolbinding.
Indien een antwoord is gegeven als: Het koolstofatoom is positief geladen. Dit trekt ~Cys– / het negatief geladen S-atoom aan. Het betreft dus een ionbinding. (1)
De weergegeven oriëntatie is voorwaarde voor de nucleofiele aanval van ~Cys– op het molecuul HA-S-CoA. Hierbij wordt een eenheid HA gekoppeld aan de eiwitketen en komt een deeltje [S-CoA]– vrij.
Vraag 16 4 punten
Maak op de uitwerkbijlage het mechanisme compleet.
- Teken in de twee omkaderde delen de ontbrekende delen van de aminozuureenheden Phe en Cys–.
- Teken alleen bij de reeds getekende atomen de niet-bindende elektronenparen.
- Geef met pijlen weer hoe elektronenparen worden verplaatst tijdens deze reactie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de niet-bindende elektronen op het O-atoom van de OH-groep niet zijn getekend, dit niet aanrekenen.
De bacteriën zetten voedingsstoffen via meerdere routes om in HA-S-CoA. Bij sommige routes blijven (delen van) de moleculen van de voedingsstof intact. Daardoor is het mogelijk om de R-groep in het PHA te wijzigen door de voeding van de bacteriën te wijzigen. Een onderzoeksgroep is er in geslaagd om de bacteriën copolymeren te laten maken. Het bleek mogelijk om zowel willekeurige (random)- copolymeren als blok-copolymeren te verkrijgen. Om dit voor elkaar te krijgen, gaf men twee soorten voeding aan de bacteriën. In experiment 1 werden de twee voedingsstoffen tegelijkertijd aangeboden, in experiment 2 werden de twee voedingsstoffen afwisselend aangeboden.
Vraag 17 2 punten
Leg uit in welk experiment men een blok-copolymeer heeft verkregen. Gebruik hierbij Binas-tabel 66F of ScienceData-tabel 11.1.3.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Als de bacteriën afwisselend (gedurende enige tijd) een van beide voedingstoffen krijgen, zal het polymeer gedeeltes hebben met (uitsluitend/vooral) het ene monomeer, afgewisseld door gedeeltes met (uitsluitend/vooral) het andere monomeer. Dat is een blok-copolymeer. Dus bij experiment 2 ontstaat een blok-copolymeer.
- Bij een willekeurig (random)-copolymeer komen de monomeren in willekeurige volgorde in het polymeer / zijn er geen gedeeltes met (uitsluitend/vooral) een van beide monomeren. Dit zal niet ontstaan als de bacteriën afwisselend (gedurende enige tijd) een van beide voedingstoffen krijgen. Dus het blok-copolymeer ontstaat bij experiment 2.
De bacteriën produceren PHA als korrels. De onderzoekers hebben platte stroken van gelijk formaat gemaakt van verschillende monsters PHA- korrels.
Vraag 18 2 punten
Leg uit of deze PHA’s tot de thermoplasten of tot de thermoharders behoren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Om stroken te kunnen maken van de korrels, moeten de korrels / moet het materiaal gesmolten/vervormd kunnen worden. Thermoplasten kunnen worden gesmolten/vervormd, dus de PHA’s behoren tot de thermoplasten.
Deze stroken zijn vervolgens onderworpen aan een trekproef. Hierbij wordt gemeten hoeveel langer een strook PHA wordt afhankelijk van de aangelegde kracht. In figuur 2 zijn de meetresultaten opgenomen van twee soorten PHA met verschillende R-groepen.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 19 2 punten
Verklaar het verschil in meetresultaat tussen beide polymeren.
- Gebruik hierbij begrippen op microniveau.
- Neem aan dat de gemiddelde ketenlengte van beide polymeren gelijk is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Door een grotere R-groep komen de ketens verder uit elkaar te liggen. Hierdoor zijn de vanderwaalsbindingen tussen de ketens minder sterk en is er (bij gelijke verlenging) minder kracht nodig om het polymeer te vervormen.
Ademtest voor leverziekte
Een leverziekte kan soms lang onopgemerkt blijven. Een goed functionerende lever breekt afvalstoffen uit bloed af, zodat de afvalstoffen kunnen worden uitgescheiden. Wanneer een lever slecht functioneert, worden sommige afvalstoffen niet meer goed afgebroken. Hierdoor kan de concentratie van deze afvalstoffen in de uitgeademde lucht van leverpatiënten hoger worden. Een groep onderzoekers doet onderzoek naar een ademtest waarmee vroegtijdig een leverziekte kan worden opgespoord. Van vijf stoffen is de concentratie gemeten in de uitgeademde lucht van twee groepen personen:
- een groep leverpatiënten die op de wachtlijst staan voor een levertransplantatie;
- een controlegroep van gezonde vrijwilligers. De resultaten van de metingen zijn in de figuur weergegeven.
figuur
Op basis van deze gegevens concludeerden de onderzoekers dat een concentratiebepaling van limoneen kan worden gebruikt voor deze ademtest.
Vraag 20 2 punten
Leg uit met behulp van de figuur welke twee onderzochte stoffen het minst geschikt zijn voor deze ademtest.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: De stoffen butaan-2-on en koolstofdisulfide zijn het minst geschikt, omdat bij deze twee stoffen een grote overlap is tussen de (spreiding van de) meetwaarden van de leverpatiënten en de controlegroep.
Bij de metingen werd onder andere gebruikgemaakt van ‘proton transfer massaspectrometrie’. Bij deze techniek treedt de ionisatie in de gasfase op door botsingen van H3O+-ionen met moleculen R van vluchtige organische verbindingen. De ionisatie kan als volgt worden voorgesteld:
H3O+ (g) + R (g) → H2O (g) + RH+ (g)
Als in een molecuul R een zuurstofatoom voorkomt, bindt in deze reactie het waterstofion aan het zuurstofatoom. Wanneer pentaan-2-on een waterstofion bindt, is mesomerie mogelijk in het gevormde molecuulion. Bij een van de grensstructuren van [pentaan- 2-on–H]+ voldoet een atoom niet aan de octetregel.
Vraag 21 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Teken de twee grensstructuren van [pentaan-2-on–H]+.
- Geef formele ladingen aan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de structuurformule van geprotoneerd pentaan-2-on ten minste eenmaal juist (1)
- de niet-bindende elektronenparen in beide grensstructuren van pentaan-2-on juist (1)
- de formele ladingen in beide grensstructuren juist (1)
Bij geprotoneerd limoneen ( C10H17+, m/z = 137) treden fragmentaties op, waarbij telkens een neutraal deeltje en een geladen deeltje worden gevormd. De geladen fragmenten die ontstaan, geven respectievelijk pieken bij m/z = 67 en m/z = 81 en m/z = 95. De neutrale fragmenten die hierbij worden afgesplitst, behoren tot een klasse van koolwaterstoffen.
Vraag 22 3 punten
Leg uit met behulp van een berekening tot welke klasse van koolwaterstoffen de neutrale fragmenten behoren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: De neutrale fragmenten hebben molecuulmassa’s van respectievelijk
137
- 95 = 42 ( u ) en 137
- 81 = 56 ( u ) en 137
- 67 = 70 ( u ) . In de moleculen komen alleen C- en H-atomen voor, dus de formules zijn C3H6, C4H8 en C5H10. Dat zijn alkenen / cyclo-alkanen / onverzadigde koolwaterstoffen.
Limoneen is aanwezig in vetweefsel, in bloed en in de adem. De onderzoekers wilden op basis van de gemeten concentratie limoneen in de adem een schatting maken van de hoeveelheid limoneen die is opgehoopt in het vet van een leverpatiënt. Hiertoe hebben ze experimenten uitgevoerd waarin de verdeling van limoneen tussen olijfolie en bloed en tussen bloed en lucht is bepaald. Ze namen hierbij aan dat olijfolie en vetweefsel vergelijkbare oplosmiddelen zijn voor limoneen. De verdeling van limoneen over deze drie fases is hieronder voorgesteld met twee evenwichten.
limoneen (vet) limoneen (bloed) K1 = 7,1∙10–3
limoneen (bloed) limoneen (lucht) K2 = 2,8∙10–2
De concentratie limoneen wordt bij de berekening van K uitgedrukt in mol L–1. Bij een patiënt bedroeg de concentratie limoneen in de uitgeademde lucht 0,10 volume-ppm. Aan de hand van bovenstaande gegevens en aannames kan worden berekend dat de concentratie limoneen in het vetweefsel van deze patiënt 2,1∙10–5 mol L–1 bedraagt.
Vraag 23 3 punten
Toon dit aan door middel van een berekening. Het molair volume van een gas is 2,45·10–2 m3 mol–1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
0,10 × 10−6 1 (1) −2 × 10−3 × −2 × = 2,1·10−5 (mol L−1 ) 2, 45 ·10 2,8 ·10 7,1·10−3
of
Per m3 lucht is er 0,10 × 10 −6 = 1, 0 ·10 −7 (m3 ) limoneen. De molariteit van limoneen in de uitgeademde lucht is 1,0 × 10−7 ×10−3 = 4,08 ·10−9 (mol L−1 ) . 2, 45 ·10−2 [limoneen]lucht [limoneen]lucht K2 = dus [limoneen]bloed = . [limoneen]bloed K2 4,08 ·10−9 De molariteit van limoneen in bloed is dan −2 = 1, 46 ·10−7 (mol L−1 ). 2,8 ·10 [limoneen]bloed [limoneen]bloed K1 = dus [limoneen]vet = . [limoneen]vet K1 1, 46 ·10−7 De molariteit van limoneen in vet is dan −3 = 2,1·10−5 (mol L−1 ). 7,1·10
De patiënt had een massa van 85 kg en een vetpercentage van
35 massa%. De gemiddelde dichtheid van lichaamsvet is 0,90 kg L–1.
Vraag 24 4 punten
Bereken de massa in gram limoneen die in het vetweefsel van de patiënt is opgeslagen. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
35
85 ×
102 × 2,1 ·10−5 × 136 = 9, 4 ·10−2 (g) 0,90
of
35
85 × De patiënt heeft 102 = 3,31 ·101 (L) lichaamsvet. 0,90 Hierin is 3,31 ·10 × 2,1 ·10−5 = 6,94 ·10−4 (mol) limoneen opgeslagen. 1
Opmerking Als bij de berekening is gebruikgemaakt van de molaire massa van C10H17+, dit niet aanrekenen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2022, tijdvak 3. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1028-a-22-3-o
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3?
Het centraal examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (7), rekenen aan reacties (5) en bindingen (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2022, tijdvak 3?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-3/vw-1028-a-22-3-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 3 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.