Eindexamen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: ‘Groene’ verf?, Chloropreenfabriek, IJzerstapeling, Suikerbatterij, Marquis-reagens voor alkaloïden.
Het centraal examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over rekenen aan reacties (4), bindingen (3) en reactievergelijkingen (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Rekenen aan reacties | 11, 16-17, 20 | 4 |
| Bindingen | 1, 6, 23 | 3 |
| Reactievergelijkingen | 4, 9, 19 | 3 |
| Evenwichten | 5, 8, 13 | 3 |
| Koolstofchemie | 7, 14, 21 | 3 |
| Stoffen en eigenschappen | 2, 12 | 2 |
| Scheidingsmethoden | 3, 10 | 2 |
| Zuren en basen | 15, 22 | 2 |
| Redoxreacties | 18 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over evenwichten (13% van de vragen, gemiddeld 3%). Minder over koolstofchemie (13% van de vragen, gemiddeld 22%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
‘Groene’ verf?
Om textiel te verven, worden pigmenten gebruikt die slecht in water oplossen. Deze pigmenten zijn apolaire vaste stoffen die zich tijdens het verven hechten aan het oppervlak van de textielvezels. Met een vezel wordt in deze opgave een bundel polymeerketens bedoeld. Omdat het verven plaatsvindt in water, worden emulgatoren gebruikt om de pigmenten te mengen met het water. Na afloop van het verven komen deze milieubelastende emulgatoren in het afvalwater terecht. Het Nederlandse bedrijf DyeCoo heeft een verftechniek ontwikkeld waarbij geen afvalwater vrijkomt. In het proces wordt superkritisch CO2 gebruikt als oplosmiddel. Superkritisch CO2 is CO2 dat bij T = 120 °C is samengeperst tot p = 300 bar. In deze opgave mag je aannemen dat het CO2 zich dan als een vloeistof gedraagt. Het superkritisch CO2 is ook apolair, zodat de pigmenten in superkritisch CO2 oplossen zonder gebruik van emulgatoren.
Vraag 1 2 punten
Geef de structuurformule van CO2 en leg daarmee uit dat CO2 een apolaire stof is.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer in de structuurformule ook (on)juiste niet-bindende elektronenparen en/of partiële ladingen zijn weergegeven, dit niet aanrekenen.
De verftechniek van DyeCoo is vooral geschikt voor het verven van polyester kledingmateriaal. Als het CO2 in contact komt met polyester, zwellen de vezels op. Dit komt doordat de CO2-moleculen tussen de apolaire polymeerketens dringen. Een gevolg van het opzwellen is dat een sterkere kleuring van polyester kan worden verkregen dan met de op water gebaseerde verfmethode.
Vraag 2 1 punt
Geef aan waarom het opzwellen van de polyestervezels tot gevolg heeft dat een sterkere kleuring van het polyester kan worden verkregen.
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − De pigmentmoleculen kunnen nu ook tussen de polymeerketens worden opgenomen. − Het pigment hecht nu niet alleen aan het oppervlak van de vezels, maar ook ‘binnenin’. − Er is meer ruimte voor de pigmentmoleculen tussen de polymeerketens. − Het contactoppervlak is toegenomen. (1)
Wanneer het polyester enige tijd is behandeld met de pigment-oplossing, wordt het polyester gescheiden van de pigment-oplossing. Het mengsel van superkritisch CO2 en het overgebleven pigment wordt gescheiden, zodat het pigment kan worden hergebruikt.
Vraag 3 2 punten
Leg uit hoe men het superkritisch CO2 van het overgebleven pigment kan scheiden.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: De druk moet (flink) verlaagd worden. Het CO2 zal gasvormig worden (en het pigment zal overblijven).
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als: ‘De temperatuur moet worden verhoogd. / Het mengsel moet worden ingedampt/gedestilleerd/verwarmd. Het CO2 zal gasvormig worden (en het pigment zal overblijven).’, dit goed rekenen.
Het proces van DyeCoo is met een aantal aanpassingen ook te gebruiken voor katoen. Het katoen wordt dan voorbehandeld met een oplossing van methanol in superkritisch CO2. Hierdoor zwelt het katoen op. Daarna wordt een stroom superkritisch CO2 met een zogeheten reactief pigment doorgeleid. Een reactief pigment wordt gevormd door een geschikt pigment te laten reageren met dichloortriazine. Het gevormde reactieve pigment reageert vervolgens met het katoen. Deze reactie is op de uitwerkbijlage schematisch en onvolledig weergegeven. De reactie van het reactieve pigment met katoen is een substitutiereactie. Het O-atoom van een OH-groep van katoen valt als nucleofiel aan op één van de twee C-atomen waaraan een Cl-atoom is gebonden.
Vraag 4 2 punten
Maak de reactievergelijking op de uitwerkbijlage compleet. Gebruik schematische structuurformules zoals op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer een juiste reactievergelijking is gegeven waarin twee of drie moleculen van het reactieve pigment reageren, dit niet aanrekenen.
- Wanneer na de pijl de cellulose-eenheid met een onjuiste ruimtelijke configuratie is weergegeven, dit niet aanrekenen.
- Wanneer H–Cl is weergegeven als HCl, dit niet aanrekenen.
Het reactieve pigment wordt in ondermaat toegevoegd ten opzichte van de OH-groepen in het katoen. Wanneer methanol ook tijdens het verven wordt bijgemengd, blijkt dat het percentage pigmentmoleculen dat aan het katoen is gebonden, terugloopt.
Vraag 5 2 punten
Leg uit dat het percentage gebonden pigmentmoleculen lager is wanneer methanol ook tijdens het verven aanwezig is in het mengsel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Methanol bevat (net als cellulose) een OH-groep. Hierdoor reageert een deel van de moleculen van het reactieve pigment met methanol. Er zijn dan minder moleculen van het pigment beschikbaar voor de reactie met het katoen (omdat het reactieve pigment in ondermaat wordt toegevoegd).
Chloropreenfabriek
Chloropreen is de beginstof voor de productie van neopreen. Neopreen is een synthetisch rubber. De structuurformule van chloropreen is hiernaast weergegeven. Chloropreen wordt in een aantal stappen gemaakt. De eerste stap is de additie-reactie van buta-1,3-dieen met chloor. Daarbij ontstaat onder andere 3,4-dichloorbut-1-een (3,4-DCB). Het mechanisme voor de vorming van 3,4-DCB is weergegeven in mechanisme 1.
In stap 1 van mechanisme 1 wordt een cyclisch chlorinium-ion gevormd. Van dit ion kunnen ook twee niet-cyclische structuurisomeren worden gevormd. Op de uitwerkbijlage is de Lewisstructuur van een niet-cyclische structuurisomeer weergegeven, dit is structuurisomeer 1. De andere niet-cyclische structuurisomeer is structuurisomeer 2. Van dit deeltje kunnen twee grensstructuren worden gegeven. Deze grensstructuren zijn op de uitwerkbijlage onvolledig weergegeven. In beide grensstructuren heeft telkens één C-atoom geen volledig oktet. Met behulp van de grensstructuren van structuurisomeer 2 kan worden verklaard dat in stap 2 behalve 3,4-DCB ook 1,4-DCB (1,4-dichloorbut-2-een) wordt gevormd.
Vraag 6 2 punten
Maak op de uitwerkbijlage beide grensstructuren van structuurisomeer 2 compleet.
- Geef het Cl-atoom en de ontbrekende elektronenparen weer.
- Geef de formele lading(en) weer.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer niet-bindende elektronenparen op het Cl-atoom onjuist zijn weergegeven, dit niet aanrekenen.
Van het gevormde 1,4-DCB bestaan twee stereo-isomeren, namelijk cis-1,4-DCB en trans-1,4-DCB. Een leerling doet een voorstel voor het mechanisme voor het ontstaan van 1,4-DCB. Dit voorstel is in mechanisme 2 weergegeven.
Het blijkt dat het gevormde 1,4-DCB voor 19% uit de cis-vorm en voor 81% uit de trans-vorm bestaat.
Vraag 7 2 punten
Leg uit dat mechanisme 2 geen verklaring biedt voor de waargenomen verhouding van de stereo-isomeren bij de vorming van 1,4-DCB uit chloor en buta-1,3-dieen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Het gevormde chlorinium-ion is (volgens mechanisme 2) cyclisch / heeft al een cis-oriëntatie. In de tweede stap zal dan naar verwachting cis- in plaats van trans-1,4-DCB worden gevormd.
- Omdat het merendeel van het gevormde 1,4-DCB de trans-configuratie heeft, zou in mechanisme 2 een C = C-binding moeten worden verbroken zodat er vrije draaibaarheid ontstaat. In mechanisme 2 is er geen reactiestap waardoor dit mogelijk wordt.
- notie dat dan een C = C-binding moet worden verbroken zodat er vrije draaibaarheid ontstaat (1p)
- notie dat er in mechanisme 2 geen reactiestap is waardoor dit mogelijk wordt (1p)
Op de uitwerkbijlage bij vraag 10 is het onvolledige blokschema van de productie van chloropreen weergegeven. In reactor 1 (R1) reageert buta-1,3-dieen met chloor. Het mengsel van 1,4-DCB en 3,4-DCB wordt na een scheidingsstap (S1) als vloeistofmengsel naar reactor 2 (R2) gevoerd. In R2 treedt evenwicht 1 op. 1,4-DCB 3,4-DCB (evenwicht 1) De temperatuur in R2 ligt tussen 125 °C en 150 °C. De temperatuur is zo gekozen dat eenvoudig een zo hoog mogelijke opbrengst aan 3,4-DCB kan worden bereikt. Bij de druk in R2 is het kookpunt van 3,4-DCB 119 °C. De kookpunten van cis-1,4-DCB en trans-1,4-DCB liggen boven 152 °C.
Vraag 8 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de evenwichtsvoorwaarde voor evenwicht 1. Houd hierbij rekening met de omstandigheden die heersen in R2.
- Leg uit dat onder deze omstandigheden een zo hoog mogelijke opbrengst aan 3,4-DCB kan worden bereikt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- In dit temperatuurgebied is 3,4-DCB gasvormig en 1,4-DCB vloeibaar. Dat betekent dat K = [3,4-DCB]. Om een zo hoog mogelijke opbrengst aan 3,4-DCB te verkrijgen, moet het evenwicht naar rechts aflopen. Dat kan door 3,4-DCB uit het evenwicht te verwijderen. Omdat 3,4-DCB gasvormig is, kan het makkelijk worden afgescheiden van 1,4-DCB / kan het makkelijk worden afgetapt uit R2.
- In dit temperatuurgebied is 1,4-DCB vloeibaar. Het gevormde 3,4-DCB lost op in 1,4-DCB, dus K = [3,4-DCB (opgelost)]. Om een zo hoog mogelijke opbrengst aan 3,4-DCB te verkrijgen, moet het evenwicht naar rechts aflopen. In dit temperatuurgebied verdampt het 3,4-DCB uit het mengsel en kan het makkelijk worden afgescheiden van 1,4-DCB / kan het makkelijk worden afgetapt uit R2.
In reactor 3 (R3) reageert ten slotte 3,4-DCB met natronloog tot chloropreen en een oplossing van natriumchloride. Op de uitwerkbijlage is het mechanisme van deze reactie onvolledig weergegeven.
Vraag 9 3 punten
Voer op de uitwerkbijlage de volgende opdrachten uit:
- Maak de reactievergelijking compleet.
- Geef de niet-bindende elektronenparen en formele lading(en) weer.
- Geef met pijlen weer hoe elektronenparen worden verplaatst tijdens de reactie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- rechts van de pijl als enige extra deeltje Cl genoteerd (1)
- de niet-bindende elektronenparen juist en de formele lading juist (1)
- de pijlen juist (1)
Het gehele productieproces is hieronder samengevat.
- Chloor en buta-1,3-dieen worden als gas in R1 geleid, waar 3,4-DCB en 1,4-DCB en nevenproducten worden gevormd. De omzetting van chloor en buta-1,3-dieen in R1 is niet volledig.
- Het mengsel afkomstig uit R1 is vloeibaar en wordt naar scheidingsruimte 1 (S1) geleid. In S1 wordt stikstof door het mengsel geblazen waardoor het ongereageerde chloor en buta-1,3-dieen uit de vloeistofstroom worden verwijderd. Het gasmengsel van stikstof, chloor en buta-1,3-dieen wordt boven uit S1 teruggeleid naar R1. Om ophoping van stikstof in het systeem te voorkomen wordt een deel van deze recycle-stroom afgetapt. De vloeistofstroom uit S1 wordt naar R2 geleid.
- In R2 wordt 1,4-DCB onvolledig omgezet tot 3,4-DCB. Uit R2 komen twee stofstromen. De ene stroom, met uitsluitend 3,4-DCB, wordt doorgevoerd naar R3.
- De andere stroom uit R2 bevat 1,4-DCB en de nevenproducten. Deze stroom wordt doorgevoerd naar een destilleerkolom (S2) waar het 1,4-DCB wordt afgescheiden en teruggeleid naar R2. De nevenproducten worden als vloeistofstroom afgevoerd.
- In R3 reageert ten slotte 3,4-DCB met een overmaat natronloog tot chloropreen en een oplossing van natriumchloride. Het chloropreen verlaat R3 als gasstroom.
Vraag 10 4 punten
Maak het blokschema op de uitwerkbijlage compleet.
- Teken S2.
- Teken de ontbrekende pijlen en noteer de ontbrekende stoffen bij de pijlen.
- Geef de stofstromen in het schema weer met de volgende cijfers:
1 buta-1,3-dieen 6 natriumchloride-oplossing
2 chloor 7 natronloog
3 chloropreen 8 nevenproducten
4 3,4-DCB 9 stikstof
5 1,4-DCB
- Cijfers voor de verschillende stofstromen kunnen meerdere malen voorkomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- De plaatsing van de uitstroom van de stofstromen 5 en 8 afkomstig uit S2 niet beoordelen.
- Wanneer de stofstromen 6 en 7 afkomstig uit R3 zijn weergegeven met twee pijlen, het vierde scorepunt niet toekennen.
- Wanneer als enige fout tussen S1 en R2 geen stoffen zijn genoteerd, hiervoor maximaal 1 scorepunt in mindering brengen.
Het rendement van de omzetting van buta-1,3-dieen tot 3,4-DCB in R1 en R2 bedraagt in totaal 70%. Het rendement van de omzetting van 3,4-DCB tot chloropreen in R3 bedraagt 93%. Het molair volume van een gas onder de heersende omstandigheden is 2,45·10–2 m3 mol–1.
Vraag 11 5 punten
Bereken hoeveel m3 chloor minimaal nodig is voor de productie van 1,0 ton chloropreen. Een ton is 103 kg. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 1, 0 × 106 102 102 × × × 1 × 2, 45 ·10−2 = 4,3 ·102 (m3 ) 88,5 93 (70)
of
1, 0 × 106 Er is = 1,13 ·104 (mol) chloropreen per ton. 88,5
102 102 Er is dus 1,13 ·104 × × × 1 = 1, 74 ·104 (mol) chloor nodig.
93 (70) Het volume chloor is 1, 74 ·104 × 2, 45 ·10−2 = 4,3 ·102 (m3 ).
IJzerstapeling
Hemochromatose of ijzerstapeling is een erfelijke ziekte waarbij te veel ijzerionen uit de darminhoud worden opgenomen terwijl het lichaam niet in staat is de overmaat aan ijzerionen uit te scheiden. Deze ziekte wordt vaak veroorzaakt door een mutatie in het gen dat codeert voor het eiwit HFE. HFE speelt een rol bij de opname van ijzerionen. Bij de synthese van HFE wordt in eerste instantie mRNA gevormd dat bestaat uit 2727 basen. De eerste 221 basen spelen echter geen rol bij de synthese van HFE. Het startcodon begint pas bij base nummer 222. Dit is tevens het codon voor het aminozuur met nummer 1. Hieronder is een deel van de mRNA-volgorde bij mensen zonder en mensen met hemochromatose weergegeven. De mutatie treedt op bij base nummer 1066.
Met behulp van de 1-lettersymbolen van aminozuren kan men dit soort mutaties vereenvoudigd weergeven. Zo kan een mutatie waarbij op plaats 86 van een eiwit een glutaminezuur-eenheid is ingebouwd in plaats van een glutamine-eenheid, worden weergeven als Q86E.
Vraag 12 4 punten
Leid met behulp van het gegeven voorbeeld af wat de notatie is van de hierboven beschreven mutatie die hemochromatose veroorzaakt.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
1066
- 221 (2) Het nummer van het triplet volgt uit = 281 . De mutatie betreft
3 (3) dus de tweede/middelste base van het triplet met nummer 282. Dat zijn de tripletten UGC (gezond) respectievelijk UAC (ziek). Deze tripletten coderen voor cysteïne (C) respectievelijk tyrosine (Y). De mutatie kan dus worden weergegeven met C282Y.
De uit de darminhoud opgenomen ijzerionen komen in het bloed terecht. Daar worden deze ionen gebonden door het eiwit transferrine en worden zo getransporteerd naar de lever en naar de plaatsen waar de productie van rode bloedlichaampjes plaatsvindt. Het binden en afstaan van de ijzerionen door transferrine is afhankelijk van de pH. Daarbij zijn de restgroepen van de aminozuren Tyr, Asp en His betrokken. Hiernaast is schematisch weergegeven hoe een Fe3+-ion in een molecuul transferrine is gebonden. Bij de pH van bloed (7,4) zijn Fe3+-ionen sterk gebonden aan transferrine. Op de plaatsen in het lichaam waar transferrine de gebonden Fe3+-ionen moet afstaan, is de pH aanzienlijk lager. De Fe3+-ionen komen dan vrij uit de moleculen transferrine.
Vraag 13 2 punten
Leg uit dat bij lage pH Fe3+-ionen vrijkomen uit de moleculen transferrine.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Als de pH lager wordt (dan 7,4), worden H+-ionen gebonden door de restgroepen van de aminozuureenheden. Hierdoor worden de restgroepen van Tyr en Asp neutraal. / Hierdoor neemt de aantrekking van het Fe3+-ion met de restgroepen af.
- Als de pH lager wordt (dan 7,4), worden H+-ionen gebonden door de restgroepen van de aminozuureenheden. Hierdoor wordt de restgroep van His positief geladen. / Hierdoor wordt het Fe3+-ion afgestoten.
Patiënten met hemochromatose kunnen worden behandeld met desferrioxamine, een stof die in opgeloste vorm met behulp van een infuus wordt toegediend. Desferrioxamine bindt Fe3+. Via de nieren wordt de ontstane verbinding uitgescheiden. Een molecuul desferrioxamine ontstaat uit één molecuul ethaanzuur (E), twee moleculen butaandizuur (B) en drie moleculen van een stof A. De structuurformule van stof A is hieronder weergegeven.
Deze zes moleculen worden in de volgorde A
- B
- A
- B
- A
- E gekoppeld. Daarbij worden alleen C–N-bindingen gevormd. Per ontstane C–N-binding wordt één molecuul water afgesplitst.
Vraag 14 3 punten
Geef de structuurformule van het fragment ~ B
- A
- E van een molecuul desferrioxamine.
Bekijk het antwoord
Indien een antwoord is gegeven als (2)
Om te onderzoeken of iemand hemochromatose heeft, wordt bloedonderzoek gedaan. Voor het onderzoek is een bufferoplossing bereid. Deze oplossing is bereid door per liter achtereenvolgens 0,338 mol NaHCO3 en 3,4·10–2 mol waterstofchloride (HCl) op te lossen. In de uiteindelijke oplossing zijn onder andere deeltjes H2CO3 en HCO3– aanwezig.
Vraag 15 5 punten
Bereken de pH van de uiteindelijke oplossing. Neem hierbij aan dat geen gasvormig CO2 uit de oplossing ontwijkt. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 4,5 ·10−7 × 3, 4 ·10−2 pH =
- log −2 = 7,30 0,338
- 3, 4 ·10 of
(HCl vormt H3O+, dat volledig reageert met HCO3– tot H2CO3.) In de oplossing is dus per liter 3, 4 ·10−2 (mol) H2 CO3 aanwezig. Per liter is er dan nog 0,338
- 3, 4 ·10−2 = 3, 04 ·10−1 (mol) HCO3– over. [H 3O + ][HCO3− ] K [H CO ] Kz = (ofwel [H3O+ ] = z 2
- 3 ) [H 2 CO3 ] [HCO3 ] 4,5 ·10−7 × 3, 4 ·10−2 [H 3O + ] = = 5, 03 ·10−8 (mol L−1 ) 3, 04 ·10−1 pH =
- log (5, 03 ·10−8 ) = 7,30
Van een patiënt wordt bloed afgenomen, waarna het bloedserum wordt afgescheiden van de rode bloedlichaampjes. Het bloedserum bevat alle transferrine. Bij het vaststellen of iemand hemochromatose heeft, is onder andere de vrije ijzerbindende capaciteit CF van belang. Dit is het aantal mol Fe3+ dat per liter bloedserum nog aan het transferrine kan worden gebonden. Bij gezonde mensen bevat het bloedserum gemiddeld 3,0 g transferrine per liter en is gemiddeld 30% van de bindingsplaatsen van het transferrine bezet met Fe3+-ionen. Per molecuul transferrine kunnen twee Fe3+-ionen worden gebonden. De molaire massa van transferrine is 8,0·104 g mol–1.
Vraag 16 3 punten
Bereken met behulp van de bovenstaande gegevens de gemiddelde CF in mol L–1 bij gezonde mensen.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 3, 0 102
- 30 ×2× = 5,3 ·10−5 (mol L−1 ) 8, 0 ·10 4
10 2
of
3, 0 Er is = 3, 75 ·10−5 (mol L−1 ) transferrine. 8, 0 ·10 4
Dat kan maximaal 3, 75 ·10−5 × 2 = 7,50 ·10−5 (mol) Fe3+ binden.
102
- 30 De CF is 7,50 ·10−5 × = 5,3 ·10−5 (mol L−1 ). 102
Suikerbatterij
Een suikerbatterij maakt gebruik van glucose als energiebron. In de eerste suikerbatterij die is gemaakt, werd glucose met behulp van enzymen geoxideerd tot onder andere ethaanzuur. De totaalvergelijking van deze omzetting is hieronder weergegeven.
C6H12O6 + 2 O2 → 2 CO2 + 2 H2O + 2 CH3COOH
De maximale energie per mol glucose die in een batterij vrij kan komen, is gelijk aan de verbrandingsenergie van glucose, dat is de energie die vrijkomt bij de volledige verbranding. De vormingswarmte van glucose is –12,61·105 J mol–1.
Vraag 17 4 punten
Bereken hoeveel procent van de maximale energie vrijkomt wanneer glucose in deze suikerbatterij wordt omgezet.
- Het gevormde water komt vrij als vloeistof.
- Gebruik Binas-tabel 56 en 57 of ScienceData-tabel 8.7.a en 9.2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
- ( −12, 61·105 ) + 2 × ( −3,94 ·105 ) + 2 × ( −2,86 ·105 ) + 2 × ( −4,84 ·105 ) ×102 = 37,89(%) −28,16 ·105
of
De reactiewarmte van de reactie in de batterij is
- Ebegin + Eeind =
- ( −12, 61 ·105 ) + 2 × ( −3,94 ·105 ) + 2 × ( −2,86 ·105 ) + 2 × ( −4,84 ·105 ) =
- 10, 67 ·105 (J per mol glucose).
Het percentage is (
- )10, 67 ·105 × 102 = 37,89(%). (
- ) 28,16 ·105
Opmerking Wanneer een berekening is gegeven als:
- ( −12, 61) + 2 × ( −3,94 ) + 2 × ( −2,86 ) + 2 × ( −4,84 ) × 102 = 37,89(%) , dit goed −28,16 rekenen.
Een groep onderzoekers heeft een batterij ontwikkeld waarbij de polysacharide maltodextrine volledig werd omgezet tot CO2 en H2O. Maltodextrine is opgebouwd uit glucose-monomeereenheden en kan worden weergegeven als H–(C6H10O5)n–OH met 3 < n < 20. Voor de volledige omzetting van maltodextrine tot CO2 en H2O hebben de onderzoekers enzymen uit verscheidene micro-organismen gebruikt. In de figuur is de gebruikte opstelling vereenvoudigd weergegeven. Met reacties I, II en III zijn de verlopende (half)reacties bij stroomlevering schematisch aangegeven.
figuur
Door de (half)reacties I t/m III wordt de maltodextrine uiteindelijk volledig omgezet. Elektronen komen uitsluitend vrij in reactie II.
Reactie I: maltodextrine reageert met een deeltje dat in de oplossing aanwezig is. Dit deeltje wordt in deze opgave weergegeven met H–Pi. Hierbij ontstaat onder andere glucose-6-fosfaat (C6H11O5–Pi). De keten van maltodextrine wordt in reactie I één glucose-eenheid korter. De vergelijking van reactie I is hieronder gegeven.
H–(C6H10O5)n–OH + H–Pi → C6H11O5–Pi + H–(C6H10O5)n-1–OH
Reactie II: in een halfreactie wordt C6H11O5–Pi omgezet tot onder andere ribulose-5-fosfaat (C5H9O4–Pi).
Vraag 18 3 punten
Geef met behulp van de figuur de vergelijking voor halfreactie II.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer de kandidaat de vergelijking geeft van een halfreactie die overeenkomt met een halfreactie uit het informatieboek, hiervoor geen scorepunten toekennen.
Reactie III: het ontstane C5H9O4–Pi wordt weer omgezet tot C6H11O5–Pi en H–Pi. Het C5H9O4–Pi is hierbij de enige bron van koolstofatomen.
Vraag 19 2 punten
Geef met behulp van de figuur de vergelijking voor reactie III.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- links van de pijl C5H9O4–Pi en H2O en rechts van de pijl C6H11O5–Pi en H–Pi (1)
- de elementbalans juist bij uitsluitend de juiste formules links en rechts van de pijl (1)
Marquis-reagens voor alkaloïden
De politie controleert regelmatig op bezit van harddrugs. Voor een snelle test is onder andere het Marquis-reagens ontwikkeld. Aan een zakje van dit reagens voegt men wat van het te onderzoeken monster toe. Als het monster drugs bevat, ontstaat een kenmerkende kleur.
Het Marquis-reagens wordt bereid door oplossingen van zwavelzuur en methanal te mengen in de volumeverhouding 20 : 1,0. In de tabel staan enkele gegevens van de gebruikte oplossingen.
tabel
gehalte dichtheid (massa%) (g mL–1) zwavelzuur-oplossing 98 1,84 methanal-oplossing 37 1,09
Vraag 20 4 punten
Bereken de molverhouding tussen methanal en zwavelzuur in Marquis- reagens. Noteer de verhouding als volgt: zwavelzuur : methanal = …… : 1,0.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
98 (37)
20 × 1,84 × 2 1, 0 × 1, 09 × 2
10 : 10 = 27 : 1 98,1 30, 0 Zwavelzuur : methanal = 27 : 1,0
of
98 Er is dan 20 × 1,84 × = 36,1 (g) zwavelzuur en 102 37 1, 0 × 1, 09 × = 0, 403 (g) methanal. 102 36,1 Dat komt overeen met = 0, 368 (mol) zwavelzuur en 98,1 0, 403 = 1,34 ·10−2 (mol) methanal. 30, 0 0,368 De verhouding is dus zwavelzuur : methanal = = 27 : 1,0 . 1,34 ·10−2
- omrekening naar de molverhouding en juist weergeven van het antwoord (1p)
of
98
20 × 1,84 × Er is dan 102 = 0,368 (mol) zwavelzuur en 98,1 37 1, 0 × 1, 09 ×
102 = 1,34 ·10−2 (mol) methanal. 30, 0 0,368 De verhouding is dus zwavelzuur : methanal = = 27 : 1,0 . 1,34 ·10−2
Marquis-reagens wordt voornamelijk gebruikt om alkaloïden van elkaar te onderscheiden. Veel alkaloïden zijn afgeleid van een aminozuur. In de figuur zijn drie alkaloïden weergegeven die zijn ontstaan uit het aminozuur tyrosine. De oorspronkelijke structuur van tyrosine is nog in de drie structuren te herkennen.
figuur
Op de uitwerkbijlage is de structuurformule van morfine nogmaals weergegeven.
Vraag 21 2 punten
Omcirkel op de uitwerkbijlage het deel van het molecuul morfine dat van het aminozuur tyrosine afkomstig is. Neem aan dat alle C-atomen van tyrosine in morfine zijn opgenomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien het volgende antwoord is gegeven (1)
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als:
, dit goed rekenen.
In alle alkaloïden zijn stikstofatomen aanwezig. Als zo’n stikstofatoom een niet-bindend elektronenpaar heeft, kan het atoom een H+-ion binden waardoor het alkaloïde als base kan reageren.
Vraag 22 2 punten
Leg uit welke van de drie alkaloïden uit de figuur niet als base reageert.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- het stikstofatoom in berberine is positief geladen / heeft geen niet- bindend elektronenpaar / heeft een 4-omringing (1)
- berberine kan geen H+ opnemen / kan niet als base reageren (1)
Heroïne en morfine geven beide met Marquis-reagens een paars-violette kleur. Om toch onderscheid te kunnen maken tussen deze twee stoffen, voert men nog een ander experiment uit. Er treedt nu een reactie op, waarbij in moleculen van beide stoffen het H-atoom op C1 wordt vervangen door een NO2-groep. Morfine geeft nu een oranje kleur en heroïne een gele kleur. De oorzaak van dit kleurverschil wordt toegeschreven aan het optreden van een intramoleculaire interactie die bij morfine wel en bij heroïne niet optreedt. Deze interactie kan worden opgevat als een waterstofbrug waarbij een O-atoom van de NO2-groep is betrokken. Op de uitwerkbijlage is een deel van het molecuul van de omgezette morfine weergegeven. Hierbij zijn de bindende elektronenparen in de NO2-groep onvolledig weergegeven.
Vraag 23 2 punten
Voer op de uitwerkbijlage de volgende opdrachten uit:
- Geef de bindende elektronenparen in de NO2-groep weer.
- Geef de formele en partiële lading(en) aan.
- Geef de waterstofbrug weer met een stippellijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer het volgende antwoord is gegeven, dit goed rekenen:
Wanneer in de ~NO2-groep (on)juiste niet-bindende elektronenparen en/of partiële ladingen zijn weergegeven, dit niet aanrekenen.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2021, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-1/vw-1028-a-21-1-o
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1?
Het centraal examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over rekenen aan reacties (4), bindingen (3) en reactievergelijkingen (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2021, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-1/vw-1028-a-21-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.