Eindexamen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Waterstofauto’s die methaanzuur tanken, Retinal in het oog, Slim gebruik van glycerol, Doerian, een delicatesse?.
Het centraal examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (7), rekenen aan reacties (5) en reactievergelijkingen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 8-9, 12-13, 20-21, 23 | 7 |
| Rekenen aan reacties | 3, 16-17, 19, 26 | 5 |
| Reactievergelijkingen | 1, 4, 14-15 | 4 |
| Bindingen | 6, 10-11, 24 | 4 |
| Stoffen en eigenschappen | 5, 25 | 2 |
| Zuren en basen | 7, 18 | 2 |
| Duurzame chemie | 2 | 1 |
| Reactiesnelheid | 22 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg minder over scheidingsmethoden (0% van de vragen, gemiddeld 8%).
Opgaven en correctievoorschrift
- Opgaven
- Uitwerkbijlage
- Correctievoorschrift
- Aanvulling correctievoorschrift
- Tweede aanvulling correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Waterstofauto’s die methaanzuur tanken
Omdat de opslag van waterstof een probleem is, wordt onderzoek gedaan naar manieren om waterstof om te zetten tot stoffen met een hogere dichtheid. Een voorbeeld van zo’n stof is methaanzuur (HCOOH). Methaanzuur wordt momenteel industrieel bereid in drie stappen:
1 Waterstof reageert met koolstofdioxide tot methanol en water.
2 Methanol reageert met koolstofmono-oxide tot methylmethanoaat.
3 Methylmethanoaat reageert met water tot methaanzuur en methanol.
Vraag 1 3 punten
Geef de reactievergelijking van stap 3 in structuurformules.
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Wanneer water is weergegeven als H2O, dit niet aanrekenen.
- Wanneer links van de pijl de structuurformule van methylethanoaat en rechts van de pijl de structuurformule van ethaanzuur is gegeven, hiervoor maximaal 1 scorepunt in mindering brengen.
In totaal komt het proces neer op de omzetting van waterstof met CO2 en CO tot methaanzuur en methanol. Methaanzuur en methanol ontstaan hierbij in de molverhouding 1 : 1.
Vraag 2 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de totaalvergelijking van het hele proces.
- Bereken de atoomeconomie van deze productie van methaanzuur.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
3 H2 + CO2 + CO → CH2O2 + CH4O
46, 0 = 0,589 (= 58,9%)
3 × 2, 02 + 44, 0 + 28, 0
of
3 H2 + CO2 + CO → CH2O2 + CH4O
46, 0 = 0,590 (= 59, 0%) 46, 0 + 32, 0
Opmerking Wanneer een onjuist antwoord op vraag 2 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 1, dit niet aanrekenen.
Als het technisch mogelijk is om methaanzuur in een auto om te zetten tot waterstof en koolstofdioxide, kan de auto de vrijgekomen waterstof gebruiken als brandstof. De omzetting van methaanzuur tot waterstof in een auto is hieronder weergegeven.
HCOOH → H2 + CO2
Een Hyundai-waterstofauto kan 594 km rijden op 5,64 kg waterstof. De dichtheid van methaanzuur is 1,22 kg L–1.
Vraag 3 4 punten
Bereken het volume in L methaanzuur dat minstens nodig is om 5,64 kg waterstof te kunnen produceren. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
5, 64 × 103 × 46, 0 2, 02 3 = 1, 05 ·102 (L) 1, 22 × 10
of
5,64 × 103 Er is = 2,792 ·103 (mol) waterstof nodig. 2,02 Dit wordt gevormd uit 2, 792 ·103 × 46, 0 = 1, 284 ·105 (g) methaanzuur. 1, 284 ·105 Dit is (3) = 1, 05 ·102 (L) methaanzuur. 1, 22 × 10
Opmerking Wanneer in vraag 2 een onjuiste molaire massa van waterstof en/of methaanzuur is gebruikt en dezelfde fout in vraag 3 opnieuw is gemaakt, dit hier niet aanrekenen.
Twee onderzoeksgroepen hebben een katalysator ontwikkeld die de directe omzetting van H2 en CO2 tot methaanzuur katalyseert. Omdat deze omzetting in basisch milieu optreedt, wordt er geen methaanzuur gevormd, maar onder andere het zuurrest-ion van methaanzuur.
Vraag 4 2 punten
Geef de reactievergelijking van deze omzetting.
Bekijk het antwoord
- links van de pijl H2 en CO2 en OH– (1)
- rechts van de pijl CHO2–/HCOO– en H2O en de elementbalans juist bij uitsluitend de juiste formules links en rechts van de pijl (1)
Afhankelijk van de pH komen in oplossingen van de gebruikte katalysator voornamelijk deeltjes [H4kat]4+ of deeltjes [kat]0 voor. In de figuur is het evenwicht tussen deze deeltjes weergegeven met structuurformules.
figuur
In elk katalysatordeeltje zijn twee iridium-ionen door elektrostatische interacties gebonden aan enkele omringende deeltjes. Deze interacties zijn in de figuur weergegeven met stippellijnen. In de figuur zijn alle formele ladingen aangegeven, behalve de lading van de iridium-ionen. Alle iridium-ionen in de figuur hebben dezelfde lading.
Vraag 5 2 punten
Leg uit welke lading een iridium-ion in de figuur heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: [H4kat]4+ bevat (neutrale deeltjes en) twee deeltjes X–. / [kat]0 bevat (moleculen water en) deeltjes met een totale lading 6–. De (twee) iridium-ionen hebben dus samen de lading 6+. Een iridium-ion heeft dus de lading 3+.
Op de uitwerkbijlage is een Lewisstructuur van het deeltje X– weergegeven. Een andere grensstructuur is onvolledig weergegeven.
Vraag 6 2 punten
Maak op de uitwerkbijlage de rechter grensstructuur van het deeltje X– compleet.
- Geef de formele lading(en) aan.
- De C-atomen in deze grensstructuur moeten voldoen aan de oktetregel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- het niet-bindende elektronenpaar op een van de andere C-atomen (1)
- de formele lading en de rest van de grensstructuur juist (1)
De gebruikte katalysator is ook werkzaam bij de omzetting van methaanzuur tot H2 en CO2 in een auto. Deze omzetting treedt alleen op bij lage pH.
Vraag 7 2 punten
Leg uit welk van beide katalysatordeeltjes uit de figuur overwegend aanwezig is bij lage pH.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Bij lage pH is de [H3O+]/[H+] hoog. Er is dus meer H+ gebonden aan de katalysatordeeltjes, dus er is voornamelijk [H4kat]4+ aanwezig.
- Bij lage pH is de [H3O+]/[H+] hoog. Het evenwicht verschuift naar links, dus er is voornamelijk [H4kat]4+ aanwezig.
Retinal in het oog
In de cellen van het netvlies bevindt zich het eiwit opsine. In een holte van het opsine-molecuul is een molecuul retinal covalent gebonden aan de restgroep van de aminozuureenheid lysine. Bij absorptie van lichtenergie treedt in retinal op één plaats in het molecuul cis/trans-isomerisatie op. Als gevolg van deze verandering ontstaat uiteindelijk een signaal in de oogzenuw. In figuur 1 is de structuurformule van retinal weergegeven. Hierbij is informatie over stereo-isomerie in retinal weggelaten.
[figuur 1: zie het originele examen]
In een retinal-molecuul is cis/trans-isomerisatie op een aantal plaatsen mogelijk. De biochemicus George Wald (Nobelprijs 1967) heeft ontdekt dat uitsluitend de dubbele binding tussen C11 en C12 onder invloed van licht isomeriseert van het in opsine aanwezige cis naar trans; dit is de eerste stap van de waarneming van licht.
Vraag 8 1 punt
Geef aan bij welke C=C-bindingen in retinal ook cis/trans-isomerisatie zou kunnen optreden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- bij de dubbele bindingen tussen C7-C8, C9-C10 en C13-C14 (1)
In het onderzoek van Wald is gebruikgemaakt van retinal-analoga. Dit zijn stoffen waarbij in het retinal- molecuul op verschillende plaatsen de cis/trans-isomerisatie is geblokkeerd. Hiernaast is de structuurformule van zo’n stof (stof A) weergegeven. In het molecuul van stof A is cis-/trans-isomerisatie van de dubbele binding tussen C11 en C12 onmogelijk. Dit molecuul kan worden opgevat als een molecuul retinal waarin onder andere een extra koolstofatoom in de structuur is opgenomen.
Vraag 9 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de nummers van de koolstofatomen van retinal waartussen dit extra koolstofatoom is opgenomen.
- Leg uit of stof A is afgeleid van 11- cis-retinal of van 11-trans-retinal.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Tussen C10 en C20. De H-atomen aan weerszijden van de C=C-binding (tussen C11 en C12) bevinden zich aan dezelfde kant (ten opzichte van die binding). / De C-atomen aan weerszijden van de C=C-binding (tussen C11 en C12) bevinden zich beide aan dezelfde kant (ten opzichte van die binding). De getekende variant komt dus overeen met 11-cis-retinal.
In figuur 2 is weergegeven hoe retinal is gebonden aan een restgroep van de peptideketen van opsine. Na de isomerisatie wordt retinal losgekoppeld van opsine. In figuur 2 is de eerste stap van het loskoppelen weergegeven. In deze eerste stap spelen twee watermoleculen een belangrijke rol.
[figuur 2: zie het originele examen]
In de holte van opsine is tegenover het gebonden retinal een restgroep van Glu aanwezig. Door de afstanden en aanwezige ladingen in de holte zijn de watermoleculen links van de pijl op een specifieke wijze georiënteerd ten opzichte van de restgroepen in opsine. Hierbij spelen waterstofbruggen en nog een andere soort binding een rol.
Vraag 10 2 punten
Leg uit welke andere soort binding links van de pijl nog meer zorgt voor de oriëntatie van de watermoleculen ten opzichte van de restgroepen in opsine.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- De oriëntatie van de watermoleculen wordt mede veroorzaakt door een ion-dipool-binding. Het negatief geladen zuurstofatoom trekt de positieve kant van het bovenste watermolecuul aan.
- De oriëntatie van de watermoleculen wordt mede veroorzaakt door een ion-dipool-binding. De N+ trekt de δ–-lading van (het zuurstofatoom in) het onderste watermolecuul aan.
Opmerking Wanneer een antwoord is gegeven als: ‘De oriëntatie van de watermoleculen wordt mede veroorzaakt door een dipool-dipoolbinding. Elk watermolecuul is een dipool, waardoor ze zich zo ordenen.’, dit goed rekenen.
De na stap 1 weergegeven watermoleculen blijven aanwezig in de holte van opsine. Ze zijn hierbij onder andere met waterstofbruggen gebonden aan restgroepen van de peptideketen.
Vraag 11 1 punt
Teken op de uitwerkbijlage een waterstofbrug tussen een molecuul water en een van de weergegeven restgroepen van de peptideketen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien behalve een juiste ook een onjuiste waterstofbrug is getekend (0)
Opsine bevindt zich deels in het celmembraan. In figuur 3 is vereenvoudigd weergegeven hoe opsine zich volgens onderzoekers in het celmembraan bevindt. Voor de duidelijkheid is een deel van het celmembraan lichter weergegeven. [figuur 3: zie het originele examen]
De onderzoekers hebben de modelvoorstelling onder andere gebaseerd op de hydropathie-index. Deze index wordt modelmatig berekend en geeft aan in hoeverre een aminozuureenheid in een peptideketen hydrofiel of hydrofoob is. Hoe hoger de hydropathie-index, hoe meer de hydrofobe eigenschappen overheersen. In figuur 4 is de hydropathie-index van alle aminozuureenheden van opsine weergegeven. [figuur 4: zie het originele examen]
In figuur 3 zijn twee gebieden uit opsine vetgedrukt en aangeduid met de letters X en Y. Deze gebieden bevatten een aantal aminozuureenheden. De nummers van deze aminozuureenheden kunnen met behulp van figuur 4 worden geschat.
Vraag 12 2 punten
Geef met behulp van figuur 3 en figuur 4 een schatting van de nummers van de aminozuureenheden die horen bij de gebieden X en Y. Noteer je antwoord als volgt:
- gebied X: nummers … t/m …
- gebied Y: nummers … t/m …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- gebied X: nummers 125 t/m 135 (marge 110-145) (1)
- gebied Y: nummers 250 t/m 275 (marge 235-280) (1)
In het menselijk oog komen drie verschillende varianten van opsine voor. De peptideketen van elke opsine heeft een iets andere ruimtelijke bouw. Hierdoor treedt de isomerisatie van retinal op bij verschillende kleuren licht, zoals rood en groen. De genen voor de ‘rode’ en ‘groene’ opsine zijn voor een groot deel aan elkaar gelijk. In figuur 5 is een gedeelte van het coderende DNA van beide varianten weergegeven vanaf de base met nummer 826. De genetische code van beide opsines begint hierbij bij base nummer 1. Het startcodon codeert voor de aminozuureenheid met nummer 1.
[figuur 5: zie het originele examen]
Uit de basenvolgordes in figuur 5 valt het nummer af te leiden van de eerste aminozuureenheid die in ‘rode’ opsine anders is dan in ‘groene’ opsine.
Vraag 13 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef het nummer van de eerste aminozuureenheid die in ‘rode’ opsine anders is dan in ‘groene’ opsine.
- Geef aan welke aminozuureenheid zich op die plaats in de peptideketen van ‘rode’ opsine bevindt en welke zich in de peptideketen van ‘groene’ opsine bevindt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- nummer 277 (1)
- Tyr in ‘rode’ opsine en Phe in ‘groene’ opsine (1)
Slim gebruik van glycerol
Biodiesel wordt geproduceerd door methanol toe te voegen aan plantaardige olie of dierlijk vet. Hierbij treedt een reactie op waarbij esters van methanol en vetzuren worden gevormd. Tevens wordt hierbij glycerol (propaan-1,2,3-triol) gevormd.
Vraag 14 3 punten
Geef de reactievergelijking van de vorming van biodiesel uit vet.
- Gebruik structuurformules.
- Noteer de koolwaterstofrest van een vetzuur als CxHy.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer in vraag 1 en 14 is gebruikgemaakt van dezelfde onjuiste molecuulformule van methanol, dit hier niet aanrekenen.
Door de toename van de biodieselproductie is een overschot aan glycerol op de wereldmarkt ontstaan. Dit heeft geleid tot onderzoek naar de omzetting van glycerol met behulp van micro-organismen tot waardevolle chemicaliën. Een van deze chemicaliën is butaandizuur. De bacterie Anaerobiospirillum succiniciproducens kan onder zuurstofloze omstandigheden glycerol omzetten tot butaandizuur (C4H6O4). De vergelijking van deze omzetting is hieronder weergegeven.
C3H8O3 + CO2 → C4H6O4 + H2O (reactie 1)
De bacterie kan ook glucose omzetten tot butaandizuur. In deze reactie (reactie 2) reageert glucose met koolstofdioxide tot butaandizuur, ethaanzuur en water. In reactie 2 ontstaat 4 mol butaandizuur uit 3 mol glucose.
Vraag 15 3 punten
Geef de vergelijking van reactie 2 in molecuulformules.
Bekijk het antwoord
- links van de pijl C6H12O6 en rechts van de pijl C4H6O4 en H2O (1)
- links van de pijl CO2 en rechts van de pijl C2H4O2/CH3COOH (1)
- de elementbalans juist bij uitsluitend de juiste formules links en rechts van de pijl (1)
Reactie 1 verloopt traag. Reactie 2 verloopt sneller, maar door de bacteriën worden dan meer bijproducten gevormd. Een groep onderzoekers heeft onderzocht of de productie van butaandizuur uit glycerol kan worden geoptimaliseerd door de bacteriën gelijktijdig glycerol en glucose te laten omzetten. Ze voerden een serie experimenten uit waarbij zij de bacteriën lieten groeien in een mengsel met enkel glycerol en in mengsels van glycerol met wisselende gehaltes glucose. Bij een mengsel met een startgehalte van 5,00 g L–1 glycerol en 1,25 g L–1 glucose werd uiteindelijk 7,3 g L–1 butaandizuur geproduceerd.
Vraag 16 4 punten
Bereken het rendement van deze vorming van butaandizuur.
- Neem aan dat alle beginstof geheel werd omgezet.
- Gebruik gegevens van reactie 1 en 2.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
7,3 = 97(%) 5, 00 1, 25 4 92,1 + 180 × 3 × 118
of
5, 00 Er kan maximaal = 5, 43 ·10−2 (mol) butaandizuur worden gevormd uit 92,1 1, 25 4 glycerol en × = 9, 26 ·10−3 (mol) uit glucose.
180 3 Dat is totaal ( 5, 43 ·10 −2 + 9, 26 ·10 −3 ) × 118 = 7, 50 (g) butaandizuur. 7,3 Het rendement is = 97(%). 7,50
Reacties 1 en 2 zijn beide exotherm. De vrijgekomen energie wordt door de bacteriën gebruikt voor groei. De vormingswarmte van butaandizuur is –9,40·105 J mol–1 en die van glycerol is –6,64·105 J mol–1. De reactiewarmte van reactie 2 is –1,82·105 J per mol butaandizuur. Bij de gebruikte omstandigheden wordt 85% van het butaandizuur gevormd uit reactie 1.
Vraag 17 4 punten
Bereken de totale reactiewarmte in joule per kg butaandizuur dat wordt gevormd volgens reacties 1 en 2. In de reacties komt water voor als vloeistof.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: De reactiewarmte van reactie 1 is
- Ebegin + Eeind = ( ) ( ) ( ) ( )
- − 6, 64 ·105 +
- 3, 94 ·105 +
- 9, 40 ·105 +
- 2,86 · 105 =
- 1, 68 · 105 (J mol
- 1 ).
De totale reactiewarmte is dan ( ) ( 0,85 ×
- 1, 68 · 105 + 0,15 ×
- 1,82 · 105 ) =
- 1, 70 ·10 (J mol ).
5 −1
3 Dat is (
- )1, 70 ·105 × 10 = (
- )1, 4 ·106 (J kg −1 ). 118
Opmerking Wanneer in vraag 16 een onjuiste molaire massa van butaandizuur is gebruikt en dezelfde fout in vraag 17 opnieuw is gemaakt, dit hier niet aanrekenen.
De vorming van butaandizuur zorgt voor een verlaging van de pH van het reactiemengsel. Om de pH constant te houden, wordt gedurende het experiment natronloog aan het mengsel toegevoegd. Hierdoor vormt zich uiteindelijk een buffer in het reactiemengsel.
Vraag 18 2 punten
Leg uit dat zich gedurende het experiment een buffer vormt in het reactiemengsel.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Gedurende het experiment wordt butaandizuur (en ethaanzuur) gevormd. Dit is een zwak zuur. Door het toevoegen van natronloog/NaOH wordt het zuur deels omgezet tot de geconjugeerde base. Een mengsel van een zwak zuur en (voldoende) geconjugeerde base is een buffer / heeft een bufferwerking.
Bij het experiment met uitsluitend glycerol bleek dat de opbrengst aan butaandizuur maximaal was als het gehalte glycerol in de reactor constant werd gehouden. De hoeveelheid glycerol die tijdens het verloop van het experiment moet worden aangevuld, kon worden bepaald door te meten hoeveel NaOH er nodig was om de pH constant te houden. Bij de gebruikte pH was het door de bacteriën gevormde butaandizuur (C4H6O4) voor 87% omgezet tot C4H4O42‒ en voor 13% tot C4H5O4‒. In het experiment had in totaal 7,50 mL 2,00 M natronloog gereageerd.
Vraag 19 4 punten
Bereken de massa in g glycerol die is omgezet.
- Neem aan dat het butaandizuur uitsluitend via reactie 1 wordt gevormd.
- Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
7,50 × 10−3 × 2, 00 × 92,1 = 7, 4 ·10−1 (g)
87 (13) 2 × 2 + 2 ×1
10 (10)
of
Er is dan 7,50 × 10−3 × 2, 00 = 1,50 ·10−2 (mol) OH– toegevoegd. 1,50 × 10−2 Er is dus = 8, 02 ·10−3 (mol) butaandizuur omgezet.
87 (13) × 2 + 2 ×1
102 (10) De massa glycerol is dus 8, 02 ·10−3 × 92,1 = 7, 4 ·10−1 (g).
Opmerking Wanneer in vraag 16 een onjuiste molaire massa van glycerol is gebruikt en dezelfde fout in vraag 19 opnieuw is gemaakt, dit hier niet aanrekenen.
Doerian, een delicatesse?
Doerian is een vrucht met een kenmerkende geur. De een houdt ervan terwijl de ander de geur weerzinwekkend vindt. Uit onderzoek is gebleken dat in doerians vooral twee verbindingen geurbepalend zijn: ESET en EMB. Als een van beide verbindingen ontbreekt, is de kenmerkende doerian-geur er niet. De structuurformules van deze verbindingen zijn weergegeven in figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Gebleken is dat van ESET twee stereo-isomeren voorkomen in doerians.
Vraag 20 1 punt
Teken op de uitwerkbijlage de twee stereo-isomeren van ESET.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van juist antwoord is: (1)
Uit eerder onderzoek was de aanwezigheid van een groot aantal stoffen in doerians al bekend. Om de gehaltes van deze stoffen te kunnen bepalen, zijn van deze stoffen analoga gemaakt. Dit zijn stoffen waarbij in de moleculen een of meer atomen zijn vervangen door bijvoorbeeld 2H en 13C. In ESET werden twee 12C-atomen vervangen door 13C-atomen. De gevormde stof wordt in het vervolg aangeduid met ESET-13. ESET-13 werd gemaakt door gebruik te maken van ethanal, waarin twee 13 C-atomen aanwezig zijn. In figuur 2 zijn de hierbij verlopende reacties weergegeven.
[figuur 2: zie het originele examen]
In stap 2 wordt uitsluitend deeltje X gevormd. Het mechanisme van de reactie in stap 2 is op de uitwerkbijlage onvolledig weergegeven.
Vraag 21 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage het mechanisme van de reactie in stap 2 compleet.
- Geef rechts van de pijl de structuurformule van deeltje X.
- Geef in alle deeltjes de niet-bindende elektronenparen aan.
- Geef met pijlen weer hoe elektronenparen worden verplaatst tijdens deze reactie.
- Geef formele ladingen weer wanneer die voorkomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Het noteren van 13C als C niet aanrekenen.
Van de weergegeven omzettingen in figuur 2 is stap 2 de snelheidsbepalende stap. Van stap 2 en 3 zijn drie mogelijke energiediagrammen weergegeven in figuur 3.
[figuur 3: zie het originele examen]
Vraag 22 2 punten
Leg uit welk van de diagrammen (P, Q of R) in overeenstemming is met de gegevens over de relatieve snelheden van stap 2 en stap 3 in figuur 2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van juist antwoord is: (Stap 2 is langzaam, stap 3 is snel.) De activeringsenergie van stap 2 zal (dus) hoger zijn dan die van stap 3. Dit komt overeen met de gegevens in diagram R.
Na de reacties die zijn weergegeven in figuur 2, is uit het reactiemengsel een stof geïsoleerd met hetzelfde kookpunt als dat van ESET. Om te onderzoeken of deze stof inderdaad ESET-13 is, is van de stof een massaspectrum genomen. Bij de gebruikte techniek worden H+-ionen opgenomen, waarbij het molecuul-ion [M–H]+ wordt gevormd. Uit het molecuul-ion worden vervolgens fragmenten gevormd. In figuur 4 is het massaspectrum van ESET-13 weergegeven.
[figuur 4: zie het originele examen]
De piek bij m/z = 91 kan worden verklaard uit het afsplitsen van een neutraal deeltje van het molecuul-ion.
Vraag 23 2 punten
Leg uit welk neutraal deeltje is afgesplitst.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van juist antwoord is: De totale massa van het molecuul-ion is 125 (u). De massa van het deeltje is dus 125
- 91 = 34 (u) . Dit is H2S.
In het massaspectrum van ESET-13 komt een piek voor bij m/z = 63. Deze piek wordt veroorzaakt door een fragment dat is ontstaan na het verbreken van één atoombinding in ESET-13.
Vraag 24 2 punten
Leg uit welke atoombinding dat is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Als in de keten de atoombinding links van het S-atoom wordt verbroken, ontstaat het deeltje [13CH3–13CH–SH]+ / [13CH3–13CH–SH]. Dit deeltje heeft een massa van 63 (u).
- Als in de keten de atoombinding links van het S-atoom wordt verbroken, ontstaat een deeltje met (twee) 13C-atomen. Dit deeltje heeft een massa van 63 (u).
Om van alle aanwezige stoffen het gehalte te kunnen bepalen, wordt doerian-pulp enkele malen geëxtraheerd. Na de extracties wordt het verkregen mengsel met behulp van GC-MS geanalyseerd. Dat houdt in dat het mengsel met behulp van gaschromatografie (GC) wordt gescheiden, waarna elke afzonderlijke stof in een massaspectrometer (MS) wordt geleid.
Van twee doerians is het gehalte EMB bepaald met behulp van gaschromatografie. Ook is met proefpersonen onderzocht welke doerian een sterkere geur had. Een sterkere geur wordt vooral bepaald door een hoger gehalte van EMB. Bij dit onderzoek is een interne standaard gebruikt. De signaalsterkte van de interne standaard is recht evenredig met het ingespoten volume. Wanneer in het onderzoek verschillende volumes zijn ingespoten, kunnen zo de resultaten toch met elkaar worden vergeleken. In de tabel zijn de meetgegevens van beide doerians weergegeven.
tabel
signaalsterkte interne standaard EMB
doerian 1 520 7250
doerian 2 320 5610
Vraag 25 2 punten
Leg met behulp van de tabel uit welke doerian een sterkere geur heeft.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van juist antwoord is: Bij doerian 1 is de verhouding
signaalsterkte EMB = 13,9 / ongeveer 14. signaalsterkte interne standaard
Bij doerian 2 is de verhouding 17,5/ hoger. Het gehalte EMB is dus hoger bij doerian 2, dus doerian 2 heeft een sterkere geur.
Als interne standaard is een oplossing van thiofeen bereid met een molariteit van 1,20∙10–2 mol L–1. Vervolgens werd 10,0 μL van deze oplossing toegevoegd aan 10,0 mL pulp van een doerian. Bij deze doerian bleek de molverhouding EMB : thiofeen = 1,0 : 0,18. De molaire massa van EMB is 130 g mol–1. Bij de gebruikte gaschromatograaf is de signaalsterkte recht evenredig aan de hoeveelheid stof.
Vraag 26 2 punten
Bereken het gehalte EMB in de pulp in g L–1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
10, 0 × 10−6 1, 0 1, 20 ·10−2 × −3 × × 130 = 8, 7 ·10 −3 (g L−1 ) 10, 0 × 10 0,18
of
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2021, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-21-2-o
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2?
Het centraal examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (7), rekenen aan reacties (5) en reactievergelijkingen (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2021, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2021/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-21-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2021, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.