Eindexamen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Fischer-Tropsch, DNA-analyse, Polydopamine, Alternatieve brandstoffen.

Kort antwoord

Het centraal examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (6), duurzame chemie (4) en rekenen aan reacties (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Koolstofchemie8-12, 146
Duurzame chemie2, 22, 24-254
Rekenen aan reacties5, 16, 213
Bindingen7, 19-203
Reactievergelijkingen1, 152
Scheidingsmethoden4, 62
Redoxreacties18, 232
Evenwichten31
Stoffen en eigenschappen131
Zuren en basen171

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over duurzame chemie (16% van de vragen, gemiddeld 5%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Fischer-Tropsch

In de jaren 20 van de vorige eeuw ontwikkelden de Duitse geleerden Fischer en Tropsch een proces om synthesegas om te zetten tot vloeibare brandstoffen. Synthesegas is een gasmengsel van koolstofmono-oxide en waterstof. Bij de zogeheten Fischer-Tropsch-reactie ontstaan diverse koolwaterstoffen, vooral alkanen. Als bijproduct ontstaat alleen water.

Vraag 1 3 punten

Geef de reactievergelijking voor de vorming van een alkaan via de Fischer-Tropsch-reactie. Gebruik C_nH₂_n_+ 2 als algemene formule van een alkaan.

Bekijk het antwoord

n CO + (2n + 1) H₂ → C_nH₂_n_+ 2 + n H₂O

  • links van de pijl CO en H₂ en rechts van de pijl C_nH₂_n_+ 2 en H₂O (1)
  • de C-balans en de O-balans juist (1)
  • de H-balans juist bij uitsluitend de juiste formules voor en na de pijl (1)

De benodigde koolstofmono-oxide en waterstof kunnen uit allerlei grondstoffen worden bereid, zoals kolen, aardgas of biomassa. Biomassa moet worden voorbewerkt, bijvoorbeeld door het te verhitten, waardoor het gehalte koolstof stijgt. In figuur 1 is een schema gegeven van de energiestromen tijdens het verhitten van biomassa.

figuur 1
figuur 1

Vraag 2 2 punten

Bereken het energierendement van deze omzetting van biomassa tot bewerkte biomassa.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juiste berekening is:

De biomassa heeft een energie-inhoud van 15.450 kJ. Deze wordt vermeerderd met 110 kJ door verhitting.

η= 10690 = 0,687 ( =68,7%) 15450 + 110

  • inzicht dat de totale energie-inhoud die de reactor ingaat moet worden bepaald (1)
  • rest van de berekening (1)

Opmerking

Als bij de berekening van het energierendement uitsluitend de uitgaande energiestromen zijn gebruikt, dit goed rekenen.

De bewerkte biomassa wordt vervolgens met lucht omgezet tot een gasmengsel dat onder andere koolstofmono-oxide en waterstof bevat. In figuur 2 is een onvolledig blokschema weergegeven van een fabriek die met behulp van de Fischer-Tropsch-reactie stoffen zoals nafta en diesel produceert.

figuur 2
figuur 2

In reactor 1 (R1) treden de Fischer-Tropsch-reactie en evenwicht 1 op. CO (g) + H₂O (g) CO₂ (g) + H₂ (g) (evenwicht 1) Van evenwicht 1 is de reactiewarmte van de reactie naar rechts

  • 4,1·10⁴ J per mol CO. De verhouding tussen de stoffen CO en H₂ in de

stofstroom die R1 verlaat, kan worden geoptimaliseerd door de omstandigheden in de reactor te variëren. Door de temperatuur te veranderen, kan via evenwicht 1 meer of juist minder H₂ gevormd worden.

Vraag 3 2 punten

Leg uit of de temperatuur verhoogd of verlaagd moet worden om evenwicht 1 meer naar rechts te laten verschuiven.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− (De reactiewarmte is negatief.) De reactie naar rechts is (dus) exotherm. Om evenwicht 1 naar rechts te laten verschuiven, moet de temperatuur dus worden verlaagd.

  • inzicht dat de reactie naar rechts (van evenwicht 1) exotherm is (1)
  • consequente conclusie (1)

− Bij verhogen van de temperatuur verschuift een evenwicht naar de endotherme kant. / Bij verlagen van de temperatuur verschuift een evenwicht naar de exotherme kant. (De reactiewarmte is negatief.) De temperatuur moet dus worden verlaagd om evenwicht 1 naar rechts te laten verschuiven.

  • inzicht dat een evenwicht bij temperatuurverhoging naar de endotherme kant schuift / een evenwicht bij temperatuurverlaging naar de exotherme kant schuift (1)
  • consequente conclusie (1)

De reacties in R1 verlopen niet volledig. Een nadeel van de Fischer- Tropsch-reactie is dat in R1 een mengsel ontstaat waarin zich alkanen bevinden met één tot zeer veel koolstofatomen per molecuul. Dit mengsel wordt met C₁₊ aangeduid.

In scheidingsruimte 2 (S2) wordt de fractie alkanen met vijf of meer dan vijf koolstofatomen per molecuul (C₅₊) afgescheiden van de rest van het reactiemengsel. De rest van het mengsel, waarin zich onder andere de alkanen bevinden met 1 tot en met 4 C-atomen per molecuul (C₁ - C₄), wordt doorgevoerd naar scheidingsruimte 4 (S4). In S4 wordt het mengsel afkomstig uit S2 gescheiden met behulp van extractie. Dit wordt gedaan omdat een scheiding van de stoffen door afkoeling van het mengsel niet het gewenste resultaat geeft. Het extractiemiddel dat wordt gebruikt, is niet opgenomen in het blokschema.

Vraag 4 2 punten

Leg uit, met behulp van de kookpunten van de betrokken stoffen, dat deze scheiding in S4 inderdaad niet kan worden uitgevoerd door afkoeling van het mengsel.

  • Gebruik informatie uit het blokschema;
  • Neem hierbij aan dat het kookpunt van CO₂ 195 K is;
  • Gebruik je informatieboek.
Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

De kookpunten van C₁ - C₄ liggen tussen 112 K en 261 K. Die van CO en H₂ nog lager. Het kookpunt van CO₂ ligt tussen de kookpunten van de stoffen in de fractie C₁ - C₄. (Het is dus onmogelijk om CO₂ door middel van afkoeling van de fractie C₁ - C₄ te scheiden.)

  • relevante kookpunten verwerkt (1)
  • consequente uitleg (1)

Opmerking

Een antwoord als het volgende goedrekenen:

Om de scheiding in S4 te realiseren, moeten CO₂ en H₂O als gezamenlijke stofstroom worden verkregen. (Het kookpunt van CO₂ en het kookpunt van H₂O moeten dus beide hoger of beide lager liggen dan de kookpunten van de stoffen in de andere fractie.) Het kookpunt van H₂O ligt hoger dan de andere kookpunten, maar het kookpunt van CO₂ niet. (Het is dus onmogelijk om deze scheiding door middel van afkoeling uit te voeren.)

De fractie C₁ - C₄ afkomstig uit S4 wordt in reactor 3 (R3) met behulp van zuurstof geheel omgezet tot waterstof en koolstofmono-oxide. R3 is niet in het blokschema opgenomen. De fractie C₅₊ afkomstig uit S2 ondergaat in reactor 2 (R2) een reactie die hydrocracking wordt genoemd. Tijdens hydrocracking worden C–C-bindingen in de alkanen verbroken. Hierbij ontstaan onder andere onverzadigde koolwaterstoffen. Vervolgens worden in dezelfde reactor de ontstane onverzadigde koolwaterstoffen met waterstof onder invloed van een katalysator omgezet tot alkanen. Op de uitwerkbijlage is het energiediagram voor de vorming van propaan uit propeen (R2) tweemaal onvolledig weergegeven: met en zonder katalysator.

Vraag 5 3 punten

Voer op de uitwerkbijlage de volgende opdrachten uit:

  • Leg uit of deze vorming van propaan uit propeen een exotherme of een endotherme reactie is. Gebruik Binas-tabel 57 of ScienceData-tabel 9.2.
  • Teken de ontbrekende energieniveaus met bijbehorende bijschriften zodat duidelijk wordt wat de invloed van de katalysator is.
uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juiste uitleg zijn:

− De vormingswarmte van propaan is –1,04·10⁵ (J mol^–1) en de vormingswarmte van propeen is +0,20·10⁵ (J mol^–1), dus de reactie is exotherm.

− De vormingswarmte van propeen is positief en die van propaan is negatief, dus de omzetting is een exotherme reactie.

− De reactiewarmte voor de vorming van propaan uit propeen is negatief, dus de reactie is exotherm.

Voorbeelden van een juiste tekening zijn:

Antwoordfiguur bij vraag 5 (cv-p8-6-5.webp).
  • juiste uitleg of de omzetting een exotherme of endotherme reactie is (1)
  • consequente weergave van het energieniveau van propaan ten opzichte van propeen en waterstof, inclusief bijschriften (1)
  • het energieniveau van de overgangstoestand als hoogste energieniveau getekend en die in de figuur met katalysator lager getekend dan het energieniveau van de overgangstoestand zonder katalysator, inclusief bijschriften (1)

Opmerkingen: − Als in plaats van propaan C₃H₈ of ‘reactieproduct’ is genoteerd als bijschrift, dit niet aanrekenen.

− Als meer dan één bijschrift is vergeten of onjuist is aangegeven, dit slechts eenmaal aanrekenen.

Door de reacties in R2 ontstaat uiteindelijk een mengsel dat weer kan worden aangeduid met C₁₊. In S3 wordt het mengsel afkomstig uit R2 gescheiden in vier fracties. De fractie C₁ - C₄ wordt teruggevoerd in het proces. De fracties C₅ - C₁₁ en C₁₂ - C₂₀ worden verkocht als nafta en diesel. Van de fractie C₂₁₊ wordt een deel verkocht en de rest wordt teruggevoerd in het proces. In het blokschema ontbreekt een aantal stofstromen. Ook ontbreekt R3.

Vraag 6 3 punten

Maak op de uitwerkbijlage het blokschema compleet.

  • Teken R3.
  • Teken de ontbrekende pijlen en noteer de ontbrekende stofnamen die daarbij horen. Houd daarbij rekening met terugvoer van stoffen.
uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Antwoordfiguur bij vraag 6 (cv-p9-2-6.webp).
  • het blok voor R3 weergegeven aansluitend op de juiste uitstroom uit S4 en de instroom van uitsluitend O₂ van buiten naar R3 weergegeven (1)
  • de uitstroom van uitsluitend C₁ - C₄ van S3 naar (de instroom van) R3 weergegeven (1)
  • terugvoer van een deel van C₂₁₊ naar (de instroom van) R2 weergegeven en terugvoer van uitsluitend CO en H₂ uit R3 naar (de instroom van) R1/S1 weergegeven (1)

Opmerking

Als de recycle van C₂₁₊ van S3 naar S2 is weergegeven en de recycle van C₁ - C₄ van S3 naar de instroom van S4 is weergegeven, dit slechts eenmaal aanrekenen.

DNA-analyse

Voor het monitoren van infectieziekten en het ontwikkelen van vaccins wordt gebruikgemaakt van analysetechnieken. Hiermee kan de volgorde van de basenparen in het DNA van bijvoorbeeld virussen worden bepaald. In een van de stappen wordt dubbelstrengs-DNA omgezet tot enkelstrengs-DNA.

Vraag 7 2 punten

Noem de twee soorten bindingen die hierbij tussen de DNA-strengen worden verbroken.

Bekijk het antwoord
  • vanderwaalsbinding(en)/molecuulbinding(en) (1)
  • waterstofbrug(gen) (1)

Opmerking

Als in plaats van waterstofbrug(gen) dipool-dipoolbinding(en) is/zijn genoemd, dit goedrekenen.

In figuur 1 is weergegeven hoe men bij zo’n DNA-analyse te werk gaat.

figuur 1
figuur 1

De stappen van de DNA-analyse in figuur 1 zijn hieronder beschreven:

1 Het DNA van het te onderzoeken monster wordt vermenigvuldigd tot miljoenen kopieën DNA.

2 Deze kopieën DNA worden verdeeld over vier verschillende reageerbuisjes en door behandeling met hitte enkelstrengs gemaakt.

3 In deze reageerbuisjes zitten ook de basen A, C, T en G. Behalve deze basen bevatten de buisjes ook één speciaal soort base: een dideoxy-base (dd). Elk buisje bevat een andere dd-base: ddA, ddT, ddC of ddG. In elk buisje wordt de matrijsstreng gebruikt om een nieuwe coderende streng te maken.

4 Zodra een dd-base wordt gekoppeld aan een groeiende coderende streng, stopt de groei van deze streng. De coderende strengen die zo ontstaan, hebben alle mogelijke lengtes.

5 Van elk buisje wordt het ontstane dubbelstrengs-DNA weer omgezet tot enkelstrengs-DNA. Dit enkelstrengs-DNA wordt op lengte gescheiden. Uit het resultaat van de scheiding is de DNA-volgorde af te lezen van de coderende streng.

De concentratie van een dd-base moet bij deze methode ongeveer 100x zo groot zijn als de concentratie gewone basen (A, C, T en G). Bij veel lagere of veel hogere concentraties dd-base leidt de analyse van een DNA-monster niet tot het gewenste resultaat.

Vraag 8 2 punten

Leg uit dat bij de beschreven methode een veel hogere concentratie dd-base niet leidt tot het gewenste resultaat.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− Wanneer de concentratie van een dd-base te hoog is (ten opzichte van A, C, T en G), is de kans dat een dd-base wordt ingebouwd te groot, waardoor er uitsluitend kortere fragmenten ontstaan / waardoor niet het gehele fragment kan worden geanalyseerd.

− Wanneer de concentratie van een dd-base te hoog is (ten opzichte van A, C, T en G), zal bij de aangroei van DNA vooral dd-base worden ingebouwd. De aangroei van DNA zal dan voornamelijk stoppen bij de eerste keer/keren dat het nucleotide moet worden ingebouwd. Je zult dus niet het hele DNA kunnen analyseren.

  • inzicht dat de kans dat dd-base wordt ingebouwd te groot is / dat er dan vooral dd-base zal worden ingebouwd (1)
  • inzicht dat hierdoor (te) korte fragmenten ontstaan / niet het gehele DNA-fragment kan worden geanalyseerd (1)

De fragmenten coderend DNA die worden gebruikt in stap 5 zijn negatief geladen. Onder invloed van elektrische spanning worden de fragmenten op lengte gescheiden in een polyacrylamide-gel. Deze gel bevat een netwerkpolymeer van methyleen-bis-acrylamide (BIS) en acrylamide. Zie figuur 2. Het monomeer BIS zorgt voor de vorming van crosslinks.

figuur 2
figuur 2

Vraag 9 3 punten

Teken de structuurformule van een gedeelte van de polyacrylamide-gel.

  • Dit gedeelte moet komen uit het midden van het polymeer en moet zijn gevormd uit één eenheid BIS en twee eenheden acrylamide.
  • In de structuurformule moet duidelijk worden hoe twee ketens door middel van een crosslink zijn verbonden.
Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

Antwoordfiguur bij vraag 9 (cv-p11-2-9.webp).
  • de vier C=C-bindingen zijn omgezet tot C–C-bindingen (1)
  • de zijgroepen juist en een crosslink getekend (1)
  • de uiteindes van de keten juist weergegeven, bijvoorbeeld met ~ en de rest van de structuurformule juist (1)

In de gel zijn ruimtes tussen de ketens van het netwerkpolymeer. De DNA-fragmenten bewegen hier doorheen. Het percentage BIS in het netwerkpolymeer bepaalt hoe groot deze ruimtes zijn. De DNA-fragmenten die gescheiden moeten worden kunnen lang of kort zijn. Afhankelijk van de lengte van deze DNA-fragmenten is een ander percentage BIS te adviseren.

Vraag 10 2 punten

Leg uit of voor een goede scheiding van lange DNA-fragmenten een relatief hoog of een relatief laag percentage BIS moet worden gebruikt bij het maken van het netwerkpolymeer.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− Om lange fragmenten goed te kunnen scheiden, moeten de ruimtes in het netwerk groot zijn. (Er moeten dus weinig crosslinks aanwezig zijn in het netwerk.) Het percentage BIS moet dus relatief laag zijn. − (BIS zorgt voor het vormen van de netwerkstructuur.) Voor het scheiden van lange fragmenten is een vrij open netwerk nodig, dus het percentage BIS moet relatief laag zijn.

  • inzicht dat voor het scheiden van grote fragmenten grote openingen nodig zijn in het netwerk / een open netwerkstructuur nodig is (1)
  • consequente conclusie (1)

− Veel BIS in het polymeer zorgt voor een zeer dicht netwerk (omdat er dan veel crosslinks zijn). Om lange fragmenten te kunnen scheiden, moet er dus een relatief laag percentage BIS worden gebruikt (want anders zijn de ruimtes tussen de ketens te klein).

  • inzicht dat veel BIS voor een zeer dicht netwerk zorgt / voor kleine ruimtes zorgt / dat weinig BIS voor een open netwerk zorgt / voor grote ruimtes zorgt (1)
  • consequente conclusie (1)

Opmerking

Een antwoord als het volgende goedrekenen:

Om lange DNA-fragmenten te scheiden moeten er minder crosslinks zijn, zodat het DNA beter door de gel kan bewegen. Het percentage BIS moet dus relatief laag zijn.

Tijdens de analyse van een DNA-monster is na stap 2 het volgende matrijs-DNA verkregen:

matrijs-DNA start AGCCTGGCGACCATCGAG

Aan dit monster is in stap 3 behalve A, C, T en G ook ddG toegevoegd. Vanaf de ‘start’ wordt tegen de matrijs-streng een coderende streng gevormd. In figuur 3 is het resultaat weergegeven van de scheiding van deze coderende strengen (stap 5).

figuur 3
figuur 3

Vraag 11 2 punten

Geef de basevolgorde van de coderende streng van het fragment met nummer 2 in figuur 3.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is: TCGddG

indien het matrijs-DNA is afgelezen tot de 2e G en dit fragment is omgezet naar coderend DNA, leidend tot de code TCGGA(dd)C (1)

indien in plaats van het op een na kortste fragment, het op een na langste fragment is afgelezen, leidend tot de code TCGGACCGCTG(dd)G (1)

indien het matrijs-DNA van rechts naar links is afgelezen tot de 2e G, leidend tot de code: CTCGAT(dd)G (1)

Opmerkingen: − Als het antwoord TCGG is gegeven, dit goedrekenen.

− Als het antwoord van achter naar voren is genoteerd, zoals (dd)GGCT is gegeven, dit goedrekenen.

Door middel van DNA-analyse kan gemonitord worden of er bij een virus mutaties optreden in het DNA. Met behulp van de 1-lettersymbolen van aminozuren kan men dit soort mutaties vereenvoudigd weergeven. Zo geeft bijvoorbeeld de notatie ‘V408M’ een mutatie weer waarbij op plaats 408 van een eiwit een valine-eenheid is vervangen door een methionineeenheid. Bij het monitoren van het Cowpox-virus werd een mutatie gevonden die is weergegeven in figuur 4.

figuur 4
figuur 4

De code voor het aminozuur met nummer 1 begint bij het basenpaar met nummer 1. Figuur 4 toont de coderende streng van het DNA.

Vraag 12 3 punten

Leid met behulp van het gegeven voorbeeld af wat de notatie is van de mutatie in figuur 4.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Het nummer van het triplet volgt uit 2552 3 = 850 2 3 .

De mutatie betreft dus triplet 851.

De tweede/middelste base van het triplet verschilt, dus het zijn de tripletten TCT (cowpox) en TAT (cowpox met mutatie).

Deze tripletten leiden op het mRNA tot de codons voor serine (UCU) respectievelijk tyrosine (UAU).

De mutatie kan worden weergegeven met S851Y.

  • bepaling van het nummer van het triplet dat verschilt (851) (1)
  • bepaling van het triplet (1)
  • consequente bepaling van de aminozuren (serine resp. tyrosine) en consequente notatie van de mutatie (1)

Polydopamine

Polydopamine is een polymeer dat hecht aan bijna alle mogelijke oppervlakken, zelfs in waterig milieu.

De synthese van het monomeer dopamine is vereenvoudigd in een blokschema weergegeven. Zie figuur 1. De structuurformules van enkele stoffen die in de synthese voorkomen, zijn onder het blokschema weergegeven.

figuur 1
figuur 1

Vraag 13 2 punten

Geef de molecuulformules van stof X en van stof Y.

Bekijk het antwoord
  • X = NH₃ (1)
  • Y = CO₂ (1)

Op de uitwerkbijlage zijn de structuurformules van enkele stoffen uit het proces weergegeven.

Vraag 14 2 punten

Voer op de uitwerkbijlage de volgende opdrachten uit:

  • Geef per stof aan of stereo-isomerie niet of wel mogelijk is. Doe dit door steeds ‘niet’ of ‘wel’ te omcirkelen.
  • Als stereo-isomerie wel mogelijk is, geef dan aan welke vorm van stereo-isomerie dat is.
stofstereo-isomerie
nietwel namelijk: …………………….
nietwel namelijk: …………………….
nietwel namelijk: …………………….
Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

stofstereo-isomerie
nietwel namelijk: ……………………
nietwel namelijk: spiegelbeeldisomerie /optische isomeren
nietwel namelijk: ……………………

indien drie stoffen juist (2)

indien twee stoffen juist (1)

indien een of geen stof juist (0)

Catechol wordt nu voornamelijk geproduceerd door de petrochemische industrie. Vlaamse wetenschappers hebben echter ontdekt dat catechol in een eenstapsreactie geproduceerd kan worden uit ferulazuur. Zie figuur 2.

figuur 2
figuur 2

Ferulazuur bevindt zich in de afvalstromen van de verwerkingsprocessen

250 °C onder hoge druk
een ethanal.De

van rijst, tarwe en maïs. Ferulazuur reageert bij 250 °C onder hoge druk met water tot catechol, methanol, koolstofdioxide en ethanal. De vergelijking van deze reactie is onvolledig weergegeven op de uitwerkbijlage.

Vraag 15 2 punten

Maak op de uitwerkbijlage deze vergelijking compleet. Gebruik structuurformules.

uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Antwoordfiguur bij vraag 15 (cv-p14-2-15.webp).
  • na de pijl de structuurformules van methanol en CO₂ (1)
  • na de pijl de structuurformule van ethanal en de elementbalans juist (1)

De omzetting van ferulazuur (C₁₀H₁₀O₄) tot catechol (C₆H₆O₂) heeft een E-factor van 2,0.

Vraag 16 3 punten

Bereken het rendement van deze reactie. Neem hierbij aan dat ferulazuur en water in de molverhouding van de reactievergelijking uit vraag 15 aanwezig zijn.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

massa_beginstoffen − massa_theoretische opbrengst product × rendement E = massa_theoretische opbrengst product × rendement

Stel het rendement op x.

De E-factor is dan 194 + 2 ×18,0 − 110 x = 2,0 . 110 x Hieruit volgt dat 220 x = 230 − 110 x .

En x = 0,697 ( = 70%) .

of

massa_beginstoffen − massa_werkelijke opbrengst product E = massa_werkelijke opbrengst product

Stel massa_werkelijke opbrengst product op x.

De E-factor is dan massa_beginstoffen − x = 2,0 dus 194 + 2 ×18,0 − x = 2,0 x x 2,0 x = 230 − x

x = 230/3,0 = 76,7.

Het rendement is 76,7/110 = 0,697 ( = 70%).

  • de molaire massa’s juist (1)
  • het rendement / de massa product per mol op x stellen en verwerking in de formule van de E-factor (1)
  • rest van de berekening (1)

Opmerking

Als een onjuist antwoord op vraag 16 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 15, dit niet aanrekenen.

Polydopamine kan op het oppervlak van een voorwerp worden aangebracht, door het voorwerp in contact te brengen met een oplossing van onder andere dopamine en de stof Tris. Tris is een zwakke base. In deze oplossing treedt evenwicht 1 op.

Tris + H₂O OH^– + Tris-H⁺ (evenwicht 1)

De oplossing met Tris heeft een pH van 8,5. De waarde van de K_b van Tris is 1,2∙10^‒6.

Vraag 17 4 punten

Bereken hoeveel procent van de aanwezige deeltjes Tris en Tris-H⁺ aanwezig is in de vorm van Tris.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juiste berekening is: pOH = 14,00 − 8,50 = 5,50 dus

[OH⁻] = 10⁻ 5,50 = 3,16 ⋅ 10 (mol L⁻⁶⁻¹).

K_b = [OH⁻][Tris-H⁺] [Tris]

De molverhouding [Tris-H⁺] [Tris] = 3 16, ⋅ 10⁻ 1 2, ⋅ 10⁻ 6 6 = 0 379,

Het percentage Tris is 0,379 1 + 1 × 10² = 72(%).

  • berekening van de [OH^‒] (1)
  • de evenwichtsvoorwaarde, eventueel reeds gedeeltelijk ingevuld (1)
  • uitwerken van de berekening tot bijvoorbeeld [Tris-H⁺] = 0 379, (eventueel impliciet) (1)

[Tris]

  • omrekening naar het percentage (1)

of

[H O₃⁺] = 10⁻ 8,50 = 3,16 ⋅ 10 (mol L⁻⁹⁻¹)

K = _z 1,0 ⋅ 10⁻ 1,2 ⋅ 10⁻ 14 6 = 8,3 ⋅ 10⁻ 9

K_z = [H O₃⁺ ] [Tris] [T ris-H⁺]

De molverhouding [Tris-H⁺] [Tris] = 8 33 10, ⋅ ⁻ 3 16, ⋅ 10⁻ 9 9 = 2 64,

Het percentage Tris is 2,64 2,64 + 1 × 10² = 72(%).

  • berekening van [H₃O⁺] en de berekening van K_z (1)
  • de evenwichtsvoorwaarde, eventueel reeds gedeeltelijk ingevuld (1)
  • uitwerken van de berekening tot bijvoorbeeld

[Tris-H ] [Tris] ₊= 2 64, (eventueel impliciet) (1)

  • omrekening naar het percentage (1)

Polydopamine heeft een complexe structuur die nog niet geheel is opgehelderd. In figuur 3 zijn twee reacties in het vormingsproces van polydopamine vereenvoudigd weergegeven: een redoxreactie en een ringsluiting.

figuur 3
figuur 3

De vergelijking van de halfreactie waarbij stof P wordt omgezet tot stof Q is hieronder weergegeven.

(C₈H₉O₂N)_n + 2n OH^– → (C₈H₇O₂N)_n + 2n H₂O + 2n e^‒

Voor de omzetting van stof P tot stof Q is zuurstof nodig. Zuurstof wordt hierbij omgezet tot waterstofperoxide (H₂O₂).

Vraag 18 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef de vergelijking van de halfreactie van zuurstof tot waterstofperoxide.
  • Geef de totaalvergelijking van de redoxreactie.
Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

O₂ + 2 H₂O + 2 e^‒ → H₂O₂ + 2 OH⁻ (× n) (C₈H₉O₂N)_n + 2n OH^– → (C₈H₇O₂N)_n + 2n H₂O + 2n e^‒ (× 1) (C₈H₉O₂N)_n + n O₂ → (C₈H₇O₂N)_n + n H₂O₂

of

O₂ + 2 H⁺ + 2 e^‒ → H₂O₂ (× n) (C₈H₉O₂N)_n + 2n OH^– → (C₈H₇O₂N)_n + 2n H₂O + 2n e^‒ (× 1) (C₈H₉O₂N)_n + n O₂ → (C₈H₇O₂N)_n + n H₂O₂

  • juiste halfreactie van zuurstof (1)
  • de halfreacties consequent opgeteld (1)
  • (indien van toepassing H⁺ en OH^–gecombineerd tot H₂O en) gelijke deeltjes voor en na de pijl tegen elkaar weggestreept (1)

De ringsluiting verloopt in een aantal stappen. In de eerste stap wordt de vijfring gevormd. In deze stap speelt een grensstructuur van de monomeereenheid in stof Q een belangrijke rol.

In deze grensstructuur heeft uitsluitend het koolstofatoom waaraan het stikstofatoom gaat binden een formele lading van 1+. Hierdoor kan het stikstofatoom optreden als nucleofiel deeltje. Deze grensstructuur is onvolledig weergegeven op de uitwerkbijlage.

Vraag 19 3 punten

Maak op de uitwerkbijlage de lewisstructuur van deze grensstructuur compleet:

  • Geef ook formele ladingen aan.
  • Alleen het koolstofatoom met de formele lading voldoet niet aan de octetregel.
uitwerkbijlage
uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Antwoordfiguur bij vraag 19 (cv-p17-2-19.webp).
  • formele lading van 1+ op het juiste koolstofatoom (1)
  • niet-bindende elektronenparen consequent met de getekende bindingen (1)
  • formele lading van 1− op het zuurstofatoom consequent met de getekende bindingen en met de plaatsing van niet-bindende elektronenparen, en de rest van de structuurformule juist (1)

Polydopamine (stof R) hecht zowel aan hydrofiele als aan hydrofobe oppervlakken.

Vraag 20 2 punten

Leg uit dat polydopamine aan hydrofiele oppervlakken hecht.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Polydopamine(moleculen) bevat(ten) OH-groepen/NH-groepen. Deze groepen vormen waterstofbruggen met (hydrofiele groepen op het oppervlak). / Deze groepen zijn polair/hydrofiel (en binden dus het oppervlak).

  • polydopamine(moleculen) bevat(ten) OH-groepen/NH-groepen (1)
  • polydopamine(moleculen) vormt/vormen waterstofbruggen / polydopamine(moleculen) is/zijn polair/hydrofiel (1)

Alternatieve brandstoffen

Vrachtwagens die goederen vervoeren rijden vaak op fossiele brandstoffen. In het onderzoek naar alternatieven is ook de verbranding van fijnverdeelde metalen onderzocht.

In de figuur op de uitwerkbijlage zijn de energiedichtheid (kWh dm^–3) en de energie-inhoud per massa-eenheid (kWh kg^–1) van verschillende brandstoffen weergegeven.

Alternatieve brandstoffen die momenteel worden onderzocht, zijn onder andere waterstof en ijzer. De energie-inhoud van ijzer is 7,4·10⁶ J kg^–1. In de figuur op de uitwerkbijlage ontbreekt nu nog het punt van Fe.

Vraag 21 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

1 Bereken van ijzer de energie-inhoud in kWh kg^–1 en de energiedichtheid in kWh dm^–3 (T = 293 K).

  • Gebruik hierbij 1,0 Wh = 3,6·10³ J.

2 Teken op de uitwerkbijlage het punt van Fe in de grafiek.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

De energie-inhoud is 7,4 ⋅ 10⁶ = 2,06 (kWh kg⁻¹) 3,6 ⋅ 10⁶ De energiedichtheid is 2,06 × 7,87 = 1,6 ⋅ 10 (kWh dm¹⁻³).

Antwoordfiguur bij vraag 21 (cv-p18-3-21.webp).
  • omrekening van de gegeven energie-inhoud in J Kg^–1 naar de energiedichtheid (1)
  • verwerking van de dichtheid van ijzer (1)
  • consequent plaatsen van het punt, met marges horizontaal ± 0,5 kWh kg^–1 en verticaal ± 0,5 kWh dm^–3 (1)

Als een vrachtwagen rijdt op een alternatieve brandstof, moet worden voldaan aan twee belangrijke eisen:

Eis 1 Het benodigde volume van de brandstoftank mag niet te groot zijn, want dan blijft er te weinig ruimte voor een vracht over. Eis 2 De benodigde massa brandstof mag niet te groot zijn, want dan kost het vervoer van de brandstof zelf veel extra energie.

Vraag 22 2 punten

Leg uit aan de hand van de figuur op de uitwerkbijlage of volgens deze eisen diesel of zink de beste brandstof is. Betrek beide eisen in je antwoord.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− Bij gelijk volume leveren diesel en zink ongeveer evenveel energie. Zink levert veel minder energie per kilogram, dus je hebt een grotere massa zink nodig dan diesel. Dus diesel is de beste brandstof. − Bij gelijke geleverde energie is het benodigde volume van diesel iets groter, maar de massa diesel is veel kleiner. Dus diesel is de beste brandstof.

  • juiste vergelijking op basis van een van de twee eisen (1)
  • juiste vergelijking op basis van de andere eis en conclusie (1)

Opmerking

Het volgende antwoord goedrekenen:

Voor eis 1 zijn beide brandstoffen gelijk. Bij diesel is de energie-inhoud groter, dus eis 2 komt er beter uit. Diesel is dus de beste brandstof.

Bij het gebruik van metalen als brandstof voor vrachtwagens bestaat de mogelijkheid om het verbrandingsafval te recyclen, namelijk door het metaaloxide met waterstof te laten reageren. De optimale temperatuur voor de reactie van ijzer(III)oxide (Fe₂O₃) met waterstof ligt tussen 970 K en 1120 K.

Vraag 23 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef de vergelijking van de reactie van ijzer(III)oxide met waterstof tot ijzer en één andere stof.
  • Bereken de reactiewarmte in joule per mol gevormd ijzer. Gebruik de waardes van de vormingswarmtes uit je informatieboek.
Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juist antwoord is:

Fe₂O₃ + 3 H₂ → 2 Fe + 3 H₂O

( 1/2 × 8,24 − 3/2 × 2,42) ⋅ 10⁵ = 0,49 ⋅ 10⁵ (J mol⁻¹)

of

Fe₂O₃ + 3 H₂ → 2 Fe + 3 H₂O

− E_begin + E_eind =− 1/2 ×−( 8,24 ⋅ 10⁵)

+ 3/2 ×− ( 2,42 ⋅ 10⁵) = 0,49 ⋅ 10⁵(J mol⁻¹)

  • de vergelijking van de reactie (1)
  • absolute waardes van de vormingswarmtes en verwerking van de coëfficiënten (1)
  • rest van de berekening (1)

Opmerking

De volgende berekening goedrekenen:

1/2 × 8,24 − 3/2 × 2,42 = 0,49 ⋅ 10⁵ (J mol⁻¹)

Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.

Waterstof kan op industriële schaal worden geproduceerd door elektrolyse van water. Een andere manier om waterstof te maken gaat via stoomreforming van methaan. Hierbij treden twee reacties op:

reactie 1

CH₄ + H₂O CO + 3 H₂ reactiewarmte: + 206 kJ per mol CH₄

reactie 2

CO + H₂O CO₂ + H₂ reactiewarmte: – 41 kJ per mol CO

Als eindproducten uit deze reactie worden uitsluitend CO₂ en H₂ verkregen. Bij stoom-reforming komt in totaal per kilogram waterstof 9,0 kg CO₂ vrij. Een gedeelte daarvan komt vrij als product van reactie 2. Hoeveel dit is, kan worden afgeleid uit de reactieverhoudingen in reacties 1 en 2. Er wordt echter ook nog extra CO₂ uitgestoten. Deze extra uitstoot van CO₂ wordt door andere processen veroorzaakt.

Vraag 24 4 punten

Bereken de massa in kilogram CO₂ die vrijkomt door andere processen bij de productie van 1,0 kg waterstof. Noteer de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.

Bekijk het antwoord

Een voorbeeld van een juiste berekening is:

De chemische hoeveelheid waterstof is 1,0 ×10³ = 4,95 ⋅ 10²(mol). 2,02

Hierbij komt 4,95 ⋅ 10² = 1,24 ⋅ 10²(mol) CO₂ vrij. 4

De CO₂-uitstoot is 1,24 ⋅ 10² × 44,0 ×10⁻ 3 = 5,45 (kg).

Dus de CO₂-uitstoot door andere processen is 9,0 − 5,45 = 3,6 (kg).

  • verwerking van de molaire massa’s van H₂ en CO₂ (1)
  • verwerking van de molverhouding uit reacties 1 en 2 (1)
  • rest van de berekening (1)
  • significantie (1)

Een groot deel van de extra CO₂-uitstoot bij stoom-reforming kan worden verklaard met behulp van de gegeven reactiewarmtes.

Vraag 25 2 punten

Leg uit hoe de extra CO₂-uitstoot bij stoom-reforming kan worden verklaard. Dit kan eventueel aan de hand van een berekening.

Bekijk het antwoord

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

− De totale reactiewarmte is een positief getal / is positief. De benodigde energie wordt opgewekt met koolstofhoudende brandstoffen. − 206 – 41 = 165 kJ/mol

De benodigde energie wordt opgewekt met koolstofhoudende brandstoffen / met brandstoffen die CO₂-uitstoot veroorzaken. − Het is netto een endotherm proces. / Het proces kost energie. Er zijn fossiele brandstoffen nodig om in de energiebehoefte te voorzien.

  • inzicht dat de netto reactie-energie positief is / dat de reactie endotherm is / dat de reactie energie kost (1)
  • De benodigde energie wordt opgewekt met koolstofhoudende brandstoffen. / met brandstoffen die CO₂-uitstoot veroorzaken. / met fossiele brandstoffen. (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.

Andere examens scheikunde vwo

Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2?

Het centraal examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (6), duurzame chemie (4) en rekenen aan reacties (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2026, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-26-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.