Eindexamen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Indigo, Gifblaar, PFOA, Vonkremmers.
Het centraal examen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (5), rekenen aan reacties (3) en bindingen (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 6, 10-11, 13, 19 | 5 |
| Rekenen aan reacties | 1, 9, 24 | 3 |
| Bindingen | 2-4 | 3 |
| Redoxreacties | 5, 7, 15 | 3 |
| Reactievergelijkingen | 14, 21, 23 | 3 |
| Stoffen en eigenschappen | 8, 12 | 2 |
| Scheidingsmethoden | 16-17 | 2 |
| Zuren en basen | 18 | 1 |
| Reactiesnelheid | 20 | 1 |
| Duurzame chemie | 22 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over redoxreacties (13% van de vragen, gemiddeld 5%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Indigo
Jaarlijks worden drie miljoen spijkerbroeken figuur 1 geproduceerd, die zijn gekleurd met het blauwe pigment indigo (zie figuur 1). Indigo wordt door extractie gewonnen uit de indigoplant. Indigo is slecht oplosbaar in water, met een maximale oplosbaarheid van 1,0 mg L–1.
Vraag 1 2 punten
Bereken de oplosbaarheid van indigo in water in mol L−1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: De molaire massa van indigo is 262 g mol−1. 1, 0 ·10−3 De oplosbaarheid is = 3,8 ·10−6 (mol L−1 ). 262
Een molecuul indigo is vlak. Dit kan alleen worden verklaard als alle mogelijke grensstructuren worden meegenomen in de redenering. Op basis van figuur 1 zou de conclusie moeten zijn dat een indigo- molecuul niet vlak is.
Vraag 2 2 punten
Leg uit dat de structuur uit figuur 1 niet vlak is. Gebruik hierbij de VSEPR- theorie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: (Alle C-atomen (met een dubbele binding) hebben omringingsgetal 3.) De N-atomen hebben omringingsgetal 4. / De N-atomen hebben drie bindingen en een niet-bindend elektronenpaar. De groepen rondom de N-atomen zijn dus gerangschikt in een tetraëder / bevinden zich niet in een vlak.
Van indigo zijn veel grensstructuren mogelijk. De O-atomen hebben hierbij telkens een negatieve formele lading. De positieve formele ladingen kunnen daarbij op elk atoom in de beide vijfringen terechtkomen. Op de uitwerkbijlage is de lewisstructuur van zo’n grensstructuur onvolledig weergegeven. In deze lewisstructuur zijn de formele ladingen geplaatst, maar ontbreekt een aantal elektronenparen.
Vraag 3 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage de lewisstructuur compleet met de ontbrekende bindende en niet-bindende elektronenparen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de niet-bindende elektronenparen (1)
- de bindende elektronenparen in de linker ringstructuur en de centrale C=C-binding (1)
- de bindende elektronenparen in de rechter ringstructuur en de rest van de structuurformule (1)
De slechte oplosbaarheid van indigo kan worden verklaard vanuit de structuur van het molecuul. Er spelen hierbij twee factoren een rol:
1 Er bestaan onderlinge interacties tussen atomen/atoomgroepen binnen een molecuul indigo, waardoor deze atomen/atoomgroepen minder goed interacties met watermoleculen kunnen aangaan.
2 Delen van het molecuul kunnen alleen zwakke interacties aangaan met watermoleculen.
Vraag 4 2 punten
Geef aan welke atomen/atoomgroepen onderlinge interacties aangaan, zoals bedoeld bij factor 1. Noteer je antwoord als volgt:
- atomen/atoomgroepen: …
- interactie: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Atomen/atoomgroepen: een H-atoom van een NH-groep en het O-atoom van een C=O-groep Interactie: waterstofbrug
- Atomen/atoomgroepen: het negatief geladen O-atoom en een NH-groep Interactie: ion-dipoolbinding
Indigo wordt na extractie uit de indigoplant eerst met een reductor omgezet tot het oplosbare indigowit (zie figuur 2). Opgelost indigowit wordt tijdens het verven van katoen opgezogen door de katoenvezels.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 5 2 punten
Leid de halfreactie van de omzetting van indigo tot indigowit af. Gebruik hierbij molecuulformules.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Als in vraag 1 en vraag 5 dezelfde onjuiste molecuulformule van indigo is gebruikt, dit hier niet aanrekenen.
- Als structuurformules zijn gebruikt in plaats van molecuulformules, voor deze vraag maximaal 1 scorepunt toekennen.
- Het volgende antwoord goed rekenen: C16H10N2O2 + 2 H+ + 2e− → C16H12N2O2
Tijdens het drogen komen de vezels in contact met zuurstof uit de lucht en wordt indigowit weer omgezet tot indigo. Op deze manier wordt indigo bij het drogen wasbestendig ‘opgesloten’ in de vezels.
Omdat plantaardig indigo duur is en te weinig beschikbaar, bestaan vele industriële manieren om indigo te produceren uit niet-hernieuwbare grondstoffen. Deze productiemethodes zijn vaak sterk vervuilend. Het wetenschappelijk team van John Dueber heeft onderzocht hoe textiel kan worden gekleurd met indigo door gebruik te maken van genetisch gemodificeerde E. coli-bacteriën. Het doel was hierbij om in de bacteriën de vorming van indigo net zo te laten verlopen als in de plant.
Als eerste werd het actieve centrum van één van de betrokken enzymen (het enzym UGT) in de plant onderzocht. De onderzoekers vermoedden dat een histidine-eenheid in het enzym UGT een rol speelt bij de koppeling van glucose aan indoxyl. Om dit te onderzoeken vervingen de onderzoekers, door genetische modificatie van het DNA, deze histidine-eenheid door een alanine- eenheid. Deze vervanging maakte het enzym UGT inderdaad inactief.
Vraag 6 2 punten
Geef aan welke twee nucleïnebasen in de coderende streng van het DNA zijn vervangen voor deze aanpassing in het enzym UGT. Noteer je antwoord als volgt: 1. Nucleïnebase ... is vervangen door ... 2. Nucleïnebase ... is vervangen door ...
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
1. Nucleïnebase C is vervangen door G. 2. Nucleïnebase A is vervangen door C.
Indien het volgende antwoord is gegeven: (1) 1. Nucleïnebase G is vervangen door C. 2. Nucleïnebase C is vervangen door A.
In figuur 3 is de vorming van indigo in de plant schematisch weergegeven. Drie betrokken enzymen zijn met de afkortingen FMO, UGT en BGL aangegeven.
[figuur 3: zie het originele examen]
In het blad van de indigoplant wordt indool door het enzym FMO omgezet tot indoxyl. In aanwezigheid van het enzym UGT wordt indoxyl vervolgens geheel omgezet tot indicaan. Het gevormde indicaan wordt opgeslagen. Bij beschadiging van de bladeren komt het enzym BGL vrij dat indicaan omzet tot indoxyl, waaruit vervolgens indigo ontstaat. Het enzym UGT bevindt zich op een andere plaats in de cel, waardoor UGT het gevormde indoxyl in deze situatie niet kan omzetten.
De onderzoekers kweekten enkele stammen van E. coli. In deze stammen waren wel of niet genen van de indigoplant overgebracht. In de tabel op de uitwerkbijlage is te zien welke experimenten zijn uitgevoerd. Bij elk experiment bevatte de voeding glucose en tryptofaan. Tryptofaan wordt door E. coli van nature omgezet tot indool. De bacteriën hebben geen genen voor de aanmaak van het enzym BGL. Om toch blauwkleuring mogelijk te maken, werd aan sommige bacteriekweken het enzym BGL toegevoegd. Niet in alle experimenten werd blauwkleuring door de vorming van indigo waargenomen.
Vraag 7 2 punten
Geef in de tabel op de uitwerkbijlage voor elk experiment aan of blauwkleuring door de vorming van indigo optreedt. Gebruik onder andere informatie uit figuur 3.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- experiment 1 en 2 (1)
- experiment 3 en 4 (1)
Gifblaar
In Zuid-Afrika groeit de gifblaar, een plant die giftig is figuur 1 voor veel dieren. In 1944 slaagde de Zuid-Afrikaanse onderzoeker Marais erin de gifstof uit deze plant te isoleren: fluorethaanzuur (zie figuur 1). Om de molecuulformule van de gifstof te bepalen, gebruikte Marais onder andere een element-analyse. Bij een van de proeven werd hiervoor het fluorethaanzuur met behulp van een calciumhydroxide-oplossing omgezet tot de geconjugeerde base fluorethanoaat. Bij indampen ontstond hieruit calciumfluorethanoaat.
Vraag 8 1 punt
Geef de verhoudingsformule van het gevormde calciumfluorethanoaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Ca(C2H2O2F)2 / Ca(CH2FCOO)2 (1)
Marais bepaalde ook de LD50-waarde van fluorethaanzuur bij konijnen door ze gedroogde bladeren van de gifblaar te voeren. De LD50-waarde is de dosis waarbij 50% van de dieren die eraan zijn blootgesteld, sterft. Deze dosis bedroeg 0,40 mg fluorethaanzuur per kg lichaamsgewicht. Het blad van de gifblaar bevat gemiddeld
90 µg F per g gedroogd blad. Dit fluor is uitsluitend aanwezig in fluorethaanzuur.
Vraag 9 4 punten
Bereken bij hoeveel gram vers blad van de gifblaar de LD50-waarde voor een konijn wordt overschreden. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers. Gebruik hierbij de volgende gegevens:
- Een konijn weegt gemiddeld 2,0 kg.
- Een vers blad van de gifblaar bevat 85 massaprocent water. Bij het drogen is uitsluitend water uit het blad verdampt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: De massa fluorethaanzuur per gram gedroogd blad is 78, 0
90 × 10−6 × = 3, 69 ·10−4 (g). 19, 0 De massa fluorethaanzuur per gram vers blad is
102
- 85 3, 69 ·10−4 × (2) −5 = 5,54 ·10 (g). 10 De massa fluorethaanzuur (bij de LD50-waarde) voor een konijn is 2, 0 × 0, 40 × 10−3 = 8, 00 ·10−4 (g). 8, 00 ·10−4 De massa vers blad is −5 = 1, 4 ·101 (g). 5,54 ·10
De massa fluorethaanzuur (bij de LD50-waarde) voor een konijn is 2, 0 × 0, 40 × 10−3 = 8, 00 ·10−4 (g). 8, 00 ·10−4 De massa fluor hierin is × 19, 0 = 1,95 ·10−4 (g). 78, 0 1,95 ·10−4 De massa gedroogd blad is = 2,17 (g).
90 × 10−6 102 De massa vers blad is 2,17 × 2 = 1, 4 ·10 (g). 1
10
- 85
De Engelse onderzoeker R.A. Peters heeft rond 1950 baanbrekend onderzoek gedaan naar de biochemische werking van fluorethaanzuur. Hij ontdekte dat de citroenzuurcyclus niet meer functioneert in cellen waaraan fluorethaanzuur is toegevoegd. In figuur 2 is een gedeelte van de gewone citroenzuurcyclus schematisch weergegeven.
[figuur 2: zie het originele examen]
Acetyl–S–CoA is ontstaan door een condensatiereactie van co-enzym A (HS–CoA) met ethaanzuur. Een SH-groep van co-enzym A wordt hierbij omgezet tot een zogeheten thio-estergroep. Een thio-estergroep is vergelijkbaar met een gewone estergroep, waarin het enkelgebonden O-atoom is vervangen door een S-atoom. Peters ontdekte dat fluorethaanzuur de plaats inneemt van ethaanzuur in de citroenzuurcyclus, waardoor fluoracetyl–S–CoA wordt gevormd. In de volgende stap van de citroenzuurcyclus wordt fluoracetyl–S–CoA door het enzym citraat-synthase met oxaalazijnzuur omgezet tot fluorcitroenzuur (C6H7FO7).
Vraag 10 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de structuurformule van fluoracetyl–S–CoA. Gebruik hierbij de aanduiding –S–CoA.
- Geef de structuurformule van fluorcitroenzuur. Gebruik hierbij Binas-tabel 68C of ScienceData-tabel 13.9.e.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerkingen
- Als de structuurformule van fluoroacetyl–S–CoA is weergegeven als FH2C-CO-S-CoA, dit goed rekenen.
- Als de carboxylgroepen in fluorcitroenzuur zijn weergegeven als COOH, dit goed rekenen.
Na de vorming van fluorcitroenzuur treden in het actieve centrum van het enzym aconitase de volgende processen na elkaar op: stap 1: Een molecuul fluorcitroenzuur wordt omgezet tot een molecuul water en een molecuul fluor-cis-aconietzuur. stap 2: Vervolgens roteert het molecuul fluor-cis-aconietzuur 180° in het actieve centrum. stap 3: Daarna wordt het molecuul fluor-cis-aconietzuur met een molecuul water omgezet tot een molecuul trans- hydroxyaconietzuur.
Het trans-hydroxyaconietzuur kan niet meer loskomen uit het actieve centrum, waardoor de stofwisseling van een dier dat de plant eet, wordt ontregeld. In een molecuul trans-hydroxyaconietzuur staan de COOH-groepen in een trans-configuratie ten opzichte van elkaar. Op de uitwerkbijlage is de omzetting van fluor-cis-aconietzuur volgens stap 3 onvolledig weergegeven.
Vraag 11 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef in het omkaderde deel met pijlen weer hoe elektronenparen worden verplaatst.
- Teken de ontbrekende atomen/atoomgroepen in trans- hydroxyaconietzuur.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de pijlen (1)
- COOH-groepen in trans-positie rondom de C=C-binding (1)
In het actieve centrum van aconitase is een kubusvormig cluster met de formule Fe4S42+ gebonden aan de peptideketen. In figuur 3 is dit cluster schematisch weergegeven, waarbij ladingen zijn weggelaten.
[figuur 3: zie het originele examen]
Het cluster Fe4S42+ is opgebouwd uit ijzerionen en sulfide-ionen. De ladingen van de aanwezige ijzerionen en de sulfide-ionen wijken niet af van de gebruikelijke ladingen.
Vraag 12 2 punten
Geef voor elke ionsoort die in het cluster aanwezig is de lading en het aantal deeltjes.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Het cluster bevat vier S2–-ionen, twee Fe2+-ionen en twee Fe3+-ionen.
- [(Fe2+)2(Fe3+)2(S2–)4]2+
De ijzerionen Fec en Fed zijn gebonden aan de peptideketen van aconitase via cysteïne-eenheden. Hierbij is de S–H-binding vervangen door een S–Fe-binding. De cysteïne-eenheden die binden aan Fec en Fed maken deel uit van het peptidefragment ~Cys–Gly–Pro–Cys~.
Vraag 13 4 punten
Teken dit peptidefragment. Gebruik hierbij structuurformules.
- Het cluster hoef je niet te tekenen.
- Geef de bindingen die het peptidefragment heeft met de ijzerionen Fec en Fed weer als –S–Fe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de volgorde van de aminozuureenheden is omgekeerd, dit niet aanrekenen.
PFOA
Teflon™ wordt onder andere gebruikt voor anti-aanbakpannen. Het is een polymeer van tetrafluoretheen.
Vraag 14 2 punten
Geef de vergelijking voor de vorming van polytetrafluoretheen uit tetrafluoretheen. Gebruik hierbij structuurformules.
Bekijk het antwoord
- links van de pijl de structuurformule van tetrafluoretheen (1)
- rechts van de pijl de structuurformule van polytetrafluoretheen en de elementbalans (1)
Bij de productie van Teflon™ wordt perfluoroctaanzuur (PFOA) gebruikt als hulpstof. PFOA (C7F15COOH) behoort tot de zogenoemde poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS). Deze groep stoffen wordt toegepast in allerlei industriële processen en producten. PFOA wordt geproduceerd uit octaanzuurfluoride in twee reactoren. De omzettingen in deze reactoren zijn vereenvoudigd weergegeven in figuur 1.
[figuur 1: zie het originele examen]
Reactor 1 is een elektrochemische cel. Aan de positieve elektrode treedt halfreactie 1 op, waarbij telkens een waterstofatoom van octaanzuurfluoride wordt vervangen door een fluoratoom.
~C–H + HF → ~C–F + 2 H+ + 2 e– (halfreactie 1)
Vraag 15 4 punten
Bereken de ladingsoverdracht in coulomb wanneer 3,0∙102 g octaanzuurfluoride wordt omgezet tot stof P. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers. Gebruik hierbij onder andere de volgende gegevens:
- De molaire massa van octaanzuurfluoride is 146 g mol−1.
- 1,00 mol elektronen heeft een lading van 9,65∙104 C.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: 3, 0 ·102 De chemische hoeveelheid octaanzuurfluoride is = 2, 05 (mol). 146 De chemische hoeveelheid fluoratomen is 2, 05 × 15 = 3, 08 ·101 (mol). De chemische hoeveelheid elektronen is 3, 08 ·101 × 2 = 6,16 ·101 (mol). De benodigde lading is 6,16 ·101 × 9, 65 ·104 = 5,9 ·106 (C).
De omzetting van octaanzuurfluoride tot PFOA is vereenvoudigd en onvolledig met een blokschema weergegeven op de uitwerkbijlage.
- In reactor 1 (R1) reageren octaanzuurfluoride en HF. Aan de positieve elektrode wordt stof P gevormd en aan de negatieve elektrode wordt waterstof gevormd uit H+-ionen.
- Waterstof verlaat R1 samen met een lage concentratie HF. De waterstof wordt in scheidingsruimte 1 (S1) gescheiden van HF met behulp van water.
- Als alle octaanzuurfluoride heeft gereageerd, wordt stof P doorgevoerd naar reactor 2 (R2). Hier reageren stof P en water volledig tot PFOA en HF, die als afzonderlijke stofstromen de reactor verlaten. De instroom in R1 is op de uitwerkbijlage al volledig gegeven.
Vraag 16 2 punten
Leg uit welke scheidingsmethode wordt gebruikt in S1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: In S1 wordt gebruikgemaakt van extractie, want HF is wel oplosbaar in water / H2 is niet oplosbaar in water.
Vraag 17 4 punten
Maak het blokschema op de uitwerkbijlage compleet.
- Teken R2.
- Teken ontbrekende pijlen en noteer ontbrekende stoffen bij alle pijlen. Je hoeft hierbij geen rekening te houden met hergebruik van stoffen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als in plaats van H2O en HF bij de stroom uit S1 ‘HF (aq)’ of ‘H3O+ + F–’ is genoteerd, dit goed rekenen.
PFOA is een zwak zuur met een Kz-waarde van 3,2∙10‒3. PFOA is daarom in water vooral aanwezig in de vorm van de geconjugeerde base C7F15COO‒. Dit PFOA– is goed oplosbaar in water.
Vraag 18 4 punten
Bereken hoeveel procent van PFOA aanwezig is als C7F15COOH in water met pH = 7,00 .
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: [H 3O + ] = 10 −7,00 = 1,0 ·10 −7 (mol L−1 ). [H 3O + ][C7 H15COO
- ] [C7 H15 COO
- ] Kz Kz = of = [C7 H15COOH] [C7 H15 COOH] [H 3O + ] [C7 H15COO
- ] 3, 2 ·10−3 De verhouding = = 3, 2 ·104. [C7 H15COOH] 1, 0 ·10−7 1 Het percentage C7F15COOH is × 102 = 3,1 ·10−3 (%). 3, 2 ·10 + 1 4
Opmerking 1 De volgende omrekening niet aanrekenen: × 102 = 3,1 ·10−3 (%). 3, 2 ·104
Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat PFOA een risico vormt voor de gezondheid en het milieu. Het gebruik van PFOA is in Nederland sinds 2020 verboden voor consumentenproducten. Omdat PFOA slecht afbreekbaar is, is deze stof nog wel aanwezig in ons milieu. Voor de bepaling van de hoeveelheid PFOA in water of grond wordt onder andere gebruikgemaakt van massaspectrometrie. Een deel van het massaspectrum van PFOA (414 g mol–1) is in figuur 2 weergegeven.
[figuur 2: zie het originele examen]
Bij de gebruikte techniek neemt een molecuul PFOA een elektron op. Het gevormde [C7F15COOH]– fragmenteert vervolgens. Uit het massaspectrum kan worden opgemaakt dat bij de fragmentatie van PFOA onder andere enkele malen hetzelfde neutrale fragment Y wordt afgesplitst. Zo is het fragment behorend bij de piek van m/z = 181 ontstaan uit het fragment behorend bij de piek van m/z = 231.
Vraag 19 2 punten
Leid de molecuulformule van het neutrale fragment Y af.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: De massa van het neutrale deeltje is 231
- 181 = 50 (u). Dat is CF2 want die heeft massa 2 × 19 + 12 = 50 (u).
Opmerking Als de kandidaat in vraag 19 eenzelfde onjuiste molaire massa van fluor gebruikt als in vraag 9, dit hier niet aanrekenen.
Vonkremmers
Bij hoogspanningsschakelaars en windturbines ontstaan er soms grote vonken als de stroom wordt in- en uitgeschakeld. Deze vonken geven storingen op het elektriciteitsnet en kunnen apparatuur beschadigen. Daarom zitten de contactpunten van dergelijke schakelaars in een behuizing die gevuld is met een vonkremmend gas. Een vonkremmend gas heeft een hoge doorslagspanning, dat is de spanning waarbij geleiding optreedt (bij bepaalde druk). De geleiding treedt op omdat bij hoge spanning gasmoleculen (X) bij de contactpunten geïoniseerd raken volgens X (g) + e– → X+ (g) + 2 e–. Bij lage druk is de doorslagspanning groot.
Vraag 20 2 punten
Leg uit dat bij lage druk de doorslagspanning groot is. Gebruik hierbij begrippen uit het botsende-deeltjes-model.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Bij lage druk is de concentratie van het gas laag / is de afstand tussen de deeltjes groot. Er zullen dan minder / minder vaak botsingen van gasdeeltjes plaatsvinden met andere gasmoleculen / met de contactpunten van de schakelaar. (Waardoor de ionisatie minder / minder vaak optreedt.)
Opmerking Een antwoord als het volgende goed rekenen: Bij lage druk is de concentratie van het gas laag. Er zullen dan minder / minder vaak botsingen van gasdeeltjes plaatsvinden met elektronen. (Waardoor de ionisatie minder / minder vaak optreedt.)
Een veel toegepast vonkremmend gas is zwavelhexafluoride (SF6). Dit gas wordt industrieel geproduceerd uit de elementen zwavel en fluor (proces 1). Fluor (F2) is een giftig en agressief gas. Onderzoekers hebben daarom een andere syntheseroute ontwikkeld (proces 2). De reacties van proces 2 verlopen bij aanzienlijk lagere temperatuur dan bij proces 1.
In proces 2 treden drie reacties op:
4 KF + S + 2 Br2 → SF4 + 4 KBr (reactie 1) SF4 + 2 CoF3 → SF6 + 2 CoF2 (reactie 2)
2 CoF2 + F2 → 2 CoF3 (reactie 3)
In proces 2 wordt netto geen CoF3 verbruikt. De vormingswarmte van SF6 is –12,25·105 J mol–1.
Vraag 21 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de totaalvergelijking van proces 2.
- Bereken de reactiewarmte van proces 2 per mol SF6.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
4 KF + S + 2 Br2 + F2 → SF6 + 4 KBr (4 × 5, 67
- 12, 25
- 4 × 3,94) ·105 =
- 5,33 ·105 (J mol−1 )
of
4 KF + S + 2 Br2 + F2 → SF6 + 4 KBr
- Ebegin + Eeind =
- 4 ×
- 5, 67 ·105 + (−12, 25 ·105 ) + 4 × ( −3,94 ·105 ) =
- 5,33 ·105 (J mol−1 )
Opmerking De volgende berekening goed rekenen:
4 × 5, 67
- 12, 25
- 4 × 3,94 =
- 5,33 ·105 (J mol−1 )
In een brochure staat: “Dit alternatieve proces voldoet beter aan de uitgangspunten van groene chemie dan het standaard industriële proces.”
Vraag 22 2 punten
Geef één argument vóór en twee argumenten tégen deze stelling. Noteer je antwoord als volgt: Voor: … Tegen: … Tegen: …
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
voorbeelden van argumenten voor de stelling:
- Het alternatieve proces verloopt bij een lagere temperatuur.
- Het alternatieve proces gebruikt minder (van het giftige) fluor.
voorbeelden van argumenten tegen de stelling:
- Het alternatieve proces is minder exotherm / levert minder energie op.
- Het alternatieve proces gebruikt (het giftige) broom als grondstof / oplosmiddel.
- Het alternatieve proces levert meer afval op / heeft een lagere atoomeconomie.
- Het alternatieve proces gebruikt KF, dat wordt misschien wel geproduceerd met behulp van (het giftige) fluor.
Opmerking Het volgende argument voor de stelling goed rekenen: Het alternatieve proces verloopt in veel/meer stappen.
Zwavelhexafluoride is niet giftig, maar het is wel een sterk broeikasgas. Het is mogelijk om zwavelhexafluoride in hoogspanningsschakelaars te vervangen door andere stoffen, zoals Novec™ 4710 (C4F7N). Deze stof wordt in enkele stappen gemaakt. In het totale proces zijn de beginstoffen hierbij methylpropaanzuur, HF en NH3. De andere stoffen die worden gevormd, zijn waterstof en water. Bij de omzettingen blijft het koolstofskelet gelijk, maar wordt de COOH- groep omgezet tot een CN-groep.
Vraag 23 4 punten
Geef de vergelijking voor deze vorming van Novec™ 4710. Gebruik hierbij structuurformules voor de koolstofverbindingen.
Bekijk het antwoord
- links van de pijl het koolstofskelet van methylpropaanzuur (1)
- links van de pijl de rest van de structuurformule van methylpropaanzuur (1)
- rechts van de pijl de structuurformule van Novec™ 4710 consequent met de gegeven structuurformule van methylpropaanzuur (1)
- links van de pijl HF en NH3 en rechts van de pijl H2 en H2O en de elementbalans (1)
In experimenten met zuiver Novec™ 4710 werd de spanning op de contactpunten zo hoog opgevoerd, dat er toch een elektrische ontlading plaatsvond in de schakelaar. Het bleek dat hierbij ontleding van Novec™ 4710 tot de elementen optreedt. Deze reactie treedt pas op bij zeer hoge waardes van de toegevoerde energie. De vormingswarmte van Novec™ 4710 is –33·105 J mol–1. In de figuur zie je enkele mogelijke energiediagrammen van deze omzetting.
figuur
P Q R S
Vraag 24 2 punten
Leg uit welk energiediagram het best past bij de ontleding van Novec™ 4710 tot de elementen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: De ontleding van Novec™ 4710 / De vorming van de elementen is een endotherm proces (dus het is diagram R of S). De activeringsenergie is relatief hoog, dus het is energiediagram S.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2023, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-23-2-o
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2?
Het centraal examen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2 telt 24 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (5), rekenen aan reacties (3) en bindingen (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2023, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-23-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2023, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.