Eindexamen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Mauveïne, Stroom uit hout, Haarverf, Van afvalgas naar brandstof.
Het centraal examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (5), rekenen aan reacties (4) en reactievergelijkingen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 1, 6, 13, 16, 19 | 5 |
| Rekenen aan reacties | 3-4, 20, 26 | 4 |
| Reactievergelijkingen | 7-8, 10, 22 | 4 |
| Scheidingsmethoden | 2, 23-24 | 3 |
| Bindingen | 5, 14, 17 | 3 |
| Redoxreacties | 11-12, 15 | 3 |
| Atoombouw | 9 | 1 |
| Zuren en basen | 18 | 1 |
| Duurzame chemie | 21 | 1 |
| Evenwichten | 25 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over redoxreacties (12% van de vragen, gemiddeld 5%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Mauveïne
In 1856 probeerde William Perkin kinine, een medicijn tegen malaria, te synthetiseren. Hij verkreeg geen kinine maar een mengsel met een paarse kleur. In de reactie was een paarse kleurstof gevormd, die later geschikt bleek om textiel te verven. Perkin noemde deze stof mauveïne en deze toevallige ontdekking werd een mijlpaal in de geschiedenis van de textielverf. In 1994 onderzocht men de samenstelling van de paarse kleurstof uit verschillende historische textielmonsters. De kleurstof bleek een mengsel te zijn van verwante verbindingen, waaronder mauveïne A, B, B2 en C. Perkins gebruikte voor de synthese drie organische beginstoffen en een oxidator. Hieronder zijn de structuurformules van de organische beginstoffen weergegeven.
aniline o-toluïdine p-toluïdine NH2 NH2 NH2 H3C
CH3
Op de uitwerkbijlage is de structuurformule van mauveïne B weergegeven. In de structuur van mauveïne B is de oorspronkelijke structuur van de drie organische beginstoffen te herkennen.
Vraag 1 2 punten
− Omcirkel op de uitwerkbijlage de delen van het molecuul mauveïne B die afkomstig zijn van een van de organische beginstoffen.
- Noteer bij elk omcirkeld deel de naam van de betreffende beginstof.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de twee delen afkomstig van o-toluïdine juist aangegeven (1)
- de delen afkomstig van aniline en p-toluïdine juist aangegeven (1)
In het onderzoek van de monsters mauveïne is gebruikgemaakt van chromatografie. De onderzoekers gebruikten daarbij een hydrofobe stationaire fase en methanol als mobiele fase. De structuurformules van de drie stoffen die het meest in het paarse mengsel aanwezig zijn, zijn hieronder weergegeven.
CH3 CH3 H3C N H 3C N H3C N
H2N N NH H 2N N NH H2N N NH
mauveïne A CH3 mauveïne B CH3 mauveïne C CH3 CH3
Vraag 2 2 punten
Leg aan de hand van de structuurformules uit welke van deze drie mauveïnes de grootste retentietijd heeft in dit experiment.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- (De mobiele fase is methanol.) Moleculen methanol zijn polair/hydrofiel, dus een stof met apolaire/hydrofobe moleculen zal niet goed oplossen. Als een stof niet goed oplost in de mobiele fase zal deze een grote(re) retentietijd hebben. De moleculen van de drie soorten mauveïne verschillen in het aantal methylgroepen. Een molecuul mauveïne C heeft twee methylgroepen meer dan een molecuul mauveïne A (en één meer dan een molecuul mauveïne B). De moleculen van mauveïne C zijn hierdoor het meest apolair/hydrofoob. Mauveïne C heeft dus de grootste retentietijd.
- (De stationaire fase is hydrofoob.) Een stof met apolaire/hydrofobe moleculen zal goed hechten aan de stationaire fase, waardoor deze stof een grote(re) retentietijd zal hebben. De moleculen van de drie soorten mauveïne verschillen in het aantal methylgroepen. Een molecuul mauveïne C heeft twee methylgroepen meer dan een molecuul mauveïne A (en één meer dan een molecuul mauveïne B). De moleculen van mauveïne C zijn hierdoor het meest apolair/hydrofoob. Mauveïne C heeft dus de grootste retentietijd.
Van het mengsel van mauveïnes van Perkin is een massaspectrum gemaakt. Met de gebruikte techniek zagen de onderzoekers alleen de pieken van de molecuulionen van de mauveïnes. De gegevens van de mauveïnes A, B en C afkomstig uit het massaspectrum zijn in onderstaande tabel gegeven.
tabel
A B C m/z-waarde 390 405 420 intensiteit 94 100 77
Vraag 3 2 punten
Bereken de massaverhouding waarin de mauveïnes A, B en C in het mengsel van Perkin aanwezig waren. Geef je antwoord als volgt weer: 1,0 g A : …... g B : …… g C
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juiste berekening leidt tot het antwoord: 1,0 g A : 1,1 g B : 0,88 g C
100 1× × 405 B: 94 = 1,1 390 77 1× × 420 C: 94 = 0,88 390
De onderzoekers hebben mauveïne B2, een isomeer van mauveïne B, op microschaal gesynthetiseerd. Een molecuul mauveïne B2 wordt gevormd uit één molecuul aniline, één molecuul o-toluïdine en twee moleculen p-toluïdine. Zij hebben hiertoe 60 μL aniline, 60 μL o-toluïdine en 120 μL p-toluïdine laten reageren. Ze verkregen 12 mg mauveïne B2. De molaire massa van mauveïne B2 is 406 g mol–1.
Vraag 4 4 punten
Bereken het rendement van deze synthese. Maak onder andere gebruik van de volgende gegevens: aniline o-toluïdine p-toluïdine –1 dichtheid (g mL ) 1,022 1,01 1,05 –1 molaire massa (g mol ) 93,1 107 107
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juiste berekening kan als volgt zijn weergegeven:
60 × 10−3 × 1, 022 = 6,59 ⋅10−4 (mol aniline) 93,1
60 × 10−3 × 1, 01 = 5, 66 ⋅10−4 (mol o-toluïdine) 107
120 × 10−3 × 1, 05 = 1,18 ⋅10−3 (mol p-toluïdine) 107
12 × 10−3 dus −4 × 102 = 5, 2 (%) 5, 66 ⋅10 × 406
of
12 × 10−3 = 2,96 ⋅10−5 (mol mauveïne) 406
60 × 10−3 × 1, 022 = 6,59 ⋅10−4 (mol aniline) 93,1
60 × 10−3 × 1, 01 = 5, 66 ⋅10−4 (mol o-toluïdine) 107
120 × 10−3 × 1, 05 = 1,18 ⋅10−3 (mol p-toluïdine) 107 2,96 ⋅10−5 dus −4 × 102 = 5, 2(%) 5, 66 ⋅10
- inzicht dat aniline en p-toluïdine in overmaat zijn / inzicht dat o-toluïdine bepalend is voor de hoeveelheid mauveïne B2 die maximaal kan ontstaan (1p)
Opmerking Fouten in de significantie hier niet aanrekenen.
Bij nader onderzoek naar de structuur van de moleculen bleek dat mauveïne A in twee vormen voorkomt. Deze vormen kunnen worden opgevat als een cis- en een trans-isomeer. Op de uitwerkbijlage is de Lewisstructuur gegeven van mauveïne A en de onvolledige Lewisstructuur van een andere grensstructuur. In deze grensstructuur is de positieve lading verplaatst naar een ander N atoom. In het molecuul is dan ook een andere C=N binding aanwezig. Met behulp van deze grensstructuur kan het bestaan van cis-trans- isomerie in mauveïne A worden verklaard.
Vraag 5 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage de onvolledige Lewisstructuur compleet met elektronenparen en formele lading(en).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- het meest rechtse N atoom met een C=N binding gebonden aan de centrale ringenstructuur en in de centrale ringenstructuur de ontbrekende C=C bindingen en de ontbrekende C=N binding juist (1)
- in de gegeven structuur een consequente weergave van de niet-bindende elektronenparen en alle atomen voldoen aan de oktetregel (1)
- in de gegeven structuur de positieve lading op het juiste N atoom weergegeven (1)
Vraag 6 2 punten
Geef een verklaring dat bij mauveïne A cis-trans-isomerie mogelijk is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Door de mesomerie ontstaat er een C=N binding met een (gemethyleerde) benzeenring en een H atoom aan de ene kant en een (asymmetrische) ringstructuur aan de andere kant. De benzeenring en het H atoom kunnen niet van plaats wisselen door rotatie omdat de C=N binding star is.
Opmerking Wanneer een onjuist antwoord op vraag 6 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 5, dit hier niet aanrekenen.
Stroom uit hout
In brandstofcellen die glucose of zetmeel gebruiken als energiebron worden enzymen gebruikt. Zo kan amylose in zetmeel met behulp van enzymen door hydrolyse worden omgezet tot glucose. Andere enzymen zetten vervolgens de glucose om. Op de uitwerkbijlage is de onvolledige reactievergelijking weergegeven van de gedeeltelijke hydrolyse van amylose.
Vraag 7 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage de reactievergelijking af van de gedeeltelijke hydrolyse van amylose, waarbij van het weergegeven fragment twee moleculen glucose worden afgesplitst. Geef koolstofverbindingen weer met structuurformules.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking De stand van de OH groep op C1 niet beoordelen.
Wetenschappers hebben een brandstofcel voor biomassa ontwikkeld waarin geen enzymen worden gebruikt. Met deze brandstofcel kan energie worden opgewekt uit biomassa waarvoor geen geschikte enzymen bestaan. In het onderzoek naar een geschikte brandstofcel is gebruikgemaakt van ammonium-12-molybdofosfaat. De verhoudingsformule van deze stof is (NH4)3 PO4 (MoO3)12. Ammonium-12-molybdofosfaat wordt gemaakt door ammonium- orthomolybdaat ((NH4)2 MoO4) te verhitten in aanwezigheid van fosforzuur en salpeterzuur. Als bijproducten ontstaan waterdamp en ammoniumnitraat.
Vraag 8 3 punten
Geef de reactievergelijking voor het maken van ammonium-12-molybdofosfaat. Gebruik Binas-tabel 66B of ScienceData-tabel 10.2.b.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- voor de pijl uitsluitend (NH4 )2MoO4 en H3PO4 en HNO3 (1)
- na de pijl uitsluitend (NH4)3PO4 (MoO3 )12 en NH4NO3 en H2 O (1)
- juiste coëfficiënten in een vergelijking met uitsluitend de juiste formules voor en na de pijl (1)
In oplossingen van ammonium-12-molybdofosfaat komen ionen PO4 (MoO3)123– voor. Een ion PO4 (MoO3)123– wordt in de rest van deze opgave voorgesteld als POM3–. Het deeltje POM3– kan worden beschouwd als een fosfaat-ion dat wordt omringd door twaalf eenheden molybdeen(VI)oxide (MoO3). Elke eenheid MoO3 bestaat uit drie oxide-ionen en een Mo(VI)-ion. Onder invloed van licht wordt een deeltje POM3– omgezet tot het zeer reactieve deeltje rPOM3–, dat snel reageert met allerlei organische stoffen. De structuur van POM3– en rPOM3– is gelijk, de deeltjes verschillen alleen in de verdeling van de elektronen binnen het deeltje. Bij de omzetting van POM3– tot rPOM3– wordt binnen een eenheid MoO3 één elektron van één oxide-ion overgedragen naar de N-schil van één Mo(VI)-ion.
Vraag 9 3 punten
Geef op de uitwerkbijlage de opbouw van de elektronenwolk van het omgezette oxide-ion en het omgezette molybdeen-ion in het reactieve deeltje rPOM3–. Gebruik het Periodiek Systeem uit je informatieboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Elektronenschil van het omgezette Aantal oxide-ion in reactief rPOM3– elektronen K (2) L (7) M N O
Elektronenschil van het omgezette Aantal molybdeen-ion in reactief rPOM3– elektronen K (2) L (8) M (18) N (9) O (0)
In hout is onder andere het biopolymeer lignine aanwezig. Lignine is een netwerkpolymeer dat in brandstofcellen niet kan worden omgezet met enzymen. Met het gebruikte ammonium-12-molybdofosfaat kan lignine wel worden omgezet, zodat zelfs houtafval kan worden gebruikt in een brandstofcel. Op de uitwerkbijlage is een van de optredende omzettingen weergegeven. In stap 1 treedt oxidatie van lignine op. In stap 2 wordt het omcirkelde H atoom als een H+ ion afgesplitst. Tevens wordt dan een C–C binding verbroken en een H+ ion opgenomen. Dit H+ ion is weergegeven in het kader.
Vraag 10 2 punten
Geef op de uitwerkbijlage in het omkaderde deel met pijlen aan hoe elektronenparen zich verplaatsen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de juiste C–C binding verbroken (1)
- juiste weergave van de pijlen (1)
In onderstaande figuur is de gebruikte opstelling schematisch weergegeven. In een lichtdoorlatende reactor heeft men biomassa gemengd met ammonium-12-molybdofosfaat. De reactor is vervolgens in zonlicht geplaatst, zodat POM3– onder invloed van licht wordt omgezet tot rPOM3–. Het rPOM3– reageert met de biomassa, waarbij onder andere H3POM3– en CO2 worden gevormd.
figuur
reactor zonlicht brandstofcel _ _ POM3 rPOM3 POM3 _ H2O _ biomassa rPOM3 _ H3POM3 O2 _ CO2 H3POM3 H+
Na verloop van tijd wordt het mengsel door de brandstofcel gepompt. Het in de reactor ontstane H3POM3– wordt in de brandstofcel weer omgezet tot POM3–.
Vraag 11 3 punten
Geef de vergelijkingen van de halfreacties die verlopen in de brandstofcel en geef de totaalvergelijking.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
H3POM3– → POM3– + 3 H+ + 3 e– (×4) O 2 + 4 H+ + 4 e– → 2 H 2 O (×3)
4 H3POM3– + 3 O2 → 4 POM3– + 6 H2 O
In het onderzoek is een hoeveelheid verdunde biomassa gemengd met
20 mL van een 0,25 M oplossing ammonium-12-molybdofosfaat. Nadat dit mengsel enige tijd in het zonlicht had gestaan, bleek dat 80% van alle rPOM3– was omgezet tot H3POM3–. Het mengsel werd door de brandstofcel gepompt tot alle ontstane H3POM3– weer was omgezet tot POM3–. De brandstofcel leverde gedurende 30 minuten een gemiddelde stroomsterkte van 0,530 A.
Vraag 12 4 punten
Bereken hoeveel procent van de elektronen die rPOM3– van de biomassa heeft opgenomen, door H3POM3– is afgestaan in de brandstofcel. Maak onder andere gebruik van de volgende gegevens:
- 1 A = 1 C s–1
- een mol elektronen heeft een lading van 9,65·104 C.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juiste berekening kan als volgt zijn weergegeven:
0,530 × 30 × 60 × 102 =
82 (%)
20 80 (4) 0, 25 × 3 × 2 × 3 × 9, 65 ⋅10
10 (10)
Opmerking Wanneer een onjuist antwoord op vraag 12 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 11, dit hier niet aanrekenen.
Haarverf
Haarverf moet hechten aan het haar, daarom is kennis van de moleculaire structuur van een haar belangrijk. De buitenkant van een haar bestaat uit schubben die de haar compleet bedekken. Aan het oppervlak van deze schubben zijn moleculen van het vetzuur 18-MEA gebonden aan het eiwit keratine.
O
HO 18-MEA
18-MEA is aan keratine gebonden door middel van een thio-esterbinding. Deze binding is ontstaan door een condensatiereactie tussen moleculen 18-MEA en SH groepen van cysteïne-eenheden in keratinemoleculen. Deze reactie verloopt op dezelfde wijze als de condensatie van een zuur en een alcohol.
Vraag 13 3 punten
Geef de structuurformule van een cysteïne-eenheid waaraan 18-MEA is gebonden door middel van een thio-esterbinding. De cysteïne-eenheid moet afkomstig zijn uit het midden van een peptideketen. Gebruik voor de koolwaterstofrest van 18-MEA de notatie CxHy met de juiste getalwaarden voor x en y.
Bekijk het antwoord
Indien in een overigens juist antwoord de koolwaterstofrest met een schematische structuurformule is weergegeven (2)
Haarverf heeft een hoge pH. Bij deze hoge pH zwellen bepaalde delen van keratine op en dringen pigmentmoleculen tot diep in een haar door. Onderzoekers vermoeden dat het opzwellen van delen van keratine wordt veroorzaakt doordat in de betrokken peptideketens relatief veel aminozuureenheden met zure restgroepen aanwezig zijn.
Vraag 14 2 punten
Leg uit op microniveau dat de aanwezigheid van aminozuureenheden met zure restgroepen bijdraagt aan het opzwellen van keratine bij hoge pH.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Bij hoge pH staan de zure restgroepen H+ ionen af / worden de restgroepen negatief geladen. De (gelijke/negatieve) ladingen stoten elkaar af, waardoor de tussenruimte tussen de keratineketens groter wordt (en keratine opzwelt).
Voordat haarverf wordt aangebracht, behandelt men soms het haar met waterstofperoxide (H2O2). Tijdens deze behandeling treden allerlei redoxreacties op, die leiden tot veranderingen in de structuur van de peptideketens in keratine. Op de uitwerkbijlage is de halfreactie van de peptideketen in keratine onvolledig weergegeven. In de andere halfreactie wordt H2O2 omgezet tot OH–.
Vraag 15 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage de onvolledige halfreactie compleet en geef met behulp van de vergelijking van de halfreactie van H2O2 de totaalreactie. Gebruik Binas-tabel 48 of ScienceData-tabel 9.1.f.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Indien het volgende antwoord is gegeven: (2)
Vraag 16 2 punten
Leg uit of door de op de uitwerkbijlage weergegeven omzetting de primaire, de secundaire of de tertiaire structuur van de peptideketen in keratine verloren gaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van juiste antwoorden zijn:
- De S–S bindingen zorgen voor de driedimensionale structuur / dwarsverbindingen in de eiwitketen. Dat is onderdeel van de tertiaire structuur. Oxidatie van keratine verbreekt dus de tertiaire structuur.
- De primaire structuur betreft de aminozuurvolgorde. Bij de vorming/instandhouding van de secundaire structuur (de α-helices en β-platen) zijn waterstofbruggen betrokken. Beide soorten eiwitstructuur worden hier niet verbroken. De tertiaire structuur gaat dus verloren.
- uitleg waarom de primaire structuur niet verandert (1p)
- uitleg waarom de secundaire structuur niet verandert en conclusie (1p)
Een doosje permanente haarverf bevat twee flesjes, die de gebruiker mengt vlak voordat hij de verf aanbrengt. Tijdens het aanbrengen en het intrekken van het mengsel ontstaan pas de uiteindelijke kleurpigmenten. Veelgebruikte componenten van haarverf zijn p-fenyleendiamine (PPD) en waterstofperoxide. PPD wordt door waterstofperoxide omgezet tot stof B. Stof B is een zwakke base. Bij de heersende pH is een klein deel van stof B aanwezig als het geconjugeerde zuur (HB+). In onderstaande figuur zijn de omzetting van PPD tot stof B en het evenwicht tussen stof B en HB+ weergegeven.
figuur
H H NH2 NH N
H C H 2 H+ H C H H C H
C C C C H+ C C
C C C C C C
H C H H C H H C H NH2 N N
H H PPD stof B HB+
Het deeltje HB+ is een sterk elektrofiel deeltje dat een rol speelt in het verdere mechanisme van de vorming van de uiteindelijke pigmenten.
Vraag 17 2 punten
Maak de grensstructuur van HB+ op de uitwerkbijlage af en geef een andere grensstructuur voor HB+. Gebruik Lewisstructuren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de gegeven grensstructuur juist afgemaakt en de andere grensstructuur weergegeven met de positieve lading op een juist gekozen atoom (1)
- in de andere structuur de atoombindingen en de niet-bindende elektronenparen juist weergegeven (1)
Door de hoge pH van haarverf is slechts een klein deel van stof B aanwezig als HB+. De Kz van HB+ is 1,8·10–6.
Vraag 18 4 punten
Bereken hoeveel procent van de deeltjes B en HB+ aanwezig is als HB+ bij pH = 9,50 (T = 298 K).
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juiste berekening kan als volgt zijn weergegeven: 10−9,50 −6 1,8 ⋅10 × 102 =1,8 ⋅10−2 (%) 10−9,50 −6 +1 1,8 ⋅10
In een bepaalde soort haarverf is behalve PPD ook de stof 3-aminofenol aanwezig. PPD en 3-aminofenol ondergaan opeenvolgende additie- en oxidatie-reacties. Op de uitwerkbijlage zijn de verlopende reacties weergegeven. Het mengsel met PPD en 3-aminofenol leidt tot een bruinrode haarkleur. Het is ook mogelijk om een paarsrood pigment, stof 2, te verkrijgen. Hiertoe wordt een andere beginstof gekozen dan 3-aminofenol. Wanneer in het molecuul 3-aminofenol een H atoom aan de benzeenring is vervangen door een CH3 groep, wordt uitsluitend stof 2 gevormd. De C atomen van 3-aminofenol op de uitwerkbijlage zijn genummerd.
Vraag 19 2 punten
Leg uit op welk C atoom van 3-aminofenol de methylgroep zich moet bevinden, zodat uitsluitend stof 2 wordt gevormd. Neem aan dat de aanwezigheid van de methylgroep de kleur van dit pigment niet verandert.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: Het C atoom met nummer 6. De koppeling van stof B aan stof 1 wordt hierdoor verhinderd, omdat daar nu geen H atoom aanwezig is maar een methylgroep.
Van afvalgas naar brandstof
Afvalgassen uit de staal- en petrochemische industrie bevatten behalve koolstofdioxide vaak ook veel koolstofmono-oxide. Het bedrijf Lanzatech heeft een proces ontwikkeld waarbij deze afvalgassen worden gemengd met waterstof en andere gassen afkomstig van vergaste biomassa en vergaste kolen. Het verkregen mengsel wordt vervolgens door speciale micro-organismen omgezet tot ethanol (C2H6O) en andere alcoholen. De totaalvergelijking van één van de biochemische routes waarmee deze micro-organismen ethanol produceren, is weergegeven met reactie 1.
6 CO (g) + 3 H2O (l) → C2H6O (l) + 4 CO2 (g) (reactie 1)
Vraag 20 3 punten
Bereken de reactiewarmte van reactie 1 per mol ethanol.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juiste berekening kan als volgt zijn weergegeven: ( ) ( ) ( ) ( ∆E =− 6 ×
- 1,11 ⋅105
- 3 ×
- 2,86 ⋅105 + −2, 78 ⋅105 + 4 ×
- 3,94 ⋅105 ) =
- 3,30 ⋅105 (J per mol ethanol)
Opmerking Wanneer een berekening is gegeven als: ∆E =− ( 6 ×
- 1,11)
- ( 3 ×
- 2,86 ) + ( −2, 78 ) + ( 4 ×
- 3,94 ) =
- 3,30 ⋅105 (J per mol ethanol), dit goed rekenen.
Een andere biochemische route kan met reactie 2 worden beschreven.
6 H2 + 2 CO2 → 3 H2O + C2H6O (reactie 2)
In de bioreactor wordt uiteindelijk alle CO en CO2 omgezet tot ethanol en andere alcoholen. De opbrengst aan ethanol in het Lanzatech-proces wordt uitgedrukt in MJ. Dit is de hoeveelheid energie die vrijkomt als het geproduceerde ethanol zou worden verbrand. De CO2-opname door de micro-organismen in het Lanzatech-proces is 81,5 g CO2 per MJ. De CO2-uitstoot van de overige processen is
51 g CO2 per MJ.
Vraag 21 4 punten
Bereken de netto CO2-uitstoot uitgedrukt in g CO2 per MJ geproduceerde energie wanneer het geproduceerde ethanol uiteindelijk wordt verbrand (T = 293 K). De energie die vrijkomt bij de verbranding van ethanol is 2,15·1010 J m–3.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juiste berekening kan als volgt zijn weergegeven: 1 ⋅106 (10) × 0,80 ⋅103 × 103 2,15 ⋅10 × 2 × 44, 0 + 51
- 81,5 =41(g CO 2 per MJ) 46,1
Het ethanol en de overige alcoholen worden door destillatie gescheiden van het mengsel in de bioreactor. Behalve ethanol worden in de Lanzatech-bioreactor ook butaan-1-ol, butaan-2-ol, 2-methylpropaan-1-ol en 2-methylpropaan-2-ol gevormd door de micro-organismen. Deze C4-alcoholen kunnen in een aansluitend proces worden gebruikt om door additie-reacties koolwaterstoffen te produceren met 12 en 16 koolstofatomen in de moleculen. Deze koolwaterstoffen kunnen worden toegevoegd aan kerosine. Dit proces is in onderstaand blokschema weergegeven. Met C4 tot en met C16 is het aantal koolstofatomen in de koolwaterstoffen aangegeven.
blokschema
C4 alcoholen R1
water C4 C8 -alkenen C4-alcoholen C4 -alkenen C4 C8 C12 C16 S1 R2 S2 C4 -alkenen alkenen water C4-alcoholen C12 C16 -alkenen
H2 R3
C12 C16 is een mengsel H2 C12 C16 van alkanen en alkenen C12 C16
voor kerosine C12 C16 S3
In reactor 1 (R1) worden de C4-alcoholen onvolledig omgezet tot de C4-alkenen methylpropeen, but-1-een en but-2-een. Hierbij ontstaat ook water.
Vraag 22 2 punten
Geef de reactievergelijking voor de omzetting van 2-methylpropaan-1-ol tot methylpropeen. Gebruik structuurformules voor de koolstofverbindingen.
Bekijk het antwoord
Opmerking Wanneer H2O met een structuurformule is weergegeven, dit niet aanrekenen.
Het mengsel afkomstig uit R1 wordt in scheidingsruimte 1 (S1) afgekoeld. Hierdoor worden de C4-alkenen afgescheiden van het water en van de C4-alcoholen die niet hebben gereageerd.
Vraag 23 2 punten
Leg uit binnen welk temperatuurgebied deze scheiding kan plaatsvinden (p = p0). Gebruik Binas-tabel 42B of ScienceData-tabel 8.3.b. Het kookpunt van methylpropeen is 267 K.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: De kookpunten van de alkenen liggen ver onder de kookpunten van de overige stoffen, dus bij deze scheiding zullen de overige stoffen condenseren, terwijl de alkenen gasvormig blijven. Van de alkenen heeft cis-but-2-een het hoogste kookpunt: 277 K. Van de overige stoffen heeft 2-methylpropaan-2-ol het laagste kookpunt:
356 K/355 K. Dus de temperatuur moet liggen in het gebied 277 K < T < 356 K/355 K.
Opmerking Wanneer in een overigens juist antwoord als temperatuurgebied
278 K < T < 354 K wordt gegeven, dit goed rekenen.
In R2 vinden additiereacties plaats tussen de C4-alkenen, waarbij alkenen met 8, 12 of 16 C atomen worden gevormd. In S2 wordt het verkregen mengsel van alkenen gescheiden in twee fracties. De fractie met de C4- en de C8-alkenen wordt teruggevoerd naar R2. De fractie met de C12- en de C16-alkenen wordt doorgevoerd naar R3. De scheiding in S2 kan eenvoudig plaatsvinden omdat bij de gebruikte omstandigheden in de scheidingsruimte steeds één fractie in de vloeibare fase is en de andere fractie in de gasfase.
Vraag 24 2 punten
Leg uit welke fractie in S2 vloeibaar is en welke fractie gasvormig is.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een juist antwoord kan als volgt zijn geformuleerd: In S2 vindt de scheiding plaats tussen de C4 - en C8 -alkenen enerzijds en de C12 en C16 -alkenen anderzijds. De moleculen van de C12- en de C16-alkenen zijn groter/zwaarder. / De vanderwaalsbindingen tussen de moleculen van de C12- en C16-alkenen zijn sterker. De fractie C12- en de C16 -alkenen is dus (in S2) vloeibaar en de fractie van de C4 - en de C8 -alkenen is gasvormig.
In R3 reageren de gevormde alkenen onvolledig met een overmaat waterstof tot alkanen. In S3 wordt de overmaat waterstof gescheiden van de rest van het mengsel en teruggevoerd naar R3. Een deel van het mengsel afkomstig uit R3 wordt opgeslagen als een product dat kan worden gebruikt als toevoeging aan kerosine. Het overgebleven deel wordt weer naar R3 teruggevoerd. Deze recirculatie zorgt voor een hoger rendement in R3.
Vraag 25 1 punt
Geef aan waarom door de recirculatie het rendement in R3 hoger wordt.
Bekijk het antwoord
- Recirculatie zorgt voor een langere (gemiddelde) verblijftijd in de reactor. (1)
In R2 wordt per minuut 1,4·103 mol C4H8 omgezet tot evenveel mol C12- als C16-alkenen. In het product dat uiteindelijk wordt opgeslagen is 98% van de C12- en de C16-alkenen omgezet tot alkanen.
Vraag 26 2 punten
Bereken hoeveel mol H2 per minuut dan moet worden ingevoerd in R3.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 1, 4 ⋅103 × 4
- Uit 1,4∙103 mol C4 -alkenen ontstaat = 2, 0 ⋅102 mol van elk
12 + 16 98 van beide stoffen. Dus er moet 4, 0 ⋅102 × 2 = 3,9 ⋅102 (mol 10 H2 minuut–1 ) worden ingevoerd. 2
- 7 C4 → 1 C12 + 1 C16, dus er ontstaat × 1, 4 ⋅103 = 4, 0 ⋅102 mol 7 alkenen. 98 Dus er moet 4, 0 ⋅102 × 2 = 3,9 ⋅102 (mol H2 minuut–1 ) worden 10 ingevoerd.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-18-2-o
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2?
Het centraal examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (5), rekenen aan reacties (4) en reactievergelijkingen (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2018, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-18-2-c).
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.