Eindexamen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: DCDA, Gaatjes, 3x productie van aniline, De geur van kater-urine.
Het centraal examen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (6), reactievergelijkingen (4) en rekenen aan reacties (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 5-6, 10-11, 13, 21 | 6 |
| Reactievergelijkingen | 1, 7, 14, 23 | 4 |
| Rekenen aan reacties | 17, 19-20, 25 | 4 |
| Evenwichten | 8-9, 18 | 3 |
| Reactiesnelheid | 12, 24, 26 | 3 |
| Scheidingsmethoden | 2, 16 | 2 |
| Bindingen | 4, 22 | 2 |
| Zuren en basen | 3 | 1 |
| Stoffen en eigenschappen | 15 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over evenwichten (12% van de vragen, gemiddeld 3%) en reactiesnelheid (12% van de vragen, gemiddeld 4%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
DCDA
Dicyaandiamide (DCDA, zie figuur 1) is een wit kristallijn poeder. Het is onder andere een bouwsteen in de synthese van medicijnen.
[figuur 1: zie het originele examen]
In figuur 2 is het industriële productieproces van DCDA vereenvoudigd met een blokschema weergegeven. Calciumcyaanamide (CaCN2), water en koolstofdioxide worden reactor 1 (R1) ingeleid. Calciumcyaanamide is een sterke base. In R1 reageren calciumcyaanamide, koolstofdioxide en een overmaat water tot het zwakke zuur cyaanamide (H2N‒C≡N) en de vaste stof X. Stof X wordt in scheidingsruimte 1 (S1) verwijderd. Hierbij wordt het mengsel in S1 op kamertemperatuur gehouden.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 1 2 punten
Geef de vergelijking van de reactie die optreedt in R1. Gebruik formules voor alle stoffen en neem aan dat uitsluitend cyaanamide en de vaste stof X ontstaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste vergelijking is: CaCN2 + CO2 + H2O → CH2N2 + CaCO3
Opmerkingen
- Als in een juiste vergelijking ook gebruik is gemaakt van structuurformules, dit goed rekenen.
- De volgende vergelijking goed rekenen: Ca2+ + CN22‒ + CO2 + H2O → CH2N2 + CaCO3
Vraag 2 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef aan welke scheidingsmethode geschikt is om stof X uit het mengsel in S1 te verwijderen.
- Leg hierbij uit welk verschil in stofeigenschap van cyaanamide en stof X deze scheiding mogelijk maakt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Filtreren. Dit is mogelijk door het verschil in (water)oplosbaarheid van cyaanamide/CH2N2 en CaCO3/stof X. CaCO3/stof X lost niet/slecht op (in water en zal dus als residu achterblijven).
- Centrifugeren/bezinken en afgieten. Cyaanamide/CH2N2 is een (water)oplosbare verbinding en CaCO3/stof X is niet/slecht oplosbaar (in water).
- verschil in oplosbaarheid (in water) (1p)
indien een antwoord als een van onderstaande is gegeven: (1)
- Filtreren. De deeltjesgrootte van stof X is groter dan die van cyaanamide (waardoor stof X in het filter achterblijft).
- Filtreren. Stof X is een vaste stof en cyaanamide is geen vaste stof (waardoor stof X in het filter achterblijft).
- Destilleren. Het kookpunt van stof X is hoger dan dat van cyaanamide.
Opmerking Het volgende antwoord goed rekenen: Filtreren. Stof X is een vaste stof en cyaanamide lost op (in water).
De waarde van de Kz van cyaanamide is 5,42∙10‒11. De concentratie van de cyaanamide-oplossing die R1 verlaat, is 250 g L‒1.
Vraag 3 4 punten
Bereken de pH van deze cyaanamide-oplossing. Gebruik de Kz. Neem aan dat de pH van de cyaanamide-oplossing uitsluitend wordt bepaald door cyaanamide.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
250 [CH2N2] is = 5,95 (mol L−1 ). 42, 0 [H3O+ ][CHN2− ] x2 Kz = , of K z = [CH 2 N 2 ] 5,95
- x
5, 42 ·10−11 × ( 5,95
- x ) = x 2 x 2 + 5, 42 ·10−11 x
- 3, 23 ·10−10 = 0
x= −5, 42 ·10−11 + ( 5, 42 ·10 )
- 4 × 1 ×
- 3, 23 ·10 −11 2 −10
= 1,80 ·10−5 (mol L−1 )
2 ×1
pH =
- log(1,80 ·10−5 ) = 4,75
of
250 [CH2N2] is = 5,95 (mol L−1 ). 42, 0 [H3O+ ][CHN2− ] x2 Kz = , of K z = [CH 2 N 2 ] 5,95
- x Bij verwaarlozing van x ten opzichte van 5,95 (mol L–1) geldt: x = [H 3O + ] = 5, 95 × 5, 42 ·10 −11 = 1,80 ·10 −5 (mol L−1 ). pH =
- log(1,80 ·10−5 ) = 4,75
DCDA is een dimeer van cyaanamide. In reactor 2 (R2) reageert cyaanamide door een dimerisatie-reactie tot DCDA. Bij de dimerisatie van cyaanamide treedt het stikstofatoom in de NH2-groep van cyaanamide op als nucleofiel deeltje. Cyaanamide is een amfolyt. Dat betekent dat de stof ook als base kan reageren. Als de pH te laag is, neemt de NH2-groep van cyaanamide een H+-ion op. De gevormde groep kan dan niet meer als nucleofiel deeltje reageren en daardoor kan geen dimerisatie van cyaanamide tot DCDA meer plaatsvinden. Na de reactie laat men DCDA in scheidingsruimte 2 (S2) uitkristalliseren en wordt DCDA als vaste stof afgescheiden.
Vraag 4 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de lewisstructuur van cyaanamide en van het deeltje dat ontstaat als cyaanamide een H+-ion heeft opgenomen.
- Leg uit dat het stikstofatoom van de NH2-groep niet meer nucleofiel is als deze groep een H+-ion heeft opgenomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
Uitleg: Als de NH2-groep een H+-ion heeft opgenomen, dan is er geen niet-bindend elektronenpaar meer aanwezig op het (linker) N-atoom / dan is het (linker) stikstofatoom positief geladen (en dus niet meer nucleofiel).
Opmerking De volgende uitleg goed rekenen: Als de NH2-groep een H+-ion heeft opgenomen, dan heeft het stikstofatoom vier atoombindingen.
In oplossingen van DCDA treedt omkeerbare structuurisomerisatie op. Dit evenwicht is weergegeven in figuur 3.
[figuur 3: zie het originele examen]
Het is onmogelijk om een van de twee structuurisomeren zuiver te verkrijgen. In het massaspectrum van DCDA zijn daarom fragment-ionen van beide isomeren herkenbaar. Behalve de piek van het molecuul-ion (M+) zijn twee kenmerkende pieken aanwezig:
- Bij m/z = 43 bevindt zich een piek die maar van één structuurisomeer in figuur 3 afkomstig kan zijn.
- Bij m/z = 68 bevindt zich een piek die van beide structuurisomeren afkomstig kan zijn. De fragment-ionen worden gevormd doordat in het molecuul-ion slechts één enkele binding wordt verbroken. Op de uitwerkbijlage is figuur 3 twee keer weergegeven.
Vraag 5 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit op de uitwerkbijlage:
- Omcirkel bij a in de juiste isomeer het fragment dat de piek bij m/z = 43 veroorzaakt.
- Omcirkel bij b in elke isomeer het fragment dat een piek bij m/z = 68 veroorzaakt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- het juiste fragment bij A omcirkeld (1)
- beide juiste fragmenten bij B omcirkeld (1)
DCDA dient onder andere als beginstof voor de synthese van metformine. Zie figuur 4. Metformine wordt vooral voorgeschreven als medicijn bij de behandeling van diabetes mellitus type 2 (suikerziekte). Metformine kan met behulp van een bepaald reactietype in één stap worden gemaakt uit DCDA en één andere beginstof. In deze reactie is metformine het enige product.
[figuur 4: zie het originele examen]
Vraag 6 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Teken de structuurformule van deze andere beginstof.
- Geef de naam van het reactietype.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
(Het reactietype is:) additie(reactie.)
Gaatjes
Veel mensen krijgen er vroeg of laat in hun leven mee te maken: een gaatje in een kies of tand. Gaatjes worden veroorzaakt door bacteriën in tandplak die suikers uit voeding omzetten tot zuren, waardoor de pH in de tandplak daalt. Een voorbeeld van zo’n bacteriële omzetting is de reactie van sacharose met één andere stof tot 2-hydroxypropaanzuur. Hierbij is 2-hydroxypropaanzuur het enige reactieproduct.
Vraag 7 2 punten
Geef de vergelijking van deze omzetting.
- Gebruik molecuulformules.
- Gebruik Binas-tabel 67F2 of ScienceData-tabel 13.1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als juiste structuurformules zijn gegeven (al dan niet met verkorte notatie) in plaats van molecuulformules, dit goed rekenen.
Tandglazuur bestaat voor 95% uit calciumhydroxyapatiet (HA) en kan worden weergegeven met de formule Ca5(PO4)3OH. In de mond staat het oppervlak van het tandglazuur continu in contact met tandplak en speeksel, waarbij ionen worden uitgewisseld. In figuur 1 is deze uitwisseling weergegeven als een evenwicht.
[figuur 1: zie het originele examen]
Als de pH in tandplak door de zuurproductie van bacteriën daalt tot 5,5 of lager, lost tandglazuur deels op, waardoor een gaatje kan ontstaan. Dit oplossen heet demineralisatie. Speeksel kan ervoor zorgen dat de pH weer hoger wordt dan 5,5, waardoor remineralisatie optreedt. Hierdoor kan een beginnend gaatje worden hersteld. Remineralisatie gebeurt ook als bacteriën in de tandplak niet meer voldoende suikers kunnen omzetten.
Vraag 8 2 punten
Leg uit, aan de hand van het evenwicht in figuur 1, hoe gaatjes kunnen ontstaan door de aanwezigheid van zuren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een zuur reageert met PO43−/OH−. Hierdoor (worden de reactieproducten aan het reactiemengsel onttrokken en) verloopt de reactie naar rechts alsmaar verder / kan de demineralisatie-reactie verder doorgaan. (Er treedt dus demineralisatie op, waardoor gaatjes kunnen ontstaan.)
Opmerking Het volgende antwoord goed rekenen: Een zuur reageert met PO43–/OH−. Hierdoor loopt het evenwicht naar rechts af (en ontstaan gaatjes).
Door goed te poetsen en te flossen wordt tandplak verwijderd en kunnen gaatjes worden tegengegaan. Tandpasta met fluoride beschermt het glazuur nog beter tegen tandbederf. Fluoride-ionen in de tandpasta worden namelijk uitgewisseld met hydroxide-ionen in HA. HA wordt zo omgezet tot calciumfluor-apatiet (FA): Ca5(PO4)3F.
De demineralisatie van FA is vergelijkbaar met die van HA (figuur 1). De pH-waarde waarbij demineralisatie optreedt bij FA is 4,5 of lager. Bij kinderen wordt soms een fluoridebehandeling toegepast. Hierbij komt het tandglazuur enige tijd in aanraking met een hoge concentratie fluoride-ionen en wordt HA omgezet tot FA.
Vraag 9 2 punten
Leg uit in welk pH-gebied de toepassing van de fluoridebehandeling het meest effectief is:
- in gebied 1: 3,5 < pH ≤ 4,5 of
- in gebied 2: 4,5 < pH ≤ 5,5 of
- in gebied 3: 5,5 < pH < 6,5.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: (FA demineraliseert bij een pH van 4,5 of lager.) De pH moet hoger zijn dan 4,5 om FA te remineraliseren/vormen. (Om FA te laten remineraliseren / te vormen, zal HA eerst moeten demineraliseren.) HA demineraliseert / HA wordt afgebroken bij een pH lager dan 5,5 (of gelijk aan 5,5). De toepassing is dus het meest effectief in pH-gebied 2.
Bij een pH lager dan 5,5 (of gelijk aan 5,5) vindt vooral demineralisatie van HA plaats. Bij een pH hoger dan 4,5 vindt vooral remineralisatie van FA plaats. HA moet eerst afbreken voordat FA gevormd kan worden, dus de pH moet tussen de 4,5 en de 5,5 liggen (of gelijk zijn aan 5,5). De toepassing is dus het meest effectief in pH-gebied 2.
Bij het vullen van gaatjes wordt als vulmateriaal steeds vaker gekozen voor tandkleurige composieten. In deze composieten zijn onder andere additiepolymeren verwerkt. De polymeren zijn zo gekozen dat tijdens het uitharden van het vulmateriaal in de mond een driedimensionaal polymeernetwerk ontstaat. Een veelgebruikt monomeer voor dergelijke polymeren is BisGMA. In figuur 2 is de structuurformule van BisGMA vereenvoudigd weergegeven. De letter R stelt hier een atoomgroep voor die niet aan de polymerisatiereactie kan deelnemen.
[figuur 2: zie het originele examen]
Vraag 10 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Teken de structuurformule van een fragment uit het midden van één BisGMA-polymeerketen:
1 Laat hierbij twee BisGMA-eenheden met elkaar koppelen.
2 Gebruik in de BisGMA-eenheden de letter R.
- Leg uit hoe tijdens de polymerisatie van BisGMA een netwerk kan ontstaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste structuurformule zijn:
of
Opmerking Als in een juiste structuurformule meer dan één C=C-groep van een BisGMA-eenheid op een juiste manier in een keten is verwerkt, dit goed rekenen.
Als een diep gaatje gevuld moet worden, dan moet het composietmengsel laag voor laag worden aangebracht. In het composietmengsel zit ook een initiator. Een veelgebruikte initiator is kamferquinon (figuur 3). Een aantal C-atomen in kamferquinon zijn genummerd.
[figuur 3: zie het originele examen]
Vraag 11 2 punten
Leg uit of er van kamferquinon spiegelbeeldisomeren bestaan. Gebruik figuur 3.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Het koolstofatoom met nummer 1 is een asymmetrisch koolstofatoom, dus er zijn spiegelbeeldisomeren.
- Het C-atoom met nummer 4 heeft vier verschillende groepen, dus er zijn spiegelbeeldisomeren.
Opmerking De volgende antwoorden goed rekenen:
- Ja, want het spiegelbeeld van kamferquinon is niet gelijk aan figuur 3, zoals in deze tekening te zien is:
Een molecuul kamferquinon heeft geen inwendig spiegelvlak, dus moet er sprake zijn van spiegelbeeldisomerie.
Bij het opvullen van een gaatje wordt elke aangebrachte laag beschenen met een lampje. Daarna pas start de polymerisatie van deze laag en hardt de laag uit.
Vraag 12 1 punt
Leg uit waarom de polymerisatie pas start na het beschijnen van het composietmengsel met het lampje.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist te rekenen antwoord zijn: − Het licht is nodig om radicalen te laten ontstaan (die nodig zijn voor de initiatie). − Het licht is nodig om de initiator te activeren. − Het licht is nodig om de activeringsenergie te overwinnen. 3x productie van aniline (1)
3x productie van aniline
Aniline (figuur 1) behoort tot de meest geproduceerde stoffen in de chemische industrie. Het wordt gebruikt als figuur 1 grondstof voor veel synthetische kleurstoffen en kunststoffen. Ruim 100 jaar geleden werd aniline industrieel geproduceerd met het Béchamp-proces: in enkele stappen reageert nitrobenzeen ( C6H5NO2) met ijzer en water tot aniline en Fe3O4.
Vraag 13 2 punten
Geef de systematische naam van aniline.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- benzeen (1)
- amine (1)
Vraag 14 3 punten
Geef de vergelijking van het Béchamp-proces in molecuulformules.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- stoffen links en rechts van de pijl juist (1)
- de C-balans, N-balans, Fe-balans en H-balans (1)
- de O-balans in een vergelijking met uitsluitend de juiste formules links en rechts van de pijl (1)
Het Béchamp-proces wordt niet meer ingezet voor de productie van aniline, maar wel voor de productie van Fe3O4, dat als zwart pigment wordt gebruikt. Fe3O4 is een dubbelzout. In Fe3O4 komen zowel Fe2+-ionen als Fe3+-ionen voor.
Vraag 15 2 punten
Leid de molverhouding tussen Fe2+-ionen en Fe3+-ionen in dit dubbelzout af.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: In Fe3O4 bevinden zich 4 O2–-ionen. De totale negatieve lading is dus 8–. De positieve lading van de ijzerionen is dan 8+. Deze lading krijg je met 1× Fe2+ en 2× Fe3+. De verhouding is dus Fe2+ : Fe3+ = 1 : 2.
Tegenwoordig wordt vrijwel alle aniline geproduceerd met een van de volgende processen:
- het nitrobenzeen-proces, gebaseerd op de reactie van nitrobenzeen met waterstof;
- het fenol-proces, gebaseerd op de reactie tussen fenol en ammoniak. Beide processen worden commercieel uitgevoerd in de gasfase en in de vloeibare fase.
nitrobenzeen-proces Op de uitwerkbijlage bij vraag 16 is het blokschema van het nitrobenzeen- proces onvolledig weergegeven. In reactor 1 (R1) verloopt reactie 1.
C6H5NO2 (g) + 3 H2 (g) ⇆ C6H5NH2 (g) + 2 H2O (g) (reactie 1)
In scheidingsruimte 1 (S1) wordt de temperatuur zo ingesteld dat een van de stoffen S1 verlaat in de gasfase. De andere stoffen verlaten S1 als vloeibaar mengsel. In de volgende scheidingsruimtes (S2 en S3) wordt het overgebleven mengsel gedestilleerd. De temperaturen in S2 en S3 zijn steeds zo gekozen dat slechts één stof de ruimte in de gasfase kan verlaten.
Vraag 16 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage het blokschema van het nitrobenzeen-proces compleet. Selecteer hiervoor de juiste informatie uit de tabellen op de uitwerkbijlage en je informatieboek.
- Noteer in iedere scheidingsruimte de maximale temperatuur.
- Noteer de namen van de stoffen bij de pijlen. Waar een * staat, hoef je niets in te vullen. Laat gasvormige stoffen de scheidingsruimtes aan de bovenkant verlaten.
- Houd rekening met hergebruik van stoffen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de maximumtemperaturen in K in elke scheidingsruimte (1)
- bij S2 en S3 de juiste stoffen aan de bovenkant uitgevoerd (1)
- recirculatie van waterstof en nitrobenzeen juist weergegeven (1)
Voor een constante productkwaliteit moet de temperatuur in R1 gelijk blijven tijdens het proces. Dit doet men door te koelen. Er komt namelijk warmte vrij tijdens reactie 1.
Vraag 17 3 punten
Bereken de reactiewarmte per mol aniline van het nitrobenzeen-proces (reactie 1). Ga uit van een proces waarbij alle stoffen reageren in de gasfase. Selecteer hierbij de juiste informatie uit de tabellen op de uitwerkbijlage en je informatieboek.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn: −68,53 ·103 + 87,03 ·103
- 2 × 2, 42 ·105 =
- 4,66 ·105 J (mol−1 )
of
Ebegin + Eeind =
− 68,53 ·103 + ( 87, 03 ·103 ) + 2 × (−2, 42 ·105 ) =
- 4, 66 ·105 J (mol−1 )
Door de temperatuur in de reactor te variëren, wordt het nitrobenzeen-proces geoptimaliseerd. Hierbij wordt gestreefd naar een hoge opbrengst van aniline in een zo kort mogelijke tijd. Bij verhoging van de temperatuur verschuift het evenwicht in R1 naar links. Dit verschuiven hoeft niet nadelig te zijn voor de opbrengst.
Vraag 18 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit dat het evenwicht naar links verschuift bij verhoging van de temperatuur in R1.
- Leg uit hoe het verhogen van de temperatuur in R1 toch voordelig kan zijn voor de opbrengst. Gebruik het botsende-deeltjesmodel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Bij verhoging van de temperatuur verschuift het evenwicht naar de endotherme kant (en dat is de reactie naar links). Bij verhoging van de temperatuur bewegen de deeltjes sneller. Hierdoor botsen de deeltjes vaker / botsen de deeltjes meer (per tijdseenheid). / Hierdoor is de kans op (effectieve) botsingen hoger. (Dit zorgt voor een hogere reactiesnelheid. Zo wordt er in kortere tijd meer product gevormd.)
- Bij verhoging van de temperatuur verschuift het evenwicht naar de endotherme kant (en dat is de reactie naar links). Bij verhoging van de temperatuur hebben de deeltjes meer (bewegings)energie. Hierdoor botsen de deeltjes harder/effectiever (dus is de insteltijd van het evenwicht korter. Zo wordt er in kortere tijd meer product gevormd).
Opmerkingen
- Als een onjuist antwoord op vraag 18 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 17, dit antwoord op vraag 18 goed rekenen.
- Als in de uitleg bij de tweede deelvraag slechts een juist verband is gegeven tussen de temperatuur en het aantal botsingen / tussen de temperatuur en de reactiesnelheid, mag voor deze uitleg 1 scorepunt worden toegekend.
fenol-proces Bij het fenol-proces wordt een overmaat ammoniak gemengd met fenol. In dit proces verloopt reactie 2.
C6H5OH + NH3 ⇆ C6H5NH2 + H2O (reactie 2)
Omdat een deel van het gebruikte fenol reageert tot nevenproducten, is het rendement lager dan 100%.
Vraag 19 3 punten
Bereken het rendement van het fenol-proces. Selecteer hiervoor de juiste informatie uit de tabellen op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: massa beginstoffen
- massa werkelijke opbrengst product E= massa werkelijke opbrengst product Uitgaande van 1,00 mol fenol (massa = 94,1g) ontstaat er x mol aniline met een massa van 93,1x (g).
(94,1+17,0)
- 93,1x 0,39 = , dus x = 0,86 93,1x Het rendement is dus 0,86 × 102 (%) = 86(%) .
of
Uitgaande van 94,1 g fenol ontstaat er x gram aniline. (94,1 + 17,0)
- x 0,39 = , dus x = 79,93 (g). x Theoretisch zou er 93,1 g aniline kunnen ontstaan. 79,93 Het rendement is dus × 102 (%) = 86(%). 93,1
of
De atoomeconomie is 83,7%. Dus uit 1,0 g beginstof ontstaat maximaal 0,837 g aniline. 1,0
- 0,837 x 0,39 = , dus x = 0,86. 0,837 x Het rendement is dus 0,86 × 102 (%) = 86(%).
De geur van kater-urine
Urine van katers (kater-urine) heeft een penetrante en onprettige geur. Dat komt door de afbraakproducten van het aminozuur felinine (figuur 1). Katers ouder dan drie maanden hebben in hun urine een hoog gehalte van het aminozuur felinine. Bij poezen is dat gehalte een stuk lager. Een volwassen kater plast gemiddeld drie keer per dag, en per keer gemiddeld
30 mL urine. Per dag scheidt een volwassen kater gemiddeld 122 µmol felinine per kilogram lichaamsgewicht uit.
[figuur 1: zie het originele examen]
Vraag 20 3 punten
Bereken het gemiddelde gehalte felinine in g L–1 urine voor een volwassen kater van 4,6 kg.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: De molaire massa van felinine (C8H17NO3S) is 207 (g mol–1). De chemische hoeveelheid felinine die per dag wordt uitgescheiden, is
122 ·10−6 × 4,6 = 5,61·10−4 (mol). De massa felinine is 5,61·10−4 × 207 = 1,16 ·10−1 (g). Per dag wordt 3 × 30 ·10−3 = 9, 0 ·10−2 (L) urine uitgescheiden. 1,16 ·10−1 Het gehalte felinine is −2 = 1,3 (g L−1 ). 9,0 ·10 of
De molaire massa van felinine (C8H17NO3S) is 207 g (mol–1). De massa felinine die per dag per kg lichaamsgewicht wordt uitgescheiden, is 122 ·10−6 × 207 = 2,52 ·10−2 (g). Per dag wordt 3 × 30 ·10−3 = 9, 0 ·10−2 (L) urine uitgescheiden. Het gehalte felinine dat per kg lichaamsgewicht wordt uitgescheiden is 2,52 ·10−2 −2 = 2,81 ·10−1 (g L−1kg −1 ). 9, 0 ·10 Voor een volwassen kater van 4,6 kg is dat 2,81·10−1 × 4,6 = 1,3 (g L−1 ).
De meeste gezonde zoogdieren scheiden weinig eiwitten en aminozuren uit via de urine, om zo kostbare bouwstoffen te behouden. Katten zijn hierop een uitzondering. Katten-urine bevat behalve felinine ook een relatief hoog gehalte aan het enzym cauxine. Cauxine is een zogeheten carboxyl-esterase. De meeste zoogdieren hebben andere carboxyl- esterases, die niet via de urine worden uitgescheiden. Dit type enzym wordt hieronder ‘normale’ carboxyl-esterase genoemd.
Het fragment van het uiteinde van de aminozuurketen in ‘normale’ carboxyl-esterase kan worden weergegeven door ~DEL. In deze codering is elk aminozuur weergegeven met het 1-lettersymbool. Cauxine is een relatief klein carboxyl-esterase en heeft andere aminozuren aan het uiteinde dan ‘normale’ carboxyl-esterase. Het stukje van de coderende streng van het DNA dat codeert voor de laatste drie aminozuren van cauxine, is:
~ ATT GTC CCC
Vraag 21 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de 1-lettersymbolen van de drie laatste aminozuureenheden van cauxine.
- Teken de structuurformule van het fragment van cauxine met de drie laatste aminozuureenheden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als in plaats van een 1-lettersymbool het juiste 3-lettersymbool of de juiste naam is gegeven, dit niet aanrekenen.
Vraag 22 2 punten
Leg uit of het fragment van de laatste drie aminozuureenheden in cauxine meer of minder hydrofiel is dan het fragment van de laatste drie aminozuureenheden in ‘normale’ carboxyl-esterase.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: (De laatste drie aminozuureenheden in een molecuul cauxine zijn ~IVP, en in een molecuul ‘normale’ carboxyl-esterase zijn dat ~DEL. De restgroepen in ~IVP bevatten alleen apolaire C-C- en C-H-bindingen.) De restgroepen in ~DEL / De restgroepen van D en E bevatten COOH-groepen / bevatten carboxylgroepen / bevatten OH-groepen / bevatten groepen die waterstofbruggen kunnen vormen / bevatten polaire groepen. Deze groepen zijn meer hydrofiel dan de restgroepen in cauxine. De laatste drie aminozuureenheden in een molecuul cauxine zijn dus minder hydrofiel dan het uiteinde in een molecuul ‘normale’ carboxyl-esterase.
Opmerkingen
- Als een onjuist antwoord op vraag 22 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 21, dit antwoord op vraag 22 goed rekenen.
- Als een juist antwoord is beredeneerd vanuit de restgroepen van ~IVP in plaats van die van ~DEL, dit antwoord goed rekenen.
Felinine wordt in het lichaam van katten door hydrolyse gevormd uit MBG. In figuur 2 zijn de betrokken omzettingen vereenvoudigd weergegeven.
[figuur 2: zie het originele examen]
Op de uitwerkbijlage is de reactievergelijking van stap 1 nogmaals weergegeven.
Vraag 23 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage de reactievergelijking van stap 1 compleet.
- Gebruik (eventueel schematische) structuurformules.
- Gebruik voor de formule van glutaminezuur Binas-tabel 67H1 of ScienceData-tabel 13.7c.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als in plaats van de structuurformule van water de molecuulformule is gegeven, dit goed rekenen.
Met behulp van dunnelaag-chromatografie is onderzocht of het enzym cauxine een rol speelt bij de omzettingen in figuur 2. Hiertoe zijn de volgende zes oplossingen bereid: a en b: MBG zonder en met cauxine c en d: MBCG zonder en met cauxine e: glycine f: felinine Na een reactietijd van 10 uur bij 38 °C (voor oplossingen a tot en met d) werd van alle oplossingen een chromatogram gemaakt. De resultaten van de experimenten zijn in figuur 3 weergegeven. Cauxine is op deze chromatogrammen niet zichtbaar.
[figuur 3: zie het originele examen]
De onderzochte hypothesen zijn: Hypothese 1: Cauxine is betrokken bij de omzetting van MBG tot MBCG (stap 1). Hypothese 2: Cauxine is betrokken bij de omzetting van MBCG tot felinine (stap 2).
Vraag 24 2 punten
Leg uit voor elke hypothese of die wordt ondersteund door de resultaten in figuur 3.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Hypothese 1 wordt niet ondersteund door de resultaten in figuur 3. De vlek van MBG verandert niet, dus MBG wordt niet door cauxine omgezet. / Er ontstaat geen andere vlek, dus MBG wordt niet door cauxine omgezet. Hypothese 2 wordt wel ondersteund door de resultaten in figuur 3. De vlek van MBCG verandert wel. Er ontstaat een vlek ter hoogte van de vlek van felinine. Het enzym zet dus MBCG om tot felinine.
Felinine heeft van zichzelf weinig geur. Nadat felinine via de urine in de bodem terecht is gekomen, wordt dit onder andere door micro-organismen omgezet tot een reeks verschillende stoffen die wel een geur hebben, zoals de stoffen X en Y. Zie figuur 4.
[figuur 4: zie het originele examen]
Uit onderzoek met bodemmonsters met katten-urine blijkt dat de stoffen X en Y ook in de bodem voorkomen als gecastreerde katers (GK), poezen (P) en jonge katers (JK) hebben geürineerd. Er zijn ook bodemmonsters onderzocht met urine van niet-gecastreerde katers (NGK). De geur van deze bodemmonsters is veel intenser dan die van de monsters van GK, P en JK. Om te bepalen welke stof met name verantwoordelijk is voor de geur, zijn gaschromatogrammen gemaakt van alle monsters. De hoeveelheid urine is in elk monster gelijk. Van de stoffen X en Y zijn vervolgens de piekoppervlaktes bepaald. Zie figuur 5.
[figuur 5: zie het originele examen]
Van stof X is bekend dat deze stof bij een tien maal zo lage concentratie, een hogere geurintensiteit geeft dan stof Y. Uit figuur 5 kan worden afgeleid dat stof X meer van invloed is op de intensiteit van de geur van kater-urine dan stof Y.
Vraag 25 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Licht toe waarvoor de piekoppervlaktes in deze gaschromatogrammen worden gebruikt.
- Geef een argument waaruit blijkt dat stof X een grotere invloed heeft op de intensiteit van de geur van de urine van niet-gecastreerde katers (NGK) dan stof Y. Gebruik hiervoor figuur 5. Neem aan dat de gevoeligheid van de detector voor de stoffen X en Y gelijk is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste toelichting is:
- De piekoppervlaktes in deze chromatogrammen zijn een (relatieve) maat voor de concentratie van de stoffen X en Y in de monsters. / voor de (chemische) hoeveelheid van de stoffen X en Y in de monsters.
- De piekoppervlakte is evenredig met de hoeveelheid/concentratie van de stoffen X en Y in het (ingespoten) monster.
Voorbeelden van een juist argument zijn:
- Het piekoppervlak van stof X in het monster van de niet-gecastreerde katers (NGK) is veel hoger dan het piekoppervlak van stof X bij de andere groepen. Bij stof Y is dat verschil in piekoppervlak niet zo groot. (Stof X heeft dus een grotere invloed, dan stof Y.)
- Het piekoppervlak van stof X bij niet-gecastreerde katers (NGK) is rond de 700(·105). Het piekoppervlak van stof Y bij NGK is ongeveer 12(·105). Dat is meer dan 50× minder. (Stof X ruikt ook nog eens sterker dan stof Y. Stof X heeft dus een grotere invloed.)
In een vervolgexperiment is de snelheid van de hydrolyse van MBCG onderzocht in een oplossing met 7,4 g L–1 MBCG. Na een reactietijd van 5,0 minuten bleek MBCG voor 1,20·10–2 % te zijn omgezet.
Vraag 26 4 punten
Bereken de gemiddelde reactiesnelheid van de omzetting van MBCG in nmol L–1 s–1 gedurende deze 5,0 minuten.
- De molaire massa van MBCG is 264 g mol–1.
- Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: 7, 4 De chemische hoeveelheid MBCG per liter is = 2,80 ·10−2 (mol L−1 ). 264 1, 20 ·10 −2 Hiervan is omgezet 2,80 ·10 −2 × (2) = 3, 36 ·10 −6 (mol L−1 ). 10 3,36 ·10−6 × 109 De reactiesnelheid is = 11 (nmol L−1 s−1 ). 5,0 × 60
of
De massa MBCG die per liter wordt omgezet is 1, 20 ·10 −2 7, 4 × (2) = 8,88 ·10 −4 (g L−1 ). 10 De chemische hoeveelheid MBCG die is omgezet is 8,88 ·10−4 = 3,36 ·10−6 (mol L−1 ). 264 3,36 ·10−6 × 109 De reactiesnelheid is = 11 (nmol L−1 s−1 ). 5,0 × 60
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2025, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-25-2-o
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2?
Het centraal examen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2 telt 26 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (6), reactievergelijkingen (4) en rekenen aan reacties (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2025, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-25-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2025, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.