Eindexamen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: TCP en het aerotoxisch syndroom, Lignine: nuttig afval, Geosmine, Distikstoftetraoxide.
Het centraal examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (10), rekenen aan reacties (5) en bindingen (2). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 1-3, 5-6, 13-17 | 10 |
| Rekenen aan reacties | 4, 9, 12, 18, 25 | 5 |
| Bindingen | 7, 24 | 2 |
| Reactiesnelheid | 10, 22 | 2 |
| Scheidingsmethoden | 11, 20 | 2 |
| Duurzame chemie | 8 | 1 |
| Evenwichten | 19 | 1 |
| Reactievergelijkingen | 21 | 1 |
| Stoffen en eigenschappen | 23 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over koolstofchemie (40% van de vragen, gemiddeld 21%). Minder over reactievergelijkingen (4% van de vragen, gemiddeld 12%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
TCP en het aerotoxisch syndroom
Het aerotoxisch syndroom is een aandoening die in verband wordt gebracht met regelmatig vliegen. Een van de mogelijke oorzaken van deze aandoening is verontreiniging van de lucht in het vliegtuig door minimale hoeveelheden tri-cresylfosfaat (TCP). TCP wordt toegevoegd aan de smeerolie van straalmotoren en kan via kleine lekkages in de lucht van het vliegtuig terechtkomen. In figuur 1 is de reactievergelijking gegeven van de vorming van TCP uit onder andere cresol.
[figuur 1: zie het originele examen]
De reactie in figuur 1 is slechts een voorbeeld. Het gebruikte cresol is namelijk een mengsel van drie structuurisomeren met dezelfde naam van de hoofdketen.
Vraag 1 2 punten
Geef de systematische namen van deze drie structuurisomeren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- 2-methylbenzenol, 3-methylbenzenol en 4-methylbenzenol
- 2-methylfenol, 3-methylfenol en 4-methylfenol
- 2-methylbenzeen-1-ol, 3-methylbenzeen-1-ol en 4-methylbenzeen-1-ol
Het fosforatoom in TCP heeft een 4-omringing. De ruimtelijke verdeling van de atoombindingen rondom het fosforatoom is vergelijkbaar met die rondom een koolstofatoom met 4-omringing.
Vraag 2 2 punten
Leg uit welke vorm van stereo-isomerie kan optreden bij TCP.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- In TCP kunnen drie verschillende cresol-isomeren zijn gebonden zodat vier verschillende groepen aanwezig zijn rondom het P-atoom / zodat het P-atoom asymmetrisch is. (1)
- conclusie dat er sprake is van spiegelbeeldisomerie (1)
Een mogelijke oorzaak van de aandoening is een verandering in een belangrijk enzym in de lever. In de lever komt het enzym BChE voor, dat een rol speelt bij de hydrolyse van bepaalde esters. Wanneer het lichaam TCP opneemt, wordt een van de isomeren van TCP in de lever omgezet tot stof A (zie figuur 2). Vervolgens wordt in drie reacties een serine-eenheid van BChE omgezet tot een fosfoserine-eenheid. In het vervolg van deze opgave wordt de omgezette BChE aangeduid met BChE-P.
[figuur 2: zie het originele examen]
Reactie 2 begint met een aanval van de OH-groep van een serine- eenheid op het fosforatoom in CBDP. Hierbij ontstaat onder meer stof X.
Vraag 3 2 punten
Teken de structuurformule van stof X.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking De volgende structuurformules goed rekenen:
In een onderzoek kon de aanwezigheid van BChE-P in bloed worden aangetoond. Men volgde hierbij de volgende stappen:
1 afname van bloed bij gezonde mensen en bij mensen met klachten
2 isolatie van BChE uit bloed waarin eventueel BChE-P voorkomt
3 hydrolyse van BChE; hierbij worden korte peptideketens gevormd Van het mengsel van peptideketens afkomstig uit stap 3 werden vervolgens massaspectra gemaakt. Uit de resultaten kon worden opgemaakt dat de omzetting van de serine-eenheid uitsluitend aantoonbaar is in peptideketen 1.
Phe
- Gly
- Glu
- Ser
- Ala
- Gly
- Ala
- Ala
- Ser (peptideketen 1)
In de massaspectra van zowel gezonde mensen als patiënten is bij m/z = 794 een piek te zien die afkomstig is van peptideketen 1. Bij de ionisatie in de massaspectrometer wordt een H+-ion afgesplitst van de ongeladen peptideketens die in stap 3 zijn gevormd.
Vraag 4 2 punten
Leg uit met behulp van een berekening dat de piek bij m/z = 794 hoort bij peptideketen 1. Gebruik hierbij gegevens uit de tabel op de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: De totale massa van de 9 aminozuren is 939 (u). In de peptideketen is per koppeling 1 molecuul H 2O afgesplitst. De molecuulmassa van het gedeelte is dus 939
- 8 × 18, 0 = 795 (u). De piek bij m/z = 794 ontstaat doordat bij de ionisatie nog een H+-ion wordt afgesplitst.
Vraag 5 3 punten
Teken de structuurformule van het gedeelte ~ Glu
- Ser
- Ala ~ waarin de serine-eenheid is omgezet tot een fosfoserine-eenheid.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de peptidegroepen, inclusief de afgebroken peptidegroepen aan het begin en einde van de keten (1)
- de fosfoserine-eenheid (1)
- de restgroepen van Glu en Ala en het begin en einde van de peptideketen weergegeven, bijvoorbeeld met ~ en de rest van de structuurformule (1)
Lignine: nuttig afval
Hout bevat vooral de biopolymeren cellulose en lignine. Bij de isolatie van cellulose voor bijvoorbeeld papier, komt een grote hoeveelheid lignine vrij. De stof lignine kent nog weinig toepassingen. In hout komen ook andere biopolymeren voor, zoals glucomannan. Glucomannan is een polysacharide, opgebouwd uit (β)−D-glucose en D-mannose. De structuur van een molecuul D-mannose is gelijk aan die van (β)−D-glucose, waarbij de stereochemie op C2 anders is. De koppeling tussen beide monosachariden vindt uitsluitend plaats via de OH-groepen op C1 en C4.
Vraag 6 3 punten
Teken de structuurformule van een gedeelte van een molecuul glucomannan. Dit gedeelte moet komen uit het midden van het molecuul en moet zijn ontstaan uit een molecuul D-mannose en een molecuul (β)−D-glucose.
- Gebruik de notatie die ook in het informatieboek wordt gehanteerd.
- Gebruik Binas-tabel 67F1 of ScienceData-tabel 13.1d.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de structuur rondom C-2 van de mannose-eenheid (1)
- de koppeling tussen beide monosachariden (1)
- de uiteinden weergegeven met ~ en de rest van de structuurformule en de stereochemie (1)
Cellulose is een lineair ketenpolymeer van glucose. Cellulose kan door regelmatige stapeling van de ketens kristallijne gebieden vormen. Lignine (zie figuur 1) bevindt zich tussen de ketens van cellulose in hout.
[figuur 1: zie het originele examen]
Vraag 7 2 punten
Leg met behulp van figuur 1 uit of lignine ook kristallijne gebieden kan vormen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
- Lignine is sterk vertakt. Hierdoor kan lignine geen kristallijne structuur vormen.
- Lignine heeft geen regelmatige opbouw van gelijke monomeren. Hierdoor kan lignine geen kristallijne structuur vormen.
- In een kristallijn gebied liggen de polymeerketens netjes geordend. In figuur 1 zijn geen gelijke polymeerketens herkenbaar, dus lignine kan geen kristallijne gebieden vormen.
Opmerking Het volgende antwoord goed rekenen: Lignine is een netwerkpolymeer. Doordat de koppelingen willekeurig zijn, kan lignine geen kristallijne structuur vormen.
Het kraft-proces is het meest gebruikte proces om cellulose te verkrijgen uit hout. Het kraft-proces omvat enkele stappen. Eerst wordt houtpulp wordt met water en chemicaliën verhit, zodat de lignine gedeeltelijk wordt gehydrolyseerd. Daarna wordt cellulose afgescheiden van het mengsel van lignine en chemicaliën. Ten slotte wordt de cellulose gedroogd en de chemicaliën worden deels teruggewonnen. De benodigde warmte voor het drogen van cellulose wordt verkregen door de verbranding van de verkregen lignine. Hierbij wordt ook elektrische energie opgewekt. Het kraft-proces voldoet aan een aantal uitgangspunten van de groene chemie.
Vraag 8 2 punten
Geef twee verschillende uitgangspunten van de groene chemie, waaraan het kraft-proces voldoet. Noteer je antwoord als volgt: Uitgangspunt …
- toelichting: … Uitgangspunt …
- toelichting: …
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van juiste uitgangspunten zijn: − Uitgangspunt 1 (preventie): lignine-afval hoeft niet te worden gestort/geloosd. − Uitgangspunt 1 (preventie): de gebruikte chemicaliën worden teruggewonnen. − Uitgangspunt 1 (preventie): een groter deel van de biomassa wordt nuttig gebruikt. − Uitgangspunt 6 (energie-efficiënt ontwerpen): het afvalproduct lignine wordt nuttig gebruikt voor de opwekking van warmte/elektriciteit. − Uitgangspunt 7 (gebruik van hernieuwbare grondstoffen): er wordt biomassa gebruikt voor de opwekking van energie. per uitgangspunt met juiste toelichting (1) (2)
De lignine kan mogelijk ook worden toegepast in de elektrochemische productie van waterstof. Deze verloopt efficiënter wanneer hierbij een hulpstof zoals lignine wordt gebruikt. In een onderzoek naar deze toepassing van lignine hebben onderzoekers twee afzonderlijke reacties uitgevoerd: stap 1 Biomassa wordt gemengd met een oplossing van het sterke zuur fosfomolybdeenzuur ( H3PMo12O40 of H3POM). stap 2 Elektrolyse van het mengsel dat na enige tijd is ontstaan. De opstelling en de optredende halfreacties zijn in figuur 2 schematisch weergegeven.
[figuur 2: zie het originele examen]
Bij elk experiment werd in stap 1 telkens 10 mL oplossing gebruikt waarin bij aanvang [POM3–] = 0,50 M.
Vraag 9 2 punten
Bereken de massa fosfomolybdeenzuur die is gebruikt bij elk experiment.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: De chemische hoeveelheid fosfomolybdeenzuur per 10 mL is
10 ·10−3 × 0,50 = 5, 00 ·10−3 (mol). De molaire massa van fosfomolybdeenzuur is 1825 (g mol−1 ). De massa per experiment is 5, 00 ·10 −3 × 1825 = 9,1 g.
De invloed van de temperatuur op de reacties in stap 1 is onderzocht. In figuur 3 zijn de resultaten weergegeven.
[figuur 3: zie het originele examen]
Vraag 10 2 punten
Leg uit, aan de hand van het botsende-deeltjes-model, welk experiment bij de hoogste temperatuur is uitgevoerd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Bij experiment 1 is de reactiesnelheid het hoogst, omdat op elk tijdstip de omzettingsgraad van POM3– het hoogst is / omdat de grafiek van experiment 1 het steilst is. Bij hogere temperatuur bewegen de deeltjes sneller, waardoor er meer (effectieve) botsingen zijn (dan bij lagere temperatuur). Hoe meer botsingen per seconde, hoe hoger de reactiesnelheid. Experiment 1 is dus uitgevoerd bij de hoogste temperatuur.
Opmerking Als de kandidaat moleculen in plaats van deeltjes noteert, dit niet aanrekenen.
In stap 1 en tijdens de elektrolyse ontstaan allerlei figuur 4 nuttige afbraakproducten van lignine. Met behulp van gaschromatografie is onder andere de vorming van vanilline (zie figuur 4) bewezen. Een monster van de aanwezige stoffen werd hiervoor in een polaire kolom ingespoten met decaan als referentiestof.
Vraag 11 3 punten
Leg uit of vanilline bij deze kolom een kleinere of een grotere retentietijd heeft dan decaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een molecuul vanilline bevat (onder andere) een OH-groep. Het molecuul is hierdoor polair, terwijl een molecuul decaan (een koolwaterstof) apolair is. Het polaire vanilline zal beter adsorberen aan de polaire stationaire fase waardoor de retentietijd van vanilline hoger zal zijn dan die van decaan.
In een experiment werd een maximale ladingsoverdracht van 18 mmol elektronen per gram lignine bereikt. De lignine was afkomstig van droog naaldhout met een gemiddeld ligninegehalte van 28 massa%.
Vraag 12 5 punten
Bereken het volume in m3 waterstof dat op deze wijze kan worden geproduceerd met behulp van 1,0 kg droog naaldhout. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 28 In 1,0 kg droog naaldhout bevindt zich 1, 0 ·103 × (2) = 2,80 ·102 (g) lignine. 10 De chemische hoeveelheid elektronen die hierbij worden overgedragen is 2,8 ·102 × 18 ·10−3 = 5, 04 (mol). De chemische hoeveelheid waterstof die hiermee kan worden geproduceerd 5, 04 is = 2,52 (mol). 2 De massa waterstof is 2,52 × 2, 02 = 5, 09 (g). De dichtheid van waterstof is 8, 2 ·10−5 × 103 = 8, 2 ·10−2 (kg m −3 ). 5, 09 × 10−3 Het volume waterstof is −2 = 6, 2 ·10−2 m3 . 8, 2 ·10
- significantie (1p)
of
28 In 1,0 kg droog naaldhout bevindt zich 1, 0 ·103 × (2) = 2,80 ·102 (g) lignine. 10 De chemische hoeveelheid elektronen die hierbij worden overgedragen is 2,8 ·102 × 18 ·10−3 = 5, 04 (mol). De chemische hoeveelheid waterstof die hiermee kan worden geproduceerd 5, 04 is = 2,52 (mol). 2 Het volume waterstof is 2,52 × 2, 45 ·10 −2 = 6, 2 ·10−2 (m 3 ).
Opmerking Als gebruik is gemaakt van de dichtheid bij T=273 K, dit niet aanrekenen.
Geosmine
Als na een langere periode van droogte in de zomer een regenbui valt, ruik je buiten een karakteristieke geur. Deze geur wordt mede veroorzaakt door de stof geosmine. Geosmine wordt geproduceerd door bepaalde bacteriën in de bodem. In figuur 1 zijn de volledige en de schematische structuurformule van (–)-geosmine weergegeven. Deze isomeer van geosmine is de enige stereo-isomeer die wordt gevormd door de bacteriën.
[figuur 1: zie het originele examen]
In het laboratorium is het spiegelbeeld van (–)-geosmine gesynthetiseerd.
Vraag 13 2 punten
Teken de schematische structuurformule van het spiegelbeeld van (–)-geosmine.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
indien een van de volgende antwoorden is gegeven: (2)
indien een stereo-isomeer van geosmine is gegeven die geen spiegelbeeld is (1) indien een structuurisomeer van geosmine is gegeven (0)
Opmerking Als een juiste volledige structuurformule is gegeven, dit niet aanrekenen.
In het vervolg van deze opgave worden uitsluitend schematische structuurformules gebruikt. In figuur 2 is de biosynthese van geosmine weergegeven. Een deeltje FPP wordt door één enzym in twee stappen omgezet tot een molecuul geosmine.
[figuur 2: zie het originele examen]
In stap 1 worden twee elektronenparen verplaatst waardoor het ion P2O74− wordt afgesplitst en zich ion A+ (C15H25+) vormt. Vervolgens reageert A+ door tot germacradienol. In de structuurformule van ion A+ bevindt zich een ring van 10 C-atomen met daarin twee dubbele bindingen.
Vraag 14 2 punten
Teken de schematische structuurformule van ion A+. Je hoeft hierbij geen rekening te houden met stereo-isomerie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- de pluslading op het juiste C-atoom en de rest van de structuurformule (1p)
indien als enige fout in de structuur een waterstofatoom is verplaatst, met als consequent gevolg dat een dubbele binding en/of de formele lading op een andere plaats terecht is gekomen (1)
Het mechanisme van stap 2 is lang onduidelijk geweest. Om hierover duidelijkheid te krijgen, is in germacradienol een H-atoom vervangen door een D-atoom (2H). Het enzym produceert dan geosmine-D. Onderzoeker Cane presenteerde een mechanisme waarbij het D-atoom met elektronenpaar naar C3 wordt verplaatst (zie figuur 3).
[figuur 3: zie het originele examen]
In beide stappen in figuur 3 wordt zowel een H+-ion gebonden als weer afgesplitst. Bij de omzetting van germacradienol- D tot geosmine-D wordt een molecuul van stof X gevormd.
Vraag 15 2 punten
Geef de systematische naam van stof X.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- achtervoegsel -on (1p)
indien als antwoord aceton is gegeven (1) indien als antwoord de structuurformule van propanon is gegeven (1) indien als antwoord C3H6O is gegeven (0)
Dit mechanisme was volgens een ander wetenschappelijk team onder leiding van Boland niet juist. Zij stelden een ander mechanisme voor, waarin het D-atoom naar de linker zesring wordt verplaatst in plaats van naar de rechter. Massaspectrometrie gaf uiteindelijk uitsluitsel welk mechanisme het best past bij de vorming van geosmine-D.
In figuur 4 zijn de twee manieren weergegeven hoe het geosmine-D, dat volgens Cane wordt gevormd, na ionisatie fragmenteert in de massaspectrometer. Bij fragmentatie 1 worden in de linker ring twee C–C-bindingen verbroken. Hierbij worden pent-1-een en fragment-ion Y+ gevormd. Bij fragmentatie 2 worden op een vergelijkbare manier ook twee C–C-bindingen verbroken, maar dan in de rechter ring.
[figuur 4: zie het originele examen]
Beide manieren van fragmenteren treden op.
Vraag 16 3 punten
Teken de schematische structuurformule van het neutrale deeltje dat wordt afgesplitst bij fragmentatie 2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- in de structuurformule het deuteriumatoom gebonden aan C1/C4 (1p)
indien als antwoord C4H7D is gegeven (1)
Opmerking Wanneer de juiste volledige structuurformule is gegeven, dit niet aanrekenen.
Het massaspectrum van geosmine-D is weergegeven in figuur 5.
[figuur 5: zie het originele examen]
Het fragment-ion Z+ is verantwoordelijk voor de piek bij m/z = 126 in het massaspectrum.
Vraag 17 2 punten
Leg uit dat het massaspectrum een aanwijzing geeft dat het mechanisme voorgesteld door Boland niet juist kan zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Bij deze m/z-waarde is slechts een kleine piek zichtbaar. (1p)
Opmerking Een antwoord als het volgende goed rekenen: Volgens Cane zou fragment-ion Y+ een D-atoom bevatten / zou fragment- ion Y+ een piek veroorzaken bij m/z = 113. Bij deze m/z-waarde is een grote piek zichtbaar.
Distikstoftetraoxide
Distikstoftetraoxide (N2O4) is een sterke oxidator, die onder andere wordt gebruikt in raketmotoren. N2O4 ontstaat als bijproduct bij de productie van salpeterzuur (HNO3). Door de toegenomen vraag naar N2O4 wordt onderzoek gedaan of het mogelijk is om salpeterzuurfabrieken om te bouwen naar N2O4-fabrieken. Op basis van het onderzoek werd een aangepast proces voorgesteld met twee reactoren. In reactor 1 (R1) reageert ammoniak met een overmaat zuurstof tot stikstofmono-oxide en waterdamp.
Vraag 18 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef de vergelijking van de reactie die verloopt in R1.
- Bereken de reactiewarmte van deze reactie in joule per mol ammoniak.
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
4 NH3 + 5 O2 → 4 NO + 6 H2O 6 (0, 459 + 0,913
- × 2, 42) ·105 =
- 2, 26 ·105 (J mol−1 ) 4
of
4 NH3 + 5 O2 → 4 NO + 6 H2O
- Ebegin + Eeind =
- −0, 459 ·105 6 + ( 0,913 ·105 ) + × (−2, 42 ·105 ) =
- 2, 26 ·105 (J mol−1 ) 4
Opmerking De volgende berekening goed rekenen: 0, 459 + 0,913
- 1,5 × 2, 42 =
- 2, 26 ·105 (J mol−1 )
Het gasmengsel afkomstig uit R1 wordt in scheidingsruimte 1 (S1) gebracht, waar water volledig wordt afgescheiden. Het gevormde stikstofmono-oxide reageert vervolgens in reactor 2 (R2) met zuurstof tot stikstofdioxide, waarbij zich twee evenwichten instellen.
2 NO (g) + O2 (g) 2 NO2 (g) (evenwicht 1)
2 NO2 (g) N2O4 (g) (evenwicht 2) De reactie naar rechts is voor beide evenwichten in R2 exotherm. Onderdeel van het onderzoek was de vraag hoe het rendement van de productie van N2O4 kan worden verhoogd door de druk en de temperatuur in R2 te variëren.
Vraag 19 2 punten
Noteer in de tabel op de uitwerkbijlage hoe de ligging van elk evenwicht wordt beïnvloed als de druk en/of de temperatuur wordt verhoogd.
- Noteer ‘links’ als de reactie naar links wordt bevorderd.
- Noteer ‘rechts’ als de reactie naar rechts wordt bevorderd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
evenwicht hogere temperatuur hogere druk
1 links rechts
2 links rechts
De uitstroom van R2 wordt in een scheidingsruimte gebracht, waar N2O4 in vloeibare vorm wordt afgescheiden van de rest van het gasmengsel. De onderzoekers hebben op basis van het onderzoek een mogelijk blokschema voorgesteld van een N2O4-fabriek.
Vraag 20 4 punten
Maak op de uitwerkbijlage het voorgestelde blokschema compleet. Neem aan dat in de uitstroom van R2 geen zuurstof meer aanwezig is.
- Teken ontbrekende reactoren en scheidingsruimtes.
- Teken ontbrekende pijlen en noteer ontbrekende stoffen bij alle pijlen. Houd hierbij rekening met hergebruik van stoffen.
- Neem aan dat bij het proces behalve water geen afval vrijkomt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Opmerking Als NO ontbreekt zowel in de stofstroom van R2 naar S2 als in de recycle van S2 naar R2, dit slechts eenmaal aanrekenen.
N2O4 kan in een raketmotor worden figuur gebruikt als oxidator. De brandstof is hierbij bijvoorbeeld monomethyl- hydrazine (MMH, zie de figuur).
MMH en N2O4 vormen een zogeheten ‘hypergool mengsel’. Dat is een mengsel dat spontaan ontbrandt als de stoffen worden gemengd. Onderzoek heeft uitgewezen dat er bij contact tussen MMH en N2O4 twee reacties verlopen. Eerst verloopt een ontstekingsreactie (reactie 1) die genoeg energie levert, zodat de uiteindelijke verbrandingsreactie (reactie 2) kan starten. In reactie 2 worden MMH en N2O4 omgezet tot stikstof, koolstofdioxide en waterdamp.
Vraag 21 3 punten
Geef de vergelijking van reactie 2. Gebruik hierbij molecuulformules.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- links van de pijl CN2H6 en N2O4 (1)
- rechts van de pijl N2 en CO2 en H2O (1)
- de elementbalans bij uitsluitend de juiste formules links en rechts van de pijl (1)
Op de uitwerkbijlage zijn twee energiediagrammen onvolledig weergegeven: een voor de ontstekingsreactie (reactie 1) en een voor de uiteindelijke verbrandingsreactie (reactie 2). Beide energiediagrammen zijn op dezelfde schaal weergegeven.
Vraag 22 2 punten
Maak op de uitwerkbijlage beide energiediagrammen compleet met de energieniveaus van de geactiveerde toestanden en van de reactieproducten. Je hoeft geen bijschriften te vermelden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- in beide energiediagrammen een exotherme reactie weergegeven (1)
- de geactiveerde toestand voor de ontstekingsreactie lager dan die van de verbranding (1)
Bij onderzoek in de jaren 60 naar de ontstekingsreactie is de reactie tussen MMH en N2O4 onderzocht bij zeer lage temperaturen. MMH is vloeibaar bij de gebruikte temperaturen terwijl N2O4 vast is. Het smeltpunt van MMH is –52 °C.
Vraag 23 2 punten
Leg uit tussen welke temperatuurgrenzen dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Noteer je antwoord als volgt: … K ≤ temperatuur ≤ … K. Gebruik Binas-tabel 42A of ScienceData-tabel 8.3a.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Voorbeelden van een juist antwoord zijn: Het smeltpunt van MMH is (273
- 52 =) 221 K. Het smeltpunt van N2O4 is 264 K. Het onderzoek is uitgevoerd bij een temperatuur 221 K ≤ T ≤ 264 K.
Opmerking Het volgende antwoord goed rekenen: Het smeltpunt van MMH is –52 °C. Het smeltpunt van N2O4 is (273
- 264 =) –9 °C. Het onderzoek is uitgevoerd bij een temperatuur –52 °C ≤ T ≤ –9 °C.
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
Uit dit onderzoek volgde dat meerdere isomeren van N2O4 in het mengsel aanwezig waren en dat een van deze isomeren, ONONO2 betrokken was bij de ontstekingsreactie. Door de koeling vonden vervolgreacties niet plaats en was men in staat de reactieproducten van de ontstekingsreactie te onderzoeken. Op de uitwerkbijlage is het ONONO2-isomeer weergegeven samen met het MMH-molecuul waarmee het reageert. Verder zijn de reactieproducten van de ontstekingsreactie gegeven.
Vraag 24 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Teken op de uitwerkbijlage links van de pijl de ontbrekende niet- bindende elektronenparen. Geef ook formele ladingen aan.
- Geef met pijlen weer hoe elektronenparen worden verplaatst tijdens de reactie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
- de niet-bindende elektronenparen (1)
- de formele ladingen consequent (1)
- de pijlen (1)
In 1975 is er bijna een ongeluk gebeurd met een Apollo-ruimtevaartuig. Tijdens de terugkeer in de dampkring werd een luchtinlaat geopend, waardoor N2O4 in de cabine terechtkwam. De drie aanwezige astronauten konden op tijd een zuurstofmasker opzetten. Bij het incident is ongeveer 11 gram N2O4 in de cabine met een volume van 5,9 m3 terechtgekomen. Gehaltes van N2O4 boven de waarde
300 volume-ppm worden als levensgevaarlijk beschouwd. Het molair volume van een gas is 2,39·10–2 m3 mol–1.
Vraag 25 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Bereken het gehalte N2O4 in de cabine in volume-ppm. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
- Geef aan of het gehalte boven de grens van levensgevaar is gekomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: 11 Er was = 1, 20 ·10−1 (mol) N2O4 ontsnapt. 92, 0 Dat is 1, 20 ·10−1 × 2,39 ·10 −2 = 2,86 ·10 −3 (m 3 ). 2,86 ·10−3 Het gehalte is × 106 = 4,8 ·102 (volume-ppm). 5,9 Het maximaal toelaatbare gehalte is 300 volume-ppm, dus de situatie was levensgevaarlijk.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2024, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-24-2-o
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2?
Het centraal examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (10), rekenen aan reacties (5) en bindingen (2).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2024, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-24-2-c).
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.