Eindexamen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Bubbelbad, Bio-SAP uit kleding, DHA en zelfbruiners, De productie van propeenoxide.
Het centraal examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (6), bindingen (4) en rekenen aan reacties (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Koolstofchemie | 8, 11, 14-16, 25 | 6 |
| Bindingen | 1-2, 19, 23 | 4 |
| Rekenen aan reacties | 6-7, 12, 18 | 4 |
| Reactievergelijkingen | 4-5, 10 | 3 |
| Scheidingsmethoden | 20-21, 24 | 3 |
| Zuren en basen | 9, 13 | 2 |
| Evenwichten | 3 | 1 |
| Redoxreacties | 17 | 1 |
| Duurzame chemie | 22 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
De verdeling over de onderwerpen ligt dicht bij het gemiddelde van de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018. Geen enkel onderwerp wijkt meer dan zes procentpunten af.
Opgaven en correctievoorschrift
- Opgaven
- Uitwerkbijlage
- Correctievoorschrift
- Aanvulling correctievoorschrift
- Herziene tweede aanvulling correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Bubbelbad
Tenzij anders vermeld, is er sprake van standaardomstandigheden: $T = 298\ \mathrm{K}$ en $p = p_0$.
Een bubbelbad is een verwarmd zitbad voor meerdere personen. De watertemperatuur is meestal zo rond de $37\ ^\circ\mathrm{C}$. Het water in een bubbelbad moet vrij worden gehouden van micro-organismen zoals bacteriën en van zogeheten zwemmersvuil (bijvoorbeeld zweet, cosmetica). Oplossingen van onderchlorigzuur ($\mathrm{HClO}$) en natriumhypochloriet ($\mathrm{NaClO}$) zijn hiervoor effectieve middelen. Beide oplossingen bevatten een sterke oxidator die zwemmersvuil afbreekt. Het chlooratoom in $\mathrm{HClO}$ en $\mathrm{ClO^-}$ wordt ‘actief chloor’ genoemd, en kan worden beschouwd als een $\mathrm{Cl^+}$ deeltje. Dit $\mathrm{Cl^+}$ is een reactief deeltje.
Vraag 1 2 punten
Geef de lewisstructuur van $\mathrm{Cl^+}$ en leg uit dat $\mathrm{Cl^+}$ een reactief deeltje is.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
[Lewisstructuur van $\mathrm{Cl^+}$ met een ongepaard elektron en het ladingteken +, zoals in het correctievoorschrift weergegeven]
$\mathrm{Cl^+}$ heeft een elektronenpaar te weinig / $\mathrm{Cl^+}$ voldoet niet aan de oktetregel / $\mathrm{Cl^+}$ is een (bi)radicaal (en is daarom reactief).
Een molecuul $\mathrm{HClO}$ kan het celmembraan van micro-organismen passeren en bacteriën doden. Een celmembraan kan worden voorgesteld als een dubbellaag van fosfolipide-deeltjes (figuur 1).
Het $\mathrm{ClO^-}$-ion kan het celmembraan niet passeren.
Vraag 2 2 punten
Leg uit dat het $\mathrm{ClO^-}$-ion het celmembraan niet kan passeren. Maak eventueel gebruik van je informatieboek.
Dwarsdoorsnede van een fosfolipide-dubbellaag: twee rijen fosfolipide-deeltjes met bolletjes aan de buitenkant en staartjes naar binnen. Bekijk in Opgaven, pagina 2
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van goed te rekenen antwoorden zijn:
- Het celmembraan heeft een apolaire interne omgeving (door de lange apolaire vetzuurresten). Het hypochloriet-ion heeft een negatieve lading en kan dit dus niet passeren / zal in het polaire water blijven.
- Het hypochloriet-ion heeft een negatieve lading. Fosfolipide heeft ook een negatieve lading (aan de buitenkant) en stoot het hypochloriet-ion af.
- Fosfolipide heeft een positieve lading (aan de buitenkant). Het hypochloriet-ion heeft een negatieve lading en wordt dus (aan de buitenkant van de cel) aangetrokken (en vastgehouden) door fosfolipide.
In een bubbelbad waarin $\mathrm{HClO}$ en $\mathrm{ClO^-}$ aanwezig zijn, treedt evenwicht 1 op.
$\mathrm{HClO + H_2O \rightleftharpoons H_3O^+ + ClO^-}$ (evenwicht 1)
met $K_z = \dfrac{[\mathrm{H_3O^+}]\,[\mathrm{ClO^-}]}{[\mathrm{HClO}]}$.
Een bubbelbad heeft een gemiddelde temperatuur van $37\ ^\circ\mathrm{C}$. De $K_z$-waarde van $\mathrm{HClO}$ bij die temperatuur is $6 \cdot 10^{-8}$. Omdat $\mathrm{HClO}$-deeltjes beter de cel binnendringen dan $\mathrm{ClO^-}$, is het reinigend vermogen van een oplossing van actief chloor vooral afhankelijk van de hoeveelheid $\mathrm{HClO}$. De ligging van evenwicht 1 is afhankelijk van de temperatuur, waardoor ook de totaal reinigende werking afhankelijk is van de temperatuur.
Vraag 3 3 punten
Leg uit met behulp van de evenwichtsvoorwaarde of de totaal reinigende werking bij $37\ ^\circ\mathrm{C}$ hoger of lager is dan die bij $25\ ^\circ\mathrm{C}$.
- Gebruik Binas-tabel 49 of ScienceData-tabel 9.1.c.
- Ga ervan uit dat de pH-waarde van water onafhankelijk is van de temperatuur.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
De $K_z$-waarde van $\mathrm{HClO}$ bij $25\ ^\circ\mathrm{C}$ is $4,0 \cdot 10^{-8}$ en dat is lager dan die bij $37\ ^\circ\mathrm{C}$. De verhouding $\dfrac{[\mathrm{ClO^-}]}{[\mathrm{HClO}]}$ is bij $37\ ^\circ\mathrm{C}$ dus hoger (bij gelijke pH) dan die bij $25\ ^\circ\mathrm{C}$. $\mathrm{ClO^-}$ heeft een minder sterk reinigende werking dan $\mathrm{HClO}$, dus bij $37\ ^\circ\mathrm{C}$ is de reinigende werking lager.
HClO en ClO⁻ zijn niet bestand tegen uv-straling. Ze worden afgebroken tot reactieproducten die nauwelijks een reinigende werking hebben. Zo wordt $\mathrm{HClO}$ in water afgebroken tot zoutzuur en zuurstof.
Vraag 4 2 punten
Geef de vergelijking voor deze afbraak van $\mathrm{HClO}$.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
2\,\mathrm{HClO} + 2\,\mathrm{H_2O} \rightarrow 2\,\mathrm{H_3O^+} + 2\,\mathrm{Cl^-} + \mathrm{O_2}
Het volgende antwoord goed rekenen:
2\,\mathrm{HClO} \rightarrow 2\,\mathrm{H^+} + 2\,\mathrm{Cl^-} + \mathrm{O_2}
Aanvulling: de tweede aanvulling (VW-1028-a-26-1-c-A2) vervangt het beoordelingsmodel van vraag 4 en trekt de eerdere aanvulling van 21 mei in. Voor de pijl HClO en H2O en na de pijl O2 is 1 scorepunt. Na de pijl H3O+ en Cl- en de elementbalans en de ladingbalans is 1 scorepunt. Ook $2\,\mathrm{HClO} \rightarrow 2\,\mathrm{H^+} + 2\,\mathrm{Cl^-} + \mathrm{O_2}$ is goed, met 1 scorepunt voor de pijl en 1 scorepunt voor de rest.
In bubbelbaden die worden blootgesteld aan zonlicht kan daarom beter het uv-bestendige trichloorisocyanuurzuur (TCCA) worden gebruikt. TCCA wordt industrieel gemaakt uit ureum, natronloog en chloor. Hierbij wordt onder andere het tussenproduct cyanuurzuur ($\mathrm{H_3Cy}$) gevormd. De optredende omzettingen zijn in figuur 2 onvolledig weergegeven.
Vraag 5 3 punten
Noteer op de uitwerkbijlage de formules van de deeltjes P, Q, R en S.
Reactieschema: ureum wordt via stap P tot H3Cy omgezet, via Q en R tot Cy3- en via S tot TCCA (drie chlooratomen aan de ring); de deeltjes P, Q, R en S zijn in het schema niet ingevuld. Bekijk in Opgaven, pagina 3
Bekijk het antwoord
| deeltje | formule |
|---|---|
| P | $\mathrm{NH_3}$ |
| Q | $\mathrm{OH^-}$ (+ $\mathrm{Na^+}$) |
| R | $\mathrm{H_2O}$ (+ $\mathrm{Na^+}$) |
| S | $\mathrm{Cl_2}$ |
Opmerking: Als voor P, R of S structuurformules zijn gebruikt, dit goedrekenen.
Elk chlooratoom in TCCA kan ook optreden als ‘actief chlooratoom’, omdat in een oplossing van TCCA in water reactie 1 optreedt.
Reactie 1: TCCA + 3 H2O → H3Cy + 3 HClO (zie figuur bij deze vraag).
Bregje en Martin gebruiken TCCA-tabletten voor het reinigen van hun bubbelbad. Enkele gegevens van het bad en de tabletten staan in de tabel.
| dichtheid van het water | $1,0 \cdot 10^3\ \mathrm{kg\,m^{-3}}$ |
| massa TCCA in een tablet | $10\ \mathrm{g}$ |
| molaire massa TCCA | $232\ \mathrm{g\,mol^{-1}}$ |
| waterinhoud bubbelbad | $2,3\ \mathrm{m^3}$ |
Elk TCCA-tablet genereert in het bubbelbad een gehalte ‘actief chloor’ van 2,0 massa-ppm Cl.
Vraag 6 3 punten
Toon dit aan. Neem aan dat de dichtheid van het badwater niet verandert door toevoeging van tabletten.
Reactie 1: TCCA reageert met 3 H2O tot H3Cy en 3 HClO. Bekijk in Opgaven, pagina 4
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
De chemische hoeveelheid TCCA in een tablet is $\dfrac{10}{232} = 4{,}31\cdot 10^{-2}$ (mol).
De chemische hoeveelheid $\mathrm{HClO}$/chlooratomen is $4{,}31\cdot 10^{-2} \times 3 = 1{,}29\cdot 10^{-1}$ (mol).
De massa chlooratomen (is de massa $\mathrm{Cl^+}$) is $1{,}29\cdot 10^{-1} \times 35{,}5 = 4{,}59$ (g).
Het gehalte ‘actief chloor’ is $\dfrac{4{,}59}{2{,}3 \times 1{,}0\cdot 10^{3} \times 10^{3}} \times 10^{6} = 2{,}0$ (massa-ppm).
Opmerking: Als in de totale massa de massa van het tablet (10 g) is meegerekend, dit niet aanrekenen.
Wanneer de TCCA op is, voegen zij een nieuw tablet aan het water toe. Met elk tablet stijgt de concentratie van $\mathrm{H_3Cy}$. Men adviseert het bubbelbadwater te verversen als het gehalte $\mathrm{H_3Cy}$ boven 65 massa-ppm komt.
Vraag 7 2 punten
Bereken na hoeveel TCCA-tabletten Bregje en Martin het water moeten verversen. De molaire massa van $\mathrm{H_3Cy}$ is $129\ \mathrm{g\,mol^{-1}}$.
Neem aan dat de totale massa van het badwater niet verandert door toevoeging van tabletten.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
De massa $\mathrm{H_3Cy}$ in het bubbelbad is $65 \cdot 10^{-6} \times 2{,}3\cdot 10^3 \times 10^3 = 1{,}50\cdot 10^2$ (g).
De chemische hoeveelheid $\mathrm{H_3Cy}$ is $\dfrac{1{,}50\cdot 10^2}{129} = 1{,}16$ (mol).
(1 mol $\mathrm{H_3Cy}$ ontstaat uit 1 mol TCCA.)
Het aantal tabletten is $\dfrac{1{,}16 \cdot 232}{10} = 26{,}9$. Dus na 27 tabletten moeten ze het water verversen.
Opmerking: De uitkomst 26 tabletten goedrekenen.
Bio-SAP uit kleding
Een superabsorberend polymeer (SAP) is een materiaal dat grote hoeveelheden water kan absorberen. Dit kan bijvoorbeeld worden toegepast in luiers. Onderzoekers hebben een biologisch afbreekbaar superabsorberend polymeer (bio-SAP) ontwikkeld op basis van gebruikt katoen. Katoen bestaat voornamelijk uit cellulose en voor een klein deel uit pectine. Pectine is een polysacharide opgebouwd uit eenheden $(\alpha)$-D-galacturonzuur.
Een eenheid $(\alpha)$-D-galacturonzuur kan worden voorgesteld als een eenheid $(\beta)$-D-galactose, waarin de oriëntatie van de OH-groep op C1 anders is. Verder is de $\mathrm{CH_2OH}$-groep vervangen door een carboxylgroep.
In pectine zijn de eenheden $(\alpha)$-D-galacturonzuur aan elkaar verbonden door middel van de OH-groepen aan de C-atomen met nummers 1 en 4.
Vraag 8 3 punten
Teken de structuurformule van een fragment uit het midden van een keten van pectine. Dit fragment moet bestaan uit twee eenheden $(\alpha)$-D-galacturonzuur.
- Gebruik de ruimtelijke notatie die ook in je informatieboek wordt gehanteerd.
- Gebruik Binas-tabel 67F1 of ScienceData-tabel 13.1.d.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn:
[Structuurformule van twee eenheden $(\alpha)$-D-galacturonzuur met de juiste oriëntatie van het O-atoom aan C1, de carboxylgroepen en een koppeling via het O-atoom tussen de eenheden; begin en einde van het fragment met ~. Zie het correctievoorschrift voor de tekening.]
In de productie van het bio-SAP wordt eerst cellulose gewonnen uit gebruikt katoen, waarna de cellulose wordt omgezet tot carboxymethylcellulose (CMC). De omzetting vindt plaats in oplossing A bij $30\ ^\circ\mathrm{C}$. Oplossing A wordt bereid door ethanol ($\mathrm{C_2H_6O}$) en natriumhydroxide ($\mathrm{NaOH}$) in een molverhouding van 1 : 1 in water op te lossen. Het uiteindelijke massapercentage van ethanol en natriumhydroxide samen bedraagt 18%. De dichtheid van oplossing A is $1{,}13 \cdot 10^3\ \mathrm{kg\,m^{-3}}$.
Vraag 9 4 punten
Bereken de pH van oplossing A bij $30\ ^\circ\mathrm{C}$. Maak onder andere gebruik van een gegeven uit Binas-tabel 50A of ScienceData-tabel 9.1.e.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
Per liter is de massa van NaOH en $\mathrm{C_2H_5OH}$ samen $\dfrac{18}{10^2} \times 1{,}13\cdot 10^3 = 2{,}03\cdot 10^2$ (g).
De molaire massa van NaOH en $\mathrm{C_2H_5OH}$ samen is $40{,}0 + 46{,}1 = 86{,}1$ (g mol$^{-1}$).
De chemische hoeveelheid NaOH (en $\mathrm{C_2H_5OH}$) per liter mengsel is dus $\dfrac{2{,}03\cdot 10^2}{86{,}1} = 2{,}36$ (mol), dus $[\mathrm{OH^-}] = 2{,}36$ (mol L$^{-1}$).
pOH = $-\log 2{,}36 = -0{,}373$.
Bij $30\ ^\circ\mathrm{C}$ geldt: pH + pOH = 13,83.
pH = $13{,}83 - (-0{,}373) = 14{,}20$.
Als eerste stap wordt cellulose toegevoegd aan oplossing A. Vervolgens wordt monochloor-ethaanzuur toegevoegd aan het reactiemengsel.
In de optredende reacties wordt een klein deel van de OH-groepen in cellulose omgezet tot $\mathrm{OCH_2COO^-}$-groepen.
Bij deze reactie ontstaan behalve CMC ook chloride-ionen en water.
De omzetting van een OH-groep van cellulose is op de uitwerkbijlage onvolledig weergegeven.
Vraag 10 3 punten
Maak op de uitwerkbijlage de reactievergelijking compleet.
Gebruik structuurformules voor de organische deeltjes.
Reactievergelijking van een OH-groep van cellulose met monochloor-ethaanzuur en OH-; de pijl en de productzijde zijn onvolledig. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 1
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is (structuurformules in verkorte schrijfwijze; de tekening staat in het correctievoorschrift):
\sim\mathrm{CH_2{-}OH} + 2\,\mathrm{OH^-} + \mathrm{Cl{-}CH_2{-}COOH} \rightarrow \sim\mathrm{CH_2{-}O{-}CH_2{-}COO^-} + 2\,\mathrm{H_2O} + \mathrm{Cl^-}
Om de gevormde CMC te kunnen omzetten tot het bio-SAP, worden eerst de nog aanwezige negatief geladen groepen geneutraliseerd met een zure oplossing. Vervolgens wordt CMC gemengd met citroenzuur (zie de figuur). CMC wordt dan door condensatiereacties omgezet tot het bio-SAP.
Vraag 11 3 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef aan welke karakteristieke groepen worden gevormd bij deze reacties.
- Leg uit of er een netwerkpolymeer kan ontstaan.
Structuurformule van citroenzuur met drie COOH-groepen en een OH-groep in de keten. Bekijk in Opgaven, pagina 6
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
Er worden estergroepen/esters gevormd. In een molecuul citroenzuur zijn drie/meerdere zuurgroepen aanwezig. Moleculen citroenzuur kunnen dus crosslinks vormen tussen de CMC-ketens waardoor een netwerkpolymeer ontstaat.
Om het bio-SAP te maken hebben de onderzoekers CMC volledig laten reageren met citroenzuur in de massaverhouding CMC : citroenzuur = 9,0 : 1,0. De gemiddelde molaire massa van de gebruikte CMC bedraagt $152\cdot 10^3\ \mathrm{g\,mol^{-1}}$. Het gemiddelde aantal monomeereenheden per CMC-molecuul is $6{,}2\cdot 10^2$.
Vraag 12 4 punten
Bereken het aantal monomeereenheden CMC per molecuul citroenzuur in het materiaal. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juiste berekening zijn:
Per mol CMC is een massa citroenzuur nodig van $\dfrac{152\cdot 10^3}{9} = 1{,}69\cdot 10^4$ (g) om het bio-SAP te maken.
De chemische hoeveelheid citroenzuur per mol CMC is $\dfrac{1{,}69\cdot 10^4}{192} = 8{,}80\cdot 10^1$ (mol).
De chemische hoeveelheid citroenzuur per mol CMC-eenheden is $\dfrac{8{,}80\cdot 10^1}{6{,}2\cdot 10^2} = 1{,}42\cdot 10^{-1}$ (mol).
Het aantal monomeereenheden CMC per molecuul citroenzuur is $\dfrac{1{,}00}{1{,}42\cdot 10^{-1}} = 7{,}0$.
of
Per mol citroenzuur is een massa CMC nodig van $192 \times 9 = 1{,}73\cdot 10^3$ (g) om het bio-SAP te maken.
De chemische hoeveelheid CMC per mol citroenzuur is $\dfrac{1{,}73\cdot 10^3}{152\cdot 10^3} = 1{,}14\cdot 10^{-2}$ (mol).
Het aantal monomeereenheden CMC per molecuul citroenzuur is $1{,}14\cdot 10^{-2} \times 6{,}2\cdot 10^2 = 7{,}0$.
of
De chemische hoeveelheid CMC in 10,0 gram mengsel is $\dfrac{9{,}0}{152\cdot 10^3} = 5{,}92\cdot 10^{-5}$ (mol).
Dit bevat $5{,}92\cdot 10^{-5} \times 6{,}2\cdot 10^2 = 3{,}67\cdot 10^{-2}$ (mol) monomeereenheden.
De chemische hoeveelheid citroenzuur in 10,0 gram mengsel is $\dfrac{1{,}0}{192} = 5{,}21\cdot 10^{-3}$ (mol).
Het aantal monomeereenheden CMC per molecuul citroenzuur is $\dfrac{3{,}67\cdot 10^{-2}}{5{,}21\cdot 10^{-3}} = 7{,}0$.
Aanvulling: tweede aanvulling (VW-1028-a-26-1-c-A2). Opmerking: Als de omrekening naar de gevraagde verhouding ontbreekt of onjuist is, voor vraag 12 maximaal 3 scorepunten toekennen.
Ten slotte wordt het gevormde bio-SAP nog behandeld met een base. Door deze behandeling zijn in het materiaal weer $\mathrm{OCH_2COO^-}$-groepen aanwezig met daaraan gebonden natriumionen. Wanneer water wordt opgenomen in dit bio-SAP gaan de $\mathrm{OCH_2COO^-}$-groepen elkaar afstoten. Hierdoor ontstaat meer afstand tussen de ketens waardoor het materiaal zeer veel water kan opnemen. Wanneer dit bio-SAP wordt toegepast in luiers, is de hoeveelheid water die kan worden opgenomen afhankelijk van de pH van de urine.
Vraag 13 3 punten
Leg uit of het materiaal bij lagere pH meer of minder water kan opnemen dan bij pH = 7. Betrek in je antwoord de interacties die een rol spelen bij het opnemen van water door bio-SAP.
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een goed te rekenen antwoord zijn:
Bij lagere pH zijn de $\mathrm{COO^-}$-groepen (deels) omgezet tot $\mathrm{COOH}$-groepen. Omdat er minder negatieve groepen zijn, zal er minder afstoting zijn tussen de ketens. De afstand tussen de ketens wordt hierdoor kleiner, waardoor er minder plaats is om watermoleculen via dipool-dipoolbindingen/waterstofbruggen te binden. Hierdoor kan bio-SAP bij lagere pH minder water opnemen (dan bij pH=7).
Bij lagere pH zijn de $\mathrm{COO^-}$-groepen (deels) omgezet tot $\mathrm{COOH}$-groepen. De waterstofbrug tussen watermoleculen en $\mathrm{COOH}$-groepen is minder sterk dan de ion-dipoolbinding/hydratatie van $\mathrm{COO^-}$-groepen door watermoleculen. Hierdoor kan bio-SAP bij lagere pH minder water opnemen (dan bij pH=7).
Bij lagere pH zijn de $\mathrm{COO^-}$-groepen (deels) omgezet tot $\mathrm{COOH}$-groepen. De hoeveelheid waterstofbruggen die tussen de ketens kunnen worden gevormd neemt daardoor toe. De afstand tussen de ketens neemt hierdoor af, waardoor bio-SAP bij lagere pH minder water kan opnemen (dan bij pH=7).
Bij lagere pH zijn de $\mathrm{COO^-}$-groepen (deels) omgezet tot $\mathrm{COOH}$-groepen. Omdat er minder negatieve groepen aanwezig zijn, kunnen natrium-ionen het materiaal verlaten. Er is tussen de ketens dus minder hydratatie van de natrium-ionen mogelijk, waardoor de opname van water minder is.
DHA en zelfbruiners
Van nature wordt de huid bruin onder invloed van de zon. Bij de natuurlijke bruinkleuring van de huid spelen melaninen een belangrijke rol. Deze groep stoffen wordt in het lichaam vooral gesynthetiseerd uit de aminozuren tyrosine en cysteïne. Op de uitwerkbijlage is een mogelijke structuurformule van feomelanine weergegeven.
Bij de vorming van een molecuul van deze stof worden van twee cysteïne-eenheden uitsluitend H-atomen afgesplitst.
Vraag 14 1 punt
Omcirkel op de uitwerkbijlage alle atomen die afkomstig zijn van deze twee cysteïne-eenheden.
Mogelijke structuurformule van feomelanine, waarin de atomen van de twee cysteïne-eenheden omcirkeld moeten worden. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 2
Bekijk het antwoord
[Structuurformule van feomelanine op de uitwerkbijlage, met de atomen van de twee cysteïne-eenheden omcirkeld; zie het correctievoorschrift voor de tekening.]
Om ook zonder zon de huid te bruinen, kan een zelfbruiner worden gebruikt. Dat is meestal een crème die DHA bevat (figuur 1). DHA is een klein acyclisch koolhydraat.
\mathrm{HO{-}CH_2{-}C(=O){-}CH_2{-}OH}
(figuur 1: structuurformule van DHA)
Wanneer een oplossing van DHA langzaam wordt ingedampt, vormt zich een dimeer. Het O-atoom van een OH-groep van het ene molecuul DHA valt hierbij als nucleofiel aan op het C-atoom van de C=O-groep van het andere molecuul DHA. Deze reactie kan ook worden opgevat als de additie van een OH-groep aan de C=O-groep. Omdat dit tweemaal gebeurt, vormt zich het cyclische dimeer van DHA (figuur 2).
Vraag 15 2 punten
Geef op de uitwerkbijlage bij elk O-atoom met een cijfer aan of deze afkomstig is uit een C=O-groep of uit een OH-groep van DHA.
Gebruik hiervoor de volgende cijfers:
- 1 voor een O-atoom afkomstig uit een C=O-groep van DHA.
- 2 voor een O-atoom afkomstig uit een OH-groep van DHA.
Structuurformule van het cyclische dimeer van DHA: een zesring met twee ringzuurstofatomen en vier OH-groepen (twee aan de ringkoolstofatomen en twee in CH2OH-groepen). Bekijk in Opgaven, pagina 7
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is: de O-atomen in de ethergroepen (de ringzuurstofatomen) aangeduid met 2; de O-atomen van de CH2OH-groepen aangeduid met 2; de O-atomen van de OH-groepen aan de quaternaire koolstofatomen (afkomstig uit de C=O-groepen) aangeduid met 1.
Indien het volgende antwoord is gegeven (1 scorepunt): een alternatieve aanduiding van de O-atomen, zoals afgebeeld in het correctievoorschrift.
DHA vormt in de huid een bruine kleur doordat het reageert met aminozuureenheden. Op de uitwerkbijlage is een stap uit het mechanisme van de reactie van DHA met een aminozuureenheid weergegeven.
In deze stap spelen $\mathrm{H_2O}$-moleculen en $\mathrm{H_3O^+}$-ionen een rol.
Vraag 16 2 punten
Voer op de uitwerkbijlage de volgende opdrachten uit:
- Teken in het omkaderde deel de niet-bindende elektronenparen.
- Geef in het omkaderde deel met pijlen weer hoe elektronenparen worden verplaatst tijdens de reactie.
Een stap uit het mechanisme van de reactie van DHA met een aminozuureenheid, met een omkaderd deel waarin H2O en H3O+ een rol spelen. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 3
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is: in het omkaderde deel de niet-bindende elektronenparen getekend en met pijlen de verplaatsing van de elektronenparen weergegeven (zie het correctievoorschrift voor de tekening).
DHA kan elektrochemisch worden geproduceerd op basis van glycerol (propaan-1,2,3-triol). In figuur 3 is deze elektrochemische omzetting onvolledig weergegeven.
Aan de ene elektrode verloopt de omzetting van glycerol tot DHA, terwijl aan de andere elektrode waterstof wordt gevormd.
Tijdens een experiment werd in een tijd van 3,0 uur een hoeveelheid van $8{,}4\ \mu\mathrm{mol}$ DHA gevormd.
Vraag 17 4 punten
Geef de vergelijkingen van de halfreacties die verlopen en geef de totaalvergelijking. Gebruik molecuulformules.
Onvolledig schema van een elektrochemische cel: links glycerol dat via een elektrode tot DHA wordt omgezet, rechts H+ dat tot H2 wordt omgezet. Bekijk in Opgaven, pagina 8
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
\mathrm{C_3H_8O_3} \rightarrow \mathrm{C_3H_6O_3} + 2\,\mathrm{H^+} + 2\,\mathrm{e^-}
2\,\mathrm{H^+} + 2\,\mathrm{e^-} \rightarrow \mathrm{H_2}
\mathrm{C_3H_8O_3} \rightarrow \mathrm{C_3H_6O_3} + \mathrm{H_2}
Indien het volgende antwoord is gegeven (3 scorepunten):
\mathrm{C_3H_8O_3} + 2\,\mathrm{OH^-} \rightarrow \mathrm{C_3H_6O_3} + 2\,\mathrm{H_2O} + 2\,\mathrm{e^-}
2\,\mathrm{H_2O} + 2\,\mathrm{e^-} \rightarrow \mathrm{H_2} + 2\,\mathrm{OH^-}
\mathrm{C_3H_8O_3} \rightarrow \mathrm{C_3H_6O_3} + \mathrm{H_2}
Vraag 18 3 punten
Bereken de minimale stroomsterkte in ampère die nodig was tijdens het experiment. $1\ \mathrm{A} = 1\ \mathrm{C\,s^{-1}}$.
Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juiste berekening is:
De getransporteerde lading is $8{,}4\cdot 10^{-6} \times 2 \times 9{,}65\cdot 10^4 = 1{,}62$ (C).
De gemiddelde stroomsterkte is $\dfrac{1{,}62}{3{,}0 \times 60 \times 60} = 1{,}5\cdot 10^{-4}$ (A).
Opmerking: Als een onjuist antwoord op vraag 18 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 17, dit niet aanrekenen.
De productie van propeenoxide
Propeenoxide (figuur 1) wordt onder andere gebruikt als grondstof voor de productie van koelmiddelen. Op de uitwerkbijlage bij vraag 24 is het blokschema van een veelgebruikte productiemethode van propeenoxide onvolledig weergegeven.
De productie start in reactor 1 (R1) met de reactie van 2-methylpropaan met lucht. Hierbij wordt de stof MPHO gevormd. In figuur 2 is een deel van het mechanisme van deze reactie weergegeven.
Vraag 19 2 punten
Teken de lewisstructuur van het MPO-radicaal.
Deel van het mechanisme van de reactie van 2-methylpropaan met lucht: 2-methylpropaan reageert met een radicaal R• tot een tertiair radicaal, dat met O2 reageert tot het MPO-radicaal (niet getekend) en daarna met R-H tot MPHO. Bekijk in Opgaven, pagina 9
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is: de lewisstructuur van het MPO-radicaal $\mathrm{(H_3C)_3C{-}O{-}O{\cdot}}$ met de niet-bindende elektronen getekend (zie het correctievoorschrift voor de tekening).
In R1 wordt behalve MPHO ook 2-methylpropaan-2-ol gevormd. Tevens ontstaan hier de belangrijkste nevenproducten propanon en water. Het reactiemengsel afkomstig uit R1 bevat geen zuurstof meer. Het mengsel wordt in scheidingsruimte 1 (S1) gedestilleerd. De gasstroom die S1 verlaat, bevat stikstof, propanon en 2-methylpropaan. De andere stroom is vloeibaar en bevat MPHO, 2-methylpropaan-2-ol en water. Het kookpunt van MPHO is hoger dan dat van 2-methylpropaan-2-ol.
Vraag 20 2 punten
Geef aan tussen welke temperatuurgrenzen het mengsel afkomstig uit R1 moet worden gedestilleerd. Gebruik in je antwoord gegevens uit je informatieboek.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
Het kookpunt van propanon is 329 K (en van 2-methylpropaan 261 K). Het kookpunt van 2-methylpropaan-2-ol is 355/356 K (en van water 373 K). Dus 329 K < T scheiding < 355/356 K.
De gasstroom vanuit S1 met stikstof, propanon en 2-methylpropaan wordt naar een koeler geleid. Het propanon wordt vanuit de koeler afgevoerd als afval. De rest van de gasstroom wordt van de koeler teruggevoerd naar R1. Het is noodzakelijk om een deel van de gasstroom die van de koeler naar R1 gaat, af te voeren als afvalstroom.
Vraag 21 2 punten
Leg uit dat een deel van deze gasstroom moet worden afgevoerd.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
(In deze gasstroom is nog stikstof aanwezig.) Omdat steeds nieuwe lucht wordt aangevoerd, wordt ook steeds stikstof aangevoerd in R1. Stikstof hoopt zich dus op (tenzij een deel van de gasstroom wordt afgevoerd).
Opmerking: De volgende antwoorden goedrekenen:
- De CO2/argon uit de aangevoerde lucht wordt niet verbruikt. Door een deel van de gasstroom af te voeren wordt ophoping voorkomen.
- Omdat steeds nieuwe lucht wordt aangevoerd, wordt ook steeds stikstof aangevoerd in R1. Door een deel van de gasstroom af te voeren wordt drukopbouw voorkomen.
De vloeistofstroom afkomstig uit S1 wordt doorgevoerd naar reactor 2 (R2). In R2 wordt propeen toegevoegd. MPHO en propeen worden in R2 volledig omgezet tot propeenoxide en (extra) 2-methylpropaan-2-ol (vanaf nu 2-MP-ol). De totaalreactie van het proces in R1 en R2 is hieronder gegeven.
totaalreactie
\mathrm{C_3H_6 + O_2 + C_4H_{10} \rightarrow C_3H_6O + C_4H_{10}O}
(C3H6 = propeen, C4H10 = 2-methylpropaan, C3H6O = propeenoxide, C4H10O = 2-MP-ol)
De grondstoffen zijn in dit proces zo gekozen, dat niet alleen propeenoxide maar ook het bijproduct 2-MP-ol kan worden verkocht. Bij de gelijktijdige vorming van $1{,}0\cdot 10^3$ mol propeenoxide en $1{,}0\cdot 10^3$ mol 2-MP-ol ontstaat 7,80 kg afval. Dit afval bestaat uit de afvalstroom vanuit de koeler en vervuild proceswater.
Vraag 22 4 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Geef aan wat de atoomeconomie van de totaalreactie is.
- Bereken de E-factor van het totale proces.
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
De atoomeconomie is 100% (want alle gebruikte atomen komen in de gewenste producten uit).
De massa propeenoxide is $1{,}0\cdot 10^3 \times 58{,}1\cdot 10^{-3} = 58{,}1$ (kg).
De massa 2-MP-ol is $1{,}0\cdot 10^3 \times 74{,}1\cdot 10^{-3} = 74{,}1$ (kg).
\text{E-factor} = \dfrac{7{,}80}{58{,}1 + 74{,}1} = 5{,}9\cdot 10^{-2}
Opmerking: Als is genoteerd/berekend dat de atoomeconomie (veel) kleiner is dan 100%, omdat bij de productie van propeenoxide ook 2-MP-ol wordt gevormd, dit goedrekenen.
Water, 2-MP-ol en propeenoxide afkomstig uit R2 zijn volledig mengbaar. In scheidingsruimte 2 (S2) worden deze stoffen door gefractioneerde destillatie gescheiden in drie afzonderlijke stromen. Dat propeenoxide volledig mengbaar is met water, kan onder andere worden verklaard uit de afwijkende bindingshoeken rondom het O-atoom.
Vraag 23 2 punten
Voer de volgende opdrachten uit:
- Leg uit hoe groot de verwachte bindingshoek C-O-C in een molecuul propeenoxide is volgens de VSEPR-theorie.
- Leg uit, met behulp van figuur 1, hoe groot de bindingshoek C-O-C in het molecuul propeenoxide is.
Structuurformule van propeenoxide (figuur 1): een driehoekige epoxidering met het O-atoom in de ring, met de C-atomen en de H-atomen en de CH3-groep getekend. Bekijk in Opgaven, pagina 9
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is:
Het omringingsgetal van het O-atoom is 4 / het O-atoom wordt omringd door vier elektronenparen, waardoor de verwachte bindingshoek (ongeveer) 109° is. Het O-atoom is onderdeel van een gelijkzijdige driehoek, waardoor de bindingshoek (ongeveer) 60° is.
In het blokschema ontbreken S2 en enkele stofstromen.
Vraag 24 4 punten
Maak op de uitwerkbijlage het blokschema compleet.
- Teken S2.
- Teken ontbrekende pijlen en noteer ontbrekende stoffen bij alle pijlen. Houd hierbij rekening met hergebruik van stoffen.
- Bij stofstromen aangeduid met een * hoef je niets aan te geven.
Onvolledig blokschema van de productie van propeenoxide met R1, S1, R2 en de ontbrekende scheidingsruimte S2, met pijlen waarbij stoffen ontbreken. Bekijk in Uitwerkbijlage, pagina 4
Bekijk het antwoord
Een voorbeeld van een juist antwoord is: het blokschema met S2 en de ontbrekende stofstromen ingevuld (zie het correctievoorschrift voor de tekening).
Opmerking: De volgorde van de uitstromen uit S2 niet beoordelen.
Het eindproduct propeenoxide kan vervolgens worden omgezet tot het polymeer PPG. Een keten van PPG wordt in enkele stappen gevormd:
- stap 1 reactie van propeenoxide met water tot propaan-1,2-diol
- stap 2 reactie van propaan-1,2-diol met $n$ moleculen propeenoxide
- stap 3 terminatie
Het mechanisme van stap 2 is in figuur 3 weergegeven.
Vraag 25 3 punten
Teken de structuurformule van een fragment uit het midden van een molecuul van het ontstane polymeer. Dit gedeelte moet zijn ontstaan uit drie moleculen propeenoxide.
Mechanisme van stap 2: de OH-groep van propaan-1,2-diol valt een koolstofatoom van de ring van propeenoxide aan, waarbij de ring opent (met pijlen voor de elektronenverplaatsing). Bekijk in Opgaven, pagina 11
Bekijk het antwoord
Voorbeelden van een juist antwoord zijn: [structuurformule van een fragment PPG van drie propeenoxide-eenheden; zie het correctievoorschrift voor de tekening]
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2026, tijdvak 1. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens scheikunde vwo
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1?
Het centraal examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over koolstofchemie (6), bindingen (4) en rekenen aan reacties (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2026, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/vwo/documenten/cse-1/vw-1028-a-26-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2026, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.