Eindexamen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Cadmiumgeel, Merox, EPDM-rubber, Voedsellijm.

Kort antwoord

Het centraal examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over reactievergelijkingen (4), bindingen (4) en scheidingsmethoden (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Reactievergelijkingen1, 4, 9, 224
Bindingen3, 15, 18, 244
Scheidingsmethoden7-8, 11-124
Koolstofchemie13-14, 20, 254
Rekenen aan reacties2, 192
Stoffen en eigenschappen5, 212
Duurzame chemie16-172
Evenwichten61
Reactiesnelheid101
Zuren en basen231

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over scheidingsmethoden (16% van de vragen, gemiddeld 7%). Minder over rekenen aan reacties (8% van de vragen, gemiddeld 17%) en koolstofchemie (16% van de vragen, gemiddeld 22%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Cadmiumgeel

In de negentiende en begin twintigste eeuw werden door de chemische industrie veel nieuwe pigmenten ontwikkeld, zoals cadmiumgeel (cadmiumsulfide, CdS). Cadmiumgeel werd onder andere gemaakt door de reactie van cadmiumcarbonaat met zwavel (S). Bij deze reactie ontstaan behalve cadmiumsulfide ook zwaveldioxide en koolstofdioxide.

Vraag 1 2 punten

Geef de vergelijking van deze vorming van cadmiumsulfide uit zwavel en cadmiumcarbonaat.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als is gebruikgemaakt van de formule S2 of S8 voor zwavel, dit niet aanrekenen.

Vraag 2 3 punten

Bereken de massa in gram zwavel die minimaal nodig is om 1,0 kg cadmiumcarbonaat volledig om te zetten tot cadmiumsulfide. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

1, 0 × 103 3 × × 32,1 = 2,8 ·102 (g)

172 (2)

of

1, 0 × 103 In 1,0 kg cadmiumcarbonaat is er = 5,81 (mol) CdCO3 . 172 3 Er is dus 5,81 × × 32,1 = 2,8 ·102 (g) zwavel nodig. 2

Opmerkingen

  • Als is gebruikgemaakt van de formule S2 of S8 voor zwavel, dit niet aanrekenen.
  • Als een onjuist antwoord op vraag 2 het consequente gevolg is van een onjuist antwoord op vraag 1, dit niet aanrekenen.

Bij deze productie werd zwavel in overmaat toegevoegd. De overgebleven zwavel kon na afloop van de reactie gemakkelijk worden gescheiden van de gevormde cadmiumsulfide door het verkregen mengsel te verwarmen. Hierbij verdampt de zwavel maar de cadmiumsulfide niet.

Vraag 3 2 punten

Leg uit dat zwavel bij een lagere temperatuur verdampt dan cadmiumsulfide. Neem hier aan dat zwavel bestaat uit deeltjes S8.

Gebruik hierbij begrippen op microniveau.

Benoem de bindingstypes in beide stoffen.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Tussen de zwavelmoleculen zijn vanderwaalsbindingen aanwezig. Tussen de ionen van cadmiumsulfide zijn ionbindingen aanwezig. Deze ionbindingen zijn sterker dan de vanderwaalsbindingen.

Helaas bleek cadmiumgeel op de lange termijn niet chemisch stabiel. Op verschillende schilderijen zijn drie opeenvolgende aantastingen van cadmiumgeel waargenomen:

verbleking door de vorming van cadmiumsulfaat.

de vorming van kleine witte vlekken waarin vooral cadmiumsulfaat- monohydraat aanwezig is.

verkleuring door onder andere de vorming van lood(II)sulfaat PbSO4. Deze verkleuring trad alleen op nadat vernis was aangebracht op een al aangetast schilderij.

De omzetting van cadmiumgeel met zuurstof tot cadmiumsulfaat-monohydraat treedt alleen op in vochtige lucht.

Vraag 4 2 punten

Geef de vergelijking van de omzetting van cadmiumgeel tot cadmiumsulfaatmonohydraat.

Bekijk het antwoord

Opmerking Een antwoord als het volgende goed rekenen: CdS + 2 O2 → CdSO4 CdSO4 + H2O → CdSO4·H2O

Behalve cadmiumsulfaatmonohydraat ontdekte men in de witte vlekken een ander zout. In dit zout zijn cadmiumionen en sulfaationen in de molverhouding 2 : 3 aanwezig. Behalve deze ionen is er nog één andere ionsoort aanwezig. Op grond van de gevonden samenstelling van het zout vermoedden de onderzoekers dat een van de schilderijen ooit met een oplossing van ammoniak is schoongemaakt.

Vraag 5 2 punten

Geef een mogelijke verhoudingsformule van het gevonden zout.

Bekijk het antwoord
  • in de verhoudingsformule NH4+ genoteerd (1)
  • de rest van de verhoudingsformule juist (1)

Tijdens periodes met hoge luchtvochtigheid lossen de zouten die in een verflaag aanwezig zijn enigszins op. Dit wordt veroorzaakt doordat zich dan bijvoorbeeld het evenwicht CdSO4 Cd2+ + SO42– kan instellen in de verflaag. De gehydrateerde ionen kunnen vervolgens door verf- en vernislagen heen bewegen. Voor het evenwicht CdSO4 Cd2+ + SO42– geldt Ks = [Cd2+][SO42–]. Ks is het zogenoemde oplosbaarheidsproduct. De waardes van Ks van enkele stoffen zijn in de tabel gegeven.

tabel

stof formule Ks = … waarde van Ks

cadmiumsulfaat CdSO4 [Cd2+][SO42–] 5,3·10–1 lood(II)sulfaat PbSO4 [Pb2+][SO42–] 1,7·10–8 lood(II)ethanoaat Pb(CH3COO)2 [Pb2+][CH3COO–]2 2·101

Op een schilderij waar het cadmiumgeel al deels was omgezet tot cadmiumsulfaat is in het verleden een laag vernis aangebracht. De gebruikte vernis bevatte als enige loodverbinding lood(II)ethanoaat (Pb(CH3COO)2). Zowel in de verflaag als in de vernislaag is door de onderzoekers vast lood(II)sulfaat (PbSO4) aangetroffen.

Vraag 6 3 punten

Leg uit, onder andere met behulp van evenwichtsbeschouwingen, dat lood(II)sulfaat aanwezig is in de vernislaag als gevolg van periodes met hoge luchtvochtigheid. Neem aan dat de waardes in de tabel ook gelden onder de omstandigheden in een verflaag tijdens periodes van hoge luchtvochtigheid.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Het cadmiumsulfaat dat in de verflaag aanwezig is, heeft een (relatief) hoge waarde voor Ks. Tijdens periodes van hoge luchtvochtigheid kan het evenwicht CdSO4 Cd2+ + SO42– zich instellen, waardoor in de verflaag de [SO42–] (relatief) hoog is. Het lood(II)ethanoaat dat in de vernislaag aanwezig is, heeft een hoge waarde voor Ks. Tijdens periodes van hoge luchtvochtigheid kan het evenwicht Pb(CH3COO)2 Pb2+ + 2 CH3COO– zich instellen, waardoor in de vernislaag de [Pb2+] (relatief) hoog is. Deze ionen zullen door de lagen heen bewegen en elkaar tegenkomen / met elkaar mengen. Omdat de waarde van Ks van lood(II)sulfaat (relatief) laag is, ligt het evenwicht PbSO4 Pb2+ + SO42– links (waardoor in de vernislaag vast PbSO4 zal ontstaan).

Merox

Het Merox-proces is een industrieel proces om zwavelhoudende verbindingen te verwijderen uit aardolieproducten zoals lpg. Lpg is een mengsel van koolwaterstoffen met een laag kookpunt. De zwavelhoudende verbindingen kunnen worden aangeduid met R–SH, waarbij de groep R staat voor een koolwaterstofketen. In figuur 1 is het blokschema van het Merox-proces onvolledig weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen] lpg natronloog

R1 onzuiver lpg

natronloog * R2 NaRS- oplossing

Het is niet mogelijk om lpg en R–SH te scheiden met behulp van water. Daarom wordt het gasvormige, nog onzuivere lpg in reactor 1 (R1) in contact gebracht met een overmaat natronloog. In R1 reageren de zwavelhoudende verbindingen volgens reactie 1.

R–SH (g) + OH– (aq) → R–S– (aq) + H2O (l) (reactie 1)

In een basische oplossing kunnen de zwavelhoudende verbindingen wel van het lpg worden afgescheiden. Dit wordt veroorzaakt door de vorming van bindingen tussen watermoleculen en deeltjes die in R1 zijn ontstaan.

Vraag 7 1 punt

Geef de naam van de scheidingsmethode die wordt toegepast in R1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • extractie (1)

Vraag 8 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

Leg uit dat het niet mogelijk is om lpg en R–SH te scheiden met behulp van water.

Leg uit dat de scheiding in R1 wel mogelijk is in een basische oplossing. Benoem hierbij het bindingstype / de bindingtypes die een rol speelt/spelen bij de scheiding.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Zowel lpg als de zwavelhoudende verbindingen lossen niet op in water omdat de moleculen van beide stoffen apolair/hydrofoob/ongeladen zijn. Bij reactie 1 ontstaan deeltjes R–S– / ontstaan ionen. Deze deeltjes vormen ion-dipoolbindingen met moleculen water (waardoor de scheiding beter verloopt).

Het reactiemengsel wordt onderin R1 afgetapt en doorgevoerd naar reactor 2 (R2). In R2 wordt een overmaat lucht door de oplossing afkomstig van R1 geleid, waarbij disulfides (R–S–S–R) worden gevormd. De totaalvergelijking van de reacties die in R1 en R2 verlopen, is hieronder weergegeven.

4 R–SH + O2 → 2 R–S–S–R + 2 H2O (totaalreactie)

Vraag 9 2 punten

Geef de vergelijking van de reactie die verloopt in R2.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • links van de pijl R–S– en O2 en rechts van de pijl R–S–S–R (1)
  • links van de pijl H2O en rechts van de pijl OH– en de elementbalans juist bij uitsluitend de juiste formules links en rechts van de pijl (1)

In een onderzoek is de omzettingssnelheid van R–SH tot R–S–S–R nader onderzocht. Men onderzocht de omzetting van butaanthiol (C4H10S) in [C4H10S]t natronloog. Hierbij werd op verschillende tijdstippen de fractie [C4H10S]0 bepaald. In figuur 2 zijn de resultaten van een meting weergegeven.

[figuur 2: zie het originele examen] 1,00 [C4H10S]t [C4H10S]0 0,80

0,60

0,40

0,20

0

0 2,0 4,0 6,0 8,0 10 tijd (h)

Op t = 0 bevatte het mengsel 372 massa-ppm butaanthiol. De molaire massa van butaanthiol is 90,2 g mol–1. De dichtheid van het reactiemengsel was 0,75 kg L–1.

Vraag 10 5 punten

Bereken met behulp van figuur 2 de gemiddelde omzettingssnelheid van butaanthiol in mol L–1 s–1 tussen t = 0 en t = 2,0 h. Geef de uitkomst in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

372 × 10−6 × 0, 75 × 103 × (1, 00

  • 0, 44 ) 90, 2 = 2, 4 ·10−7 (mol L−1 s −1 ) 2, 0 × 60 × 60

of

Op t = 0 is er 372 × 10−6 × 0,75 × 103 = 2,79 ·10−1 (g L−1 ) butaanthiol. 2, 79 ·10−1 Dat is = 3, 09 ·10−3 (mol L−1 ). 90, 2 Op t = 2,0 h is de fractie 0,44, dus de verandering van de concentratie is Δ[C4 H10S] = 3, 09 ·10−3 × (1, 00

  • 0, 44 ) = 1, 73 ·10−3 (mol L−1 ). De gemiddelde omzettingssnelheid is dus 1, 73 ·10−3 = 2, 4 ·10−7 (mol L−1 s −1 ). 2, 0 × 60 × 60
  • de uitkomst van de berekening gegeven in twee significante cijfers (1p)

of

372 × 10 −6 Op t = 0 is er = 4,12 ·10 −6 (mol) C4H10S per gram mengsel. 90, 2 De beginconcentratie [C 4 H10S]0 = 4,12 ·10 −6 × 0, 75 × 103 = 3, 09 ·10 −3 (mol L−1 ). Op t = 2,0 h is de fractie 0,44, dus de verandering van de concentratie is Δ[C4 H10S] = 3, 09 ·10−3 × (1, 00

  • 0, 44 ) = 1, 73 ·10−3 (mol L−1 ). De gemiddelde omzettingssnelheid is dus 1, 73 ·10−3 = 2, 4 ·10−7 (mol L−1 s −1 ). 2, 0 × 60 × 60
  • berekening van de chemische hoeveelheid butaanthiol per gram mengsel op t = 0 (1p)

Opmerking Als in de berekening de coëfficiënt 4 uit de totaalreactie is verwerkt, wat leidt tot de uitkomst 6,0∙10–8 (mol L–1 s–1), dit niet aanrekenen.

In scheidingsruimte 1 (S1) wordt het vloeibare mengsel afkomstig uit R2 gescheiden. De laag met daarin de vloeibare disulfides (R–S–S–R) wordt als afval afgevoerd. De laag met natronloog bevat geen organische stoffen, zodat het natronloog kan worden hergebruikt in het proces. Om de reactie in R1 steeds onder gelijke omstandigheden te laten verlopen, moet het natronloog een bewerking ondergaan voordat het kan worden teruggevoerd.

Vraag 11 2 punten

Leg uit welke bewerking het natronloog moet ondergaan voordat het kan worden teruggevoerd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • In het proces ontstaat water. / In R2 ontstaat water. Om het gehalte NaOH constant te houden, moet een deel van het (verdunde) natronloog worden gespuid, waarna extra (vast) NaOH wordt toegevoegd.
  • In het proces ontstaat water. / In R2 ontstaat water. Om het gehalte NaOH constant te houden, moet het natronloog worden ingedampt.

Vraag 12 3 punten

Maak het blokschema op de uitwerkbijlage compleet.

Teken de ontbrekende scheidingsruimte(n).

Teken ontbrekende stofstromen. Houd hierbij rekening met hergebruik van stoffen.

Waar in het blokschema een * voorkomt, hoef je niets aan te geven.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als de uitstroom van lucht is weergegeven vanuit S1/S2, dit niet aanrekenen.
  • Als de uitstroom van lucht vanuit R2 is weergegeven als ‘lucht met minder zuurstof’ of als ‘stikstof’, dit goed rekenen.
  • Het derde scorepunt beoordelen in overeenstemming met het gegeven antwoord op vraag 11.

EPDM-rubber

EPDM-rubber is een synthetische rubbersoort, die veel wordt gebruikt in de auto-industrie voor bijvoorbeeld afdichtingsstrips en raamrubbers. Bij de productie van EPDM-rubber wordt eerst thermoplastisch EPDM (t-EPDM) gemaakt. Hierbij ondergaat een mengsel van etheen, propeen HC CH en een zogeheten dieen een additie-polymerisatie. HC CH2 CH Een veelgebruikt dieen hierbij is ethylideen-norborneen (ENB). De structuurformule van ENB is hiernaast H2C C weergegeven. Bij de vorming van t-EPDM reageert alleen CH CH3 de C=C-binding die zich in de ring bevindt. ENB

Vraag 13 3 punten

Teken de structuurformule van een gedeelte van een molecuul t-EPDM. Dit gedeelte moet komen uit het midden van een molecuul en moet bestaan uit één eenheid van etheen, propeen en ENB.

Bekijk het antwoord

Opmerking Als een juiste structuur is weergegeven met bijvoorbeeld ~[…]n~ , dit niet aanrekenen.

De polymerisatie tot t-EPDM verloopt onder invloed van een katalysator. Er zijn twee types katalysator beschikbaar:

Type 1: hiermee wordt de vorming van een willekeurig (random) copolymeer bevorderd;

Type 2: hiermee wordt de vorming van een blok-copolymeer bevorderd. Het blijkt dat de keuze van het type katalysator een sterke invloed heeft op de vorming van kristallijne gebieden in het t-EPDM. In een kristallijn gebied vertonen de polymeerketens een grote mate van ordening. In t-EPDM zijn geen crosslinks aanwezig tussen de polymeerketens.

Vraag 14 2 punten

Leg uit of toepassing van een katalysator type 2 bij de polymerisatie leidt tot een groter of kleiner percentage kristallijne gebieden. Gebruik hierbij Binas-tabel 66F of ScienceData-tabel 11.1.3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

  • In de (polymeer)keten van een blok-copolymeer zijn grote gelijkvormige stukken aanwezig. Vanwege de gelijkvormigheid kunnen deze delen een kristallijn gebied / een regelmatig rooster vormen. Een katalysator type 2 leidt dus tot de vorming van een groter percentage kristallijne gebieden.
  • In de (polymeer)keten van een willekeurig (random) copolymeer zijn geen/weinig gelijkvormige stukken aanwezig. Hierdoor worden geen/weinig kristallijne gebieden gevormd. Een katalysator type 2 leidt dus tot de vorming van een groter percentage kristallijne gebieden.

De vervormbaarheid van t-EPDM wordt minder naarmate het materiaal meer kristallijne gebieden bevat.

Vraag 15 2 punten

Leg uit dat t-EPDM met een groot percentage kristallijne gebieden een kleinere vervormbaarheid heeft dan t-EPDM met een klein percentage kristallijne gebieden. Gebruik hierbij begrippen op microniveau.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: (In kristallijne gebieden vertonen de polymeerketens een grote mate van ordening.) Als (polymeer)ketens geordend zijn is de onderlinge afstand tussen de (polymeer)ketens klein / is het contactoppervlak groot en is de vanderwaalsbinding tussen de (polymeer)ketens sterk. (t-EPDM dat een groot percentage kristallijne gebieden bevat, heeft dus een kleinere vervormbaarheid dan t-EPDM dat een klein percentage kristallijne gebieden bevat.)

Het t-EPDM wordt vervolgens omgezet tot het eindproduct EPDM-rubber. Tot voor kort werd EPDM-rubber geproduceerd op basis van fossiele grondstoffen. In Brazilië gebruikt men nu bio-ethanol uit suikerriet in plaats van aardolie als grondstof voor het benodigde etheen. De omzetting van ethanol tot etheen is hieronder weergegeven.

C2H6O (l) → C2H4 (g) + H2O (l) (reactie 1)

Het etheen afkomstig uit reactie 1 wordt vervolgens gebruikt om EPDM-rubber te produceren onder de merknaam Keltan®-Eco. Biogebaseerde producten worden gecontroleerd om misbruik van belastingvoordelen te voorkomen. Hiertoe wordt het gehalte 14C-atomen in het product bepaald. 14C-atomen worden in de atmosfeer door kosmische straling gevormd uit 14N-atomen. Uit de 14C-atomen wordt in de atmosfeer snel 14CO2 gevormd. Het gehalte 14C in de atmosfeer is constant. Het gehalte 14C in biomassa bedraagt hierdoor gemiddeld 1,5·10–6 ppm van alle C-atomen. De 14C-atomen worden in de loop van de tijd door radioactief verval omgezet tot 14N-atomen.

Vraag 16 2 punten

Leg uit of het gehalte 14C in Keltan®-Eco hoger of lager is dan in EPDM-rubber dat is geproduceerd op basis van fossiele grondstoffen.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Het gebruikte bio-ethanol/ Het uit het bio-ethanol geproduceerde etheen bevat koolstofatomen die recent uit de atmosfeer zijn opgenomen. Het gehalte 14C komt dus overeen met dat in de atmosfeer. Omdat de 14C-atomen in de loop van de tijd worden omgezet, is het gehalte 14

C in fossiele grondstoffen lager. Keltan®-Eco bevat (deels) C-atomen afkomstig van gewassen, dus het gehalte 14C is hoger dan in EPDM op basis van aardolie.

Opmerking Een antwoord als het volgende goed rekenen: In de aardolie is het aandeel 14C kleiner omdat een deel ervan al is omgezet. Het gehalte aan 14C in Keltan®-Eco zal dus hoger zijn.

Reactie 1 is endotherm. De benodigde warmte wordt in het proces geleverd door verbranding van de resten van het suikerriet.

Vraag 17 4 punten

Bereken de massa in kilogram suikerriet-resten die nodig is om de energie te leveren voor de omzetting van 1,0 ton ethanol tot etheen.

Gebruik Binas-tabel 28B en 57 of ScienceData-tabel 8.7b en 9.2.

Neem aan dat de suikerriet-resten volledig bestaan uit hout.

Een ton is 103 kg.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

103 × 103 46,1 ( ×

  • ( −2, 78 ·105 ) + ( +0,52 ·105 ) + ( −2,86 ·105 ) ) = 6, 0 ·101 (kg)

16 ·10 6

of

De reactiewarmte per mol ethanol is

  • ( −2, 78 ·105 ) + ( +0,52 ·105 ) + ( −2,86 ·105 ) = 0, 44 ·105 (J mol −1 ).

103 × 103 Per ton ethanol is dat × 0, 44 ·105 = 9,54 ·108 (J). 46,1 9,54 ·105 Hiervoor moet = 6, 0 ·101 (kg) hout worden verbrand.

16 ·10 6

Opmerkingen

  • De volgende berekening van de reactiewarmte per mol ethanol goed rekenen: 2,78 + 0,52
  • 2,86 = 0, 44 ·105 (J mol−1 )
  • De volgende berekening op basis van ScienceData goed rekenen:

103 × 103 46,1 ( ×

  • ( −2, 78 ·105 ) + ( +0,52 ·105 ) + ( −2,86 ·105 ) ) = 5, 0 ·101 (kg) 18,9 ·106

De omzetting van ethanol tot etheen vindt plaats aan het oppervlak van een aluminiumoxide-katalysator. Op de uitwerkbijlage is een deel van het oppervlak weergegeven. Uit onderzoek is gebleken dat de OH-groepen en de O–-groepen aan het oppervlak een belangrijke rol spelen in de katalytische werking. Men vermoedt dat hierbij waterstofbruggen worden gevormd tussen moleculen ethanol en de aanwezige groepen op het oppervlak.

Vraag 18 2 punten

Teken op de uitwerkbijlage hoe een molecuul ethanol met twee waterstofbruggen gebonden is aan het oppervlak. Geef elke waterstofbrug weer met een stippellijn.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • De bindingshoeken niet beoordelen.
  • Als een waterstofbrug is getekend naar het O–-atoom, dit goed rekenen.
  • Als behalve twee juiste ook één of meer onjuiste waterstofbruggen zijn getekend, het tweede scorepunt niet toekennen.

Per mol monomeereenheden van Keltan®-Eco is gemiddeld 0,55 mol etheen, 0,40 mol propeen (C3H6) en 0,050 mol ENB aanwezig.

Vraag 19 4 punten

Bereken het volume in liter propeen dat minimaal nodig is om 1,0 kg Keltan®-Eco te produceren. Gebruik hierbij onder andere de volgende gegevens:

De dichtheid van propeen is 1,75 kg m–3.

De gemiddelde molaire massa van een monomeereenheid van Keltan®-Eco is 38,3 g mol–1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn:

103 × 0, 40 × 42,1 38,3 = 2,5 ·102 (L) 1, 75

of

103 Per ton is er = 2, 61·101 (mol) monomeereenheden. 38,3 Hiervan is 2, 61·101 × 0, 40 = 1, 04 ·101 (mol) eenheden propeen. De massa propeen is 1, 04 ·101 × 42,1 = 4, 40 ·102 (g). 4, 40 ·102 Het volume propeen is = 2,5 ·102 (L). 1, 75

Voedsellijm

In de voedselindustrie wordt soms het enzym transglutaminase (TG) gebruikt om reststukjes vlees aan elkaar te lijmen tot grotere stukken. Het enzym katalyseert de koppeling van de restgroepen van de aminozuureenheden glutamine en lysine die aanwezig zijn in peptideketens.

Vraag 20 2 punten

Leg uit, aan de hand van deze gegevens, of door deze omzetting de primaire structuur van de peptideketens in de eiwitten verloren gaat.

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Met de primaire structuur wordt de volgorde van de aminozuureenheden/aminozuren in de peptideketen bedoeld. De omzetting treedt op aan de restgroepen, dus de primaire structuur verandert niet.

In figuur 1 is de koppeling van de restgroepen van een glutamine-eenheid en een lysine-eenheid in verschillende peptideketens schematisch en onvolledig weergegeven.

[figuur 1: zie het originele examen]

O O CH2 CH2 C NH2 H3N CH2 CH2 CH2 C N CH2 X glutamine-eenheid lysine-eenheid H

Vraag 21 1 punt

Geef de formule van het deeltje X.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • NH4+ (1)

Wanneer geen lysine-restgroepen of ongebonden aminozuren beschikbaar zijn, katalyseert TG ook de reactie tussen de restgroep van glutamine-eenheden en water. Hierbij wordt een andere aminozuur-eenheid gevormd en ontstaat ammoniak. Deze omzetting is op de uitwerkbijlage onvolledig weergegeven.

Vraag 22 2 punten

Maak de vergelijking op de uitwerkbijlage compleet en geef de naam van de aminozuureenheid die hierbij wordt gevormd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de reactievergelijking juist (1)
  • glutaminezuur/Glu (1)

De koppeling die in de figuur is weergegeven, verloopt in een breed pH-gebied. De reactie verloopt alleen als de restgroep van de lysine-eenheid positief geladen is. Bij de gemiddelde pH van bloed zijn de aminogroepen in de restgroepen van lysine-eenheden grotendeels omgezet tot ~NH3+-groepen. De waarde van de Kz van de NH3+-groep is 6,3·10–11.

Vraag 23 4 punten

Laat met een berekening zien dat bij pH = 7,40 het percentage aminogroepen van lysine-eenheden dat aanwezig is als ~NH2 kleiner is dan 2,0%.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 6,3 ·10−11 −7,40

10 × 102 = 1, 6 ·10−1 (% en dat is kleiner dan 2,0%) 6,3 ·10 −11

−7,40 +1 10

of

H 3O + = 10−7,40 = 3,98 ·10−8 (mol L−1 ) [H3O+ ][~NH 2 ] Kz [~NH 2 ] Kz = + of + = . [~NH3 ] [H 3O ] [~NH3+ ]

[~NH 2 ] 6,3 ·10−11 De verhouding van de deeltjes is = −8 = 1,58 ·10−3. [~NH3 ] 3,98 ·10 +

Het percentage ~NH2 is 1,58 ·10−3 −3 × 102 = 1, 6 ·10−1 (% en dat is kleiner dan 2,0%). 1,58 ·10 + 1

De NH2-groep in de restgroep van glutamine is een veel zwakkere base dan de NH2-groep in de restgroep van lysine. Dit kan worden verklaard met behulp van een grensstructuur van de restgroep van glutamine. In deze grensstructuur komen formele ladingen voor. Op de uitwerkbijlage is deze grensstructuur onvolledig weergegeven.

Vraag 24 2 punten

Maak op de uitwerkbijlage deze grensstructuur compleet. De atomen in de grensstructuur moeten voldoen aan de octetregel.

Teken ontbrekende elektronenparen.

Geef formele ladingen aan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de elektronenparen juist (1)
  • de formele ladingen juist (1)

In het reactiemechanisme van de koppeling van glutamine en lysine door TG spelen twee aminozuureenheden in het actieve centrum van TG een rol: His373 en Cys314. Op de uitwerkbijlage is een stap uit dit mechanisme onvolledig weergegeven. In deze stap wordt een eenheid Lys gekoppeld aan een eenheid Gln die al aan aminozuureenheid Cys314 van TG was gekoppeld.

Vraag 25 3 punten

Maak op de uitwerkbijlage het reactiemechanisme compleet.

Teken links van de pijl de niet-bindende elektronenparen.

Geef links van de pijl met pijlen weer hoe elektronenparen worden verplaatst tijdens deze reactie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de niet-bindende elektronenparen op O en N juist (1)
  • de niet-bindende elektronenparen op S juist (1)
  • de pijlen juist (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-22-2-o

Andere examens scheikunde vwo

Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2?

Het centraal examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2 telt 25 vragen. De meeste vragen gaan over reactievergelijkingen (4), bindingen (4) en scheidingsmethoden (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2022, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1028-a-22-2-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.