Eindexamen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: DME uit koolstofdioxide, Battolyser, Microbolletjes, Creatine.

Kort antwoord

Het centraal examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over bindingen (4), rekenen aan reacties (4) en koolstofchemie (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Bindingen3, 14-15, 184
Rekenen aan reacties8, 10, 20, 234
Koolstofchemie17, 19, 213
Reactievergelijkingen1, 112
Scheidingsmethoden4, 122
Redoxreacties6-72
Stoffen en eigenschappen13, 222
Evenwichten21
Duurzame chemie51
Reactiesnelheid91
Zuren en basen161

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens scheikunde vwo sinds 2018: dit examen vroeg minder over koolstofchemie (13% van de vragen, gemiddeld 22%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

DME uit koolstofdioxide

De stof methoxymethaan (DME, zie de figuur) staat figuur in de belangstelling als brandstof. DME kan namelijk worden gemaakt op basis van uitsluitend koolstofdioxide en waterstof. In een onderzoek is een voorstel voor een productieproces onderzocht. Dit proces is opgebouwd uit twee opeenvolgende reacties, die hieronder zijn weergegeven.

CO2 (g) + 3 H2 (g) CH3OH (g) + H2O (g) (reactie 1)

2 CH3OH (g) CH3–O–CH3 (g) + H2O (g) (reactie 2)

De vormingswarmte van DME bedraagt –1,84∙105 J mol–1.

Vraag 1 4 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef de totaalvergelijking van de vorming van DME uit CO2 en H2.
  • Bereken de reactiewarmte van deze vorming van DME per mol DME.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn:

2 CO2 (g) + 6 H2 (g) CH3–O–CH3 (g) + 3 H2O (g) (2 × 3,94

  • 1,84
  • 3 × 2, 42) ·105 =
  • 1, 22 ·105 (J mol−1 )

of

2 CO2 (g) + 6 H2 (g) CH3–O–CH3 (g) + 3 H2O (g)

  • Ebegin + Eeind =
  • 2 × (−3,94 ·105 )

+ ( −1,84 ·105 ) + 3 × (−2, 42 ·105 ) =

  • 1, 22 ·105 (J mol−1 )

Opmerkingen

  • Als in plaats van een evenwichtsteken een reactiepijl is gebruikt, dit goed rekenen.
  • De volgende berekening goed rekenen:

2 × 3,94

  • 1,84
  • 3 × 2, 42 =
  • 1, 22 ·105 (J mol−1 )

Op de uitwerkbijlage bij vraag 4 staat een onvolledig blokschema van de productie van DME volgens het ontwerp van de onderzoekers. In reactor 1 (R1) treedt reactie 1 op. In scheidingsruimte 1 (S1) wordt de stofstroom gescheiden die afkomstig is uit R1. Water met de bijproducten verlaat S1 aan de onderzijde. Het methanol dat in R1 is gevormd, wordt doorgevoerd naar reactor 2 (R2). In R2 treedt reactie 2 op. Zowel in R1 als in R2 heerst een hoge temperatuur. Hierdoor is in beide reactoren de reactiesnelheid hoog. Ook zijn hierdoor de insteltijden van de evenwichten kort. De druk in beide reactoren is niet gelijk. In R1 moet de druk hoog worden gehouden voor een zo hoog mogelijk rendement.

Vraag 2 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Geef de evenwichtsvoorwaarde van reactie 1.
  • Leg uit dat in R1 de druk hoog moet worden gehouden voor een zo hoog mogelijk rendement.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juist antwoord zijn: K= [ CH 3OH ][ H 2O ] of K = pCH3OH · pH2O [ CO 2 ][ H 2 ] p 3 pCO2 · p 3 H 2 Bij verhoging van de druk zal in de concentratiebreuk de noemer meer toenemen dan de teller, waardoor Q < K. Om te voldoen aan de evenwichtsvoorwaarde, zal de reactie naar rechts meer gaan verlopen (waardoor het rendement hoger wordt).

of

K= [ CH 3OH ][ H 2O ] of K = pCH OH · pH O

3 (2)

[ CO 2 ][ H 2 ] p 3 pCO · p 3 H

2 (2)

In reactie 1 staan links van de pijl meer gasdeeltjes dan rechts van de pijl. Als in R1 de druk hoger wordt, verschuift het evenwicht in de richting van het kleinste aantal gasdeeltjes. Dat is naar rechts (waardoor het rendement hoger wordt).

Het mengsel dat afkomstig is uit R2 wordt in scheidingsruimte 2 (S2) gedestilleerd om het DME te scheiden van de rest van het mengsel. Het mengsel wordt in S2 gescheiden in drie fracties: DME, methanol en water.

Vraag 3 2 punten

Leg uit dat DME het laagste kookpunt heeft van deze drie stoffen. Gebruik hierbij begrippen op microniveau.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Tussen de moleculen van respectievelijk methanol en water bestaan (vanderwaalsbindingen en dipool-dipoolbindingen en) waterstofbruggen. Tussen moleculen DME bestaan geen waterstofbruggen / bestaan alleen vanderwaalsbindingen en dipool-dipoolbindingen. De waterstofbrug is de sterkste binding (dus DME heeft het laagste kookpunt).

Vraag 4 3 punten

Maak het blokschema op de uitwerkbijlage compleet.

  • Teken ontbrekende pijlen en noteer ontbrekende stoffen bij alle pijlen. Houd hierbij rekening met hergebruik van stoffen.
  • Neem aan dat in R2 geen bijproducten ontstaan.
  • Stoffen met een laag kookpunt komen in S2 hoger uit de destillatiekolom dan stoffen met een hoog kookpunt. Gebruik Binas-tabel 42 of ScienceData-tabel 8.3.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Als de stofstromen van H2 en CO2 afkomstig uit S1 zijn weergegeven als gescheiden stromen, eventueel instromend bij de respectievelijke invoeren in R1, dit niet aanrekenen.
  • Als de terugvoer van methanol is weergegeven aansluitend op S1 of op de invoer in R2, dit goed rekenen.

In een ander onderzoek is DME bereid volgens reactie 3.

CO + 5 H2 + CO2 → CH3–O–CH3 + 2 H2O (reactie 3)

De beginstoffen worden gemengd volgens de verhoudingen die zijn weergegeven in reactie 3. In verschillende experimenten tijdens dit onderzoek lag het rendement tussen 51% en 63%.

Vraag 5 3 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Bereken de E-factor van reactie 3 bij een rendement van 63%. Beschouw water hierbij als afval.
  • Leg uit of deze E-factor de minimale of de maximale waarde was in dit onderzoek.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Per mol CO2 is de massa beginstoffen = 28, 0 + 5 × 2, 02 + 44, 0 = 8, 21·101 (g).

63 En de massa product = 46,1 × (2) = 2, 90 ·101 (g). 10 8, 21·10

  • 2,90 ·101 1 De E-factor is dus = 1,8. 2,90 ·101 (In het onderzoek lag het rendement tussen 51% en 63%.) Bij een lager rendement stijgt de waarde van de E-factor. Deze E-factor was dus de minimale waarde.

Battolyser

Onderzoekers van de TU Delft hebben de battolyser ontwikkeld. De battolyser ontleent zijn naam aan twee functies: het is een oplaadbare batterij die kan worden gebruikt voor energieopslag en voor de elektrolyse van water. De vrijgekomen waterstof kan worden gebruikt als brandstof of als grondstof voor de productie van andere (brand)stoffen. In figuur 1 is de battolyser schematisch weergegeven voorafgaand aan het opladen.

[figuur 1: zie het originele examen]

Als de batterij wordt opgeladen, wordt aan de linker elektrode ijzer(II)hydroxide omgezet tot onder andere ijzer. Aan de rechter elektrode wordt nikkel(II)hydroxide omgezet tot onder andere de vaste stof nikkel(III)oxidehydroxide, NiO(OH). De elektrolyt-oplossing is natronloog. Tijdens de elektrolyse bewegen alleen hydroxide-ionen door het membraan.

Vraag 6 3 punten

Geef de vergelijkingen van de halfreacties die verlopen tijdens het opladen en geef de totaalvergelijking.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Fe(OH)2 + 2 e– → Fe + 2 OH– (× 1) Ni(OH)2 + OH → NiO(OH) + H2O + e

–

  • (× 2) Fe(OH)2 + 2 Ni(OH)2 → Fe + 2 NiO(OH) + 2 H2O

Opmerkingen

  • De volgende halfreacties goed rekenen: Ni(OH)2 → NiO(OH) + H+ + e– en Ni(OH)2 + H2O → NiO(OH) + H3O+ + e–
  • Wanneer evenwichtstekens zijn gebruikt in plaats van reactiepijlen, dit goed rekenen.

Vraag 7 2 punten

Leg uit in welke richting de hydroxide-ionen het membraan passeren tijdens het opladen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Tijdens het opladen bewegen de elektronen van rechts naar links. Omdat de totale lading links en rechts gelijk moet blijven, bewegen de OH–-ionen van links naar rechts.

Opmerking Een antwoord als het volgende goed rekenen: Tijdens het opladen worden aan de linker elektrode OH–-ionen gevormd en aan de rechter elektrode verbruikt. De OH–-ionen bewegen dus van links naar rechts.

In een volledig opgeladen prototype van de battolyser werd 1,4 kg water gedurende 18 maanden geëlektrolyseerd. Per molecuul water dat wordt omgezet, worden twee elektronen getransporteerd. Neem aan dat tijdens dit proces alle toegevoerde lading is gebruikt voor de elektrolyse van water.

Vraag 8 3 punten

Bereken de lading in coulomb die in die periode gemiddeld per seconde is getransporteerd. Gebruik onder andere de volgende gegevens:

  • Een mol elektronen heeft een lading van 9,65·104 C.
  • Een maand heeft gemiddeld 30 dagen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 1, 4 × 103 Er is dan × 2 = 1,56 ·102 (mol) elektronen getransporteerd. 18, 0 De getransporteerde lading is 1,56 ·102 × 9,65 ·104 = 1,50 ·107 (C). 1,50 ·107 De lading per seconde is = 3, 2 ·10−1 (C s −1 ).

18 × 30 × 24 × 60 × 60

  • omrekening naar de getransporteerde lading in coulomb per seconde (1p)

of

1, 4 × 103 Er is dan per seconde = 3,00 ·10−5 (g) water omgezet.

18 × 30 × 24 × 60 × 60 De chemische hoeveelheid elektronen per seconde is 3, 00 ·10−5 × 2 = 3,33 ·10−6 (mol). 18, 0 De lading per seconde is 3,33 ·10−6 × 9,65 ·104 = 3, 2 ·10−1 (C s−1 ).

De reactiesnelheid van deze elektrolyse van water bleek vooral te worden bepaald door de halfreactie die aan de rechter elektrode verloopt. Het bleek dat de reactiesnelheid veranderde als in het NiO(OH)-laagje op de rechter elektrode ook FeO(OH) aanwezig was. In het onderzoek is de activeringsenergie van de reactie bepaald, afhankelijk van het massapercentage FeO(OH) in het laagje. In figuur 2 zijn de resultaten te zien van enkele experimenten.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 9 2 punten

Leg uit bij welke waarde van het massapercentage FeO(OH) de reactiesnelheid het hoogst is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Als de activeringsenergie laag is, is de reactiesnelheid het hoogst. De activeringsenergie is het laagst bij 25 massa% (± 2 massa%) FeO(OH), dus dan is de reactiesnelheid het hoogst.

Er zijn momenteel auto’s verkrijgbaar die waterstof gebruiken als energiebron. Een van deze auto’s heeft een tank met daarin maximaal 6,33 kg waterstof onder hoge druk. Onderzocht wordt of het mogelijk is om de risico’s van het gebruik van waterstof te verminderen door de waterstof eerst om te zetten tot methaanzuur. Methaanzuur is een vloeistof die eenvoudig kan worden getankt en vervoerd. In een auto wordt het methaanzuur dan in een reactor omgezet tot waterstof volgens reactie 1.

CH2O2 → CO2 + H2 (reactie 1)

De ontstane waterstof wordt vervolgens in een brandstofcel geleid om elektrische energie op te wekken. Reactie 1 heeft een rendement van 90,0%. De dichtheid van methaanzuur is 1,22·103 kg m–3.

Vraag 10 5 punten

Bereken het volume in liter methaanzuur dat nodig is om 6,33 kg waterstof te produceren. Geef je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juiste berekening is: 6,33 × 103 Een volle tank bevat = 3,134 ·103 (mol) waterstof. 2, 02 102 Hiervoor is 3,134 ·103 × = 3, 482 ·103 (mol) methaanzuur nodig. 90, 0 De massa methaanzuur is 3, 482 ·103 × 46,0 × 10−3 = 1,602 ·102 (kg). 1, 602 ·102 Het volume methaanzuur is × 103 = 1,31·102 (L). 1, 22 ·103

Microbolletjes

Sommige geneesmiddelen worden ingekapseld in microbolletjes van 0,1 tot 30 µm grootte. In figuur 1 is zo’n microbolletje vereenvoudigd weergegeven. De buitenkant van dit microbolletje bestaat uit fosfolipiden. In dit microbolletje bevindt zich het geneesmiddel, ingekapseld in een specifiek polymeer.

[figuur 1: zie het originele examen]

In het lichaam worden de fosfolipiden opgenomen. Daarna wordt het polymeer langzaam afgebroken, zodat het geneesmiddel geleidelijk vrijkomt. In figuur 2 is het copolymeer PLGA weergegeven. Dit is een van de weinige synthetische polymeren die zijn goedgekeurd voor deze toepassing. De monomeren van PLGA zijn melkzuur en glycolzuur. Dat zijn lichaamseigen stoffen die door het lichaam kunnen worden afgevoerd.

[figuur 2: zie het originele examen]

Vraag 11 3 punten

Maak op de uitwerkbijlage de vergelijking van de volledige hydrolyse van PLGA compleet met de ontbrekende stoffen en coëfficiënten. Gebruik structuurformules voor de koolstofverbindingen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • de structuurformule van melkzuur (1)
  • de structuurformule van glycolzuur (1)
  • links van de pijl H2O en de elementbalans bij uitsluitend de juiste formules links en rechts van de pijl (1)

Een gangbare methode om een geneesmiddel op te sluiten in PLGA verloopt in twee stappen: stap 1 Het PLGA en het geneesmiddel worden samen opgelost in een geschikt organisch oplosmiddel. stap 2 Onder hevig roeren wordt de oplossing geïnjecteerd in warm water.

In stap 2 ontstaat een suspensie van PLGA met daarin ingekapseld het geneesmiddel (PLGA-geneesmiddel). Het organisch oplosmiddel lost hierbij eerst in het water op, waarna het oplosmiddel snel verdampt en kan worden hergebruikt. Het gehele proces is schematisch weergegeven in figuur 3.

[figuur 3: zie het originele examen]

In stap 2 wordt het PLGA-geneesmiddel gescheiden van het organisch oplosmiddel en het oplosmiddel wordt gescheiden van water. Deze processen kunnen worden opgevat als scheidingsmethoden.

Vraag 12 2 punten

Geef de namen van deze twee scheidingsmethoden.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • extraheren (1)
  • indampen/destillatie (1)

De ‘encapsulation efficiency’ (EE) is een belangrijk criterium voor de bruikbaarheid van deze methode om een geneesmiddel in PLGA in te kapselen. De EE wordt uitgedrukt als het percentage van het gebruikte geneesmiddel dat uiteindelijk in het PLGA-geneesmiddel aanwezig is. De EE hangt af van de oplosbaarheid in water van zowel het geneesmiddel als het organisch oplosmiddel in stap 2.

Vraag 13 2 punten

Leg uit of de EE relatief hoog of relatief laag is als een geneesmiddel wordt gebruikt met een hoge wateroplosbaarheid. Neem aan dat het gebruikte oplosmiddel niet verandert.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Als de wateroplosbaarheid van het geneesmiddel relatief hoog is, is er minder geneesmiddel ingekapseld in het PLGA. Hierdoor zit er minder geneesmiddel in de microbolletjes en zal de EE relatief laag zijn.

Als oplosmiddel zijn dichloormethaan en tetrachloormethaan met elkaar vergeleken. De oplosbaarheid van deze stoffen in water verschilt. Dit heeft onder andere te maken met het gegeven dat de C–Cl-binding een polaire atoombinding is.

Vraag 14 3 punten

Leg uit, aan de hand van de microstructuur van beide oplosmiddelen, welk van de twee oplosmiddelen het best in water kan oplossen. Gebruik hierbij begrippen op microniveau.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Het koolstofatoom heeft een 4-omringing / een tetraëderstructuur. Bij een molecuul dichloormethaan valt het centrum van de partiële ladingen op de chlooratomen niet samen met de partiële lading op het koolstofatoom en bij een molecuul tetrachloormethaan wel. Een molecuul dichloormethaan is dus een dipoolmolecuul en een molecuul tetrachloormethaan niet. Watermoleculen zijn ook dipoolmoleculen dus zal dichloormethaan beter oplossen doordat de interacties van moleculen dichloormethaan met watermoleculen sterker zijn.

Opmerking Als ook begrippen op macroniveau zijn gebruikt, hiervoor maximaal

1 scorepunt in mindering brengen.

In 2005 heeft een onderzoeksgroep een verbeterde methode gevonden voor het inkapselen van hydrofiele geneesmiddelen in microbolletjes. Bij deze methode wordt ammoniak aan de waterfase toegevoegd. Als organisch oplosmiddel wordt DCEM (zie figuur 4) gebruikt.

[figuur 4: zie het originele examen]

DCEM is niet goed oplosbaar in water. In contact met een verdunde ammoniak-oplossing ondergaat DCEM echter een zogenaamde ammonolyse. Ammonolyse is vergelijkbaar met hydrolyse. Het mechanisme van deze ammonolyse is in figuur 5 onvolledig weergegeven. In de eerste stap van het mechanisme wordt uitsluitend deeltje X gevormd, dat daarna snel uiteenvalt.

[figuur 5: zie het originele examen]

Vraag 15 3 punten

Teken de lewisstructuur van deeltje X. Geef hierbij (de) formele lading(en) aan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • het N-atoom met een enkelvoudige binding verbonden aan het juiste C-atoom (1)
  • de niet-bindende elektronen (1)
  • de formele ladingen en de rest van de structuurformule (1)

Veel geneesmiddelen zijn zwakke basen figuur 6 of zwakke zuren. De oplosbaarheid in water van deze stoffen hangt daarom onder andere af van de pH. In figuur 6 is de structuurformule van een geneesmiddel weergegeven. Deze stof is een zwakke base.

Vraag 16 2 punten

Leg uit of bij lagere pH de oplosbaarheid in water van deze stof hoger of lager is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Bij lagere pH nemen de moleculen van deze stof H+-ionen op. Omdat dan geladen deeltjes ontstaan, kunnen ion-dipoolbindingen worden gevormd (met watermoleculen). Hierdoor neemt de oplosbaarheid in water toe.

Creatine

Creatine speelt een belangrijke rol in de energiehuishouding van de spieren en de hersenen. In de biosynthese van creatine wordt onder invloed van het enzym AGAT eerst de stof glycocyamine (zie figuur 1) gevormd uit de aminozuren glycine en arginine.

[figuur 1: zie het originele examen]

Bij de vorming van glycocyamine wordt het stikstofatoom van glycine aan een van de koolstofatomen in de restgroep van arginine gekoppeld. Hierbij ontstaat ook ornithine. Ornithine is een aminozuur dat niet is vermeld in het informatieboek.

Vraag 17 2 punten

Teken de structuurformule van ornithine.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als de juiste molecuulformule is gegeven, één scorepunt toekennen.

De glycocyamine wordt vervolgens omgezet tot creatine (zie figuur 2) onder invloed van het enzym GAMT.

[figuur 2: zie het originele examen]

Op de uitwerkbijlage is weergegeven hoe een glycocyamine-deeltje in het actieve centrum van GAMT is gebonden. Bij de heersende pH hebben alle aanwezige carboxylgroepen een H+ afgestaan. Tussen dit glycocyamine-deeltje en GAMT bestaan elektrostatische interacties. Door deze interacties (bindingstypen) heeft het glycocyamine- deeltje een bepaalde ruimtelijke oriëntatie, waardoor de omzetting tot creatine mogelijk wordt. Neem aan dat vanderwaalsbindingen geen rol spelen in de oriëntatie van het glycocyamine-deeltje.

Vraag 18 2 punten

Geef op de uitwerkbijlage met stippellijntjes twee interacties/bindingstypen aan tussen het glycocyamine-deeltje en GAMT.

  • Nummer beide interacties.
  • Noteer in de tabel de naam van elke interactie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van juiste interacties/bindingstypen zijn (twee van de volgende): 1 ion-dipoolbinding/waterstofbrug 2 waterstofbrug/dipool-dipoolbinding 3 ion-dipoolbinding/waterstofbrug per interactie (1) (2)

Bij de omzetting van glycocyamine tot creatine wordt een methylgroep overgedragen van een deeltje SAM naar het deeltje glycocyamine. Op de uitwerkbijlage is het mechanisme van de omzetting van glycocyamine tot creatine onvolledig weergegeven. Het deeltje SAM is hierbij vereenvoudigd weergegeven.

Vraag 19 2 punten

Voer de volgende opdrachten uit:

  • Teken in het omkaderde gedeelte de niet-bindende elektronenparen, waarbij alle atomen voldoen aan de oktetregel.
  • Geef met pijlen weer hoe elektronenparen worden verplaatst tijdens deze omzetting.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Als ook op andere atomen (on)juiste elektronenparen zijn aangegeven, dit niet beoordelen.

Creatine bevindt zich in spieren en de hersenen, om deze snel van energie te kunnen voorzien. Een gezonde man heeft in zijn lichaam gemiddeld een voorraad van 1,7 g creatine per kg lichaamsgewicht. Van deze voorraad wordt gemiddeld 1,9 massaprocent per dag uitgescheiden. Uit metingen is gebleken dat per dag 20 massaprocent van de uitgescheiden creatine rechtstreeks wordt opgenomen uit voeding. De rest wordt door het lichaam aangemaakt uit glycine en arginine (zie ook figuur 4).

Vraag 20 5 punten

Bereken de massa in gram glycine die een gezonde man van 70 kg dagelijks moet omzetten om de hoeveelheid creatine op peil te houden. Geef je antwoord in het juiste aantal significante cijfers.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Voorbeelden van een juiste berekening zijn: 1,9 Per dag wordt er 70 × 1, 7 × 2 = 2, 26 (g) creatine uitgescheiden. 10 2, 26 Dat is = 1, 73 ·10−2 (mol). Voor de aanmaak is dan 131 −2 1,73 ·10 × (

102

  • 20) = 1,38 ·10−2 (mol) glycine nodig. 102 Dat is 1,38 ·10−2 × 75,1 = 1,0 (g) glycine.
  • significantie (1p)

of

1,9 Per dag wordt er 70 × 1, 7 × = 2, 26 (g) creatine uitgescheiden. 102 Als dit volledig moet worden aangevuld door het lichaam zelf (aanmaak) is 75,1 er 2, 26 × = 1,30 (g) glycine nodig. 131 Er wordt al 20% opgenomen, dus voor de aanmaak is nog

1,3 × (102

  • 20 ) = 1, 0 (g) glycine nodig. 102

De aanmaak van creatine kan verstoord zijn doordat het enzym AGAT of het enzym GAMT niet functioneert of zelfs niet aanwezig is in het lichaam. Deze zeldzame erfelijke stofwisselingsziektes zijn bekend als AGAT- deficiëntie en GAMT-deficiëntie. Een bepaalde GAMT-deficiëntie wordt veroorzaakt doordat het enzym een afwijkende vorm heeft. In de peptideketen van deze GAMT* is op positie 44 een leucine-eenheid aanwezig waar in gezonde GAMT een arginine-eenheid aanwezig is. Op het afwijkend DNA wijkt hierbij maar één basenpaar af van gezond DNA. De code voor de eerste aminozuur-eenheid van GAMT begint bij het basenpaar met nummer 1.

Vraag 21 3 punten

Geef op de uitwerkbijlage de symbolen van het basenpaar waarin de genetische code voor gezonde GAMT verschilt van de code voor GAMT* en geef het nummer van het afwijkende basenpaar. Gebruik Binas-tabel 71G of ScienceData-tabel 16.9.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

gezonde GAMT GAMT* base op de coderende streng G T base op de matrijsstreng C A nummer van het afwijkende basenpaar n.v.t. 131

Opmerking Als in plaats van de basen juiste tripletten zijn genoteerd, dit niet aanrekenen.

Door de gehaltes van glycocyamine en creatine te onderzoeken, kan worden onderzocht of er sprake is van een van beide ziektes. Bij de bepaling van het gehalte creatine wordt soms gebruikgemaakt van chromatografie. In een onderzoek is van een mengsel van bekende stoffen een chromatogram gemaakt. De stationaire fase was hierbij apolair. Dit chromatogram is in figuur 3 weergegeven.

[figuur 3: zie het originele examen]

In figuur 3 zijn met pijlen twee pieken aangegeven. Een van beide pieken is afkomstig van creatine en de andere van asparaginezuur. Van deze stoffen is in een ander experiment de verdelingscoëfficiënt Kv bepaald in een tweelagen-systeem van water en de hydrofobe vloeistof octaan-1-ol. De Kv is een maat voor de polariteit van een stof. Deze verdelingscoëfficiënt kan worden berekend met formule 1: [stof ]octaan-1-ol Kv = (formule 1) [stof ]water De waarde van de Kv van creatine is 6,3∙10–1 en die van asparaginezuur is 1,3∙10–4.

Vraag 22 3 punten

Leg uit welke van de twee aangegeven pieken uit figuur 3 hoort bij creatine. Gebruik in je uitleg formule 1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een hoge waarde van de Kv geeft aan dat een stof beter oplost in octaan-1-ol dan in water. Dat betekent dat deze stof relatief apolair is. De Kv van creatine is het hoogst, dus creatine is het meest apolair. De stationaire fase is ook apolair, dus zal creatine het meest aan de apolaire fase adsorberen. Hierdoor is de retentietijd van creatine langer, dus piek 2 hoort bij creatine.

In figuur 4 is de aanmaak van creatine vereenvoudigd samengevat.

[figuur 4: zie het originele examen]

Op de uitwerkbijlage staan twee zinnen over de gehaltes van glycocyamine en creatine bij AGAT-deficiëntie en bij GAMT-deficiëntie.

Vraag 23 2 punten

Omcirkel in de zinnen op de uitwerkbijlage steeds de juiste mogelijkheden. Neem hierbij aan dat er geen andere processen invloed hebben op deze gehaltes.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Bij AGAT-deficiëntie: Het gehalte glycocyamine is lager dan het normale gehalte glycocyamine en het gehalte creatine is lager dan het normale gehalte creatine. (1)
  • Bij GAMT-deficiëntie: Het gehalte glycocyamine is gelijk aan / hoger dan het normale gehalte glycocyamine en het gehalte creatine is lager dan het normale gehalte creatine. (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Scheikunde 2024, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-1/vw-1028-a-24-1-o

Andere examens scheikunde vwo

Hoe ToetsChecker scheikunde per vraagtype nakijkt, lees je op scheikunde toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1?

Het centraal examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1 telt 23 vragen. De meeste vragen gaan over bindingen (4), rekenen aan reacties (4) en koolstofchemie (3).

Wat zijn de antwoorden van het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van scheikunde vwo 2024, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-1/vw-1028-a-24-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen scheikunde vwo 2024, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.