Eindexamen economie vwo 2018, tijdvak 1: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Zakelijk boeren, Opgave 2 Monetair beleid goed geregeld, Opgave 3 Hun probleem ons probleem?, Opgave 4 Middeninkomens trekken aan het kortste eind, Opgave 5 Pensioen: inpakken en wegwezen, Opgave 6 Overheid in de greep van markten.

Kort antwoord

Het centraal examen economie vwo 2018, tijdvak 1 telt 32 vragen. De meeste vragen gaan over internationale handel (8), overheid en belastingen (7) en geld en inflatie (6). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen economie vwo 2018, tijdvak 1. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Internationale handel1-4, 15-16, 29-308
Overheid en belastingen13-14, 17-217
Geld en inflatie7-126
Inkomen en consumptie22-276
Arbeidsmarkt28, 31-323
Productie en kosten5-62

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens economie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over internationale handel (25% van de vragen, gemiddeld 10%) en inkomen en consumptie (19% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over conjunctuur (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en risico en verzekeren (0% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie vwo 2018, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie vwo 2018, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie vwo 2018, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Opgave 1 Zakelijk boeren

Een land importeert een groot deel van het benodigde voedsel. Een econome meent dat in dit land de productiekosten van voedsel relatief hoog zijn doordat de voedselproductie minder kapitaalintensief is dan in andere landen. Dit kan volgens haar veranderen als voor de voornaamste landbouwproducten tijdelijk een importverbod wordt ingesteld. Dat gaat weliswaar tijdelijk ten koste van de welvaart van de consumenten, maar geeft binnenlandse producenten de gelegenheid om in de periode waarin het importverbod van kracht is, hun productie efficiënter te maken. De econome hanteert het onderstaande model voor de binnenlandse vraag en het binnenlands aanbod op de markt voor één van de betreffende landbouwproducten. De valuta van het land is de UR.

Qv = −2P + 100 Qa = 4P

  • 80 Qa = Qv

P = prijs per ton in UR Qv = binnenlandse vraag in duizenden tonnen Qa = binnenlands aanbod in duizenden tonnen

De situatie op de betreffende markt met import bij een prijs op de wereldmarkt van 25 UR per ton is in figuur 1 weergegeven.

Figuur 1 marktsituatie voor het geselecteerde landbouwproduct

prijs

A B binnenlands aanbod C

D E F G

25 UR wereldmarkt-

H prijs binnenlandse vraag

hoeveelheid

Vraag 1 1 punt

Noem de letters van de vlakken in figuur 1 waarmee het totale gerealiseerde surplus wordt weergegeven, voordat het importverbod wordt ingesteld.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Het scorepunt alleen toekennen als enkel de zes juiste letters zijn genoemd.

Vraag 2 1 punt

Noem de letter(s) van het vlak / de vlakken waarmee het welvaartsverlies in dit land wordt weergegeven dat ontstaat door de instelling van het importverbod.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord

Opmerking Het scorepunt alleen toekennen als enkel de juiste letter is genoemd.

Een compleet importverbod op de voornaamste landbouwproducten zou volgens een woordvoerster van de Consumentenbond de voedselprijzen teveel doen stijgen. De Consumentenbond adviseert de regering om de import van dit specifieke product gedeeltelijk te beperken tot een maximaal toegestane hoeveelheid waarbij de prijsstijging slechts 10% bedraagt.

Vraag 3 2 punten

Bereken bij welke hoogte van de toegestane hoeveelheid import de prijsstijging 10% bedraagt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: De prijs wordt 1,1 × 25 = 27,50. Daarbij geldt: Q a = 4 × 27,50 − 80 = 30 Qv = −2 × 27,50 + 100 = 45 In deze situatie bedraagt de import 45 − 30 = 15 (duizend ton). (2)

De econome meent dat voor de binnenlandse voedselproducenten de gemiddelde variabele kosten kunnen dalen dankzij een importverbod.

Vraag 4 2 punten

Bereken met welk bedrag de variabele kosten per ton moeten dalen om ervoor te zorgen dat er geen import meer plaatsvindt als het importverbod later wordt afgeschaft.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: Bij de wereldmarktprijs van 25 UR geldt Qv = −2 ×25 + 100 = 50. De aanbodfunctie moet zodanig veranderen dat kan gelden Qa = Qv = 50. Dit aanbod wordt bij de oude aanbodfunctie geleverd als 4P − 80 = 50. Hiervan is sprake bij een prijs van 32,50 UR. De variabele kosten per ton moeten dalen met 32,50 − 25 = 7,50 UR. (2)

Vraag 5 1 punt

Verklaar dat ook de gemiddelde vaste kosten kunnen dalen als gevolg van het importverbod.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Dankzij het importverbod kunnen binnenlandse voedselproducenten op grotere schaal produceren, waardoor schaalvoordelen kunnen worden gerealiseerd / de gemiddelde vaste kosten kunnen dalen. (1)

Voor het slagen van dit protectionistische beleid moet het voor de marktpartijen voldoende geloofwaardig zijn dat de overheid na een bepaalde periode een einde zal maken aan het importverbod.

Vraag 6 1 punt

Leg dit uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Alleen als de voedselproducenten ervan uitgaan dat het importverbod zal worden afgeschaft, zullen zij mogelijk doordrongen zijn van de noodzaak van het verrichten van de nodige investeringen, om de kosten te verlagen / te kunnen concurreren nadat de import weer wordt vrijgegeven. (1)

Opgave 2 Monetair beleid goed geregeld

De centrale bank (CB) van een land streeft er naar om door beïnvloeding van de rente de stijging van het algemene prijspeil op jaarbasis op 2% te houden. Elke maand stelt de CB de rente vast, waarbij zij uitgaat van de meest recente inflatiecijfers. De beleidsrente bepaalt zij op basis van het verschil tussen de actuele inflatie en de inflatiedoelstelling: Rb = Ia + 2 + 0,5(Ia

  • Id)

De symbolen hebben de volgende betekenis (in procenten): Rb = de nominale beleidsrente Ia = actuele inflatie Id = inflatiedoelstelling

Met het hanteren van deze regel zal volgens de CB bij een lichte deflatie weliswaar gekozen worden voor een negatieve nominale rente, maar zal de reële rente positief kunnen blijven.

Vraag 7 2 punten

Bereken bij welke actuele deflatie de reële rente gezakt zou zijn tot een waarde van nul, uitgaande van de inflatiedoelstelling.

Bekijk het antwoord
  • Als de inflatiedoelstelling Id = 2, wordt de beleidsregel: Rb = Ia + 2 + 0,5(I a − 2) → Rb = 1,5 I a + 1 De reële rente is nul als Rb = Ia (1)
  • 1,5 I a + 1 = Ia → 0,5 I a = −1 I a = −2 (De reële rente is nul bij een actuele deflatie van 2%) (1)

Vraag 8 1 punt

Verklaar waarom banken in problemen kunnen komen als de nominale rente negatief zou worden.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Als de nominale rente negatief zou worden, zal het publiek (op grote schaal) kunnen kiezen voor het aanhouden van contant geld in plaats van tegoeden bij banken. Banken zullen hierdoor veel minder liquiditeiten hebben ter dekking van door hen te verlenen kredieten. (1)

De toepassing van de beleidsregel heeft volgens de CB in de afgelopen periode geleid tot een redelijk stabiel prijspeil. De laatste tijd is er echter sprake van een forse vraaguitval doordat de export afneemt. De CB wil vasthouden aan de bovenstaande beleidsregel. Stel dat door de vraaguitval de actuele inflatie op jaarbasis daalt van 2% naar 1%.

Vraag 9 2 punten

Leg zonder berekening uit dat de toepassing van de beleidsregel ertoe kan leiden dat de inflatie dan weer toeneemt.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste uitleg is: De beleidsrente zal lager vastgesteld worden. Daardoor wordt lenen goedkoper / sparen minder aantrekkelijk en nemen de bestedingen / consumptieve bestedingen / investeringen toe waardoor de prijzen weer zullen stijgen. (2)

Een econoom meent dat naast de inflatie ook de omvang van de werkloosheid dient te worden meegewogen bij de bepaling van de beleidsrente. Als de actuele werkloosheid wordt gerelateerd aan de werkloosheid die op lange termijn als inflatieneutraal geldt, levert dit de volgende uitgebreide beleidsregel: Rb = Ia + 2 + 0,5(Ia

  • Id) + ß(Ua
  • Un) Ua = het actuele werkloosheidspercentage Un = Non Accelerating Inflation Rate of Unemployment (NAIRU)

Vraag 10 2 punten

Leg uit dat aan de coëfficiënt ß een negatieve waarde moet worden toegekend.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juiste uitleg zijn: − Een werkloosheid hoger dan de NAIRU zal een neerwaarts effect hebben op de lonen (en zal leiden tot een lagere inflatieverwachting). Hierdoor zal de inflatie op een bepaald niveau gehouden kunnen worden bij een lagere rentestand. − Bij een werkloosheid lager dan de NAIRU zal een opwaartse druk ontstaan op de lonen (en dit zal leiden tot een hogere inflatieverwachting). Hierdoor zal een hogere rente nodig zijn om de inflatie op een bepaald niveau te houden. (2)

De NAIRU wordt geschat op 4% van de beroepsbevolking. De president van de CB vindt de nieuwe beleidsregel een goede suggestie, maar als zekerheid voor het behoud van de stabiliteit van het bankwezen wil hij de nominale rente niet onder nul laten dalen. Volgens hem kan zich een situatie voordoen met lage inflatie en hoge werkloosheid waarbij de CB de nieuwe regel dan niet meer kan hanteren. Hij gaat uit van een actuele inflatie van 1% en een ß van −0,3.

Vraag 11 2 punten

Bereken bij welke omvang van de actuele werkloosheid de CB te maken krijgt met de nulondergrens (zero lower bound) van de nominale rente.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: 0 = 1 + 2 + 0,5(1−2) − 0,3(Ua − 4) → 0 = 2,5 − 0,3Ua +1,2 0,3Ua = 3,7 → Ua = 12,3 (bij een werkloosheid van 12,3%) (2)

De president van de CB waarschuwt voor de gevolgen als de CB na invoering van de beleidsregel deze noodgedwongen toch moet loslaten. Dit zou ertoe kunnen leiden dat in de toekomst de inflatie minder stabiel zal zijn.

Vraag 12 3 punten

Leg uit dat het consequent hanteren van de regel voor het rentebeleid essentieel is voor het behoud van een stabiel prijspeil. Gebruik de volgende aspecten:

  • de geloofwaardigheid van het monetaire beleid bij het publiek
  • de inflatieverwachtingen van het publiek wanneer de beleidsregel wordt toegepast en de effecten daarvan op de uitkomst van de loononderhandelingen
Bekijk het antwoord
  • Als de CB langere tijd de beleidsregel hanteert wordt het naleven van de inflatiedoelstelling geloofwaardig / zal het publiek geloven dat de CB een afwijking van de inflatiedoelstelling altijd effectief zal bestrijden (1)
  • Werknemers en bedrijven zullen er van uit gaan dat de inflatie steeds in de buurt van het door de CB nagestreefde percentage zal blijven. Bij loononderhandelingen zullen zij zich naar dat inflatiepercentage richten (waardoor het prijspeil ook stabiel blijft) (2)

Opgave 3 Hun probleem ons probleem?

Met een voorzichtig economisch herstel in de eurozone veerde ook de Nederlandse economie eind 2014 weer op: het reëel bruto binnenlands product (bbp) groeide, het overheidstekort daalde en het positieve uitvoersaldo met de rest van de eurozone werd groter. Enkele eurolanden waar de groei achterbleef, vonden dat Nederland en andere Noord- Europese landen ruimte hadden om hun bestedingen te stimuleren, zodat in de Zuid-Europese landen het handelstekort kon verminderen. De Nederlandse overheid wilde het eigen tekort en daarmee de overheidsschuld echter niet laten stijgen, vooral met het oog op het rentetarief op staatsobligaties. Het Nederlandse uitvoersaldo (uitvoer minus invoer) als percentage van het bbp was inmiddels hoger geworden dan het door de Europese Commissie aangegeven maximum van 6%.

Vraag 13 2 punten

Verklaar dat de Nederlandse overheid door het dalende overheidstekort tegen een lager rentetarief zou kunnen lenen.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Door de daling van het overheidstekort (zal de schuld van de overheid minder hard groeien,) krijgen beleggers meer vertrouwen in de kredietwaardigheid van de overheid en kunnen zij zich bereid tonen om tegen een lagere rente aan de overheid leningen te verstrekken. (2)

Volgens een raming van het Centraal Planbureau (CPB) in 2014 zou het economisch herstel in Nederland in 2015 doorzetten. Het CPB publiceerde voor Nederland de volgende gegevens:

Tabel 1 macro-economische gegevens CPB voor Nederland

2014 2015 particuliere consumptie € 292,4 mld. € 298,9 mld. particuliere bruto-investeringen € 96,7 mld. € 101,5 mld. bruto-overheidsbestedingen € 194,8 mld. € 194,1 mld. uitvoer € 544,5 mld. ………… invoer € 474,3 mld. € 491,1 mld. nominaal bbp € 654,1mld. € 667,7 mld. overheidstekort als % van het bbp* 2,8 1,8 * einde van het jaar

Een econoom stelt dat de verwachte daling van het overheidstekort als percentage van het bbp mede wordt veroorzaakt door de verwachte toename van de particuliere bruto-investeringen.

Vraag 14 2 punten

Verklaar deze stelling. Betrek in je verklaring zowel de teller als de noemer van de berekening van het tekortpercentage.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • De toename van de bruto-investeringen kan in de naaste toekomst leiden tot toename van de belastingontvangsten van de overheid waarmee het tekort kan afnemen (teller) (1)
  • en leidt tevens tot een stijging van het bbp (noemer) (1)

Met behulp van tabel 1 kan berekend worden dat het positieve uitvoersaldo van Nederland over 2014 10,73% van het bbp bedroeg.

Vraag 15 2 punten

Toon met een berekening aan dat volgens de ramingen het uitvoersaldo van Nederland als percentage van het bbp in 2015 hoger is dan in 2014.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: (Het bbp kan bepaald worden uit de vergelijking consumptie + investeringen + overheidsbestedingen + uitvoer – invoer.) Voor 2015 geldt de berekening: 667,7 = 298,9 + 101,5 + 194,1 + uitvoer − 491,1 Uitvoer = € 564,3 mld. 564,3 − 491,1 Uitvoersaldo in % van het bbp = x 100% = 10,96% 667,7 (2)

Sommige economen zien in het groeiende uitvoersaldo en het lage overheidstekort van Nederland ruimte voor een stimuleringsbeleid. Dat zou Zuid-Europese landen helpen bij hun economisch herstel, wat op zijn beurt ook de continuïteit van de groei in Nederland zou kunnen bevorderen.

Vraag 16 2 punten

Verklaar dat een toename van de productie in de Zuid-Europese landen uiteindelijk ook kan leiden tot een toename van de Nederlandse uitvoer.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste verklaring is: De stijging van de productie in de Zuid-Europese landen zal leiden tot een toename van de inkomens en van de bestedingen. Daardoor zal ook de vraag naar importen toenemen. Dit kan leiden tot een stijging van de exportontvangsten voor Nederlandse bedrijven die aan Zuid-Europese landen leveren. (2)

Opgave 4 Middeninkomens trekken aan het kortste eind

Uit een onderzoek blijkt dat het beleid met betrekking tot het huren van woningen in verhouding weinig voordeel biedt aan mensen met middeninkomens. Zij hebben relatief weinig profijt van huurtoeslagen, die immers voornamelijk worden verstrekt aan huurders met lage inkomens. Ook profiteren mensen met middeninkomens in verhouding weinig van overheidsbeleid dat is gericht op de markt van koopwoningen.

De onderzoeker analyseert allereerst de huurwoningmarkt, geldend voor mensen met de laagste inkomens. Hij gaat uit van standaardwoningen, waarbij elke huurder eenzelfde bedrag aan huurtoeslag ontvangt. Daarvoor hanteert hij een model met een vraag- en een aanbodfunctie. Qvt = −0,5P + 8 Qa = P

  • 2

Zonder huurtoeslag zou de vraagfunctie de volgende gedaante hebben: Qv = −0,5P + 7

Qvt = vraag naar huurwoningen met huurtoeslag (× 100.000) Qv = vraag naar huurwoningen zonder huurtoeslag (× 100.000) Qa = aanbod van huurwoningen (× 100.000) P = huur per maand (× € 100)

Vraag 17 1 punt

Laat met een berekening zien dat de huurtoeslag per standaardhuurwoning € 200 per maand bedraagt.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juiste berekening zijn: Qv = −0,5P + 7 → P = −2 Qv +14 Qv t = −0,5P + 8 → P = −2 Qv t +16 De vraaglijn verschuift met 16 − 14 = 2 naar boven en dat betekent € 200 huurtoeslag per woning per maand. of Bij bijvoorbeeld een vraag naar 600.000 woningen geldt: zonder huurtoeslag: 6 = −0,5P + 7 → 0,5P = 7 − 6 = 1→ P = 2 met huurtoeslag: 6 = −0,5P + 8 → 0,5P = 8 − 2 = 2→ P = 4 Dit is een prijsverschil van € 200, zijnde het effect van de huurtoeslag. (1)

Het verstrekken van huurtoeslag beïnvloedt volgens het onderzoek de marktuitkomsten op de markt van huurwoningen. Door huurtoeslag verandert namelijk de betalingsbereidheid van huurders. Daarbij blijkt de huurtoeslag onbedoeld te leiden tot inkomensstijging van verhuurders.

Vraag 18 2 punten

Bereken hoeveel procent van de huurtoeslag per woning ten goede komt aan de verhuurders.

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor een andere juiste manier van afronden dienen ook scorepunten te worden toegekend.

Een ander onderdeel van het woonbeleid, de fiscale aftrek van de hypotheekrente, komt voornamelijk ten goede aan mensen met de hoogste inkomens. Deze wonen namelijk vaak in relatief dure koopwoningen, en bovendien werkt het progressieve stelsel van inkomstenbelasting in hun voordeel.

Vraag 19 2 punten

Leg uit dat door elk van beide genoemde factoren, mensen met de hoogste inkomens het meest profiteren van de fiscale aftrek van hypotheekrente.

Bekijk het antwoord
  • Mensen met hogere inkomens wonen in verhouding meer in een koophuis dan mensen met lagere inkomens en kunnen daarbij hypotheekrente aftrekken / Mensen met hogere inkomens kunnen gemiddeld een groter bedrag aan hypotheekrente aftrekken dan mensen met lagere inkomens met een koopwoning (doordat zij een duurder huis bewonen met een hogere hypotheekschuld) (1)
  • Door de progressie bij de inkomstenbelasting krijgen mensen met hogere inkomens een groter (procentueel) belastingvoordeel bij de aftrek van eenzelfde bedrag aan hypotheekrente (aangezien het marginale tarief hoger is) (1)

De onderzoeker stelt dat aan het ongewenste prijseffect van de huurtoeslag weinig is te doen. Hij betoogt dat er wel mogelijkheden zijn om de denivellerende effecten van de hypotheekrenteaftrek tegen te gaan en stelt een combinatie van drie maatregelen voor, waarbij de ontvangsten van de overheid per saldo niet zullen worden aangetast:

  • verlaging van de maximale belastingteruggave over de hypotheekrente van 50% (het tarief van de hoogste inkomensschijf) naar 40%;
  • beperking van de fiscale aftrek van hypotheekrente tot een maximale hypotheekschuld van € 400.000 (bij een hogere schuld wordt voor de aftrek uitgegaan van € 400.000);
  • verlaging van het marginale belastingtarief voor de middelste inkomensschijf van 42% naar 40%.

Vraag 20 2 punten

Verklaar dat dit voorstel een nivellerend effect kan hebben tussen de hoogste inkomens en de middeninkomens. Betrek alle drie onderdelen van het voorstel in je antwoord.

Bekijk het antwoord
  • Mensen met de hoogste inkomens kunnen een lager bedrag aan hypotheekrente aftrekken en krijgen over het bedrag aan rente dat ze mogen aftrekken een lager (procentueel) belastingvoordeel (1)
  • Vooral mensen met middeninkomens zullen profiteren van de verlaging van het marginale belastingtarief van de middelste schijf (1)

Vraag 21 2 punten

Verklaar dat deze combinatie van maatregelen kan worden ingevoerd zonder dat de ontvangsten van de overheid per saldo hoeven terug te lopen.

Bekijk het antwoord
  • De eerste twee maatregelen betekenen een vermindering van het belastingvoordeel voor mensen met de hoogste inkomens / leiden tot een toename van de belastingontvangsten van de overheid (1)
  • Met de verkregen toename van de belastingontvangsten kan de overheid de verlaging van het marginale belastingtarief voor de middelste inkomensschijf compenseren (1)

Opgave 5 Pensioen: inpakken en wegwezen

Tot nu toe worden aanvullende pensioenen in Nederland uitsluitend uitgekeerd als een bedrag per maand. Uit onderzoek blijkt echter dat veel pensioengerechtigden de voorkeur hebben om een deel van dit pensioen als een bedrag ineens te ontvangen, dat wordt uitgekeerd op de datum van pensionering. Econoom Theuns, werkzaam bij een pensioenfonds, geeft een overzicht welke keuze dit fonds dan aan pensioengerechtigden kan bieden. Hij gaat ervan uit dat pensioendeelnemers vanaf de leeftijd van 67 jaar recht hebben op pensioen. Hoe groter het deel van de pensioenpot is dat wordt ingezet voor een bedrag ineens, des te lager is het resterende deel van de pensioenpot dat wordt ingezet voor maandelijkse uitkeringen. Figuur 1 geeft de mogelijke combinaties van uitkeringen weer.

Figuur 1 combinaties van keuzemogelijkheden voor pensioen

bedrag ineens 100 in % van de 90 pensioenwaarde 80 70 60 50 40 30 20 10 0

0 0,06 0,12 0,18 0,24 0,30 0,36 0,42 0,48 0,54 0,60 maandelijkse uitkering in % van de pensioenwaarde

Een pensioendeelnemer heeft bij pensionering een verwachte pensioenwaarde van € 200.000, en wil hiervan maandelijks minstens € 480 aan pensioenuitkering ontvangen.

Vraag 22 2 punten

Bereken aan de hand van figuur 1 het bedrag dat deze deelnemer dan maximaal ineens kan ontvangen bij het bereiken van de pensioenleeftijd.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: 480 × 100% = 0,24% 200.000 Bij 0,24% maandelijkse uitkering kan 60% van de pensioenwaarde ineens opgenomen worden. Dat is 0,60 × € 200.000 = € 120.000. (2)

Vraag 23 1 punt

Verklaar waarom bij deelname aan een pensioenstelsel gesproken kan worden van ‘ruilen over de tijd’.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Consumptie tijdens de werkzame fase van het leven wordt opgeofferd voor consumptie na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. (1)

Er zijn omstandigheden die pensioenfondsen ertoe kunnen aanzetten om de percentages voor de maandelijkse pensioenuitkeringen in de loop der tijd bij te stellen. Theuns voorziet dat het verwachte beleggingsrendement waarop figuur 1 is gebaseerd, zal dalen. Met het oog daarop waarschuwt hij de pensioendeelnemer dat in de loop der jaren zijn maandelijkse bedrag kan worden verlaagd.

Vraag 24 2 punten

Leg deze waarschuwing van Theuns uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Het pensioenfonds kan de pensioenwaarde beleggen tot de maandelijkse uitkeringen gedaan moeten worden (1)
  • De daling van het rendement zorgt ervoor dat er in de toekomst minder vermogen beschikbaar is voor de uitkeringen (1)

Een collega merkt op dat pensioengerechtigden bij de keuze tussen een bedrag ineens en maandelijkse uitkeringen hun tijdsvoorkeur en ook hun levensverwachting zullen betrekken. De kans bestaat dat mensen met een (op medische indicatie gebaseerde) korte levensverwachting eerder zullen kiezen om hun hele pensioendeel alvast in één keer te laten uitbetalen.

Vraag 25 1 punt

Leg uit dat deze keuze voor pensioenfondsen kostbaar is in vergelijking met een maandelijkse uitkering tot het levenseinde.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Als pensioenen uitsluitend worden uitgekeerd als een maandelijks bedrag tot aan het levenseinde, zijn pensioendeelnemers die vroeg overlijden voor het pensioenfonds een financiële ‘meevaller’. Als deze mensen kunnen kiezen om hun hele pensioendeel ineens te ontvangen is dat in verhouding duur voor het pensioenfonds. (1)

In tabel 1 presenteert Theuns uitkomsten van een onderzoek naar de levensverwachting van pensioengerechtigden.

Tabel 1 inschatting van de levensverwachting bij 65-jarigen

geslacht percentage dat 75 jaar of ouder wordt door personen demografisch zelf geschat i. bepaald ii. man 63% 82% vrouw 69% 90% i. percentage van de geïnterviewde personen dat verwacht een leeftijd te bereiken van 75 jaar of hoger ii. percentage op basis van demografisch onderzoek

Vraag 26 1 punt

Is het in het huidige systeem van enkel maandelijkse betalingen, voor het pensioenfonds financieel aantrekkelijker om meer mannen of meer vrouwen in bestand te hebben? Licht je antwoord toe aan de hand van de gegevens uit tabel 1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • mannen Een voorbeeld van een juiste toelichting is: De demografisch bepaalde levensverwachting van mannen is lager dan die van vrouwen (zodat voor mannen de uitkeringsperiode gemiddeld korter is). (1)

Theuns concludeert dat keuzevrijheid, samen met een onjuiste inschatting van de eigen levensverwachting, voor veel pensioengerechtigden ertoe kan leiden dat ze op enig moment in de toekomst hun gewenste levensstandaard niet meer kunnen behouden.

Vraag 27 2 punten

Verklaar deze conclusie. Gebruik tabel 1.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Meer mensen verwachten dat ze geen 75 jaar oud worden dan op basis van objectieve cijfers wordt voorspeld. Deze mensen zullen eerder kiezen voor een vast bedrag ineens (omdat zij inschatten dat ze daarmee in totaal tot hun overlijden over een hoger inkomen kunnen beschikken). Een deel zal toch een hogere leeftijd bereiken dan door henzelf verwacht, en loopt dan de kans dat het resterende pensioenbedrag ontoereikend zal zijn om de gewenste levensstandaard te kunnen behouden. (2)

Opgave 6 Overheid in de greep van markten

In een land zijn de uitgaven van de overheid jarenlang sterk gegroeid. De belastingen zijn hoog in verhouding tot het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking en de loonkosten per product zijn over het algemeen hoog. De internationale concurrentiepositie van het land is verslechterd. De groei van het bruto binnenlands product (bbp) is de laatste jaren achtergebleven bij die van de belangrijkste buitenlandse handelspartners. Ondertussen is het overheidstekort flink opgelopen. Op de valutamarkt, de vermogensmarkt en de goederenmarkt zijn zowel binnenlandse als buitenlandse vragers en aanbieders actief. Op de arbeidsmarkt zijn alleen binnenlandse vragers en aanbieders actief. Hier is sprake van neerwaartse loonstarheid waardoor werkloosheid kan ontstaan. Met het oog op de geschetste problemen verricht een commissie van het ministerie van Economische Zaken onderzoek naar het overheidssaldo en de werkloosheid. De commissie stelt dat de effectiviteit van overheidsbeleid afhankelijk is van ontwikkelingen op de vermogensmarkt, de valutamarkt, de goederenmarkt en de arbeidsmarkt.

Vraag 28 1 punt

Noem een oorzaak van neerwaartse loonstarheid.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juiste oorzaak zijn: − Op de arbeidsmarkt is sprake van cao’s / langlopende contracten. (Hierdoor kunnen op korte termijn de lonen niet neerwaarts worden aangepast aan veranderende marktomstandigheden.) − De overheid kan met regelgeving de mogelijkheden voor neerwaartse loonaanpassingen beperkt hebben (zoals wettelijk minimumloon). (1)

Vraag 29 2 punten

Leg uit dat de verslechtering van de internationale concurrentiepositie van het land ertoe kan hebben bijgedragen dat het overheidstekort is opgelopen. Ga in je verklaring uit van een doorwerking vanuit de goederenmarkt naar de arbeidsmarkt.

Bekijk het antwoord
  • Een verslechtering van de concurrentiepositie kan hebben geleid tot vermindering van de vraag op de goederenmarkt, tot afname van de productie en tot vermindering van de vraag naar arbeid, waardoor (bij starre lonen) werkloosheid ontstaat (1)
  • Als gevolg van werkloosheid kunnen inkomens wegvallen, waardoor de overheid minder belasting binnenkrijgt / meer uitkeringen moet verstrekken, met als gevolg een toename van het overheidstekort (1)

De commissie constateert dat beleggers door ontwikkelingen op de valutamarkt hun vertrouwen kunnen verliezen om in staatsobligaties van dit land (uitgedrukt in de nationale valuta) te beleggen.

Vraag 30 2 punten

Leg uit dat de verslechtering van de concurrentiepositie van het land ertoe kan hebben bijgedragen dat de overheid te maken krijgt met een hoger te betalen rentepercentage over staatsobligaties. Ga hierbij uit van een doorwerking vanuit de goederenmarkt, via de valutamarkt naar de vermogensmarkt.

Bekijk het antwoord
  • Een verslechtering van de internationale concurrentiepositie kan hebben geleid tot een afname van de (buitenlandse) vraag naar goederen en diensten, waardoor er minder vraag is naar de eigen valuta en de wisselkoers daalt (1)
  • Dit leidt tot daling van het vertrouwen van beleggers waardoor deze terughoudend worden om in het land te beleggen. De vermogensmarkt verkrapt hierdoor waardoor het rentepercentage kan oplopen (waartegen ook de overheid moet lenen) (1)

Een politicus pleit voor extra overheidsbestedingen op de goederenmarkt om de werkloosheid te bestrijden. De commissie heeft als kritiek dat dit plan zou kunnen leiden tot een verder oplopend overheidstekort, als gevolg waarvan de werkloosheid zelfs zou kunnen toenemen.

Vraag 31 1 punt

Leg uit dat het door de politicus voorgestelde beleid kan leiden tot een daling van de werkloosheid.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Als de overheid meer besteedt op de goederenmarkt, zal deze extra vraag leiden tot een toename van de productie (en van de vraag naar arbeid), waardoor de werkloosheid kan afnemen. (1)

Vraag 32 3 punten

Leg uit dat het voorstel van de politicus via de vermogensmarkt kan leiden tot een stijging van de werkloosheid.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste uitleg is: • Als de overheid meer besteedt op de goederenmarkt kan het overheidstekort toenemen waardoor de overheid moet lenen op de vermogensmarkt. Hierdoor stijgt de rente (1) • Dit kan leiden tot een afname van de vraag op de goederenmarkt doordat: − lenen onaantrekkelijker / sparen aantrekkelijker wordt zodat consumptieve bestedingen zullen afnemen / bedrijven minder zullen investeren. of − beleggers meer in het land willen beleggen, de vraag naar de eigen valuta toeneemt en de wisselkoers ten opzichte van andere valuta stijgt. Hierdoor worden de producten van het land in het buitenland duurder en kan er minder worden geëxporteerd. De productie en de vraag naar arbeid nemen zodoende af, waardoor de werkloosheid in het land kan toenemen (2) (3)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Economie 2018, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-1/vw-1022-a-18-1-o

Andere examens economie vwo

Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie vwo 2018, tijdvak 1?

Het centraal examen economie vwo 2018, tijdvak 1 telt 32 vragen. De meeste vragen gaan over internationale handel (8), overheid en belastingen (7) en geld en inflatie (6).

Wat zijn de antwoorden van het examen economie vwo 2018, tijdvak 1?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van economie vwo 2018, tijdvak 1?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-1/vw-1022-a-18-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.

Hoe oefen ik met het examen economie vwo 2018, tijdvak 1 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.