Eindexamen economie vwo 2024, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Duopolis, Opgave 2 Schuiven met schuld, Opgave 3 Beleidsdilemma, Opgave 4 Stikstofheffing, Opgave 5 Cyberrisicoverzekering, Opgave 6 Trilemma.

Kort antwoord

Het centraal examen economie vwo 2024, tijdvak 2 telt 29 vragen. De meeste vragen gaan over internationale handel (7), overheid en belastingen (6) en risico en verzekeren (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen economie vwo 2024, tijdvak 2. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Internationale handel17-19, 21, 27-297
Overheid en belastingen6-10, 166
Risico en verzekeren22-265
Conjunctuur12-154
Speltheorie2-3, 53
Marktvormen1, 42
Arbeidsmarkt111
Vraag en aanbod201

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens economie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over internationale handel (24% van de vragen, gemiddeld 10%) en risico en verzekeren (17% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over geld en inflatie (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en inkomen en consumptie (0% van de vragen, gemiddeld 9%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie vwo 2024, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie vwo 2024, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie vwo 2024, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Opgave 1 Duopolis

In het afgelegen stadje Duopolis zijn twee supermarkten gevestigd: Lucrum en Civitas. Beiden verkopen hun boodschappen alleen door middel van boodschappenpakketten. De twee bedrijven bieden allebei identieke boodschappenpakketten aan. Lucrum streeft naar maximale winst. Civitas hanteert als bedrijfsdoel een sociale norm: ten minste 80% van de huishoudens moet hun boodschappen doen in Duopolis, zodat mensen niet ver hoeven te reizen. Ze bieden elk het aantal pakketten aan zodat zij aan hun bedrijfsdoel voldoen. Marktonderzoek heeft het volgende model opgeleverd:

aantal huishoudens 30.000 vraag naar boodschappen Qv = 30.000

  • 100P omzet Lucrum TOLucrum = P x qLucrum omzet Civitas TOCivitas = P x qCivitas afzet boodschappen Duopolis Qv = qLucrum + qCivitas kosten Lucrum TKLucrum = 30qLucrum + 100.000 kosten Civitas TKCivitas = 30qCivitas + 100.000

− Qv = wekelijkse afzet boodschappenpakketten in Duopolis;

  • P = prijs van een boodschappenpakket in euro’s;
  • Huishoudens kopen 0 of 1 pakket per week;
  • De betalingsbereidheid van een huishouden is afhankelijk van het inkomen.

Vraag 1 1 punt

Bereken de prijs van een boodschappenpakket als Civitas monopolist is en de sociale norm hanteert.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: (Als Civitas monopolist is, wil ze 80% van de huishoudens bedienen.) Qv = 80% van 30.000 = 24.000 24.000 = 30.000 – 100P P = € 60 (1)

De manager van Lucrum maakt een analyse op basis van matrix 1.

Matrix 1 Winsten Lucrum en Civitas (x € 1.000) in een herhaald spel

qCivitas = 12.000 qCivitas = 15.000 qCivitas = 18.000 qLucrum = 6.000 440 ; 980 260 ; 800 80 ; 440 qLucrum = 10.000 400 ; 500 100 ; 200 -200 ; -280 qLucrum = 12.000 260 ; 260 -100 ; -100 -460 ; -640

Vraag 2 2 punten

Toon met een berekening aan dat de winst van Lucrum in de cel linksboven € 440.000 bedraagt.

Bekijk het antwoord
  • De totale productie (Q) is 6.000 + 12.000 = 18.000. De marktprijs is daarmee: 18.000 = 30.000 – 100P (100P = 12.000 ) P = € 120. (1)
  • TOLucrum = € 120 x 6.000 = € 720.000 TKLucrum = € 30 x 6.000 + 100.000 = € 280.000 TWLucrum = € 720.000 – € 280.000 = € 440.000 (1)

In de uitgangssituatie (nog voor het onderzoek) bieden zowel Lucrum als Civitas 12.000 boodschappenpakketten aan. De manager van Lucrum concludeert: “Als we op basis van de matrix onze dominante strategie volgen, zijn we vanwege de sociale norm van Civitas, op termijn slechter af dan in de uitgangssituatie.”

Vraag 3 3 punten

Leg de conclusie van de manager van Lucrum uit.

Bekijk het antwoord
  • De dominante strategie van Lucrum is om de productie te verlagen tot 6.000 producten (want 440 > 400 > 260; 260 > 100 > -100 en 80 > -200 > -460). (1)
  • Civitas zal streven naar minimaal (80% van 30.000 =) 24.000 pakketten en zal daardoor (in de volgende week) het aanbod verhogen naar 18.000. (1)
  • De winst van Lucrum daalt daardoor naar € 80.000 per week, dus zijn ze slechter af dan met een winst van € 260.000. (1)

De directeur van Civitas wil prijsdiscriminatie toepassen voor mensen met een betalingsbereidheid onder de huidige verkoopprijs. De gemeente kan de huishoudens opdelen in vijf even grote inkomensgroepen, en geeft per week een kortingscode op naam aan uitsluitend de armste groep.

Vraag 4 2 punten

Beargumenteer of het plan van de directeur voldoet aan de twee voorwaarden van prijsdiscriminatie.

Bekijk het antwoord
  • Een juist antwoord bevat: • een uitleg dat er wordt voldaan aan het scheiden van deelmarkten. (1) • een uitleg of er wordt voldaan aan het vermijden van onderlinge doorverkoop. (1) Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Door de kortingscode op naam te verschaffen, worden deelmarkten onderscheiden. (1) • Een boodschappenpakket kan na aankoop worden doorverkocht, waardoor er niet aan (deze voorwaarde van) prijsdiscriminatie wordt voldaan. (1) of • Door de kortingscode op naam te verschaffen, worden deelmarkten onderscheiden. (1) • Een boodschappenpakket wordt na aankoop niet doorverkocht, omdat huishoudens hiervan afhankelijk zijn en elders niet / lastig aan boodschappen kunnen komen. (1) (2)

Civitas denkt alle huishoudens te kunnen voorzien van boodschappen, als er een subsidie komt vanuit de gemeente. Civitas overweegt om een van de drie prijsvoorstellen te doen. Deze zijn weergegeven in spelboom 1. De gemeente kan met Civitas een deal sluiten of zelf de voedselvoorziening regelen voor de armste groep. In alle voorstellen heeft iedereen te eten. De gemeente streeft naar zo laag mogelijke kosten, en Civitas wil ook winst maken.

Spelboom 1 Winsten Civitas en kosten van de gemeente

deal sluiten

gemeente

zelf regelen marktprijs

deal sluiten kleine marge Civitas gemeente

zelf regelen

kostprijs deal sluiten

gemeente

zelf regelen

Toelichting: alle prijzen van Civitas zijn inclusief een (eventuele) subsidie.

Vraag 5 2 punten

Leg uit welke uitkomst tot stand zal komen. Noem daarbij getallen uit de spelboom.

Bekijk het antwoord
  • Bij de marktprijs zal de gemeente het zelf regelen, want € 150.000 < € 180.000. Bij een kleine marge en de kostprijs zal de gemeente de deal accepteren, want € 135.000 < € 150.000 en € 90.000 < € 150.000. (1)
  • Civitas heeft dus de keuze tussen € 0 winst bij de marktprijs, € 45.000 bij een kleine marge en € 0 bij aanbieden tegen kostprijs. De uitkomst is: kleine marge, deal sluiten / € 45.000 ; € 135.000. (1)

Opgave 2 Schuiven met schuld

Anderland heeft alleen een handelsrelatie met het buurland, Betaland. Anderland verkeert in 2018 in een laagconjunctuur onder invloed van de sterk inzakkende economie van Betaland. De overheid van Anderland wil de conjuncturele werkloosheid verminderen en overweegt stimulerend begrotingsbeleid. Een econoom gebruikt figuur 1 om de effectiviteit van het overheidsbeleid te onderzoeken. Anderland heeft een progressief belastingstelsel. De aanname is dat hogere inkomens gemiddeld een lagere marginale consumptiequote hebben dan lagere inkomens.

Figuur 1 Economische kringloop Anderland 2018

Legenda: Y = arbeidsinkomen I = investeringen

B = belastingen M = import

C = consumptie S = besparingen

E = export O = totale overheidsuitgaven aan gezinshuishoudens en producenten

Het overheidstekort van Anderland mag maximaal 3% van het bbp bedragen.

Vraag 6 2 punten

Bereken of het overheidssaldo aan deze eis voldoet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het overheidstekort is (B – O) = 100 – 40 – 80 = -20. Het inkomen is C + B + S = 110 + 100 + 110 = 320. (1)
  • Het overheidstekort als percentage van het bbp = (-20 / 320) x 100% = 6,25%. Het overheidssaldo voldoet niet aan de eis (van maximaal 3%). (1)

Vraag 7 2 punten

Leg uit dat bij progressieve inkomstenbelastingen de effectieve vraag in een economische neergang minder hard daalt dan bij proportionele inkomstenbelastingen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Door het progressieve belastingstelsel zal een daling van het bbp leiden tot een relatief minder sterke daling van het (totale) besteedbaar inkomen, (1)
  • waardoor consumptie / bestedingen relatief minder daalt/dalen (en daarmee dus de geaggregeerde vraag). (1)

De econoom stelt: “Vanwege de open aard van de economie zal stimulerend begrotingsbeleid een beperkt effect hebben op de afname van de werkloosheid.”

Vraag 8 2 punten

Leg de stelling van de econoom uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Stimulerend begrotingsbeleid leidt tot meer bestedingen en tot meer inkomen. Hierdoor zal de import toenemen, waardoor bestedingen weglekken naar Betaland (importlek). (1)
  • Dit leidt tot een beperktere stijging van de productie en van de vraag naar arbeid. Hierdoor zal de werkloosheid (in Anderland) beperkt afnemen. (1)

De econoom gebruikt tabel 1 om de toekomstige effecten van het beleid van de overheid van Anderland te analyseren. De econoom neemt aan dat de overheid in 2020 en 2021 geen aanvullende anticyclische maatregelen neemt.

Tabel 1 Nominale groei bbp en ontwikkeling staatsschuldquote

jaartal nominale groei bbp in staatsschuldquote in % % (t.o.v. vorig jaar)

2016 0,3 55

2017 2,2 52

2018 0,2 53

2019 2,0 50

2020 -4,0 60

2021 -5,0 70

Vraag 9 2 punten

Bereken aan de hand van tabel 1 de procentuele toename van de nominale waarde van de staatsschuld tussen 2019 en 2021. Neem 2019 als basisjaar.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een juist antwoord bevat: • een berekening van het indexcijfer van het bbp in 2021. (1) • een berekening van de indexcijfers van de staatsschuld in 2019 en 2021 en de procentuele toename van de staatsschuld in die periode. (1) Een voorbeeld van een juiste berekening is: • (Het indexcijfer bbp 2019 = 100) indexcijfer bbp 2021 = 100 x 0,96 x 0,95 = 91,2. (1) • indexcijfer staatsschuld 2019 = bbp x SSQ = 100 x 0,50 = 50 indexcijfer staatsschuld 2021 = bbp x SSQ = 91,2 x 0,70 = 63,84 procentuele toename staatsschuld = (63,84 – 50) / 50 x 100% = 27,68% toename. (1) (2)

De econoom beweert: “Anticyclisch begrotingsbeleid leidt tot een staatsschuld en gegeven de doelstelling van de overheid zullen de lasten daarvan bij de toekomstige belastingbetalers terechtkomen.”

Vraag 10 2 punten

Leg de bewering van de econoom uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: De overheid heeft als doelstelling om de conjuncturele werkloosheid te verminderen. Bij anticyclisch begrotingsbeleid zullen de overheidsuitgaven toenemen, waardoor er een tekort ontstaat. Het verminderen van het overheidstekort zal leiden tot bezuinigingen / belastingverhogingen, waardoor de werkloosheid zal toenemen. De overheid zal dan de staatsschuld laten oplopen en de aflossingen / rentebetalingen doorschuiven naar een toekomstige generatie. (2)

Opgave 3 Beleidsdilemma

De economie van de eurozone is vanuit een situatie met een output gap van nul (Y0=Y*) terechtgekomen in een laagconjunctuur (Y1). Een econoom gebruikt het IS-MB-GA-model om de regeringsleiders van de eurozone van economisch advies te voorzien. De econoom gaat ervan uit dat de landen naast een gezamenlijk monetair beleid ook een gezamenlijk begrotingsbeleid gaan voeren.

Figuur 1 Het IS-MB-GA-model van de eurozone in een laagconjunctuur

Vraag 11 1 punt

Geef een verklaring dat er in de uitgangssituatie (Y0) sprake is van natuurlijke werkloosheid.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Natuurlijke werkloosheid kan ontstaan omdat er te weinig arbeidsplaatsen in de economie zijn / vanwege te grote macht van vakbonden / een minimumloon / naar het buitenland verplaatste arbeid. (1)

Door de laagconjunctuur verschuift de IS-curve van IS0 naar IS1.

Vraag 12 2 punten

Leg uit dat de laagconjunctuur leidt tot een lagere inflatie en een lagere productie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Door de laagconjunctuur ontstaat er een lager inkomen en dus een negatieve output gap. Omdat de (geaggregeerde) vraag lager is dan het (geaggregeerde) aanbod, zal de inflatie dalen. (1)
  • Omdat de inflatie lager is dan de verwachte inflatie, stijgen de reële productiekosten en zullen bedrijven hun productie verlagen. (1)

De regeringsleiders van de eurozone komen in crisisberaad bij elkaar om een gezamenlijk begrotingsbeleid te voeren. Een regeringsleider behoort tot de klassieke economen en beweert: “De productie zal niet reageren op stimulerend begrotingsbeleid. Er moet een curve in het IS-MB-GA-model anders worden getekend om dit duidelijk te maken.”

Vraag 13 2 punten

Geef aan welke curve anders had moeten worden getekend en leg uit hoe deze curve zal verlopen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Als de productie niet reageert op (stimulerend) begrotingsbeleid zal de GA-curve anders verlopen. (1)
  • De GA-curve zal verticaal verlopen, omdat er bij toenemende bestedingen een perfecte prijsaanpassing is (en er dus geen effect is op Y). (1)

De gemiddelde staatsschuldquote van de eurozone is nu 84%. Beleggers schatten het risico van beleggen in staatsobligaties hoog in. De regeringsleiders stellen: “Door deze inschatting zal het voeren van stimulerend begrotingsbeleid niet haalbaar zijn.”

Vraag 14 2 punten

Leg de stelling van de regeringsleiders uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Door het voeren van stimulerend begrotingsbeleid zullen de staatsschulden oplopen, waardoor het risico op wanbetaling toeneemt. Beleggers zullen een hogere rente op staatsobligaties eisen. (1)
  • Als landen hierdoor hogere rentelasten krijgen (die ze mogelijk niet kunnen betalen), zullen de overheidsuitgaven moeten verminderen, waardoor stimulerend beleid niet haalbaar is. (1)

De econoom laat met het IS-MB-GA-model zien dat de inflatie en de rente zullen veranderen over de tijd, zodat er weer een output gap van nul ontstaat. Neem aan dat de centrale bank de nominale rente zo aanpast dat de reële rente (r) stapsgewijs met 1 procentpunt daalt. De centrale bank en de overheid voeren geen stimulerend beleid.

Vraag 15 3 punten

Geef de aanpassing van de economie weer over de tijd. Doe het als volgt:

  • Teken in de uitwerkbijlage de verschuivingen van de relevante curven tot en met het moment dat de output gap weer nul wordt.
  • Vul in de tabel in de uitwerkbijlage de reële rente (r) en de inflatie (π) in bij een output gap van nul.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerking Voor het toekennen van het derde scorepunt geldt dat de inflatie boven de 3,1% en onder de 3,7% moet zijn geschat .

Opgave 4 Stikstofheffing

De overheid wil in de periode tot 2030 de binnenlandse uitstoot van stikstof door producenten beperken via een heffing, onder andere voor de vervuilende staalindustrie. Econoom Piethaan analyseert de effecten van een eventuele stikstofheffing.

Vraag 16 1 punt

Geef een verklaring dat een stikstofheffing via de producenten kan leiden tot een afname van de stikstofuitstoot door producenten.

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Producenten kunnen, om de heffing te voorkomen, investeren in schonere technieken, waardoor de stikstofuitstoot daalt. − Producenten kunnen een deel van de heffing afwentelen op de consumenten, waardoor de vraag daalt en dus de productie daalt. Hierdoor daalt de stikstofuitstoot. (1)

Op de binnenlandse staalmarkt concurreert de enige binnenlandse staalproducent, Archy, met buitenlandse producenten. De staalverwerkende industrie is de vrager op de binnenlandse staalmarkt. Piethaan onderzoekt met behulp van de Armington-elasticiteit de gevolgen van een stikstofheffing op de afzet van Archy.

procentuele verandering importvolume Armington-elasticiteit = procentuele verandering prijs binnenlands product

Vraag 17 2 punten

Leg uit dat een grotere Armington-elasticiteit leidt tot een hogere binnenlandse effectiviteit van de stikstofheffing.

Bekijk het antwoord
  • Een juist antwoord in relatie tot de context bevat: • een juiste uitleg via de Armington-elasticiteit dat er substitutie plaatsvindt. (1) • een juiste uitleg dat de stikstofheffing leidt tot hogere binnenlandse prijzen en dat de productie afneemt, waardoor de heffing effectiever is. (1) Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Hoe groter de Armington-elasticiteit, hoe meer binnenlands geproduceerd staal wordt gesubstitueerd door geïmporteerd staal. (1) • Een stikstofheffing zorgt dan voor een relatief grote afname van de binnenlandse productie, waardoor ook de (binnenlandse) stikstofuitstoot relatief sterk afneemt (en de heffing effectief is). (1) (2)

De staalverwerkende industrie vraagt om 9 miljoen ton staal. Archy levert in de uitgangssituatie 7,333 miljoen ton staal. De rest wordt geïmporteerd. Na invoering van de stikstofheffing blijft de totale binnenlandse vraag naar staal 9 miljoen ton.

Figuur 1 Opbrengsten en kosten Archy

Archy streeft naar maximale totale winst. Voor Archy geldt in de uitgangssituatie: GO = –60Q + 980 MK1 = 100

Een stikstofheffing zal leiden tot een stijging van de marginale kosten met 40%.

Vraag 18 2 punten

Toon met een berekening aan dat de binnenlandse prijs van Archy na de stikstofheffing € 560 per ton is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De marginale kosten (MK1 = 100) stijgen met 40% naar 140 (= MK2). GO = –60Q + 980 TO = (GO x Q) = –60Q² + 980Q MO = –120Q + 980 (1)
  • MO = MK2 –120Q + 980 = 140 Q = 7 miljoen ton GO = –60 x 7 + 980 = € 560 per ton. (1)

Gebruik figuur 1, de tekst boven figuur 1 en de formule van de Armington- elasticiteit.

Vraag 19 2 punten

Bereken de hoogte van de Armington-elasticiteit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een juist antwoord bevat: • een berekening van de procentuele verandering van de binnenlandse prijs en de procentuele verandering van de geïmporteerde hoeveelheid staal. (1) • een berekening van de Armington-elasticiteit. (1) Een voorbeeld van een juiste berekening is: • De (binnenlandse) prijs was 540 en stijgt naar 560. De procentuele verandering van de prijs is (560 – 540) / 540 x 100 = 3,7%. Geïmporteerd staal stijgt van 1,667 (9 – 7,333) naar 2 miljoen ton (9 – 7). De procentuele verandering is (2 – 1,667) / 1,667 x 100 = 20%. (1) • De Armington-elasticiteit is 20% / 3,7% = 5,4 (afgerond). (1) (2)

Piethaan: “Een stikstofheffing zal effect hebben op het producentensurplus van de binnenlandse staalmarkt, waardoor de doelmatigheid van de staalmarkt verder zal afnemen. Onze buurlanden hebben echter minder milieuregels, waardoor de mondiale maatschappelijke kosten juist kunnen toenemen.”

Vraag 20 3 punten

Analyseer het effect van de stikstofheffing op het producentensurplus in de binnenlandse staalmarkt. Doe het als volgt:

  • Arceer in de figuur in de uitwerkbijlage de veranderingen van het producentensurplus als gevolg van de stikstofheffing.
  • Geef een verklaring voor de daling van het producentensurplus.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Een voorbeeld van juiste arcering is:

indien drie arceringen juist (2) indien twee arceringen juist (1) indien een of geen arceringen juist (0)

Een voorbeeld van een juiste verklaring is: (1) Het producentensurplus daalt (per saldo), omdat de productie daalt en de marginale kosten (als gevolg van de heffing) meer stijgen (+40) dan de verkoopprijs (+20).

Vraag 21 2 punten

Leg uit dat de mondiale maatschappelijke kosten door de stikstofheffing kunnen stijgen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Door de stikstofheffing zal (een deel van) de productie verplaatst worden naar de buurlanden (de binnenlandse vraag blijft gelijk) en daar zal de vervuiling per saldo juist toenemen (omdat er minder milieuregels zijn). (1)
  • De toenemende vervuiling komt ten laste van alle landen, omdat de vervuiling niet wordt doorberekend in de prijs van geïmporteerd staal. Hierdoor zullen de mondiale maatschappelijke kosten stijgen. (1)

Opgave 5 Cyberrisicoverzekering

De laatste jaren worden steeds meer ondernemingen getroffen door hackers. Een onderneming ervaart dan financiële schade, bijvoorbeeld als de toegang tot de webshop is geblokkeerd. Een verzekeraar biedt per 1-1-2023 een cyberrisicoverzekering aan die alle financiële schade als gevolg van een hack dekt. Ook biedt de verzekering juridische hulp aan en zullen cyberspecialisten de hack verhelpen. De verzekering wordt aangeboden aan zelfstandige ondernemers zonder personeel (zzp’ers) en overige ondernemingen (zie tabel 1).

Tabel 1 Financiële gegevens verzekeraar in 2023

zzp’ers overige ondernemingen aantal ondernemingen 3.500 500 gemiddelde schade bij een € 250.000 € 1.250.000 hack kans op een hack 0,05 0,02 administratiekosten per € 100 € 200 verzekerde (variabele kosten) totale constante kosten per € 280.000 € 200.000 klantengroep

Vraag 22 1 punt

Bij welke van de twee klantengroepen is het risico voor de verzekeraar het hoogst? Verklaar je antwoord.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Het risico (verwachte schadekosten) is bij overige ondernemingen het hoogst, omdat deze kosten bij deze bedrijven 5x zo hoog zijn en de kans op een hack maar 2,5x zo klein is vergeleken met de zzp’ers. − Het risico bij zzp’ers is 250.000 x 0,05 = € 12.500. Het risico bij overige ondernemingen is 1.250.000 x 0,02 = € 25.000. Het risico is het hoogst bij overige ondernemingen. (1)

Een expert stelt: “Bij werknemers in loondienst is de kans op een hack vanwege onvoorzichtig handelen groter dan bij zzp’ers. Dat komt doordat er bij overige ondernemingen sprake is van een principaal-agentprobleem en bij zzp’ers niet.”

Vraag 23 3 punten

Leg uit dat er bij overige ondernemingen sprake is van een principaal- agentprobleem en bij zzp’ers niet.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Er is sprake van een principaal-agentprobleem bij overige ondernemingen, omdat de agent (de werknemer) moet handelen in het belang van de principaal (de werkgever). Er is sprake van tegengestelde belangen: bij een hack draagt de werknemer in loondienst niet het risico van de hack / de werknemer loopt geen risico op inkomstenderving (maar de principaal). (1)
  • Er is sprake van asymmetrische informatie, omdat de werkgever niet kan controleren of de werknemers de voorschriften volgen / serieus nemen. (1)
  • Bij zzp’ers is er geen principaal-agentprobleem, omdat zzp’ers zowel principaal als agent zijn (bij nalatig handelen door de zzp’er draagt de zzp’er ook de gevolgen van een lager inkomen). (1)

De verzekeraar stelt bij het aanbieden van de cyberrisicoverzekering een aantal preventie-eisen, waaronder het zorgen voor up-to-date beveiligingssoftware. Als ondernemingen daar niet aan voldoen, krijgen ze maar de helft van de schade uitgekeerd.

Vraag 24 2 punten

Leg uit dat de preventie-eisen het risico op averechtse selectie verminderen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Door de preventie-eisen zullen slechte risico’s (bedrijven zonder beveiligd systeem) een lagere schade-uitkering krijgen. Hierdoor dalen de kosten van de verzekeraar. (1)
  • Daarmee kan de premie voor de verzekerde dalen, waardoor goede risico’s kunnen besluiten om (toch) te verzekeren. Hierdoor daalt het risico op averechtse selectie. (1)

De verzekeraar wil een zo laag mogelijke premie hanteren. Daarom overweegt de verzekeraar per 1-1-2024 een eigen risico van € 50.000 voor zzp’ers en € 250.000 voor overige ondernemingen in te voeren.

Vraag 25 2 punten

Leg uit dat een eigen risico leidt tot zowel een verschuiving van de vraaglijn als een verschuiving langs de vraaglijn van de cyberrisicoverzekering.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een eigen risico leidt tot een lagere vraag naar verzekeringen (bij elke premie) omdat de uitbetaling bij schade lager wordt en het dus minder rendeert om de verzekering af te sluiten. Hierdoor verschuift de vraaglijn van verzekeringen naar links. (1)
  • Door het eigen risico zal de premie verlaagd kunnen worden. Een lagere prijs betekent een hoger gevraagd aantal verzekeringen (dit is een verschuiving langs de vraaglijn). (1)

De verzekeraar ziet een winstmogelijkheid bij de genoemde eigen risico’s en stelt de jaarlijkse premie vast op € 10.500 voor zzp’ers en € 20.500 voor overige ondernemingen. De expert van de verzekeraar neemt aan dat de gegevens in tabel 1 niet veranderen.

Vraag 26 3 punten

Bereken de hoogte van de winst.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Zzp’ers: de gemiddelde schade per hack (voor de verzekeraar na het invoeren van een eigen risico) is 250.000 – 50.000 = 200.000. Overige ondernemingen: de gemiddelde schade per hack is 1.250.000 – 250.000 = 1.000.000. (1)
  • Totale kosten = totale schadekosten + totale administratiekosten + totale constante kosten TK = 3.500 x (200.000 x 0,05) + 500 x (1.000.000 x 0,02) + (3.500 x 100 + 500 x 200) + 280.000 + 200.000 = € 45.930.000. (1)
  • Totale omzet = premie x afzet TO = 10.500 x 3.500 + 20.500 x 500 = € 47.000.000 TW = TO – TK = € 47.000.000 – € 45.930.000 = € 1.070.000. (1)

Opgave 6 Trilemma

Westland en Oostland vormen elkaars belangrijkste handelspartners. De economie van Westland verkeert in een laagconjunctuur met een ruime arbeidsmarkt. De economie van Oostland verkeert in een hoogconjunctuur met een krappe arbeidsmarkt. Figuur 1 toont het trilemma dat kan worden gebruikt om te analyseren welke drie beleidsopties er zijn om beide economieën in een evenwichtige situatie te krijgen.

Figuur 1 Het trilemma van monetair beleid

vaste wisselkoersen

vrij verkeer van kapitaal onafhankelijk rentebeleid centrale bank

Vraag 27 2 punten

Leg uit dat bij beleidsoptie B internationaal kapitaalverkeer moet worden beperkt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een juist antwoord bevat: • een uitleg dat een renteaanpassing leidt tot een appreciatie/depreciatie van de wisselkoers. (1) • een uitleg dat daardoor de vraag naar / het aanbod van de munt moet worden gecontroleerd. (1) Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Als de centrale bank de rente verhoogt bij een vaste wisselkoers, ontstaat er een kapitaalstroom vanuit het buitenland naar dit land omdat de rente er hoger is. Dat betekent dat de koers zal appreciëren. (1) • Om dat te voorkomen moet de centrale bank de kapitaalstroom tegenhouden en daardoor wordt het kapitaalverkeer beperkt. (1) (2)

Bij beleidsoptie A kunnen de Westlandse en Oostlandse centrale banken geen eigen rentebeleid voeren. Ze voeren dan dezelfde rente die voor Westland te hoog is en voor Oostland te laag is.

Vraag 28 2 punten

Leg uit dat het voeren van dezelfde rente tot verdere conjuncturele problemen in beide landen leidt. De introductie van vaste wisselkoersen moet in beide landen leiden tot een evenwichtige arbeidsmarkt. Dan moet er worden voldaan aan twee voorwaarden:

1 onbeperkte arbeidsmobiliteit tussen landen en sectoren

2 relatief weinig loonrigiditeit / prijsrigiditeit

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Westland zit in een laagconjunctuur en heeft behoefte aan een lage rente. De (te) hoge rente voor Westland zorgt ervoor dat bestedingen verder dalen en dat de werkloosheid relatief hoog blijft. (1)
  • In Oostland zorgt de (te) lage rente voor meer bestedingen. De (bestedings)inflatie in de hoogconjunctuur wordt dan niet bestreden en daardoor blijft de inflatie op een relatief hoog peil / blijft de arbeidsmarkt krap. (1)

Vraag 29 2 punten

Kies een van de twee voorwaarden en leg uit dat deze voorwaarde tot een evenwichtige arbeidsmarkt kan leiden in beide landen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord voor de eerste voorwaarde is: Als arbeidsmobiliteit onbeperkt mogelijk is, kunnen werklozen uit Westland makkelijker gaan werken in Oostland. Hierdoor zal de ruime arbeidsmarkt in het ene land krapper worden en de krappe arbeidsmarkt in het andere land ruimer (waardoor de markten evenwichtiger worden). Een voorbeeld van een juist antwoord voor de tweede voorwaarde is: In een laagconjunctuur zal een relatief lage loonrigiditeit / hoge flexibiliteit ervoor zorgen dat lonen zich sneller (naar beneden) aanpassen. In een hoogconjunctuur passen de lonen zich sneller aan naar boven, waardoor de arbeidsmarkt in beide landen sneller in evenwicht komt. (2)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Economie 2024, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-24-2-o

Andere examens economie vwo

Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie vwo 2024, tijdvak 2?

Het centraal examen economie vwo 2024, tijdvak 2 telt 29 vragen. De meeste vragen gaan over internationale handel (7), overheid en belastingen (6) en risico en verzekeren (5).

Wat zijn de antwoorden van het examen economie vwo 2024, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van economie vwo 2024, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2024/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-24-2-c).

Hoe oefen ik met het examen economie vwo 2024, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.