Eindexamen economie vwo 2023, tijdvak 2: vragen en antwoorden

Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Macro-economische ontwikkelingen, Opgave 2 Markt voor hoger onderwijs, Opgave 3 Kostenpost, Opgave 4 Doelbewust depreciëren, Opgave 5 Vertrouwen, Opgave 6 De woningmarkt in de knel.

Kort antwoord

Het centraal examen economie vwo 2023, tijdvak 2 loopt tot vraag 29. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over conjunctuur (9), vraag en aanbod (5) en overheid en belastingen (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.

Onderwerpen in dit examen

Onderwerp per vraag in het centraal examen economie vwo 2023, tijdvak 2, voor de vragen waarvan het onderwerp bekend is. Elke vraag is eenmalig door een AI-model bij een onderwerp ingedeeld; per vraag kan dat afwijken.
OnderwerpVragenAantal
Conjunctuur1, 3-5, 21-259
Vraag en aanbod14, 26-295
Overheid en belastingen9-11, 164
Internationale handel2, 17, 193
Inkomen en consumptie7-82
Productie en kosten13, 152
Risico en verzekeren61
Geld en inflatie181
Speltheorie201

Vergeleken met andere jaren

Vergeleken met de andere 17 examens economie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over conjunctuur (32% van de vragen, gemiddeld 10%) en vraag en aanbod (18% van de vragen, gemiddeld 6%). Minder over geld en inflatie (4% van de vragen, gemiddeld 12%) en arbeidsmarkt (0% van de vragen, gemiddeld 7%).

Opgaven en correctievoorschrift

De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.

Oefenen als leerling

Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie vwo 2023, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.

Nakijken als docent

  1. Start gratis vanaf deze pagina

    Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie vwo 2023, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.

  2. Laat de klas het examen maken

    Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.

  3. Geef de resultaten vrij

    Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.

ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.

Vragen en antwoorden

Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie vwo 2023, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.

Opgave 1 Macro-economische ontwikkelingen

De Ministers van Economische Zaken en Financiën willen van het Nationaal Bureau voor de Statistiek (NBS) weten hoe de macro- economische ontwikkeling van het land is geweest. Daarom hebben onderzoekers van het NBS een drietal onderzoeksvragen geformuleerd:

1 Heeft de economie van het land in de periode 2000-2019 beter of slechter gepresteerd dan de trendmatige groei van de voornaamste handelspartners? Het nationaal inkomen van de handelspartners groeide gemiddeld met 1% per jaar.

2 Wat is de invloed van de overheid op de conjunctuur geweest?

3 Hoe kan de structurele groei worden bevorderd?

De onderzoekers hebben een macro-economisch kringloopmodel ontwikkeld (zie figuur 1) voor de jaren 2000 en 2019. In beide onderzochte jaren was er sprake van bestedingsevenwicht.

Figuur 1 Kringloopmodel in 2000 (en 2019 tussen haakjes) in miljarden euro’s

B = belastingen

C = particuliere consumptie

E = export van goederen en diensten I = bedrijfsinvesteringen M = import van goederen en diensten O = overheidsbestedingen S = particuliere besparingen Y = nationaal inkomen (vervangingsinvesteringen en afschrijvingen blijven buiten beschouwing)

Vraag 1 1 punt

Laat met een berekening zien dat het nationaal inkomen € 350 miljard bedraagt in 2000.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: Y (in 2000) = C + I + O + E – M Y = 199 + 28 + 106 + 197 – 180 Y = 350 (1)

Vraag 2 2 punten

Heeft het land in 2000-2019 beter of slechter dan het beschreven trendmatige gemiddelde van de voornaamste handelspartners gepresteerd? Motiveer je keuze met een berekening.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Opmerkingen

  • Wanneer er wordt gerekend met een periode van 20 jaar maximaal 1 scorepunt toekennen.
  • Wanneer er wordt gerekend met een groei van 19% (19 x 1%) maximaal 1 scorepunt toekennen.

Vraag 3 2 punten

Leg aan de hand van het kringloopmodel uit of de overheid in 2019 een positieve of negatieve bijdrage heeft geleverd aan het totaal van de bestedingen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Het overheidssaldo (B – O) in 2019 is 160 – 135 = € 25 miljard. Dat wil zeggen dat de belastingen (die voor vraaguitval zorgen) groter zijn dan de totale overheidsbestedingen, die macro-economisch voor vraag naar goederen zorgen. De overheid heeft dus een negatieve bijdrage geleverd aan de bestedingen van het land. (2)

Het nationaal spaarsaldo is al jaren (sterk) positief. Vanuit het buitenland ontstaat er kritiek op het structureel positieve nationaal spaarsaldo. De onderzoekers beweren daarom: “Het nationaal spaarsaldo en het overheidssaldo in 2019 tonen aan dat de overheid begrotingsbeleid kan voeren om het handelsoverschot te beperken. Dit heeft vervolgens gevolgen voor de conjunctuur van het eigen land en de buurlanden.”

Vraag 4 2 punten

Leg de bewering van de onderzoekers uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Het nationaal spaarsaldo en het overheidssaldo zijn positief waardoor de overheid de overheidsuitgaven kan verhogen (zonder dat er een tekort ontstaat). Hierdoor stijgen de bestedingen, waardoor het inkomen toeneemt en daardoor de conjunctuur van het eigen land verbetert (1)
  • Door het stijgend inkomen stijgt de consumptie. Hierdoor stijgt de import van het land. Dit betekent voor het buitenland een toename van de export waardoor de conjunctuur van het buitenland (ook) gestimuleerd wordt (1)

De onderzoekers concluderen: “Bij eenzelfde inzet van productiefactoren kan door extra investeringen in R&D de structurele groei van de economie worden bevorderd.”

Vraag 5 2 punten

Leg de conclusie van de onderzoekers uit. Betrek de totale factorproductiviteit in je antwoord.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Investeringen in R&D verhogen de productiviteit van de aanwezige productiefactoren (zoals kapitaal en arbeid). Hierdoor stijgt de totale factorproductiviteit (1)
  • De groei van de factorproductiviteit betekent (bij gelijkblijvende inzet van productiefactoren) dat de productiecapaciteit groeit (en daarmee de structurele groei) (1)

Opgave 2 Markt voor hoger onderwijs

In een land kunnen studenten zelf hun vervolgopleiding in het hoger onderwijs financieren door middel van een lening bij de overheid. Na het afronden van de opleiding moet deze worden terugbetaald. De overheid heeft een voorwaarde toegevoegd aan het leenstelsel om jongeren aan te zetten tot studeren, ondanks de risico’s van lenen. De voorwaarde is dat de aflossingsperiode van de opgebouwde studieschuld 35 jaar wordt (langer dan de standaard periode voor aflossingen van langlopende schulden).

Vraag 6 1 punt

Verklaar hoe de voorwaarde het leenrisico van een student vermindert.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Studenten kunnen de opgebouwde studieschuld over 35 jaar aflossen, zodat ze bij eventuele betalingsproblemen / een lager inkomen de aflossingen kunnen uitstellen naar later, en het risico van lenen dus lager wordt. (1)

Vraag 7 2 punten

Leg uit dat het leenstelsel op termijn een positief effect heeft op de consumptieve bestedingen.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Door het leenstelsel kunnen studenten een vervolgopleiding doen. Door de opleiding zal de verdiencapaciteit toenemen waardoor het toekomstig loon hoger is. Als de loonstijging groter is dan de aflossings- en renteverplichtingen, kunnen de bestedingen op termijn hoger zijn. (2)

Voordat het leenstelsel werd ingevoerd, waren vooral studenten uit huishoudens met een laag inkomen voor de financiering van hun studie aangewezen op commerciële banken. Vanwege een risico op wanbetaling rekenden deze banken een hogere rente voor dit type leningen. Hierdoor werd de vermogensverdeling tussen huishoudens beïnvloed.

Vraag 8 2 punten

Leg uit op welke wijze de vermogensverdeling tussen huishoudens werd beïnvloed in de periode voordat het leenstelsel werd ingevoerd.

Bekijk het antwoord

Opmerking Strikt genomen is het huishouden waar de student uit komt niet hetzelfde als zijn/haar toekomstige huishouden. Voor het toekennen van het tweede scorepunt is niet van belang of de kandidaat dit onderscheid heeft gemaakt.

Onderwijsinstellingen in het hoger onderwijs (aanbieders) rekenen € 12.000 per jaar collegegeld. Het hoger onderwijs wordt toegankelijker als het collegegeld daalt door bijvoorbeeld een subsidie aan de aanbieder. Het Plan Bureau (PB) onderzoekt de effecten van een subsidie op het collegegeld voor de markt van hoger onderwijs (zie figuur 1).

Figuur 1 Vraag- en aanbodmodel van hoger onderwijs

De subsidie heeft gevolgen voor de doelmatigheid van het hoger onderwijs.

Vraag 9 2 punten

Analyseer de gevolgen van de subsidie voor de doelmatigheid. Ga als volgt te werk:

  • Arceer in de uitwerkbijlage (figuur A) het subsidiebedrag van de overheid.
  • Arceer in de uitwerkbijlage (figuur B) het verloren surplus dat ontstaat door de overheidssubsidie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

Figuur A Figuur B

of voor de eerste deelscore, figuur A:

Het PB stelt: “Bij het hoger onderwijs treedt door de subsidie een positief extern effect op waardoor de maatschappelijke (brede) welvaart stijgt.”

Vraag 10 2 punten

Leg de stelling van het PB uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord

Voorbeeld uit het correctievoorschrift:

  • Een hogere opleiding kan leiden tot meer inzichten in het verbeteren van het milieu / de eigen gezondheid, zodat milieuvervuiling vermindert / zorgkosten dalen (1p)

Vraag 11 2 punten

Leg uit dat er inverdieneffecten optreden door de subsidie op het collegegeld.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Door de subsidie stijgen de overheidsbestedingen. Door deze bestedingen zullen studenten kunnen studeren en later een (goed) betaalde baan kunnen krijgen (1)
  • Later zullen de studenten hierdoor (meer) belasting gaan betalen, waardoor de overheid extra belastingontvangsten heeft (1)

Opgave 3 Kostenpost

De overheid van een land vindt het belangrijk dat brievenpost dagelijks wordt bezorgd tegen een voor iedereen betaalbare prijs en heeft PostNV een tijdelijk wettelijk monopolie gegeven. PostNV streeft naar maximale totale winst. De winstgevendheid van brievenpost komt onder druk te staan, omdat gezinnen en bedrijven brievenpost steeds vaker vervangen door e-mail en andere digitale communicatievormen.

Bureau Economisch Onderzoek (BEO) onderzoekt de markt van brievenpost en de effecten van de afgenomen vraag naar brievenpost. Daartoe hanteert het BEO onderstaand model.

Qv0 =

  • 500P + 1.225 Qv1 =
  • 500P + 1.125 TK = 0,66Q + 300

waarbij: Qv0 = aantal bezorgde brieven in miljoenen in de uitgangssituatie Qv1 = aantal bezorgde brieven in miljoenen bij afgenomen behoefte TK = totale kosten in miljoenen euro’s P = prijs per brief in euro’s

In de uitgangssituatie worden er 447,5 miljoen brieven bezorgd. BEO rekent in het model met een prijs van € 1,56 (afgerond).

PostNV streeft naar maximale winst, maar aandeelhouders willen daarbij dat de winst per product minstens 10% van de gemiddelde totale kosten is.

Vraag 13 3 punten

Toon met een berekening aan dat de winst per product in de nieuwe situatie lager is dan 10% van de gemiddelde totale kosten (GTK).

Bekijk het antwoord

Opmerking Wanneer de kandidaat rekent met een nieuwe onafgeronde prijs van € 1,455 ook de scorepunten toekennen.

Econoom Van Gorkum reageert: “Uit marktonderzoek blijkt dat in de nieuwe situatie, consumenten en bedrijven prijselastisch reageren bij een verhoging van het posttarief en prijsinelastisch bij een verlaging van het tarief.”

Vraag 14 2 punten

Leg uit of het mogelijk is om de omzet te verhogen door een aanpassing van het posttarief.

Bekijk het antwoord
  • Consumenten en bedrijven reageren prijselastisch bij een verhoging van het posttarief (en stappen dus sneller over naar digitale communicatiemiddelen). Dit betekent dat de procentuele verandering van de vraag groter is dan de procentuele tariefstijging, waardoor de omzet daalt (1)
  • Consumenten en bedrijven reageren prijsinelastisch bij een verlaging van het posttarief (omdat ze eenmaal gewend zijn aan digitale communicatiemiddelen). Dit betekent dat een tariefverlaging tot een lagere procentuele stijging van de vraag leidt, waardoor de omzet daalt (beide opties leiden tot een lagere omzet) (1)

Figuur 1 Indexcijfers afzet en omzet van PostNV op de brievenpostmarkt (2010 = 100)

Figuur 2 Indexcijfers afzet en omzet van PostNV op de pakketbezorgingsmarkt (2012 = 100)

Naast brievenpost is PostNV ook actief in pakketbezorging waar PostNV een grote speler is. Het is daarom mogelijk dat PostNV aan kruissubsidie heeft gedaan om de concurrentiepositie op de markt van pakketbezorging te versterken. Kruissubsidie betekent dat PostNV brievenpost relatief duurder maakt om pakketpost relatief goedkoper te maken om zo beter te kunnen concurreren op de markt van pakketpost.

Vraag 15 2 punten

Leg op basis van figuur 1 en 2 uit hoe er kan worden afgeleid dat er sprake kan zijn geweest van kruissubsidie.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Uit figuur 1 blijkt dat de omzet procentueel minder is gedaald dan de afzet. Dat betekent dat de brievenpost duurder is geworden. Uit figuur 2 blijkt dat de afzet van pakketpost procentueel meer is gestegen dan de omzet. Dat betekent dat pakketpost relatief goedkoper is geworden. Dan zou er sprake kunnen zijn geweest van kruissubsidie. (2)

Tussen de overheid en PostNV is er sprake van een principaal-agent probleem. De mededingingsautoriteit is daarom door de overheid aangesteld als toezichthouder.

Vraag 16 3 punten

Beschrijf het principaal-agent probleem tussen PostNV en de overheid én leg uit hoe toezicht van de mededingingsautoriteit dit kan verminderen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • De overheid is de principaal en PostNV is de agent. De overheid wil een zo goed mogelijke postbezorging tegen een voor iedereen betaalbare prijs terwijl PostNV streeft naar totale maximale winst / brievenpost relatief duurder maakt via kruissubsidie (1)
  • De overheid heeft onvoldoende informatie om zeker te weten dat PostNV handelt naar het belang van de overheid (1)
  • Het toezicht op PostNV vermindert de asymmetrische informatie waardoor de tegenstelling van belangen wordt verminderd (1)

Opgave 4 Doelbewust depreciëren

De Japanse Centrale Bank (JCB) heeft een duaal mandaat. Dit heeft geleid tot ruim monetair beleid: het rentepercentage waarvoor Japanse banken geld lenen bij de JCB is op 1 januari 2020 verlaagd van 0,35% naar 0,1%.

Het beleid leidde tot een scherpe daling van de waarde van de yen ten opzichte van andere valuta. De Japanse yen is met 20% gedeprecieerd ten opzichte van de dollar tot een waarde van 0,00793 Amerikaanse dollar.

Vraag 17 2 punten

Bereken de wisselkoers van de dollar in yen voor de depreciatie.

Bekijk het antwoord
  • ¥ 1 = $ 0,00793 (0,00793 / 80) x 100 ¥ 1 = $ 0,0099125 (1)
  • ¥ 1 / 0,0099125 $ 1 = ¥ 100,88 (1)

Vraag 18 2 punten

Leg uit hoe het rentebeleid van de JCB leidt tot een depreciatie van de yen ten opzichte van de dollar.

Bekijk het antwoord
  • Een verlaging van de rente betekent dat buitenlandse beleggers minder geïnteresseerd zullen zijn in het sparen / beleggen in Japan (1)
  • Hierdoor daalt de vraag naar de Japanse yen en volgt een daling van de wisselkoers van de Japanse yen in dollars (1)

De depreciatie van de yen heeft gevolgen voor de koopkracht van Amerikaanse huishoudens. Een woordvoerder van de FED stelt dat de hogere waarde van de dollar ten opzichte van de yen op termijn een positief effect heeft op het reële inkomen van het gemiddelde Amerikaanse huishouden.

Vraag 19 2 punten

Leg de stelling van de woordvoerder uit.

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: De hogere koers van de dollar betekent dat buitenlandse goederen goedkoper worden ingekocht. Als deze lagere inkoopprijzen worden doorberekend in de verkoopprijzen, kunnen Amerikaanse huishoudens met hun inkomen meer goederen kopen (en dus stijgt de koopkracht). (2)

Figuur 1 toont een model. Hierin heeft het monetair beleid van de JCB en de FED via de valutamarkt een sterke invloed op de onderlinge exportopbrengsten.

Figuur 1 Exportopbrengsten Japan en VS

− De getallen betreffen uitsluitend de onderlinge exportopbrengst van Japan en de VS in de eigen valuta, uitgedrukt in afgeronde gehele indexcijfers (de huidige situatie is gelijk aan “ongewijzigd beleid; ongewijzigd beleid”).

  • De exportprijs wordt uitsluitend bepaald door de hoogte van de wisselkoers. Andere factoren die invloed hebben op de exportprijs worden constant verondersteld.

Uit het model kunnen de volgende conclusies worden getrokken: i. Het model heeft een Nash-evenwicht. ii. Dit Nash-evenwicht zal gevolgen hebben voor het binnenlands prijspeil van zowel de VS als Japan (die beide in een hoogconjunctuur verkeren) waardoor de internationale concurrentiepositie kan verslechteren.

Vraag 20 3 punten

Leg de conclusies uit en gebruik getallen uit de spelboom voor het aantonen van het Nash-evenwicht.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Als de JCB kiest voor ongewijzigd beleid, zal de FED kiezen voor ruim monetair beleid want 104 > 100. Als de JCB kiest voor ruim monetair beleid zal de FED kiezen voor ruim monetair beleid want 100 > 62,5. De JCB zal daarom ook ruim monetair beleid voeren want 100 > 75. Het Nash-evenwicht is dus beide ruim beleid (100, 100) (1)
  • Beide verlagen de rente. Hierdoor stijgen de binnenlandse bestedingen in beide landen waardoor (gegeven de hoogconjunctuur) de (bestedings)inflatie stijgt (1)
  • Omdat het binnenlands prijspeil stijgt (ten opzichte van het buitenlands prijspeil) zal de internationale concurrentiepositie van beide landen verslechteren (1)

Opgave 5 Vertrouwen

De afgelopen maanden is in een land onder invloed van maatschappelijke onrust het consumenten- en producentenvertrouwen sterk gedaald, waardoor de consumptie en de investeringen zijn gedaald.

Econoom Ana Valderrama onderzoekt de macro-economische ontwikkelingen met behulp van het Keynesiaans kruis en het IS-MB-GA model. Figuur 1 toont de uitgangssituatie voor de daling van het vertrouwen waarbij Y0 gelijk is aan de potentiële productie. De daling van de bestedingen is alleen nog in het Keynesiaans kruis weergegeven.

Figuur 1 Keynesiaans kruis en IS-MB-GA model

Het Keynesiaans kruis toont aan dat het inkomen sterker daalt dan de autonome bestedingen.

Vraag 21 2 punten

Leg uit dat het inkomen sterker daalt dan de autonome bestedingen.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Door het lagere producenten-/consumentenvertrouwen dalen de autonome investeringen / consumptie. Dit leidt tot een lagere effectieve vraag, en daarmee tot een lager inkomen. Door het lagere inkomen daalt de consumptie / vraag verder (multiplierwerking). Hierdoor ontstaat een nog lager inkomen (dat meer is gedaald dan de autonome bestedingen). (2)

Vanuit het Keynesiaans kruis blijkt dat in het IS-MB-GA diagram een negatieve output gap ontstaat. De GA-curve toont daarbij aan dat de productie daalt.

Vraag 22 2 punten

Leg aan de hand van de GA-curve uit dat de productie door de schok daalt.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Door de daling van het inkomen daalt de inflatie. Door de lagere inflatie (dan verwacht) zijn de reële productiekosten gestegen, omdat lonen en inkoopprijzen nog vastliggen (1)
  • Door de hogere reële productiekosten wordt produceren duurder / dalen de winstmarges, waardoor de productie daalt (1)

Econoom Valderrama stelt: “Ik neem aan dat de centrale bank de beleidsrente aanpast aan de verwachte inflatie en dat ze effectief de rente met één stap aanpassen zodanig dat deze de economie op een output gap van nul brengt.”

Vraag 23 2 punten

Teken in de uitwerkbijlage (figuur C) de nieuwe IS-curve (IS1), MB-curve (MB1) en GA-curve (GA1) bij het nieuwe evenwicht. Noteer op de relevante assen in het tweede en/of derde diagram het nieuwe inkomen (Y*), rente (r 1) en de inflatie (π1).

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Verschuiving GA-curve omlaag met exact het verschil tussen de inflatie π0 en de lagere inflatie door de schok π1. Op de nieuwe GA-curve komt er bij het nieuwe inkomen (Y0= Y*) een nieuwe inflatie tot stand op basis van de lagere inflatieverwachtingen: π1 (1)
  • Verschuiving IS curve naar links en MB curve omlaag, waarbij snijpunt IS1=MB1 bij Y0= Y* (1)

Valderrama stelt dat het aanpassingsmechanisme van de economie wordt bepaald door de economische visie van de centrale bank.

Vraag 24 2 punten

Leg het verschil uit tussen de monetaristen en de Keynesianen met betrekking tot het aanpassingsmechanisme naar het nieuwe evenwicht.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juist antwoord is: Keynesianen stellen dat monetair beleid zwak is en zullen de rente weinig verlagen bij een lagere inflatie. De monetaristen verschuiven de MB-curve sterker bij een verandering van de inflatie, waardoor bij een monetaristische visie de economie sneller terugkeert naar het oude evenwicht / de potentiële productie dan bij de Keynesianen. (2)

Econoom Valderrama stelt: “De mate van onzekerheid en de trage transitie van de economie vloeien voort uit cao’s met een lange looptijd. Ik pleit daarom voor cao’s met een kortere looptijd, waardoor de GA-curve steiler wordt en de economie sneller naar het nieuwe evenwicht gaat.”

Vraag 25 2 punten

Leg het pleidooi van de econoom uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Als deze (loon- en inkoop)contracten vaker worden heronderhandeld, passen de prijzen zich sneller aan (aan de inflatie), en veranderen de reële productiekosten minder bij een hogere/lagere inflatie (1)
  • De helling van de GA-curve (Δπ/ΔY) wordt groter / de GA-curve wordt steiler. Hierdoor zal de productie minder reageren op een verandering van de inflatie waardoor de economie sneller in het evenwicht komt (1)

Opgave 6 De woningmarkt in de knel

In de gemeente Reder is er sprake van een enorme krapte op de woningmarkt, bijvoorbeeld bij de deelmarkt sociale huurwoningen. Sociale huurwoningen zijn woningen die aangeboden worden aan de lagere inkomensgroepen. Daarbij geldt een maximumhuur (door de gemeente ingesteld) van € 850 per maand. Woningbouwvereniging VastWonen is de enige aanbieder van sociale huurwoningen in de gemeente Reder. VastWonen is genoodzaakt om met wachtlijsten te werken voor deze huurwoningen. Econoom Mark Knopper onderzoekt de woningmarkt in Reder en neemt aan dat sociale huurwoningen homogene goederen zijn.

Tabel 1 Huidige financiële gegevens VastWonen

maximumhuur € 850 per woning per maand woningvoorraad 6.800 woningen totale kosten (per maand) in euro’s TK = 450Q + 1.400.000 gemiddelde huuropbrengst per GO = −0,125Q + 2.150 woning per maand in euro’s Q aantal sociale huurwoningen

Vraag 26 1 punt

Bereken hoeveel huishoudens op de wachtlijst staan.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Een voorbeeld van een juiste berekening is: Huidige vraag: 850 = −0,125Q + 2.150 Q = 10.400 capaciteitstekort / vraagoverschot: 10.400 – 6.800 = 3.600 Er staan dus 3.600 huishoudens op de wachtlijst. (1)

VastWonen stelt dat bij afschaffing van de maximumhuur, de wachtlijst verdwijnt als VastWonen maximale omzet als doelstelling hanteert.

Vraag 27 2 punten

Toon met een berekening aan of de stelling juist is.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • GO = −0,125Q + 2.150 TO = −0,125Q² + 2.150Q MO = −0,25Q + 2.150 (1)
  • MO = 0 −0,25Q + 2.150 = 0 Q = 8.600 Bij een huur die de omzet maximaliseert (bij GO = −0,125 x 8.600 + 2.150= € 1.075) geldt dat de vraag groter is dan de capaciteit. De stelling is daarom niet juist (1)

De gemeente houdt vast aan de maximumhuur. Om de krapte aan te pakken wil de directeur van VastWonen oude kantoorpanden opkopen van de gemeente en deze ombouwen tot sociale huurwoningen. De aankoop- en verbouwingsplannen moeten worden gefinancierd door middel van hypothecaire leningen (lening met onderpand).

Econoom Knopper vindt het een goed plan en onderbouwt het als volgt: “De huidige lage hypotheekrente in combinatie met de huidige situatie op de sociale huurwoningmarkt zorgen voor een laag risico voor VastWonen, waardoor de schulden voor de woningbouwvereniging geen financieel probleem vormen.”

Vraag 28 2 punten

Leg de onderbouwing van econoom Knopper uit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Door de lage hypotheekrente zijn de rentekosten nu laag en door het grote tekort aan woningen / de grote vraag naar woningen verwacht men stabiele huurinkomsten (1)
  • Hierdoor is het risico op een verlies / niet afbetalen van de schuld laag (1)

In de gemeente Reder zijn er naast sociale huurwoningen ook particuliere huurwoningen. Een particuliere huurwoning is een woning in de vrije sector (zonder overheidsregulering) en de huur wordt bepaald door vraag en aanbod. Ook deze markt wordt krapper (zie tabel 2).

Tabel 2 Gegevens particuliere huurwoningen in Reder

Ontwikkeling ten opzichte van jaar eerder

aantal vrijgekomen huurwoningen −9,9% gemiddelde huur +6% hoogte van de middeninkomens +3%

Uit onderzoek blijkt dat de inkomenselasticiteit van particuliere huurwoningen van de middeninkomens gelijk is aan +0,4.

Een makelaar verklaart de grote prijsstijging van particuliere huurwoningen: “Ontwikkelingen aan zowel de vraagkant als de aanbodkant van de particuliere huurwoningmarkt zorgen voor stijgende huren.”

Vraag 29 2 punten

Leg de verklaring van de makelaar uit aan de hand van gegevens uit tabel 2 én de inkomenselasticiteit.

Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage

Bekijk het antwoord
  • Vraagkant: Er is een inkomensstijging bij de middeninkomens. Gegeven de positieve inkomenselasticiteit betekent dit een toename van de vraag naar particuliere huurwoningen en dus stijgende huren (1)
  • Aanbodkant: Het aantal vrijgekomen huurwoningen is gedaald met 9,9%. Dit betekent dat het aanbod is gedaald en dat leidt, bij gelijkblijvende vraag, tot stijgende huren (1)

Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Economie 2023, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-23-2-o

Andere examens economie vwo

Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.

Veelgestelde vragen

Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie vwo 2023, tijdvak 2?

Het centraal examen economie vwo 2023, tijdvak 2 loopt tot vraag 29. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over conjunctuur (9), vraag en aanbod (5) en overheid en belastingen (4).

Wat zijn de antwoorden van het examen economie vwo 2023, tijdvak 2?

Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.

Waar vind ik het correctievoorschrift van economie vwo 2023, tijdvak 2?

Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2023/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-23-2-c).

Hoe oefen ik met het examen economie vwo 2023, tijdvak 2 en krijg ik feedback?

Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.