Eindexamen economie vwo 2025, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Safetybell, Opgave 2 Pensioenmodel, Opgave 3 Hulplijn, Opgave 4 Strijd om de leerling, Opgave 5 Soepeler, Opgave 6 Drinkwater.
Het centraal examen economie vwo 2025, tijdvak 2 loopt tot vraag 29. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over overheid en belastingen (7), inkomen en consumptie (6) en productie en kosten (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Overheid en belastingen | 5-6, 17-18, 27-29 | 7 |
| Inkomen en consumptie | 7-11, 15 | 6 |
| Productie en kosten | 1, 13, 19, 21 | 4 |
| Marktvormen | 2-4 | 3 |
| Conjunctuur | 12, 24-25 | 3 |
| Arbeidsmarkt | 22-23 | 2 |
| Internationale handel | 14 | 1 |
| Geld en inflatie | 16 | 1 |
| Speltheorie | 20 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens economie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over inkomen en consumptie (21% van de vragen, gemiddeld 8%) en overheid en belastingen (25% van de vragen, gemiddeld 18%). Minder over risico en verzekeren (0% van de vragen, gemiddeld 9%) en geld en inflatie (4% van de vragen, gemiddeld 12%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie vwo 2025, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie vwo 2025, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie vwo 2025, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Opgave 1 Safetybell
Het bedrijf Safetybell heeft een patent op de productie (en verkoop) van video-deurbellen. Deze deurbellen hebben een videocamera en een ingebouwd alarm, wat bijdraagt aan een gevoel van veiligheid. Safetybell streeft naar maximale winst.
Tabel 1 Financiële gegevens Safetybell
prijsafzetfunctie GO = −50Q + 400 gemiddelde variabele kosten (in €) GVK = 12,5Q + 100 totale constante kosten (in €) TCK = 600.000 P (=GO) verkoopprijs in € Q afzet in tienduizenden stuks.
Figuur 1 Marktsituatie van Safetybell
Vraag 1 2 punten
Is hier sprake van degressief, proportioneel of progressief variabele kosten? Leg je antwoord uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: De MK-lijn heeft een stijgend verloop, wat betekent dat ook de gemiddelde variabele kosten toenemen per extra geproduceerd product waardoor er sprake is van progressief variabele kosten. (2)
Vraag 2 3 punten
Bereken de maximale totale winst van Safetybell.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- P = −50Q + 400 TO = −50Q 2 + 400Q MO = (TO’) = −100Q + 400 TK = 12,5Q 2 + 100Q + 600.000 MK = (TK’) = 25Q + 100 (1)
- MO = MK −100Q + 400 = 25Q +100 Q = 2,4 (x 10.000) en P = € 280 (1)
- TO = € 280 x 24.000 = € 6.720.000 TVK = (12,50 x 2,4 + 100) x 24.000 = € 3.120.000 TK = TCK + TVK = € 3.720.000 TW = TO − TK = € 3.000.000 (1)
De overheid vindt dat de videodeurbellen zorgen voor een betere veiligheid en dat daardoor de maatschappelijke kosten als gevolg van criminaliteit dalen. De overheid overweegt een subsidie te geven per videodeurbel aan de laagste inkomensgroepen.
Vraag 3 2 punten
Leg uit of de overheid met deze subsidie prijsdiscriminatie ontstaat.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een juist antwoord bevat: − een juiste uitleg of deelmarkten kunnen worden onderscheiden. − een juiste uitleg of onderlinge doorverkoop nog steeds mogelijk is. − een correcte conclusie dat prijsdiscriminatie niet ontstaat. Een voorbeeld van een juist antwoord is: − Deelmarkten worden onderscheiden omdat alleen de laagste inkomens de subsidie zullen ontvangen. − Na de aanschaf van een videodeurbel kunnen de laagste inkomens deze videodeurbel doorverkopen, waardoor ook de hogere inkomens profiteren van de subsidie. − Er wordt aan een van de twee voorwaarden van prijsdiscriminatie voldaan, waardoor prijsdiscriminatie niet zal ontstaan. indien drie elementen juist (2) indien twee elementen juist (1) indien een of geen element juist (0) (2)
Stel dat de overheid een subsidie van € 50 per videodeurbel geeft aan alle consumenten. Hierdoor verschuift de GO- en MO-lijn.
Vraag 4 2 punten
Teken de GO- en MO-lijn inclusief subsidie in figuur 1 van de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- het correct tekenen van de GO-lijn. (1)
- het correct tekenen van de MO-lijn. (1)
In de praktijk blijkt dat het verstrekken van een subsidie van € 50 per videodeurbel aan de producent eenvoudiger is uit te voeren dan aan de consument. Daarmee ontstaat de marktsituatie zoals getoond in figuur 2.
Figuur 2 Marktsituatie van Safetybell na subsidie aan de producent
De verschuiving van de MK-lijn naar MK’-lijn is het gevolg van de subsidie aan de producent. Safetybell blijft streven naar maximale totale winst.
Vraag 5 2 punten
Arceer het totale subsidiebedrag in figuur 2 van de uitwerkbijlage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Uitsluitend 0 of 2 scorepunten toekennen.
Na tien jaar verloopt het patent op de videodeurbellen. Uiteindelijk ontstaat een marktevenwicht bij volledige mededinging.
Vraag 6 2 punten
Leg uit dat het nieuwe marktevenwicht Pareto-efficiënt is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Bij volledige mededinging is er sprake van een maximaal totaal surplus. (1)
- Vanuit dit evenwicht kan (in een andere situatie) geen producent / consument erop vooruitgaan zonder dat een consument / producent erop achteruitgaat. Het nieuwe marktevenwicht is dus Pareto-efficiënt. (1)
Opgave 2 Pensioenmodel
Een econoom heeft de verwachtingen over het pensioenstelsel uitgewerkt in een model voor de komende 20 jaar (figuur 1).
Figuur 1 Pensioenmodel econoom (2024–2044)
Bij het opstellen van het model is de econoom uitgegaan van onderstaande aannames over de periode 2025−2044: a jaarlijkse inflatie = 2%; b jaarlijkse reële economische groei = 0,5%; c jaarlijkse rendement pensioenvermogen = 3,5%; d de premiedruk (premie als % van het bbp) blijft gelijk; e het aantal premieplichtingen (actieven) blijft gelijk; f de kapitaalinkomens blijven gelijk.
Vraag 7 2 punten
Leg uit dat er bij de pensioenen sprake is van ruilen over tijd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Werknemers betalen nu premie waardoor zij consumptie uitstellen. (1)
- Vanaf de pensioenleeftijd wordt het opgebouwde vermogen weer uitgekeerd waardoor de consumptie later kan toenemen. (1)
Vraag 8 2 punten
Leg uit met behulp van de aannames of de totale pensioenuitgaven zullen afnemen of toenemen als de uitkeringen welvaartsvast zijn.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Er is sprake van een reële economische groei in combinatie met inflatie, waardoor de nominale inkomens (2,5%) in het land toenemen. (1)
- Omdat de pensioenen welvaartvast zijn zullen deze meegroeien en dus zullen de totale pensioenuitgaven stijgen. (1)
Pensioenfondsen noemen het verschil tussen de betaalde premies en uitgekeerde pensioenen de netto opgebouwde pensioenbesparing.
Vraag 9 1 punt
Is de netto opgebouwde pensioenbesparing een stroomgrootheid of een voorraadgrootheid? Motiveer je keuze.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: Een voorraadgrootheid, want de jaarlijkse pensioenbesparing wordt op een gegeven moment / een tijdstip gemeten. (1)
De lijn in figuur 1 geeft aan dat de premies als percentage van het totale pensioenvermogen dalen.
Gebruik de aannames a, b, c en d en figuur 1.
Vraag 10 2 punten
Leg uit dat de premies als percentage van het totale pensioenvermogen dalen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een juist antwoord bevat: • een juiste uitleg over de relatie tussen het pensioenvermogen en het bbp. (1) • een juiste uitleg over de relatie tussen de premies als percentage van het pensioenvermogen en het bbp. (1) Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Het jaarlijkse rendement groeit meer dan het bbp, waardoor het totale pensioenvermogen meer stijgt dan het bbp. (1) • Doordat de premies als percentage van het bbp gelijk blijven, zullen de premies als percentage van het totale pensioenvermogen dalen. (1) (2)
De econoom heeft geen rekening gehouden met de pensioenleeftijd. De econoom geeft aan dat het verhogen van de pensioenleeftijd kan leiden tot een hogere koopkracht van de huidige premieplichtigen.
Vraag 11 2 punten
Leg uit dat een hogere pensioenleeftijd kan leiden tot een hogere koopkracht van de huidige premieplichtigen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Bij het verhogen van de pensioenleeftijd neemt het aantal premieplichtigen toe waardoor de totale inkomsten stijgen / neemt het aantal uitkeringsgerechtigden af, waardoor de totale uitgaven dalen. (1)
- Hierdoor kan de premie dalen en het netto-inkomen / de koopkracht van de premieplichtigen kan stijgen. (1)
Opgave 3 Hulplijn
Arbeidsmigranten in de Europese Unie (EU) sturen vaak maandelijks een deel van hun inkomen naar hun gezinnen in het land van herkomst (bijvoorbeeld naar een Afrikaans land) om hen te onderhouden of onderwijs te financieren. Als het land van herkomst in een laagconjunctuur belandt, zullen migranten in de EU een groter bedrag overmaken.
Vraag 12 2 punten
Leg uit dat de inkomensoverdrachten anticyclische effecten hebben tijdens een laagconjunctuur in het land van herkomst.
Bekijk het antwoord
- (Immigranten zullen tijdens een laagconjunctuur meer geld overmaken naar hun familie.) Hierdoor zullen de bestedingen minder afnemen dan zonder deze inkomensoverdrachten. (1)
- In een laagconjunctuur zullen de extra bestedingen de daling van de productie / bbp (in het Afrikaanse land) afzwakken. (1)
De migranten versturen geld via een geld-overmaak-bedrijf (GOB). Het GOB rekent een commissie (=vergoeding) per transactie en hanteert een lagere wisselkoers dan de officiële wisselkoers op de valutamarkt. De gezinnen kunnen het geld contant ophalen bij een vestiging van het GOB.
Een migrant in de EU maakt € 500 over naar de familie in een Afrikaans land. Het GOB rekent eerst een commissie van € 7, en hanteert daarna een wisselkoers van € 1 = 10,36 frank. De officiële wisselkoers is € 1 = 10,81 frank. Het verschil tussen de wisselkoersen plus de commissie vormt de winst van het GOB.
Figuur 1 Schema transactie via het GOB
Vraag 13 2 punten
Bereken hoeveel het GOB verdient in euro’s aan de transactie van € 500.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Het gezin in Afrika ontvangt 493 x 10,36 = 5.107,48 frank. Ze zouden (bij de officiële wisselkoers) 500 x 10,81 = 5.405 frank ontvangen. (1)
- Kosten van transactie = 5.405 − 5.107,48 = 297,52 frank Dit is 297,52 / 10,81 = € 27,52 (1)
Vraag 14 2 punten
Leg uit dat een toenemende concurrentie tussen geld-overmaak-bedrijven kan leiden tot hogere economische groei in de Afrikaanse landen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een toenemende concurrentie betekent dat er meer banken en geld- overmaak-bedrijven actief worden op de markt. Hierdoor zullen de GOB-wisselkoersen stijgen / GOB-commissies dalen. (1)
- Gezinnen ontvangen dan per saldo een hoger bedrag in franks. De bestedingen nemen daardoor toe en dit zorgt voor een hogere economische groei (in het Afrikaanse land). (1)
Economen onderzoeken de economie van een specifiek Afrikaans land. Ze gebruiken tabel 1 en laten de financiële rekening van de betalingsbalans buiten beschouwing. Het land hanteert een vaste (officiële) wisselkoers met de euro.
Tabel 1 Macro-economische gegevens van het Afrikaanse land
2019 2020 2021 bbp (in miljarden frank) 103,3 109,7 117,9
begrotingssaldo (% van bbp) -4,5 -3,5 -3,7 saldo lopende rekening (% van bbp) -4 -3,4 -3,4 ontvangen inkomensoverdrachten (in miljarden frank) 6,70 6,82 6,92
Vraag 15 1 punt
Heeft het Afrikaanse land een positief of negatief particulier spaarsaldo in 2021? Motiveer je antwoord.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Het begrotingssaldo is negatiever dan het saldo lopende rekening. Dat betekent dat de particuliere sector een positief spaarsaldo moet hebben. − (S–I) = (E–M) – (B–O) = –3,4 – (–3,7) = +0,3 (1)
De economen verwachten dat het saldo op de lopende rekening na 2021 zal verslechteren.
Vraag 16 2 punten
Leg uit of de centrale bank van het Afrikaanse land de rente zal verlagen of verhogen om de vaste wisselkoers te kunnen handhaven.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Een verslechtering van het saldo lopende rekening betekent dat een neerwaartse druk op de munt ontstaat. Om de vaste wisselkoers te handhaven, zal het aanbod van de munt moeten worden afgeremd / zal de vraag naar de munt worden gestimuleerd. (1) • De centrale bank zal de rente verhogen, waardoor de kapitaalinstroom uit het buitenland toeneemt. Hierdoor stijgt de vraag van de munt waardoor de vaste koers wordt gehandhaafd. (1) of (voor de tweede deelscore) • De centrale bank zal de rente verhogen, waardoor huishoudens gaan sparen en minder besteden / importeren. Hierdoor daalt het aanbod van de munt, waardoor de vaste koers wordt gehandhaafd. (1) (2)
Opgave 4 Strijd om de leerling
De overheid investeert in de ontwikkeling van menselijk kapitaal bij haar bevolking door onderwijs te financieren. Middelbare scholen ontvangen elk jaar een bepaald bedrag dat ze aan personeel en het onderhoud van het gebouw mogen besteden. Deze financiering heet de lumpsum en is een vast bedrag per leerling.
Vraag 17 2 punten
Leg uit dat de lumpsum-financiering van middelbare scholen de positief externe effecten van de ontwikkeling van menselijk kapitaal internaliseert.
Bekijk het antwoord
- Onderwijs (aan de bevolking) levert positieve externe effecten op, want een beter opgeleide bevolking leidt tot maatschappelijke baten (hoger bbp, meer belastingopbrengsten). (1)
- Door toekenning van de lumpsum / subsidie wordt de prijs van het onderwijs verlaagd, waardoor deze positieve externe effecten worden geïnternaliseerd. (1)
Scholen streven naar een zo hoog mogelijk aantal leerlingen en besteden daarom een groot deel van de lumpsum aan marketing. De Inspectie van het Onderwijs is uitsluitend gericht op het controleren van de kwaliteit van het geboden onderwijs.
Vraag 18 2 punten
Leg uit of er sprake is van een principaal-agentprobleem tussen de inspectie en de scholen.
Bekijk het antwoord
- De school (de agent) moet onderwijs aanbieden voor de inspectie (de principaal). Er is sprake van asymmetrische informatie: de inspectie heeft geen zicht op hoe schoolbesturen de lumpsum besteden. (1)
- Er zijn tegengestelde belangen: De inspectie wil kwalitatief goed onderwijs. Schoolbesturen willen zoveel mogelijk leerlingen aantrekken (door lumpsum te gebruiken voor marketing). Er is dus sprake van een principaal-agentprobleem. (1)
Een econoom maakt een model om de gevolgen van het marketingbeleid aan te tonen (zie bron 1 en matrix 1). In het model zijn er twee scholen: het Rij-college en het Kolom-college. Zij ervaren uitsluitend concurrentie van elkaar.
Bron 1 Gegevens en aannames model
Onderstaande gegevens gelden voor het vorige schooljaar en het huidige schooljaar.
- De afzetfuncties zijn gelijk aan: qVrij = 800 + 2Mrij
- 0,5Mkolom qVkolom = 800 + 2Mkolom
- 0,5Mrij
- qv = het aantal leerlingen per school
- M = het percentage van het maximale marketingbudget (M = 100 als een school het volledige marketingbudget inzet)
- De school ontvangt een lumpsum van € 6.000 per leerling per jaar.
- Het maximale budget voor marketing bestaat uit 10% van de lumpsum van het vorige schooljaar. Marketingkosten zijn constante kosten.
- De kostenfunctie voor elke school luidt: TK = 3.000q + 2.510.000 + marketingkosten (q = aantal leerlingen)
Matrix 1 Verandering financiële reserve (x € 1.000) bij inzet marketing
Kolom-college M = 0% M = 50% M = 100% Rij- M = 0% -110 ; -110 (A)1) -185 ; -50 (B) -260 ; 10 (C) college M = 50% -50 ; -185 (D) -125 ; -125 (E) -200 ; -65 (F) M = 100% 10 ; -260 (G) -65 ; -200 (H) -140 ; -140 (I)
noot 1: In het vorige schooljaar is de financiële reserve van beide scholen met € 110.000 afgenomen.
In het vorige schooljaar voerden beide scholen geen marketing (cel A).
Vraag 19 3 punten
Toon met een berekening aan dat de financiële reserve van het Rij- college in cel G in het huidige schooljaar stijgt met € 10.000.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een juist antwoord bevat voor het Rij-college: • een berekening van de totale vraag en omzet. (1) • een berekening van de marketingkosten. (1) • een berekening van de totale kosten en de toename van de reserve in het huidige schooljaar. (1) Een voorbeeld van een juiste berekening is: • (In cel G geldt dat het Rij-college een marketingbudget hanteert van 100% en het Kolom-college 0%). qv = 800 + 2 x 100 − 0,5 x 0 = 1.000 leerlingen TO = 6.000 x 1.000 = 6.000.000 (1) • Vorig jaar had de school 800 leerlingen (2x M = 0%). De totale marketingkosten = 800 x 6.000 x 0,1 = 480.000 (1) • TK = (3.000 x 1.000) + 2.510.000 + 480.000 = 5.990.000 De toename van de reserve = 6.000.000 − 5.990.000 = € 10.000 (1) (3)
Vraag 20 2 punten
Leg uit met behulp van getallen uit de matrix of er sprake is van een Nash-evenwicht.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Het Rij-college en het Kolom-college hebben een dominante strategie om 100% marketingbudget in te zetten, want 10>−50>−110 en −65>−125>−185 en −140>−200>−260. Er is een Nash-evenwicht bij (100%, 100%) / Cel I. (1) • Omdat beide een dominante strategie hebben is er sprake van een Nash-evenwicht. (1) of (voor de tweede deelscore) • Geen van de scholen kan zijn financiële reserve hier vergroten, gegeven de keuze van de ander. (1) (2)
De scholen besluiten te fuseren tot één school met 1.600 leerlingen. De school zal dan geen marketingkosten hebben. De totale constante kosten moeten afnemen om break-even te draaien.
Vraag 21 2 punten
Bereken met welk bedrag de totale constante kosten na de fusie moeten afnemen om break-even te draaien.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- TO = 1.600 x 6.000 = 9.600.000 TVK = 1.600 x 3.000 = 4.800.000 De TCK mogen dan 9.600.000 − 4.800.000 = 4.800.000 bedragen. (1)
- TCK voor de fusie = 2 x 2.510.000 = 5.020.000 Dit betekent een afname van 5.020.000 − 4.800.000 = € 220.000 (1)
Opgave 5 Soepeler
Een regeringspartij doet twee voorstellen om de arbeidsmarkt te flexibiliseren:
- Het ontslagrecht moet worden versoepeld (= voor werkgevers moet het makkelijker worden om werknemers te ontslaan).
- De opzegtermijn moet korter worden (= de periode dat een werknemer met een vast contract verplicht moet doorwerken na ontslag door de werknemer / werkgever).
Vraag 22 2 punten
Leg uit dat de versoepeling van het ontslagrecht leidt tot minder risico bij werkgevers en daardoor tot een toename van de werkgelegenheid.
Bekijk het antwoord
- De versoepeling van het ontslagrecht zorgt ervoor dat bedrijven minder loonkosten hebben wanneer zij ervoor kiezen iemand te ontslaan. Dit vermindert het risico op hoge kosten. (1)
- Bedrijven hebben hierdoor sneller een prikkel om werknemers aan te nemen, waardoor de werkgelegenheid stijgt. (1)
De verkorting van de opzegtermijn kan ertoe leiden dat het berovingsprobleem in arbeidsrelaties groter wordt, waardoor de loonkosten per product kunnen toenemen.
Vraag 23 2 punten
Leg uit dat de verkorting van de opzegtermijn, via het berovingsprobleem, kan leiden tot een toename van de loonkosten per product.
Bekijk het antwoord
- Door verkorting van de opzegtermijn kunnen werknemers eenvoudiger ontslag nemen bij een bedrijf. Dit kan leiden tot het niet investeren in de werknemer, omdat de kans op ‘beroving’ / verzonken kosten groter is. (1)
- Hierdoor wordt de arbeidsproductiviteit gedrukt. De loonkosten per product nemen dan toe. (1)
Om de macro-economische effecten van beide voorstellen te onderzoeken, gebruikt een econoom het IS-MB-GA model. Figuren 1 en 2 tonen een negatieve vraagschok waardoor de productie kleiner is dan het productiepotentieel. Figuur 1 toont een model met een starre arbeidsmarkt en figuur 2 toont een model met een flexibele arbeidsmarkt.
Figuur 1 Starre arbeidsmarkt Figuur 2 Flexibele arbeidsmarkt
r = reële rente in procenten π = inflatie in procenten Y = reële productie / inkomen
Vraag 24 2 punten
Leg uit dat door versoepeling van het ontslagrecht de GA-curve steiler wordt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een juist antwoord bevat: • Een juiste uitleg over de relatie tussen het ontslagrecht en de prijzen. (1) • Een juiste uitleg over de aanpassing van de prijzen en de helling van de GA-curve. (1) Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Door versoepeling van het ontslagrecht zullen bedrijven bij een daling van de productie sneller (overtollig) personeel kunnen ontslaan waardoor prijzen sneller kunnen dalen (bij eenzelfde daling van Y). (1) • Dit betekent een toename van de prijsflexibiliteit en dus zal de GA- curve steiler verlopen. (1) (2)
Vraag 25 2 punten
Leg uit in welk model (figuur 1 of figuur 2) de centrale bank de nominale rente sterker zal verlagen om de economie terug te laten keren naar de potentiële productie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- In figuur 2 ontstaat een groter verschil tussen de inflatie en de verwachte inflatie. (1)
- De centrale bank zal dan een grotere nominale renteaanpassing doen, waardoor de economie terugkeert naar de potentiële productie. (1)
Opgave 6 Drinkwater
In lange, droge zomers ontstaan er geregeld watertekorten. De vraag naar (drink)water is dan veel groter dan het aanbod, waardoor overconsumptie ontstaat. Overconsumptie ontstaat als de gevraagde hoeveelheid boven de capaciteit komt, waardoor de reserves opraken.
De overheid stelt zich de volgende doelen:
1 Overconsumptie van drinkwater (in de zomer) tegengaan.
2 De totale kosten (van de waterrekening) voor een gemiddeld huishouden mogen niet stijgen ten opzichte van de situatie vóór de droogte.
Vraag 26 2 punten
Leg uit voor elk van beide doelen of marktwerking ervoor zorgt dat deze worden behaald.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: • Marktwerking leidt bij vraagoverschotten tot een hogere prijs. Hierdoor neemt de vraag af / wordt het aanleggen van noodreserves rendabel, waardoor er weer een evenwicht ontstaat. De overconsumptie verdwijnt en dan wordt het eerste doel behaald. (1) • De hogere prijs kan (bij gelijk gebruik) leiden tot hogere kosten voor lage inkomens. Het tweede doel wordt niet behaald. (1) of (voor de tweede deelscore) • De hogere prijs kan leiden tot een relatief grotere afname van de gevraagde hoeveelheid, waardoor de totale kosten kunnen dalen. Hierdoor wordt het tweede doel wel gehaald. (1) (2)
In de situatie vóór de droogte was de prijs van water € 1 per 1.000 liter. Een econoom stelt een model op waarin een heffing van € 1 per 1.000 liter water wordt ingevoerd (zie figuur 1).
Figuur 1 Vraag en aanbod van drinkwater per maand
Qa1 = aanbodlijn voor heffing Qa2 = aanbodlijn na heffing Qv1 = vraaglijn september t/m juni Qv2 = vraaglijn in droogste maanden juli en augustus Q’ = maandelijkse productiecapaciteit bij droogte P = prijs voor heffing in euro’s Ph = prijs na heffing in euro’s
Gebruik figuur 1.
Vraag 27 2 punten
Leg uit of de heffing ervoor zorgt dat de overconsumptie in de zomermaanden bij droogte wordt tegengegaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- De heffing zorgt voor een toename van de prijs naar € 2 (per 1.000 liter). Hierdoor ontstaat een nieuw evenwicht bij Qv 2 = Qa2 bij Q = 14.000. (1)
- De vraag is gelijk aan de capaciteit, dus overconsumptie wordt tegengegaan. (1)
De econoom stelt een tweede model op waarin een gepersonaliseerd schijvenstelsel op drinkwater wordt geïntroduceerd. Het stelsel werkt op basis van de drinkwaterconsumptie per persoon per jaar, en is als volgt opgebouwd:
Vrijstelling (aftrekpost) 10.000 liter per persoon per jaar Heffingskorting € 70 per persoon per jaar
Schijf Bereik Tarief
1 1
- 20.000 liter € 0,003 per liter
2 20.001
- 60.000 liter € 0,006 per liter
3 60.001 en meer € 0,009 per liter
Een persoon verbruikt gemiddeld 50.000 liter water per jaar.
Vraag 28 3 punten
Toon met een berekening aan dat deze persoon meer dan € 100 per jaar betaalt aan waterbelasting.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- 50.000 – 10.000 (aftrekpost) = 40.000 liter belastbaar. (1)
- schijf 1: 20.000 liter x 0,003 = € 60 schijf 2: 20.000 liter x 0,006 = € 120 totaal = € 60 + € 120 = € 180 per persoon. (1)
- € 180 − € 70 (heffingskorting) = € 110 per persoon (1)
De econoom beweert dat het marginale tarief hoger ligt dan het gemiddelde tarief, waardoor er een prikkel is om zuinig om te gaan met water.
Vraag 29 2 punten
Leg de bewering van de econoom uit door middel van een berekening van het gemiddelde tarief per liter water bij een gebruik van 50.000 liter water.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Uitwerkbijlage · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als er wordt doorgerekend met een foutief antwoord uit de vorige vraag kunnen maximale punten worden toegekend.
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Economie 2025, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-25-2-o
Andere examens economie vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie vwo 2025, tijdvak 2?
Het centraal examen economie vwo 2025, tijdvak 2 loopt tot vraag 29. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over overheid en belastingen (7), inkomen en consumptie (6) en productie en kosten (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen economie vwo 2025, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van economie vwo 2025, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2025/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-25-2-c).
Hoe oefen ik met het examen economie vwo 2025, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.