Eindexamen economie vwo 2022, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Zelfstandigen zonder personeel, Opgave 2 CO 2 ondergronds, Opgave 3 Drie pensioenscenario’s, Opgave 4 Strijd om startups, Opgave 5 Een teken van conjunctuur, Opgave 6 Zoet gedronken zuur betaald.
Het centraal examen economie vwo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 29. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over overheid en belastingen (10), inkomen en consumptie (5) en arbeidsmarkt (3). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Overheid en belastingen | 10-11, 13-19, 28 | 10 |
| Inkomen en consumptie | 1-2, 5, 12, 27 | 5 |
| Arbeidsmarkt | 3-4, 6 | 3 |
| Conjunctuur | 22-23, 25 | 3 |
| Productie en kosten | 7-8 | 2 |
| Risico en verzekeren | 9, 20 | 2 |
| Vraag en aanbod | 21, 29 | 2 |
| Geld en inflatie | 24 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens economie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over overheid en belastingen (36% van de vragen, gemiddeld 18%) en inkomen en consumptie (18% van de vragen, gemiddeld 8%). Minder over internationale handel (0% van de vragen, gemiddeld 12%) en geld en inflatie (4% van de vragen, gemiddeld 12%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie vwo 2022, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie vwo 2022, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie vwo 2022, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Opgave 1 Zelfstandigen zonder personeel
Onderzoekers Jan en Samira analyseren de groei van de groep zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers) in een land. De groei betreft zowel het aantal zzp’ers als hun aandeel in de beroepsbevolking. In de juridische of ICT-sector werken zzp’ers met hoge uurtarieven, maar in de horeca, postbezorging of de schoonmaaksector werken veel zelfstandigen voor lage uurtarieven. Een aanzienlijk deel van de zzp’ers leeft onder of rond de armoedegrens. Jan heeft daarom een Lorenzcurve opgesteld van de primaire en secundaire inkomensverdeling van de zzp’ers in 2019.
Samira plaatst een kanttekening: “De Lorenzcurve van de primaire inkomensverdeling is niet helemaal correct geschetst, want als bijvoorbeeld het laagste kwintiel van de zzp’ers in 2019 een te laag uurtarief heeft om kostendekkend te zijn, klopt de curve niet.”
Figuur 1 Lorenzcurven van zzp’ers in 2019
Vraag 1 2 punten
Leg uit hoe de Lorenzcurve van de primaire inkomens kan worden gecorrigeerd om aan Samira’s kanttekening tegemoet te komen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Bij de verlies draaiende zzp’ers is sprake van een negatief primair inkomen (1)
- De Lorenzcurve zal voor het laagste kwintiel onder de horizontale as komen om vervolgens bij 20% van het aantal personen boven deze as te komen (1)
Samira verwacht dat in 2022 de heffingskorting voor zelfstandigen met € 2.000 wordt verlaagd. Er is sprake van een progressief belastingstelsel.
Vraag 2 2 punten
Beargumenteer hoe de Lorenzcurve van de secundaire inkomens van de zzp’ers in 2022 zal verschuiven ten opzichte van 2019 door de verlaging van de heffingskorting.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Door de verlaging van de heffingskorting zullen de zzp'ers met lage inkomens relatief meer belasting gaan betalen dan de zzp'ers met hoge inkomens. Dit betekent dat de inkomensverschillen tussen de rijke zzp'ers en de arme zzp'ers groter worden (1)
- Door deze denivellering verschuift de Lorenz-curve van de secundaire inkomens naar buiten (1)
Ondanks de vele gewerkte uren, komt een deel van de zzp’ers onder de armoedegrens. Daarom pleiten de onderzoekers voor het invoeren van een wettelijk minimumuurtarief voor zzp’ers, net zoals het bestaande wettelijk minimumloon voor werknemers in loondienst.
Vraag 3 2 punten
Leg uit dat het invoeren van een wettelijk minimumuurtarief voor zzp’ers kan leiden tot een hogere (cao-)loonstijging van de werknemers in loondienst.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juist antwoord zijn: − Het werk van (bepaalde) zzp’ers wordt duurder waardoor de vraag naar hun diensten daalt. Hierdoor stijgt de vraag naar arbeid van werknemers in loondienst en hierdoor kunnen de cao-lonen stijgen. − Het werk van (bepaalde) zzp’ers levert (per uur) meer op en dat trekt sommige werknemers aan om ook voor zichzelf te beginnen. Op de markt van werknemers in loondienst daalt het arbeidsaanbod van mensen die in loondienst willen werken en hierdoor kunnen de cao- lonen stijgen. (2)
De onderzoekers hebben een model gemaakt voor de markt van zzp’ers in 2022 om de gevolgen van hun voorstel te analyseren:
Qv = -30U + 630 Totaal gevraagd aantal uren naar zzp’ers in miljoenen per jaar Qa = +20U
- 50 Totaal aangeboden aantal uren door zzp’ers in miljoenen per jaar U Uurtarief in euro’s
Jan en Samira beseffen dat hun model een forse vereenvoudiging is van de realiteit. Het model gaat uit van een arbeidsmarkt van volledige mededinging: ze stellen daarom dat dit model alleen voor laaggeschoolde arbeid geldt en niet voor hooggeschoolde arbeid.
Vraag 4 2 punten
Verklaar de stelling van Jan en Samira.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: Laaggeschoolde arbeid zoals schoonmaak is (relatief) homogeen waardoor de beloning per uur wordt bepaald door het geheel van vraag en aanbod van zzp’ers. Daarentegen zijn de diensten van hooggeschoolde arbeiders (zoals juridisch medewerkers of ICT-adviseurs) relatief heterogeen, dus is er geen sprake van volledige mededinging voor hooggeschoolde arbeid. (2)
Jan en Samira onderzoeken de gevolgen van de invoering van een minimumtarief voor zzp’ers van 16 euro per uur op twee punten: i het armoedeprobleem onder zzp’ers verminderen ii de totale werkgelegenheid beïnvloeden
Ze gebruiken de omzetontwikkeling van de zzp’ers als de indicator voor het armoedeprobleem onder zzp’ers.
Vraag 5 2 punten
Toon met een berekening aan of het armoedeprobleem onder zzp’ers door de invoering van het minimumtarief wordt verminderd.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als in de berekeningen enkel 222 miljoen uren is vergeleken met 150 miljoen uren en eenzelfde conclusie is getrokken: maximaal 1 scorepunt toekennen.
Vraag 6 2 punten
Verklaar dat de totale werkgelegenheid op korte termijn negatief en op lange termijn positief kan worden beïnvloed door de invoering van het minimumuurtarief.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
- Voorbeelden van een juiste verklaring van een negatieve invloed zijn: (1p)
- Door de invoering van het minimumuurtarief wordt betaald werk in het algemeen duurder (de arbeidskosten per eenheid product stijgen) en dan zullen bepaalde opdrachtgevers zzp’ers of andere bedrijven met werknemers meer zwart willen laten doen, waardoor de arbeidsvraag / werkgelegenheid zal afnemen.
- Door de invoering van het minimumuurtarief kunnen bepaalde opdrachtgevers worden geprikkeld om de diensten in het relatief goedkopere buitenland te laten verrichten, waardoor de arbeidsvraag / werkgelegenheid zal afnemen.
- Een voorbeeld van een juiste verklaring van een positieve invloed is: (1) De beloning en de koopkracht van een deel van de onderbetaalde zzp’ers gaat omhoog, waardoor deze groep meer kan gaan besteden (en gezien hun hoogstwaarschijnlijk hoge consumptiequote weegt dat op tegen de mogelijke koopkrachtdaling bij de opdrachtgevers, die daardoor minder kunnen gaan consumeren) en hierdoor kunnen het bbp en de totale (feitelijke) werkgelegenheid toenemen.
Opgave 2 CO 2 ondergronds
De overheid van een land heeft een klimaatplan opgesteld waarin een totale landelijke reductie van 49% van de CO2-uitstoot in 2030 is opgenomen. Leport, het bedrijf dat een grote haven exploiteert, wil samenwerken met vier grote bedrijven in het havengebied om de CO2- uitstoot bij die vier bedrijven af te vangen en op te slaan in een oud gasveld diep onder de grond in de zee.
Leport investeert € 450 miljoen voor de aanleg van een pijpleiding. Leport verzorgt het onderhoud en transport en vraagt aan de vier deelnemende bedrijven een tarief per ton CO 2. De vier bedrijven moeten zelf investeren in eigen afvanginstallaties. De vier bedrijven produceren ieder evenveel CO2. Econoom Sacha Dumas presenteert de volgende gegevens:
Aanleg pijpleiding en capaciteit
investering aanleg pijpleiding door Leport € 450 miljoen maximale opslagcapaciteit in leeg gasveld 37 miljoen ton Afvangen CO2 totale investering afvanginstallatie per bedrijf €… investeringsbedrag afvanginstallatie per bedrijf per ton CO2 € 65 tarief voor onderhoud en transport per ton CO2 € 10 totale productie CO2 van de vier bedrijven samen per jaar 2,4 miljoen ton Emissie CO2 emissierecht per ton CO2 € 25 (Om een ton CO2 uit te kunnen stoten, moeten bedrijven daartoe uitstootrechten kopen bij de overheid)
Vraag 7 1 punt
Toon met een berekening aan dat de aanleg van een afvanginstallatie per bedrijf € 39 miljoen bedraagt.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: Totale CO2-uitstoot per bedrijf: 2,4 / 4 = 0,6 miljoen ton Het investeringsbedrag is € 65 per ton. In totaal is dit 0,6 miljoen ton x 65 = € 39 miljoen. (1)
Als een van de bedrijven zich na de aanleg van de installaties zou terugtrekken zou dit voor de overgebleven bedrijven betekenen dat ze elk een hoger transporttarief moeten gaan betalen, zodat Leport de pijpleiding kostendekkend houdt. Bij een mogelijke verhoging van het tarief kunnen de deelnemende bedrijven dreigen met opzegging van de samenwerking. Dumas concludeert: i Leport kan te maken krijgen met een berovingsprobleem. ii De dreiging om de samenwerking op te zeggen is niet geloofwaardig.
Vraag 8 3 punten
Verklaar de conclusies van Dumas.
Bekijk het antwoord
- Leport investeert € 450 miljoen in de pijpleiding. Dit is een specifieke investering voor het transport van CO2 (vanaf de deelnemende bedrijven naar de opslaglocatie). Als de deelnemende bedrijven de samenwerking opzeggen kan Leport op geen enkele andere wijze deze investering terugverdienen en kan Leport beroofd worden van de investering (2)
- De dreiging is niet geloofwaardig want de deelnemende bedrijven hebben zelf verzonken kosten (€ 39 miljoen) die zij ook niet terug kunnen verdienen (1)
Aandeelhouders van de vier bedrijven zijn kritisch op de plannen: “Leport en de deelnemende bedrijven schatten de onderhouds- en transportkosten te laag in. Deze zullen hoger uitvallen als gevolg van een principaal- agentprobleem tussen Leport en de deelnemende bedrijven.” Leport en de deelnemende bedrijven weerspreken deze stelling: “We hebben in het contract een clausule opgenomen die het principaal-agentprobleem oplost.”
Vraag 9 3 punten
Verklaar het principaal-agentprobleem en geef een mogelijke clausule in het contract tussen Leport en de deelnemende bedrijven waardoor het principaal-agentprobleem kan zijn opgelost.
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor het derde deelantwoord wordt het scorepunt alleen toegekend als de (extra) kosten ten rekening komen van de agent.
De minister van Milieu overweegt een subsidie in het eerste jaar voor de deelnemende bedrijven omdat anders de doelstelling niet wordt gehaald. Die subsidie beoogt het verschil in uitgaven te dekken ten opzichte van de situatie waarbij geen CO 2 wordt afgevangen.
Vraag 10 2 punten
Bereken het bedrag van de subsidie.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: CO2 niet opvangen betekent dat er emissierechten moeten worden gekocht. Dit kost de bedrijven: € 25 x 2,4 miljoen ton = € 60 miljoen. CO2 opvangen en transporteren kost de bedrijven: € 39 miljoen x 4 + (€ 10 x 2,4 miljoen ton) = € 180 miljoen. Het verschil moet gedekt worden via een subsidie en dit is: € 180 miljoen – € 60 miljoen = € 120 miljoen. (2)
Milieuorganisaties beargumenteren dat subsidie voor afvang en opslag van CO2 een oplossing is voor de korte termijn, want het voorkomt het probleem van de uitstoot van CO2 op langere termijn totaal niet. Daarnaast beargumenteren ze dat een subsidie helemaal niet nodig is, gegeven de marginale kosten van de productie van een ton CO 2 na aanleg van de afvanginstallatie.
Vraag 11 2 punten
Leg beide argumenten van de milieuorganisaties uit.
Bekijk het antwoord
- De opslagcapaciteit van het gasveld is eindig, dus zal een gesubsidieerde afvang en opslag van CO2 ervoor zorgen dat er geproduceerd blijft worden met fossiele brandstoffen / met CO2-uitstoot (en vindt er geen verduurzaming / innovatie plaats) (1)
- Een subsidie is niet nodig, aangezien na de aanleg van de afvanginstallatie de marginale kosten van een extra ton CO 2-uitstoot hoger zijn dan de marginale kosten van een extra ton afvangen en transporteren (€ 25 > € 10). Hierdoor hebben de bedrijven een prikkel om zelf de installatie te betalen (zij verdienen dit immers terug binnen 4,5 jaar) (1)
Opgave 3 Drie pensioenscenario’s
In een land bestaat de pensioenvoorziening uit:
- een AOW uitkering voor iedere inwoner vanaf het 67ste levensjaar
- een aanvullend pensioen voor de werknemers in loondienst
- eigen (aanvullende) besparingen
De AOW wordt in dit land gefinancierd volgens het omslagstelsel. De werkenden betalen daarnaast aanvullend pensioenpremies (belastingvrij) die worden belegd door een pensioenfonds. Door de toenemende vergrijzing moet de overheid het aankomende jaar een begrotingstekort dichten van € 12 miljard. Het Planbureau (PB) heeft drie scenario’s opgesteld voor de overheid om te bezuinigen op de AOW (zie de tabellen).
Tabel 1 Drie scenario’s om te bezuinigen op de AOW
1. Verlaag de AOW-uitkering tot het niveau van een bijstandsuitkering. Een bijstandsuitkering is een (minimum)uitkering voor mensen die niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien en die niet in aanmerking komen voor een andere uitkering. 2. Fiscaliseer de AOW-uitkering. Het totale tarief in de eerste schijf (zie tabel 3) blijft gelijk maar het premietarief wordt verlaagd naar 7,5%. 3. Verhoog de AOW-leeftijd naar 69 jaar.
Tabel 2 Maandelijkse AOW- en bijstandsuitkeringen in 2020
Soort Brutobedrag Brutobedrag Verdeling AOW- huishouden bijstands- AOW- gerechtigden naar uitkering uitkering woonsituatie1)
Alleenstaande € 1.025 € 1.128 39% Samenwonend € 745 € 843 61% 1) als percentage van in totaal 3,4 miljoen AOW-gerechtigden
Tabel 3 Inkomstenbelastingtarieven in 2020
Belastbaar inkomen premietarief totaal tarief (belasting en premies) Schijf 1 € 0 tot € 18.000 17,9% 37,1% Schijf 2 € 18.000 tot € 60.000 11,6% 40,4% Schijf 3 vanaf € 60.000 49,5%
Econoom Izzy Matella van het PB constateert het volgende: “De verplichte solidariteit tussen generaties komt door de financiering van het omslagstelsel onder druk te staan.”
Vraag 12 2 punten
Geef twee argumenten voor de uitspraak van econoom Matella.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- De overheid kan door het begrotingstekort de premies verhogen voor de werkenden. Omdat zij stijgende lasten hebben, kan de solidariteit met de gepensioneerden afnemen (1)
- De overheid kan ook besluiten de AOW-uitkeringen te verlagen waardoor de ouderen minder ontvangen (dan zijzelf hebben betaald). Daardoor komt de solidariteit tussen generaties onder druk te staan (1)
Vraag 13 2 punten
Bereken of het begrotingstekort in het jaar 2020 wordt gedicht met scenario 1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Alleenstaanden: (1128 – 1025) x 12 x 3,4 miljoen x 0,39 = € 1,638936 miljard (1)
- Samenwonenden: (843 – 745) x 12 x 3,4 miljoen x 0,61 = € 2,439024 miljard Dit is een besparing van 1,638936 + 2,439024 = € 4,07796 miljard Het begrotingstekort wordt niet gedicht (1)
De groep AOW’ers betaalt over hun inkomen alleen belasting en geen premie.
Vraag 14 2 punten
Leidt scenario 2 tot nivellering of denivellering van de secundaire inkomens binnen de totale groep van gepensioneerden? Beargumenteer je keuze.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Denivellering Een voorbeeld van een juist antwoord is: Het belastingtarief in de eerste schijf zal stijgen waardoor het gemiddelde belastingpercentage van gepensioneerden met een (relatief) laag pensioeninkomen zal stijgen ten opzichte van de oude situatie vergeleken met gepensioneerden die ook een hoog pensioeninkomen hebben. Hierdoor worden de inkomensverschillen groter en is er sprake van denivellering. (2)
Vraag 15 2 punten
Bereken of het begrotingstekort in het jaar 2020 wordt gedicht met scenario 2.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als bij vraag 13 en 15 de 12 maanden zijn vergeten, maximaal 1 scorepunt aftrekken.
Econoom Matella stelt dat scenario 3 maatschappelijk wordt geaccepteerd als het wordt ingevoerd tijdens een hoogconjunctuur met een krappe arbeidsmarkt. Ze concludeert het volgende: “Ten eerste zal het invoeren van deze maatregel ervoor zorgen dat de werkgelegenheid stijgt. Daarnaast zal op termijn de concurrentiepositie van bedrijven worden verbeterd waardoor de werkgelegenheid extra zal stijgen.”
Vraag 16 3 punten
Leg beide conclusies van de econoom uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- In een hoogconjunctuur met een krappe arbeidsmarkt is er veel vraag naar arbeid waardoor ouderen die langer moeten werken ook een baan kunnen vinden / behouden waarbij jongere werkenden de extra vraag opvullen, waardoor de totale werkgelegenheid toeneemt (1)
- Door de verhoging van de AOW-leeftijd zal het aanbod van arbeid structureel toenemen waardoor (gegeven de vraag) er een neerwaarts effect ontstaat op de lonen (1)
- Hierdoor daalt de kostprijs en kunnen verkoopprijzen dalen waardoor de (internationale) concurrentiepositie verbetert, waardoor de productie kan toenemen en daarmee de vraag naar arbeid / werkgelegenheid (1)
Opgave 4 Strijd om startups
De gemeente Berndonk ziet startups (startende ondernemers) als de motor van de lokale economie. Om meer startups aan te trekken, investeert de gemeente in de renovatie en verbouwing van een verlaten textielfabriek ter grootte van 25.000 vierkante meter (m²). De fabriek wordt geschikt gemaakt voor de vestiging van uitsluitend startende ondernemers.
De gemeente begroot bij de verbouwing en verkoop van de fabriek een initieel verlies. Op de lange termijn verwacht de gemeente geen verlies vanwege het optreden van positieve externe effecten.
Vraag 17 2 punten
Verklaar de verwachting van de gemeente.
Bekijk het antwoord
- Door de investering zullen bedrijven zich gaan vestigen in de gemeente. Dit kan leiden tot een toename van andere bedrijvigheid (door de aanwezigheid van de startups) / een toename van gezinnen die naar de gemeente verhuizen / een toename van toekomstige OZB-inkomsten (1)
- Dit zijn baten die niet in de prijs zijn inbegrepen (positieve externe effecten). Door deze baten kan de gemeente op termijn meer verdienen en daarmee het initiële verlies compenseren (1)
De gemeente gaat voor de prijsstelling bij verkoop van bedrijfsruimte uit van de volgende prijsafzetfunctie:
Figuur 1 Vraag en aanbod naar bedrijfsruimte
De kosten van de verbouwing bedragen € 200 per m². De vaste (constante) kosten (voor de aanleg van de infrastructuur) bedragen € 3.500.000. De wethouder van Berndonk overweegt voor de verkoop twee voorstellen: A. De gemeente stelt een prijs vast waarbij alle bedrijfsruimte wordt verkocht. De mogelijke verliezen worden gedragen door de gemeente. B. De gemeente stelt een prijs vast waarbij het verlies van het project wordt geminimaliseerd. Daarbij geldt de eis dat de minimale bezetting van de fabrieksruimte 80% van de beschikbare ruimte moet zijn.
Vraag 18 2 punten
Bereken het verlies van de gemeente bij voorstel A.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- De totale beschikbare bedrijfsruimte is gelijk aan 25.000. (De gemeente zal dit aanbieden als de betalingsbereidheid gelijk is aan het aanbod) Bij P = 500 – 0,008Q geldt P = 500 – (0,008 x 25.000) = € 300 De totale opbrengst is gelijk aan € 300 x 25.000 = € 7.500.000 (1)
- Totale verbouwingskosten (variabele kosten) zijn gelijk aan: € 200 x 25.000 = € 5.000.000 De vaste (constante) kosten zijn gelijk aan € 3.500.000 De winst (TO – TK) = 7.500.000 – 5.000.000 – 3.500.000 = – € 1.000.000 (1)
Vraag 19 2 punten
Laat aan de hand van een berekening zien of voorstel B mogelijk is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- (Minimaal verlies is maximale winst) (GO=) P = 500 – 0,008Q TO = 500q – 0,008Q² en MO = 500 – 0,016Q MK = 200 (1)
- MO = MK 500 – 0,016Q = 200 Q = 18.750 18.750 / 25.000 x 100% = 75% bezetting Er is onvoldoende bezetting, dus voorstel B is niet mogelijk (1)
Nog voor de verkoop blijkt de vraag naar de bedrijfsruimtes groter te zijn dan verwacht. De wethouder komt daarom met een nieuw voorstel: “We bieden de bedrijfsruimte aan in de vorm van een veiling: bedrijven geven in een gesloten envelop aan hoeveel m² ze willen kopen en welke prijs zij hiervoor willen betalen. Asymmetrische informatie en risicoaversie zorgen ervoor dat ondernemers hun maximale betalingsbereidheid aangeven. Als gemeente voorkomen we zo verlies.”
Vraag 20 2 punten
Leg uit waarom de ondernemers hun maximale betalingsbereidheid voor bedrijfsruimte in de veiling zullen aangeven. Ga in je antwoord in op asymmetrische informatie en risicoaversie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- partijen niet weten hoe hoog de betalingsbereidheid van andere partijen is (asymmetrische informatie), (1)
- maar ze willen geen risico lopen de bedrijfsruimte niet te kunnen kopen (risico avers gedrag) (1)
De veiling verloopt succesvol en geheel naar de verwachting van de wethouder.
Vraag 21 2 punten
Leg de gevolgen uit van de veiling voor het consumentensurplus van de startups.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: Tijdens de veiling bieden de startups elk hun maximale betalingsbereidheid. Door deze perfecte prijsdiscriminatie biedt iedere startup precies de prijs die men maximaal bereid is te betalen. Hierdoor is het consumentensurplus nul geworden. (2)
Opgave 5 Een teken van conjunctuur
Macro-economen gebruiken onder andere de publicaties van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) om de conjuncturele ontwikkeling te kunnen analyseren en de regering te kunnen adviseren. In 2018 is in kwartaal 3 de economische groei lager dan de trendmatige groei. In 2018 analyseren economen de conjunctuur aan de hand van tabellen 1 en 2.
Tabel 1 Enkele macro-economische variabelen van Nederland in het derde kwartaal van 2018
Variabele Mutatie in procenten ten opzichte van het tweede kwartaal Volume bruto binnenlands product +0,20 (= reëel bbp) (gewogen gemiddelde)
Exportvolume +0,50 Consumptievolume huishoudens +0,20 Volume bruto overheidsbestedingen +0,10 Volume bruto bedrijfsinvesteringen -0,10 Importvolume -0,40 Inflatie +0,30
Tabel 2 Enkele conjunctuurindicatoren van Nederland in het derde kwartaal van 2018
Variabele Ontwikkeling ten opzichte van het tweede kwartaal in 2018 Orderportefeuille industrie -- Aantal faillissementen - Omzet uitzendbranche + Producentenvertrouwen - Gemiddelde verkoopprijs ++ nieuwbouwwoning Toelichting: ++ = grote toename, + = toename, - = afname, -- = grote afname
De Nederlandse economie is open en daardoor is de conjunctuur van Nederland in hoge mate afhankelijk van de conjuncturele ontwikkeling van het buitenland.
Vraag 22 2 punten
Heeft het buitenland in kwartaal 3 ten opzichte van kwartaal 2 per saldo een negatieve of positieve invloed gehad op de conjunctuur van Nederland in 2018? Motiveer je keuze.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Positieve invloed Een voorbeeld van een juist antwoord is: De conjunctuur wordt positief beïnvloed als de bestedingen toenemen (en daarmee het bbp). De netto vraag / netto bestedingen uit het buitenland (E–M) heeft / hebben zich positief ontwikkeld, want enerzijds is het exportvolume toegenomen en anderzijds is het importvolume afgenomen. (2)
Vraag 23 2 punten
Noem twee conjunctuurindicatoren die een aanwijzing geven voor een mogelijke daling van de economische groei in het vierde kwartaal van 2018. Geef hiervoor een verklaring.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de productie niet wordt verwoord, maximaal 1 scorepunt toekennen.
Economen Bootsman en Paridons vrezen voor de gevolgen van de onzekerheden in de Duitse economie. Ze discussiëren over toekomstige groeidata van de Nederlandse economie. Bootsman ziet de inflatie toenemen, en beweert daarover het volgende:
Bootsman: “Ondanks de laagconjunctuur is er een relatief hoge inflatie dankzij een wisselkoersverandering van de euro ten opzichte van de dollar.”
Paridons: “Omdat het reële bbp van Duitsland in kwartaal 3 ten opzichte van kwartaal 2 met 0,1% is gekrompen
- en ik denk dat deze ontwikkeling zich in Duitsland voortzet
- kan de groei van de Nederlandse economie hiermee nog meer onder de trend komen.”
Vraag 24 2 punten
Leg uit hoe de wisselkoers van de euro is veranderd ten opzichte van de dollar waardoor er een relatief hoge inflatie is ontstaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: Als de euro ten opzichte van de dollar in waarde daalt, nemen de invoerkosten (omgerekend in euro’s) van veel in USD uitgedrukte goederen (zoals ruwe olie) toe. Als de importeurs deze kosten in Nederland doorberekenen leidt dat tot hogere verkoopprijzen en dus een hogere inflatie. (2)
Vraag 25 2 punten
Verklaar de bewering van econoom Paridons.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Als de productie niet wordt verwoord, maximaal 1 scorepunt toekennen.
Opgave 6 Zoet gedronken zuur betaald
Onderzoekers van de Wereldgezondheidsorganisatie hebben aangetoond dat overmatige consumptie van suikerhoudende frisdranken leidt tot veel overgewicht en diabetes in de Filipijnen. De Filipijnse overheid heeft daarom een heffing van 13% op de prijs van 45 peso’s per liter suikerhoudende frisdrank gelegd.
Vraag 26 2 punten
Verklaar dat de consumptie van suikerhoudende frisdranken kan leiden tot negatieve externe effecten.
Bekijk het antwoord
- Consumptie van suikerhoudende frisdrank leidt tot overgewicht/diabetes/ziekte. Hierdoor neemt de vraag naar gezondheidszorg toe en nemen daarmee de zorgkosten toe (1)
- Deze extra zorgkosten worden niet (of gedeeltelijk) door de frisdrankconsumenten zelf betaald (1)
Omdat de Filipijnen een grote mate van inkomensongelijkheid kennen, kijken de onderzoekers ook naar de gevolgen van de heffing per inkomensgroep. Ze verdelen daartoe de bevolking in vijf bevolkingsgroepen van gelijke grootte (kwintielen).
Tabel 1 Gegevens in de uitgangssituatie zonder heffing en een prijs van 45 peso’s voor een liter suikerhoudende frisdrank
Kwintiel
1 2 3 4 5 Gemiddeld inkomen in 11.762 29.705 44.915 72.541 91.138 peso’s per jaar prijselasticiteit -1,50 -1,41 -1,24 -1,09 -0,97 suikerhoudende frisdrank dagelijkse consumptie 0,13 0,18 0,21 0,26 0,29 suikerhoudende liter liter liter liter liter frisdrank
toekomstig plan eigen 20% 37% 52% 71% 83% bijdrage zorg in % van de zorgkosten
Vraag 27 2 punten
Toon met een berekening aan dat het aandeel van de uitgaven voor suikerhoudende frisdrank in het vierde kwintiel lager is dan in het tweede kwintiel.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juiste berekening zijn: − verhouding inkomen: 72.541 / 29.705 x 100 – 100 = +144,2% verhouding consumptie: 0,26 / 0,18 x 100 – 100 = +44,4% Het inkomensverschil in procenten tussen het 2e en 4e kwintiel is groter dan het verschil in procenten van dagelijkse consumptie tussen het 2e en 4e kwintiel. jaarlijkse frisdrankconsumptie − aandeel consumptie = x100% jaarinkomen (0,18 x 365 x 45) / 29.705 x 100 = 9,95% (0,26 x 365 x 45) / 72.541 x 100 = 5,89% In het tweede kwintiel vormt de consumptie van frisdrank een groter aandeel van het inkomen dan in het vierde kwintiel. (2)
De huidige eigen bijdrage is 20% van de zorgkosten. De onderzoekers schrijven een plan voor de toekomst: “Door de eigen bijdrage in procenten van de zorgkosten progressiever te maken verwachten we een forse vermindering van overgewicht en diabetes.”
Vraag 28 2 punten
Geef op basis van tabel 1 een argument voor en een argument tegen het plan van de onderzoekers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juist antwoord is: Door de progressie in de eigen bijdrage van de zorgkosten zullen met name de hogere inkomens proberen hun consumptie van suikerhoudende frisdrank te verminderen (om zo hogere zorgkosten te vermijden). Omdat de hoogste kwintielen relatief veel frisdrank consumeren, verwacht men met name daar een daling van de consumptie, zodat overgewicht en diabetes worden verminderd. (2)
De onderzoekers bekijken het verschil in de prijselasticiteiten tussen kwintiel 1 en kwintiel 5 en tonen figuur 1.
Figuur 1 Vraaglijnen van kwintiel 1 en kwintiel 5
Vraag 29 2 punten
Welke vraaglijn hoort bij kwintiel 1 en welke vraaglijn bij kwintiel 5? Geef twee argumenten en betrek de prijselasticiteit in je antwoord.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven · Erratum op opgaven
Bekijk het antwoord
- Bij de prijs van 45 peso’s blijkt dat QvB rechtser ligt dan QvA waardoor die groep meer vraag heeft bij eenzelfde prijs. Hieruit blijkt dat QvA bij kwintiel 1 hoort / QvB bij kwintiel 5 hoort (immers mensen uit kwintiel 5 een hogere dagelijkse consumptie hebben dan kwintiel 1) (1)
- Bij een prijs van 45 peso’s valt de prijs bij QvA in het prijselastische deel van de vraaglijn (overeenkomstig met de elasticiteit van kwintiel 1 uit tabel 1) en de prijs valt bij QvB in het prijsinelastische deel van de vraaglijn (overeenkomstig met de elasticiteit van kwintiel 5) (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Economie 2022, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-22-2-o
Andere examens economie vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie vwo 2022, tijdvak 2?
Het centraal examen economie vwo 2022, tijdvak 2 loopt tot vraag 29. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over overheid en belastingen (10), inkomen en consumptie (5) en arbeidsmarkt (3).
Wat zijn de antwoorden van het examen economie vwo 2022, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van economie vwo 2022, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2022/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-22-2-c).
Hoe oefen ik met het examen economie vwo 2022, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.