Eindexamen economie vwo 2019, tijdvak 1: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Rek in het arbeidsaanbod, Opgave 2 Als het geld niet wil rollen, Opgave 3 Markt voor hoger onderwijs, Opgave 4 Protectie een lapmiddel?, Opgave 5 Wie krijgt de opslag?, Opgave 6 Een welverdiende oude dag.
Het centraal examen economie vwo 2019, tijdvak 1 telt 29 vragen. De meeste vragen gaan over internationale handel (7), marktvormen (5) en inkomen en consumptie (5). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Internationale handel | 3, 15-20 | 7 |
| Marktvormen | 10-11, 21-22, 24 | 5 |
| Inkomen en consumptie | 25-29 | 5 |
| Geld en inflatie | 5-8 | 4 |
| Arbeidsmarkt | 1-2, 4 | 3 |
| Speltheorie | 12-13, 23 | 3 |
| Conjunctuur | 9 | 1 |
| Overheid en belastingen | 14 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens economie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over internationale handel (24% van de vragen, gemiddeld 10%) en marktvormen (17% van de vragen, gemiddeld 4%). Minder over overheid en belastingen (3% van de vragen, gemiddeld 20%) en productie en kosten (0% van de vragen, gemiddeld 9%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie vwo 2019, tijdvak 1 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie vwo 2019, tijdvak 1 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie vwo 2019, tijdvak 1. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Opgave 1 Rek in het arbeidsaanbod
In de periode 2010 tot en met 2014 groeide het reële bruto binnenlands product (bbp) in de VS en daarmee de vraag naar arbeid. De werkloosheid daalde in deze periode van 9,8% naar 5,7% van de beroepsbevolking. De daling van de werkloosheid zou volgens de economen hebben moeten leiden tot hogere lonen en daarmee tot inflatie. Opvallend is echter dat in dezelfde periode de stijging van de lonen en de inflatie beperkt bleef.
Econome Janets stelt: “De combinatie van lage werkloosheid en lage inflatie werd mede veroorzaakt doordat het arbeidsaanbod sterker is gaan reageren op een stijging van de lonen. Als gevolg hiervan is de inflatie minder hoog dan verwacht.”
Vraag 1 2 punten
Verklaar de stelling van Janets.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Doordat het aanbod van arbeid sterker is gaan reageren op een stijging van het loon, is bij een toename van de vraag naar arbeid, een relatief kleine loonstijging voldoende geweest om de aangeboden hoeveelheid arbeid mee te laten stijgen. De bedrijven hoefden daardoor de verkoopprijzen minder te verhogen. (2)
De loonelasticiteit van het arbeidsaanbod blijkt in de periode 2010-2014 iets hoger te zijn geweest dan in de periode 2005-2009. Voor de loonelasticiteit van het arbeidsaanbod geldt de volgende formule: procentuele verandering arbeidsaanbod ELA = procentuele verandering loon
Tabel 1 arbeidsmarktgegevens in de VS beroeps- werkgelegenheid* werkloosheid* werkloosheids bevolking* percentage 1-1-2010 153.484 138.438 15.046 9,8 1-1-2015 157.180 148.201 8.979 5,7 * x 1.000 arbeidsjaren
Tabel 2 procentuele groei van het gemiddelde loon in de VS jaar 2010 2011 2012 2013 2014 jaarlijkse groei 2,36 3,13 3,12 1,28 3,55
Vraag 2 2 punten
Bereken de loonelasticiteit van het arbeidsaanbod in de periode aanvang 2010 tot en met einde 2014.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Voorbeeld uit het correctievoorschrift:
Een voorbeeld van een juiste berekening is: 157.180
- 153.484
Janets verwacht dat in de periode vanaf 2015 de groei van het arbeidsaanbod zal afnemen. Bij aanhoudende groei van het reële bbp kan volgens haar de inflatie dan weer hoger uitvallen dan wenselijk. Het lijkt haar raadzaam dat de rente wordt verhoogd, omdat daarmee op termijn de groei van het bbp kan worden beperkt: “Een renteverhoging heeft via de kapitaalrekening van de betalingsbalans effect op de wisselkoers van de US dollar, en daarmee op de lopende rekening. Dit kan leiden tot de gewenste afname van de groei van het bbp.”
Vraag 3 4 punten
Leg uit dat verhoging van de rente in de VS via de kapitaalrekening de wisselkoers van de US dollar beïnvloedt, en daarmee via de lopende rekening de groei van het bbp in de VS kan beperken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een renteverhoging in de VS zal ertoe leiden dat het voor beleggers interessant is om te beleggen in de VS. Hierdoor is er meer vraag naar de US dollar waardoor de wisselkoers van de dollar zal stijgen (2)
- Amerikaanse producten worden hierdoor relatief duur voor het buitenland waardoor de export van de VS afneemt. Daardoor kan de groei van het (reële) bbp afnemen (2)
Econoom Kurt Paulman meent dat de daling van de groei van het arbeidsaanbod niet tot veel meer inflatie hoeft te leiden. Paulman stelt: “Het feit dat in de periode 2010 tot en met 2014 de inflatie jaarlijks lager uitviel dan de groei van het gemiddelde loon, kan namelijk ook verklaard worden uit de stijging van de arbeidsproductiviteit.”
Vraag 4 2 punten
Verklaar de stelling van Paulman.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Als de loonstijging (voor zover die de inflatie overstijgt) deels gefinancierd kan worden uit een stijging van de arbeidsproductiviteit zal de stijging van de loonkosten per product beperkt blijven. (Bedrijven kunnen daardoor genoegen nemen met een kleinere prijsverhoging om de winstmarge te behouden.) (2)
Opgave 2 Als het geld niet wil rollen
De economie van een land is als gevolg van een crisis in het bankwezen terechtgekomen in een langdurige laagconjunctuur met een inflatie dicht bij nul procent. Een econoom maakt een analyse waarbij hij een verklaring wil geven voor het uitblijven van economisch herstel. Hij wijst op een tweetal zaken die van belang zijn voor het begrijpen van de economische situatie:
- De Centrale Bank (CB) bepaalt via haar beleidsrente de marktrente. De gewenste marktrente hangt af van de verwachte inflatie. De CB streeft naar een inflatie van twee procent en zou in de huidige situatie voor een negatieve beleidsrente willen kiezen. Met het oog op de zero lower bound is de huidige beleidsrente op nul procent gesteld.
- Schulden van huishoudens zijn sinds de crisis sterk toegenomen als gevolg van werkloosheid.
Vraag 5 2 punten
Leg uit waarom de CB een beleidsrente onder nul procent zou moeten vaststellen om haar inflatiedoelstelling te bereiken.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Om de inflatie terug te brengen naar het gewenste niveau van 2%, wil de CB de rente verlagen om lenen te stimuleren / sparen te ontmoedigen. Omdat de rente al 0% bedraagt, zou de rente dan negatief moeten worden. (2)
De econoom concludeert dat de geaggregeerde vraag nauwelijks stijgt als het prijspeil daalt. Dat is het resultaat van een aantal verbanden die deels tegen elkaar inwerken. De econoom illustreert deze verbanden in figuur 1.
Figuur 1 verbanden tussen prijspeil en geaggregeerde vraag
financiële bezittingen geaggregeerde prijspeil reële rente vraag schulden
Vraag 6 2 punten
Leg uit dat het verband tussen het prijspeil en de geaggregeerde vraag via de financiële bezittingen negatief is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor antwoorden, beredeneerd vanuit een stijging van het prijspeil, kunnen ook scorepunten worden toegekend.
Vraag 7 2 punten
Leg uit dat het verband tussen het prijspeil en de geaggregeerde vraag via de reële rente positief is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor antwoorden, beredeneerd vanuit een stijging van het prijspeil, kunnen ook scorepunten worden toegekend.
Vraag 8 2 punten
Leg uit dat het verband tussen het prijspeil en de geaggregeerde vraag via de schulden positief is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor antwoorden, beredeneerd vanuit een stijging van het prijspeil, kunnen ook scorepunten worden toegekend.
De econoom maakt in zijn verdere analyse van de te verwachten economische ontwikkelingen gebruik van figuur 2, met de geaggregeerde vraag- en aanbodlijnen voor de korte en lange termijn.
Figuur 2 geaggregeerde vraag en aanbod, korte- en lange termijn
GV GAlt prijspeil
GAkt
reëel bbp GV = geaggregeerde vraag GAlt = geaggregeerd aanbod op de lange termijn GAkt = geaggregeerd aanbod op de korte termijn
De econoom licht toe dat de GAlt-lijn de productiecapaciteit van het land weergeeft. De GAkt-lijn wordt bepaald door de omvang van de feitelijke productie, gegeven de ervaring dat er op korte termijn sprake is van starheid van lonen en prijzen.
Vraag 9 1 punt
Leg uit dat uit figuur 2 is af te leiden dat de economie zich nu in een laagconjunctuur bevindt.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Het kortetermijn evenwicht wordt weergegeven door het snijpunt van GAkt en GV en dit snijpunt ligt links van GAlt. Hierbij is het bbp lager dan de productiecapaciteit. Hieruit blijkt dat de economie zich nu in een laagconjunctuur bevindt. (1)
Opgave 3 Markt voor hoger onderwijs
In een land binnen de eurozone zijn twee private instellingen voor hoger beroepsonderwijs actief: business school A (BSA) en business school B (BSB). Daarnaast bestaan er publieke instellingen voor hoger onderwijs, gefinancierd door de overheid. Studenten aan de publieke onderwijsinstellingen hoeven vooralsnog geen lesgeld of collegegeld te betalen en de studieduur is onbeperkt. BSA en BSB streven elk op korte termijn naar een zo groot mogelijke omzet. Voor het lopende collegejaar is het collegegeld van BSA € 15.000 en van BSB € 20.000 per student. De directies gaan uit van de volgende functies:
- Qva = −0,2 Pa + 0,1 Pb + 0,05 Po + 4.500
- Qvb = 0,25 Pa
- 0,3 Pb + 0,04 Po + 8.000
Qva = aantal studenten van BSA Qvb = aantal studenten van BSB Pa = collegegeld per jaar van BSA Pb = collegegeld per jaar van BSB Po = collegegeld publieke onderwijsinstellingen (vooralsnog: Po = nul)
BSA en BSB hebben geen andere inkomsten dan collegegeld.
Vraag 10 2 punten
Ondervinden de private onderwijsinstellingen de sterkste concurrentie van elkaar of juist van de publieke onderwijsinstellingen? Licht het antwoord toe aan de hand van de relevante coëfficiënten in beide functies.
Bekijk het antwoord
- van elkaar Een voorbeeld van een juiste toelichting is: Uit de coëfficiënten (0,1 en 0,25 groter dan respectievelijk 0,05 en 0,04) blijkt dat de afzet van zowel BSA als BSB sterker wordt beïnvloed door de prijs van de ander dan door de prijs van de publieke onderwijsinstellingen. (2)
Vraag 11 2 punten
Bereken met behulp van bovenstaande vergelijking de bovengrens van de betalingsbereidheid die een student kan tonen voor een opleiding aan BSA, gegeven de beschikbare alternatieven.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: Voor de beschikbare alternatieven geldt: Pb = € 20.000 en Po = 0 Stel Q va = −0,2 Pa + 0,1 × 20.000 + 0 + 4.500 = 0 0,2 Pa = 6.500 → maximale betalingsbereidheid: Pa = € 32.500 (2)
Voor het komende collegejaar overwegen de directies van BSA en BSB onafhankelijk van elkaar om de collegegelden te verhogen met 10%. Op basis van bovenstaande functies is onderstaande pay-off matrix opgesteld.
Matrix 1 procentuele veranderingen van de totale opbrengsten aan collegegelden ten opzichte van de huidige situatie
BSB houdt BSB verhoogt collegegeld gelijk collegegeld met 10% BSA houdt collegegeld gelijk (0, 0) (+5,71,
- 1,48) BSA verhoogt collegegeld (+0,57, + 6,52) (+6,86, + 5,70) met 10%
Vraag 12 2 punten
Geef de berekening van de waarde van 0,57% linksonder in de matrix op basis van de beide gegeven functies.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: Q va = −0,2 × 15.000 + 0,1 × 20.000 + 0 + 4.500 = 3.500 studenten TOa = 3.500 × 15.000 euro = 52,5 mln. euro Q va nieuw = −0,2 × 16.500 + 0,1 × 20.000 + 4.500 = 3.200 TOa nieuw = 3.200 × 16.500 euro = 52,8 mln. euro TOa stijgt met 0,57%. (2)
Vraag 13 3 punten
Beargumenteer wat op basis van de pay-off matrix zal gebeuren met het verschil in collegegeld tussen BSA en BSB.
Bekijk het antwoord
- Voor BSA is verhoging van het collegegeld de dominante strategie: bij elke keuze van BSB is voor BSA een verhoging van het collegegeld de beste optie (0,57% stijging van de omzet is beter dan 0%, resp. 6,86% is beter dan 5,71%) (1)
- Voor BSB is gelijk houden van het collegegeld de dominante strategie / Bij elke keuze van BSA is voor BSB het gelijk houden van het collegegeld de beste optie (0% verandering van de omzet is beter dan een daling van 1,48%, resp. 6,52% is beter dan 5,70%) (1)
- Aangezien BSA in de startsituatie het laagste collegegeld vroeg (€ 15.000), wordt het verschil tussen het collegegeld bij BSA en BSB dus kleiner (1)
De minister van Onderwijs overweegt collegegeld in te voeren voor studenten aan publieke instellingen voor hoger onderwijs. Hij stelt:
- “De huidige financiering van het publieke onderwijs is een vorm van verplichte solidariteit binnen de samenleving.
- Aangezien bij publieke onderwijsinstellingen nu nog geen collegegeld hoeft te worden betaald kan daar bij studenten moral hazard optreden.
- Hierdoor kan het draagvlak voor deze solidariteit worden aangetast.”
Vraag 14 3 punten
Verklaar de drie onderdelen van de stelling van de minister.
Bekijk het antwoord
- Financiering van publieke onderwijsinstellingen vindt plaats via belastingheffing. De samenleving draagt hier derhalve verplicht aan bij (1)
- Aangezien studenten geen collegegeld hoeven te betalen kan moral hazard optreden, doordat zij bij onvoldoende studie-inspanning slechts in beperkte mate zelf de financiële gevolgen merken (welke grotendeels ten laste komen van de samenleving) (1)
- Als bij de belastingbetaler de indruk ontstaat dat deze moet betalen voor studenten die zich slecht inzetten kan dit het draagvlak voor de verplichte solidariteit aantasten (1)
Opgave 4 Protectie een lapmiddel?
De overheid van het ontwikkelingsland Pesthan gebruikte van 1995 tot
2015 het infant industry argument om de importen te beperken. Zij verhoogde daartoe de importheffingen en stelde importquota in. De nationale munt, de pesto, is vrij inwisselbaar.
Vraag 15 1 punt
Leg uit dat importheffingen de vraag naar importen kunnen beperken.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Bij verhoging van importheffingen wordt de prijs van geïmporteerde goederen duurder (ten opzichte van binnenlandse substituten). Daardoor zal de vraag naar importen afnemen. (1)
Vraag 16 2 punten
Leg uit dat beperking van de importen binnenlandse bedrijven in Pesthan de kans geeft om na verloop van tijd beter te kunnen concurreren op de wereldmarkt.
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juiste uitleg zijn: − Beperking van importen leidt tot stijging van het prijsniveau in Pesthan van de betreffende producten. Binnenlandse producenten van deze of vergelijkbare producten kunnen als gevolg van schaalvergroting de gemiddelde kosten na verloop van tijd zien dalen (en zij kunnen dan beter concurreren op de wereldmarkt). − Beperking van importen leidt tot stijging van het prijsniveau in Pesthan van de betreffende producten. Binnenlandse producenten van deze of vergelijkbare producten kunnen nu middelen vrijmaken om te investeren in innovaties en zodoende goedkoper te produceren. (Dit versterkt hun concurrentiepositie op de wereldmarkt.) (2)
In 2015 krijgt het Economisch Adviesorgaan (EA) van de nieuwe regering de opdracht om te onderzoeken of vermindering van de belemmeringen op importen mogelijk gunstig kan zijn voor gezinnen en bedrijven in het land. Het EA presenteert informatie van Pesthan in tabel 1 en van vergelijkbare ontwikkelingslanden in grafiek 1 en 2.
Tabel 1 macro-economische waarden van Pesthan in miljard pesto
1995 2015
C particuliere consumptie 120 140 Ibruto bruto-bedrijfsinvesteringen 12,5 15 Obruto bruto-overheidsbestedingen 56 57
E exportwaarde goederen en diensten 18 22,5 M importwaarde goederen en diensten 20 25
Een indicator voor de openheid van de economie wat betreft de internationale handel is de internationale handelsquote, berekend volgens onderstaande formule. In het jaar 1995 bedroeg deze 0,20.
egd + mgd internationale handelsquote = bbp waarbij: egd = exportwaarde goederen en diensten mgd = importwaarde goederen en diensten bbp = bruto binnenlands product
Vraag 17 2 punten
Bepaal met een berekening of de internationale handelsquote van Pesthan in 2015 is toe- of afgenomen ten opzichte van 1995.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: Voor 2015 geldt: E + M = 47,5 bbp = C + Ibruto + Obruto + E − M = 140 + 15 + 57 + 22,5 − 25 = 209,5 47,5 internationale handelsquote = = 0,227 209,5 Deze waarde is groter dan de 0,20 waarvan sprake was in 1995. De handelsquote is dus toegenomen. (2)
Het EA stelt: “De stijging van de exportwaarde van goederen en diensten is niet alleen een gevolg van het protectionistische beleid, gericht op versterking van opkomende bedrijven. Het kan ook zijn veroorzaakt door een waardeverandering van de pesto. Deze waardeverandering kan ook hebben bijgedragen aan de stijging van het binnenlandse prijsniveau.”
Vraag 18 2 punten
Leg uitsluitend met behulp van informatie uit tabel 1 uit dat de stijging van de exportwaarde in de periode 1995-2015 veroorzaakt zou kunnen zijn door een waardeverandering van de pesto.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Het saldo op de lopende rekening van de betalingsbalans is in de vermelde jaren negatief. Dit betekent dat de pesto meer wordt aangeboden dan gevraagd, waardoor deze in waarde daalt. Hierdoor worden de goederen en diensten uit Pesthan goedkoper voor het buitenland, wat de stijging van de exportwaarde (in pesto) kan verklaren. (2)
Vraag 19 1 punt
Leg uit dat het prijsniveau in Pesthan kan zijn toegenomen als gevolg van depreciatie van de pesto.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Als gevolg van depreciatie van de pesto wordt de prijs van geïmporteerde producten (gemeten in pesto) hoger, waardoor het binnenlandse prijsniveau stijgt. (1)
Grafiek 1 verandering internationale handelsquote en bbp bij vergelijkbare ontwikkelingslanden 5,0 gem. jaarlijkse groei bbp
4,5 4,0 3,5 3,0 2,5 2,0 1,5 1,0 0,5 0 -4 -2 0 2 4 6 gem. jaarlijkse verandering handelsquote (%)
Grafiek 2 verandering internationale handelsquote en Gini- coëfficiënt bij vergelijkbare ontwikkelingslanden 1,0 gem. jaarlijkse verandering Gini-coëfficiënt
0,5 0 -4 -2 0 2 4 6 -0,5 -1,0 -1,5 -2,0 -2,5 gem. jaarlijkse verandering handelsquote (%)
Op basis van de informatie in grafieken 1 en 2 adviseert het EA om meer vrijhandel toe te laten. Het EA stelt dat hierdoor: i. de arbeidsmarkt verkrapt zodat de lonen in het land verder kunnen stijgen en ii. de inkomensverdeling gelijker wordt.
Vraag 20 3 punten
Licht het advies van het EA toe. Besteed aandacht aan onderdelen i. en ii.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Grafiek 1 laat zien dat een hogere internationale handelsquote in het algemeen samengaat met een hogere groei van het bbp. Dit betekent meer vraag naar arbeid / minder werkloosheid (en dus een krappere arbeidsmarkt) waardoor de lonen kunnen stijgen (2)
- Grafiek 2 laat zien dat (in de bestudeerde groep landen) de Gini- coëfficiënt afneemt naarmate de internationale handelsquote stijgt. Dit is een aanwijzing dat inkomensverschillen tussen mensen met hoge en lage inkomens verminderen (1)
Opgave 5 Wie krijgt de opslag?
Twee bedrijven, Westeropslag (WOP) en Oostbox (OBX), verhuren containeropslagruimte aan particulieren in een land. Er is sprake van een heterogeen duopolie. Het land bestaat uit de regio’s Oost en West. De afzet van de bedrijven wordt gemeten naar het aantal vierkante meter opslagruimte dat ze verhuren. OBX realiseert zestig procent van de totale eigen afzet in regio Oost, WOP 60% van de totale eigen afzet in regio West.
Met het oog op stijging van de kosten overweegt WOP om de verkoopprijs met tien procent te verhogen. WOP gaat ervan uit dat ook OBX een dergelijke stap overweegt. WOP onderzoekt de marktverhoudingen en de effecten op de omzet van een verandering van de prijs (matrix 1). In de uitgangssituatie verhuurt WOP 36.500 m2 opslagruimte.
Matrix 1 prijscombinaties en verwachte omzet (× 1.000 euro’s)
OBX P* 5,30 5,83 WOP 5 182,5; 146,3 195,8; 136,2 5,50 173,3; 156,9 187,8; 147,9 * prijzen per m2 opslagruimte
Vraag 21 1 punt
Bereken het marktaandeel van WOP, gemeten in afzet, in de uitgangs- situatie.
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: 146.300 opslagruimte OBX = = 27.604 m 2 5,30 36.500 marktaandeel WOP = × 100% = 56,9% 36.500 + 27.604 (1)
WOP stelt aan OBX voor om een prijsafspraak te maken waarbij beide de prijs verhogen met 10%. OBX doet een tegenvoorstel om per regio een prijsafspraak te maken. OBX zou in regio West de prijs verhogen met 100% waardoor WOP hier als monopolist kan optreden. Door eenzelfde prijsverhoging van WOP in regio Oost zal OBX daar ook geen concurrentie meer ondervinden.
WOP wil alleen akkoord gaan met het voorstel van OBX als de verwachte totale omzet van WOP daarbij minstens gelijk is aan die bij het eigen voorstel. Een medewerker van WOP stelt op basis van een analyse: “Om bij het voorstel van OBX eenzelfde omzet te behalen als bij ons eigen voorstel, zal WOP een prijs per vierkante meter moeten rekenen van
6 euro. Er is dan van uitgegaan dat de totale afzet in regio West hierbij daalt met 5% ten opzichte van de uitgangssituatie.”
Vraag 22 2 punten
Laat met een berekening zien dat, gegeven de genoemde daling van de afzet in regio West, WOP bij het voorstel van OBX een prijs van 6 euro moet rekenen om eenzelfde omzet te behalen als bij het eigen voorstel.
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor een andere juiste wijze van afronden kunnen ook scorepunten worden toegekend.
Uiteindelijk gaat WOP akkoord met het voorstel van OBX. Na enige tijd krijgt de landelijke mededingingsautoriteit (LMA) echter het vermoeden van het bestaan van het kartel en start een onderzoek. De ervaring leert dat de LMA in drie van de vier keer dat ze een onderzoek uitvoert, zonder voorafgaande melding een kartelafspraak kan aantonen. De website van de LMA vermeldt de boeteregeling voor het deelnemen aan kartels:
− Als de LMA in staat is het kartel aan te tonen, krijgt elk deelnemend bedrijf dat niet heeft gemeld een boete gelijk aan vier keer de extra omzet als gevolg van het kartel.
- Een bedrijf kan ook zelf een kartelafspraak melden. Een bedrijf dat dit als eerste doet, krijgt geen boete opgelegd.
- Ieder volgend deelnemend bedrijf dat een melding maakt voordat de LMA het kartel heeft aangetoond, krijgt een boete gelijk aan de extra omzet als gevolg van het kartel.
Op basis van deze boeteregeling tekent een directielid van WOP onderstaande spelboom. Zij realiseert zich dat OBX een gelijksoortige spelboom kan opstellen, waarin geldt dat OBX als eerste zijn keuze bepaalt.
Figuur 1 spelboom met verwachte waarden van boetes als percentage van de extra omzet
melden 0; 100
OBX melden niet 0, 400 melden WOP
melden 400, 0 niet melden OBX niet 300 ; 300 melden
Vraag 23 2 punten
Verklaar de uitkomst van de spelsituatie waarbij beide bedrijven ervoor kiezen om niet te melden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Als het LMA het kartel opspoort, krijgen beide bedrijven een boete van vier keer de extra omzet als gevolg van het kartel (400%). Als beide bedrijven niet melden is er een kans van 75% dat het LMA dit kartel aantoont. De verwachte waarde van de boete is dan (voor beide bedrijven) 0,75 × 400% = 300% van de extra omzet. (2)
De directrice van WOP stelt: “Gegeven het Nash-evenwicht in de spelboom, stel ik voor om zo snel mogelijk te melden. Anders is straks de stijging van onze omzet geheel tenietgedaan door de boete van de LMA.”
Vraag 24 2 punten
Leg de gedachtegang van de directrice uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Op basis van de spelboom heeft OBX een dominante strategie om te melden (100% boete is beter dan 400% en 0% boete is beter dan 300%). WOP kan dan kiezen tussen melden (0% boete) of niet melden (400% boete). WOP kiest dan om te melden (1)
- De directrice van WOP wil OBX vóór zijn, om de boete als tweede melder van 100% van de extra omzet te ontlopen (1)
Opgave 6 Een welverdiende oude dag
In een land bestaat een oudedagsvoorziening, gebaseerd op het omslagstelsel. Er is geen verplichte eigen pensioenopbouw. Een politicus pleit voor een verlaging van de bestaande uitkering. Een econoom onderzoekt de gevolgen van dit plan. Hij schetst daartoe een modelmatige weergave van de financiële positie van een werknemer tijdens diens werkzame periode en in de periode daarna (zie figuur 1). De econoom stelt het bruto-verdienpotentieel van een werknemer gelijk aan het totale arbeidsinkomen dat deze vanaf een bepaald moment nog zal verwerven tot aan diens pensionering. In figuur 1 schetst de econoom ook het verloop van het financieel vermogen van een werknemer, vanaf het betreden van de arbeidsmarkt tot het overlijden. Voor opbouw van dit financieel vermogen wordt een deel van het bruto-verdienpotentieel bestemd. Figuur 1 model van de levensloop van een werknemer
euro’s a 4 miljoen
bruto-verdienpotentieel
b 0,6 miljoen
financieel vermogen
c betreden pensionering overlijden arbeidsmarkt
De uitgangspunten van de econoom bij het model zijn:
- De inflatie en de rente bedragen beide 0%.
- Het loonpeil blijft onveranderd.
- Heffingen op het inkomen (inclusief premies voor de oudedagsvoorziening) bedragen steeds 30% van het inkomen.
- Na pensionering wordt geen inkomen meer verdiend. De econoom licht toe dat de punten a en c in dit model ook hoger of lager getekend zouden kunnen worden. Het financieel vermogen zou bij het betreden van de arbeidsmarkt negatief kunnen zijn, gekoppeld aan een hoger verdienpotentieel.
Vraag 25 2 punten
Geef een verklaring voor de beschreven koppeling.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Voor het betreden van de arbeidsmarkt zijn schulden gemaakt om een hogere opleiding te volgen, waarbij dan een hoger inkomen kan worden bereikt. (2)
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
De positie van punt b wordt onder andere bepaald door de tijdsvoorkeur van een werknemer gedurende diens werkzame leven.
Vraag 26 1 punt
Zal bij een toename van de tijdsvoorkeur gedurende het werkzame leven punt b hoger of lager komen te liggen? Licht het antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- lager Een voorbeeld van een juiste toelichting is: Omdat meer waarde wordt gehecht aan consumptie vóór de pensionering dan na de pensionering, zal minder worden gespaard (met als gevolg minder vermogensopbouw). (1)
De econoom gaat er in figuur 1 van uit dat een vast deel van het inkomen wordt geconsumeerd.
Vraag 27 2 punten
Bereken welk percentage van het bruto-inkomen wordt geconsumeerd in de periode vóór de pensionering.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: Totaal geconsumeerd is: 0,7 × 4 mln. − 0,6 mln. = 2,2 mln. 2,2 × 100% = 55% 4 (2)
De econoom meent dat door verlaging van de uitkering van de oudedagsvoorziening figuur 1 zal veranderen. Hij beweert dat als wordt uitgegaan van een lagere uitkering punt b hoger zal komen te liggen.
Vraag 28 2 punten
Ondersteun de bewering van de econoom met een argument dat betrekking heeft op bestedingsmogelijkheden vóór de pensionering en een argument betreffende bestedingsmogelijkheden ná de pensionering.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Vóór pensionering zal er meer gespaard moeten worden / minder geconsumeerd worden (om de lagere uitkering te compenseren). Door de toegenomen besparingen komt punt b hoger te liggen (1)
- Na pensionering kan er minder besteed worden door de lagere uitkering, dus moet het financieel vermogen bij punt b hoger zijn om dit op te vangen (1)
De politicus pleit ervoor dat werknemers zelf via beleggingen een aanvullende oudedagsvoorziening regelen. Een beleggingsadviseur stelt dat in dat geval jonge werknemers vooral zouden moeten kiezen voor het hoge rendement van aandelen, ondanks het relatief hoge koersrisico. Naarmate de pensioenleeftijd dichterbij komt gaat volgens hem dit risico zwaarder wegen en hij raadt de dan inmiddels oudere werknemers aan om gaandeweg over te stappen op obligaties, of zelfs om een deel van het vermogen op een betaalrekening te houden.
Vraag 29 3 punten
Verklaar dit verschil in advies aan jongere en oudere werknemers.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Voor jonge werknemers is de periode van beleggen tot aan de pensioenleeftijd nog lang. Zij kunnen koersdalingen van aandelen vaak nog opvangen / Voor hen kunnen koersdalingen van aandelen nog worden gecompenseerd door latere stijgingen. Met het oog op het relatief hoge verwachte rendement ligt de keuze voor aandelen dan meer voor de hand (2)
- Naarmate werknemers ouder worden, wordt de beleggingsperiode die resteert tot de pensioenleeftijd korter, en wordt de kans om koersdalingen te kunnen opvangen kleiner. Dan is er meer voor te zeggen om te kiezen voor veiliger beleggingen zoals obligaties (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Economie 2019, tijdvak 1. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1022-a-19-1-o
Andere examens economie vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie vwo 2019, tijdvak 1?
Het centraal examen economie vwo 2019, tijdvak 1 telt 29 vragen. De meeste vragen gaan over internationale handel (7), marktvormen (5) en inkomen en consumptie (5).
Wat zijn de antwoorden van het examen economie vwo 2019, tijdvak 1?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van economie vwo 2019, tijdvak 1?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2019/vwo/documenten/cse-1/vw-1022-a-19-1-c). Bij dit examen hoort ook een aanvulling op het correctievoorschrift.
Hoe oefen ik met het examen economie vwo 2019, tijdvak 1 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.