Eindexamen economie vwo 2018, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Hoe verdelen we de zorgkosten?, Opgave 2 Arbeidsproductiviteit in de lift, Opgave 3 Huizenmarkt als financiële zeepbel, Opgave 4 Armer door muntunie, Opgave 5 Inperken van de uitstoot.
Het centraal examen economie vwo 2018, tijdvak 2 loopt tot vraag 30. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over overheid en belastingen (10), vraag en aanbod (5) en arbeidsmarkt (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Overheid en belastingen | 1-5, 21, 24-26, 29 | 10 |
| Vraag en aanbod | 12-13, 15-16, 30 | 5 |
| Arbeidsmarkt | 9-11, 20 | 4 |
| Productie en kosten | 6-8 | 3 |
| Conjunctuur | 14, 17, 23 | 3 |
| Internationale handel | 18-19 | 2 |
| Geld en inflatie | 22 | 1 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens economie vwo sinds 2018: dit examen vroeg meer over overheid en belastingen (36% van de vragen, gemiddeld 18%) en vraag en aanbod (18% van de vragen, gemiddeld 6%). Minder over inkomen en consumptie (0% van de vragen, gemiddeld 9%) en risico en verzekeren (0% van de vragen, gemiddeld 9%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen economie vwo 2018, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen economie vwo 2018, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen economie vwo 2018, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Opgave 1 Hoe verdelen we de zorgkosten?
In een land rapporteert een onderzoeksbureau in 2016 over de toenemende kosten van de zorg. Het bureau voorziet een groei van de zorgkosten die aanzienlijk hoger is dan de groei van het bruto binnenlands product (bbp):
- De zorgkosten, die in 2016 9% van het bbp bedragen, zullen met 3,5% per jaar stijgen bij een jaarlijkse groei van het bbp van 1,32%.
- Hieruit valt te berekenen dat de zorgkosten zullen oplopen tot meer dan 14% van het bbp in 2040.
- Voor mensen die ouder zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd van zeventig jaar zijn de zorgkosten per persoon in 2016 gemiddeld ruim drie keer zo hoog als van mensen onder die leeftijd. Deze verhouding zal de komende decennia nog verder toenemen. Verder constateert het bureau dat vanaf een leeftijd van rond zeventig jaar mensen sowieso gemiddeld te maken krijgen met hogere zorgkosten.
Vraag 1 2 punten
Toon met een berekening op basis van de gegevens van het onderzoeksbureau aan dat de totale zorgkosten in 2040 meer dan 14% van het bbp zullen bedragen.
Bekijk het antwoord
Opmerking Een berekening op basis van 25 perioden levert geen puntenaftrek op.
Voor een artikel over de gezondheidszorg bestudeert een journaliste het rapport. Ze vat het systeem van de zorg en de wijze waarop dit is gefinancierd schematisch samen zoals weergegeven in figuur 1.
Figuur 1 Systeem van financiering van de zorg
verzekeraars
premies vergoedingen
verzekerden zorg zorgaanbieders
De journaliste introduceert het begrip nettozorgprofijt met als definitie: kosten van genoten zorg
- betaalde bijdragen aan de zorg. Zij stelt dat het handhaven van een systeem met een uniforme premie neerkomt op verplichte solidariteit van relatief jonge verzekerden ten opzichte van oudere. Als de zorgkosten blijven stijgen zal deze verplichting zwaarder worden en kan dit leiden tot onvrede bij jongere verzekerden. De journaliste wijst er op dat het systeem voor hen op termijn ook voordelig kan zijn. Zij verwacht dat de jongere verzekerden van nu, gezien de aanhoudende stijging van de zorgkosten, over hun hele levensloop toch nog een positief nettozorgprofijt kunnen verwachten.
Vraag 2 2 punten
Leg deze veronderstelling van de journaliste uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Wanneer de huidige jonge verzekerden in de toekomst op leeftijd gekomen zijn, zal een nieuwe generatie jongere verzekerden voor hen meebetalen aan hun hogere zorgkosten. Hun huidige negatieve nettozorgprofijt als jongere is, gemiddeld genomen, kleiner dan hun toekomstige positieve nettozorgprofijt als oudere. (2)
Een manier om rekening te houden met verschillen tussen generaties is het instellen van twee verzekeringen: één voor mensen jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, en één voor ouderen, die dan gemiddeld hogere premies betalen. Dan wordt minder beroep gedaan op de solidariteit tussen de generaties, wat de onvrede bij de jongere verzekerden ten aanzien van de zorgverzekering zou kunnen verminderen. De journaliste stelt dat verzekerden uit deze groep bij de financiële planning over hun levensloop dan wel rekening dienen te houden met de vraag wat het bestaan van twee verschillende verzekeringen voor hen betekent wanneer zij zelf eens de pensioengerechtigde leeftijd zullen hebben bereikt.
Vraag 3 2 punten
Leg deze stelling van de journaliste uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: De verzekeringspremies voor de verzekering van ouderen zullen veel hoger moeten liggen (om de hogere kosten te kunnen dekken) waardoor jongeren wellicht moeten sparen (en daarmee afzien van huidige consumptie) om na hun pensioengerechtigde leeftijd de benodigde hoge premies te kunnen betalen. (2)
Volgens het rapport kan de verwachte stijging van de zorgkosten worden aangepakt met een nieuw zorgsysteem waarbij de overheid een basispakket gezondheidszorg verplicht stelt met een vast eigen risico. Mensen kunnen in dat systeem zelf kiezen bij welke verzekeraar zij zich willen verzekeren. Verzekeraars mogen niemand weigeren, maar mogen wel zelf de hoogte van hun premie vaststellen. Volgens het rapport kan dit systeem via de marktrelaties tussen verzekerden, verzekeraars en zorgaanbieders, zoals weergegeven in figuur 1, een matigende invloed hebben op de stijging van de zorgkosten.
Vraag 4 2 punten
Leg deze stelling uit. Betrek alle drie de partijen uit figuur 1 in het antwoord.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De verzekerden zullen letten op de hoogte van de premie, waardoor de verzekeraars extra op de kosten zullen willen letten (1)
- De verzekeraars zullen dan scherper onderhandelen met zorgaanbieders / ook zoeken naar de goedkoopste zorgaanbieders waardoor zorgaanbieders mogelijk hun prijzen zullen matigen (1)
De journaliste voorziet echter een effect waaraan in het rapport geen aandacht is geschonken: “Een systeem met een eigen risico kan leiden tot denivellering van de beschikbare inkomens van gezinshuishoudingen na aftrek van betaalde bijdragen aan de zorg.”
Vraag 5 1 punt
Leg deze stelling van de journaliste uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juiste uitleg zijn: − De betalingen voor het eigen risico vormen voor mensen met lage inkomens een groter percentage van hun inkomen dan voor mensen met hoge inkomens. Zij gaan er dus procentueel meer op achteruit dan mensen met hoge inkomens. − Mensen met lage inkomens leven vaak relatief ongezond (vergeleken met mensen met hogere inkomens) en zijn meer op gezondheidszorg aangewezen. Zij zullen vaker betalingen moeten doen die onder het eigen risico vallen en gaan er dus procentueel meer op achteruit dan mensen met hoge inkomens. (1)
Opgave 2 Arbeidsproductiviteit in de lift
In een land publiceert een onderzoeksbureau gegevens over de gemiddelde arbeidsproductiviteit, de beloning van arbeid en de situatie op de arbeidsmarkt in de periode 2003-2014 (figuur 1 en tabellen 1 en 2). Als veroorzakende factoren voor de verandering van de arbeidsproductiviteit wordt alleen gekeken naar de ontwikkeling van de informatie- en communicatietechnologie (ICT) en van de scholing van de beroepsbevolking. Andere factoren blijven hier onbenoemd. Het bureau stelt: “In de periode van 2009-2013 heeft de stijging van de arbeidsproductiviteit niet geleid tot hogere reële loonkosten per uur.” Een econoom concludeert op basis van de figuur dat de reële loonkosten per eenheid product zijn gedaald, waardoor de winstgevendheid van bedrijven moet zijn gestegen.
Figuur 1 Arbeidsproductiviteit en loonkosten, ontwikkelingen 2003-2014 (indexcijfers, 2003 = 100) 112 110,4 109,6 109,6
110 108,7 109,3 108,1 108,6 108 106,7 105,9 106 104,9
104 105,0 104,4 103,9 103,8 103,6 104,5 102,1 103,3
102 103,2
100 101,8 101,1 101,5 100 100 98
96
94
2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 Legenda: arbeidsproductiviteit per uur reële loonkosten per uur
Tabel 1 verandering arbeidsproductiviteit (%) per verklarende factor1)
2003-2008 2) 2009 2010-2014 2) ICT +1,26 +0,27 +1,00 scholing van de beroepsbevolking +3,03 +0,80 +2,53 1) Percentages, toe te rekenen aan de genoemde factoren. Andere factoren die de arbeidsproductiviteit bepalen, blijven onbenoemd. 2) De percentages gelden voor het geheel van de periode, niet per jaar.
Tabel 2 jaarlijkse verandering van het aantal gewerkte uren (%)
2003-2008 2009 2010-2014 jaarlijkse verandering gewerkte uren + 0,7 -1,4 -0,2
Vraag 6 2 punten
Bereken de procentuele verandering van de reële loonkosten per eenheid product in 2014 ten opzichte van 2009.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Bij onjuiste afronding(en) maximaal 1 scorepunt aftrekken.
Vraag 7 2 punten
Leg uit onder welke voorwaarde een daling van de reële loonkosten per eenheid product kan leiden tot vergroting van de reële winst per eenheid product. Neem hierbij aan dat de overige kosten gelijk blijven.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: De reële winst per eenheid product stijgt als gevolg van een daling van de reële loonkosten per product zolang de verkoopprijzen niet even sterk / sterker dalen. (2)
Vraag 8 2 punten
Bereken voor welk deel de stijging van de arbeidsproductiviteit in 2014 ten opzichte van 2003 werd veroorzaakt door ICT. Druk het antwoord uit in een percentage.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
Opmerking Voor een andere correcte wijze van afronden ook scorepunten toekennen.
In 2009 hebben werkgevers veel mensen ontslagen, met als gevolg een toename van de werkloosheid. De econoom concludeert op basis van figuur 1 en tabel 2: “Het totale aantal gewerkte uren is in 2009 toch minder sterk gedaald dan de productie.”
Vraag 9 2 punten
Noem de gegevens uit figuur 1 en tabel 2 waarop de econoom zich baseert en leg uit hoe hij daarmee tot zijn conclusie is gekomen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De daling van het aantal gewerkte uren (met 1,4%; zie tabel 2) in 2009, alsmede de daling van (het indexcijfer van) de arbeidsproductiviteit per uur in 2009 ten opzichte van 2008 (van 108,7 naar 105,9; zie tabel 1) (1)
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Doordat behalve het aantal uren ook de arbeidsproductiviteit per uur is gedaald, is de daling van de productie in 2009 sterker dan de daling van het aantal gewerkte uren in dat jaar (1)
Vraag 10 2 punten
Noem twee motieven die werkgevers kunnen hebben gehad om de inzet van arbeid minder te verlagen dan de daling van de productie.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van juiste motieven zijn (twee van de volgende): − Het is kostbaar om personeel te ontslaan voor de afloop van het arbeidscontract / voor de opzeggingstermijn. − Werkgevers denken het personeel later weer nodig te hebben, en voorzien veel kosten als ze dan nieuw personeel moeten aantrekken. − Werkgevers zullen als gevolg van de daling van de arbeidsproductiviteit het aantal arbeidskrachten minder dan evenredig laten afnemen dan de daling van de productie. − Werkgevers hebben geïnvesteerd in menselijk kapitaal en vrezen deze investeringen te verliezen. − Werkgevers willen hun reputatie als goede werkgever (waardoor het personeel gemotiveerd blijft) niet verliezen. per juist motief (1) (2)
Een verbeterd scholingsniveau van werkenden kan voor werkgevers aanleiding zijn geweest om veranderingen door te voeren in de inzet van kapitaal en arbeid, met als gevolg een daling van de werkgelegenheid. De econoom veronderstelt daarom dat in de periode 2009-2013 scholing van de beroepsbevolking juist een oorzaak kan zijn geweest dat de arbeidsbeloning per uur niet is gestegen.
Vraag 11 2 punten
Leg uit dat deze veronderstelling kan worden gebaseerd op gegevens in tabel 1.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Scholing draagt bij aan een stijging van de arbeidsproductiviteit. Productie kan hierdoor plaatsvinden met minder inzet van arbeid, als gevolg waarvan de werkloosheid kan toenemen (1)
- Dit maakt de onderhandelingspositie van werknemers bij loononderhandelingen zwakker en kan een oorzaak zijn geweest dat de arbeidsbeloning niet is gestegen (1)
Opgave 3 Huizenmarkt als financiële zeepbel
Het land Mantano kende in 2015 en 2016 een neergaande conjunctuur. Opmerkelijk is dat desondanks steeds meer mensen een eigen huis bleken te kopen, gefinancierd met een hypothecaire lening. De regering vraagt aan econoom Ron Estate om te onderzoeken of dit mogelijk procyclisch kan uitwerken. Estate verzamelt gegevens over de huizenmarkt en de hypothecaire leningen in Mantano en presenteert de onderstaande tabellen.
Tabel 1 verdeling eigen huizen en huurhuizen in het land Mantano
jaar (per 31 december) 2004 2009 2014 2016 aantal woonhuizen 5.400.000 5.700.000 5.925.000 6.000.000 % eigen huizen 35 40 42 44 % huurhuizen 65 60 58 56
Tabel 2 gebruik van hypothecaire lening bij aankoop eigen huis
jaar (per 31 december) 2004 2009 2014 2016 percentage bezitters van een eigen huis 70 81 90 92 met een uitstaande hypothecaire lening
Tabel 3 omvang van hypothecaire lening en aankoopprijs van een eigen huis (gemiddelden omgerekend in euro’s)
jaar (per 31 december) 2004 2009 2014 2016 omvang hypothecaire lening 110.000 130.000 169.000 190.000 aankoopprijs eigen huis 150.000 165.000 180.000 200.000
Estate komt tot de volgende bevindingen: a In een neergaande conjunctuur daalt gewoonlijk het percentage ‘eigen huizen’ binnen het totale aantal woonhuizen. b Mogelijk veroorzaakte de neergaande conjunctuur een verandering op de vermogensmarkt waardoor het percentage ‘eigen huizen’ per saldo toch steeg. c De totale hypothecaire schuld van bezitters van een eigen huis was aan het eind van 2016 hoger dan het bruto binnenlands product (bbp), dat in datzelfde jaar € 450 miljard bedroeg. d Een te grote verhouding tussen de totale hypothecaire leenschuld van eigen huizenbezitters en het bbp kan procyclisch uitwerken.
Vraag 12 2 punten
Leg bevinding b van Estate uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Voorbeelden van een juiste uitleg zijn: − een uitleg via de bestedingen: • In een neergaande conjunctuur (daalt de groei van het reële bbp en) neemt de vraag naar leningen door gezinnen en bedrijven (voor consumptieve bestedingen respectievelijk investeringen) af (1) • De daling van de rente die hier het gevolg van is kan ertoe leiden dat de vraag naar eigen huizen (met hypothecaire leningen) stijgt (1) − een uitleg via de besparingen: • In een neergaande conjunctuur (daalt de groei van het reële bbp en) neemt de baanzekerheid af. Dit kan ertoe leiden dat gezinnen meer willen sparen om financiële tegenvallers te kunnen opvangen (1) • De daling van de rente die hier het gevolg van is kan ertoe leiden dat de vraag naar eigen huizen (met hypothecaire leningen) stijgt (1) (2)
Vraag 13 1 punt
Toon met een berekening aan dat bevinding c juist is.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: De totale hypothecaire leenschuld per 1 januari 2017 bedraagt 6 mln. × 0,44 × 0,92 × 190.000 = 461 mld. euro’s (afgerond). (Dit is meer dan het bbp van 450 mld. euro) (1)
Vraag 14 2 punten
Verklaar waarom een te grote verhouding tussen de totale hypothecaire leenschuld van eigen huizenbezitters en het bbp in geval van een conjuncturele neergang procyclisch kan uitwerken.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste verklaring is: Conjuncturele neergang betekent daling van (de groei van) het (reëel) bbp. Dit gaat samen met stijging van de werkloosheid. Naarmate de waarde van uitstaande hypothecaire leningen groter is in verhouding tot het bbp wordt de kans op het ontstaan van betalingsproblemen groter / kan het consumentenvertrouwen verder afnemen. De vraag naar goederen en diensten en daarmee het (reële) bbp zal hierdoor nog minder groeien / sterker krimpen. (2)
Estate ziet in tabel 3 een aanwijzing dat huizenbezitters met een hypotheekschuld in de periode 2004-2016 zich minder zorgen zijn gaan maken om financiële risico’s.
Vraag 15 2 punten
Laat met een berekening zien dat gegevens uit tabel 3 deze bevinding ondersteunen. Licht het antwoord toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De gemiddelde verhouding tussen uitstaande schuld en waarde van 110.000 het huis is gestegen van × 100% = 73,33% 150.000 190.000 tot × 100% = 95,0% (1)
- Dit kan worden gezien als een aanwijzing dat huiseigenaren met een uitstaande hypotheekschuld zich minder zorgen maken dat voor hen bij financiële tegenvallers een relatief hoge restschuld ontstaat / zij om hun woonlasten te verminderen moeten gaan verhuizen (1)
In Mantano kunnen huizenbezitters de door hen betaalde hypotheekrente volledig aftrekken voor de bepaling van hun belastbaar inkomen. Op basis van zijn eerdere bevindingen adviseert Estate de regering om (potentiële) huizenkopers minder gebruik te laten maken van hypothecair krediet door aan de hypotheekrenteaftrek een maximum te stellen van omgerekend tienduizend euro per jaar.
Vraag 16 2 punten
Leg uit dat door deze maatregel mensen ertoe worden aangezet om minder hypothecair krediet aan te gaan bij aankoop van een huis.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Doordat een maximum wordt gesteld aan de hypotheekrente als aftrekpost zal voor een groep mensen het fiscaal rentevoordeel bij het aangaan van een lening minder worden. Deze groep krijgt (vergeleken met de voorgaande situatie) te maken met hogere nettorentelasten bij het kopen van een huis (hetgeen voor hen een prikkel vormt om te kiezen voor minder gebruik van hypothecair krediet). (2)
Opgave 4 Armer door muntunie
In 2016 ontstaat er discussie over de gevolgen van de muntunie voor de landen van de eurozone. De Economische en Monetaire Unie (EMU) is opgericht in de verwachting dat een gemeenschappelijke munt zou leiden tot verkleining van de verschillen in groeitempo van de deelnemende economieën. De econoom Joseph Stiglitz stelt daarentegen dat de muntunie en de afspraken binnen de EMU juist leiden tot vergroting van de ongelijkheid tussen de landen. Figuur 1 laat zien dat in de periode 2007-2015 het reële bruto binnenlands product (bbp) in Nederland en Duitsland (‘het Noorden’) is gegroeid, en in Griekenland, Portugal en Spanje (‘het Zuiden’) is gedaald.
Figuur 1 cumulatieve procentuele groei reële bbp, 2007-2015
15 10 5 6,5 5 Spanje Griekenland Portugal 0 Duitsland Nederland -3 -6,5 -5 -10 -15 -25,5 -20 -25 -30
Vraag 17 1 punt
Bereken de procentuele toename van de verhouding tussen het reële bbp van Duitsland en het reële bbp van Griekenland in de periode 2007-2015.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- 106,5 ( − 1) × 100% = 43,0% 74,5 (1)
Een journalist vat de analyse van Stiglitz samen: Voor de invoering van de euro kende het Zuiden gemiddeld genomen een lagere groei van de arbeidsproductiviteit dan het Noorden, met als gevolg een verslechtering van de concurrentiepositie van het Zuiden. Dit effect kon op korte termijn worden verminderd door een aantal aanpassingsmechanismen. Na invoering van de euro zijn deze niet meer beschikbaar:
- Er is geen onderlinge wisselkoers meer, zodat aanpassing van de wisselkoers niet meer mogelijk is.
- Door het gezamenlijk rentebeleid is het voor landen niet meer mogelijk om een eigen rentebeleid te voeren.
- Door het Groei- en Stabiliteitspact is het nog maar beperkt mogelijk om begrotingsbeleid te voeren.
Vraag 18 2 punten
Verklaar waarom een achterblijvende groei van de arbeidsproductiviteit in het Zuiden kan leiden tot een verslechtering van de internationale concurrentiepositie ten opzichte van het Noorden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een lagere (groei van de) arbeidsproductiviteit leidt tot relatief hoge loonkosten per eenheid product en daarmee tot relatief hoge productiekosten (1)
- Wanneer dit wordt doorberekend in de verkoopprijzen verslechtert de concurrentiepositie (1)
Vraag 19 2 punten
Verklaar dat, vóórdat de muntunie werd ingesteld, een verslechtering van de concurrentiepositie in het Zuiden, via een verandering van de wisselkoers, in zekere mate kon worden tegengegaan.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Als gevolg van verslechtering van de concurrentiepositie neemt de export af. Dit leidt tot daling van de vraag naar de eigen valuta en van de wisselkoers daarvan (1)
- Hierdoor wordt de export (gemeten in vreemde valuta) goedkoper / wordt de import (gemeten in eigen valuta) duurder, en kan de concurrentiepositie weer verbeteren (1)
Na invoering van de euro moet aanpassing bij achterblijvende groei van de arbeidsproductiviteit plaatsvinden door een aanpassingsproces op de arbeidsmarkt die de internationale concurrentiepositie doet verbeteren. Dat is echter een langdurig en pijnlijk proces, dat tot maatschappelijke onrust kan leiden.
Vraag 20 2 punten
Leg uit dat in een land, bij achterblijvende groei van de arbeidsproductiviteit, een langdurig aanpassingsproces via de arbeidsmarkt tot hogere groei van het bbp kan leiden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Bij lage arbeidsproductiviteit zal de concurrentiepositie relatief slecht zijn, als gevolg waarvan de export en het bbp achterblijven, met werkloosheid als gevolg (1)
- Dit kan op termijn leiden tot loonsverlaging, met een neerwaarts effect op de ontwikkeling van het prijsniveau (en tot een verbetering van de concurrentiepositie). Dit kan leiden tot hogere groei van het bbp (1)
De journalist licht verder toe:
- Het Groei- en Stabiliteitspact houdt in dat de speelruimte voor het begrotingsbeleid van de lidstaten wordt beperkt doordat het overheidstekort maximaal 3% van het bbp mag bedragen. Dat betekent dat landen met een krimpend bbp nauwelijks maatregelen kunnen nemen om de ontwikkeling van de conjunctuur of van de structuur te stimuleren.
- Lidstaten hebben hun rentebeleid uit handen gegeven aan de Europese Centrale Bank (ECB). De ECB moet daarbij rekening houden met een belangentegenstelling tussen lidstaten met een sterke groei van het bbp en lidstaten die te maken hebben met een krimpend reëel bbp.
Vraag 21 2 punten
Leg uit dat door het Groei- en Stabiliteitspact landen met een krimpend bbp nauwelijks mogelijkheden hebben om de structuurontwikkeling te stimuleren.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Omdat het inkomen en de opbrengst van de (inkomsten)belasting laag zijn / Omdat de uitgaven in verband met de werkloosheid hoog zijn, kan de overheid weinig financiële middelen inzetten voor uitgaven aan bijvoorbeeld infrastructuur zonder dat het tekort oploopt tot boven de grens van 3%. (Hierdoor kunnen de arbeidsproductiviteit en de kwaliteit van de productie niet of nauwelijks worden verbeterd.) (2)
Vraag 22 2 punten
Leg uit dat als de ECB het rentebeleid vooral richt op het belang van het Noorden met een relatief hoge inflatie en sterke groei, dit kan leiden tot een nog sterkere daling van de groeipercentages in het Zuiden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De ECB zal de rente verhogen om de inflatie te bestrijden, waardoor het sparen wordt gestimuleerd / het lenen wordt ontmoedigd (1)
- De daling van de bestedingen die hier het gevolg van is kan in het Zuiden leiden tot een sterkere neergang van de groei (1)
In landen waar de economische groei langdurig laag blijft omdat op korte termijn aanpassingsmechanismen niet of onvoldoende werkzaam zijn, zal arbeidsmigratie optreden, vooral van hoger opgeleiden. Stiglitz waarschuwt dat dit kan leiden tot een verder uiteenlopen van de economische ontwikkeling tussen lidstaten binnen de Eurozone.
Vraag 23 2 punten
Leg uit dat er arbeidsmigratie binnen de Eurozone kan optreden en dat die ertoe zou kunnen leiden dat de economische groeipercentages tussen de lidstaten nog meer uiteen zullen lopen.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Met name hooggekwalificeerde arbeid zal vanuit de economisch zwakkere landen migreren naar de rijkere landen om werkloosheid te vermijden / goede banen te vinden (1)
- Daardoor daalt de (gemiddelde) arbeidsproductiviteit van de achterblijvende beroepsbevolking waardoor de concurrentiepositie in de economisch zwakkere landen verslechtert en het groeitempo daar verder achterblijft / het groeitempo in de rijkere landen versnelt, waardoor de voorsprong wat betreft economische groei stijgt (1)
Opgave 5 Inperken van de uitstoot
De overheid van een groot industrieland wil bedrijven er toe aanzetten om over te stappen naar productietechnieken met minder uitstoot (emissie) van kooldioxide (CO 2). Om dit doel te bereiken is een heffing van kracht op deze emissie. Een econoom meent dat voor de overheid het bepalen van de juiste hoogte van de heffing voor de gewenste reductie van de emissie wordt bemoeilijkt, doordat zij een informatieachterstand heeft ten opzichte van bedrijven ten aanzien van hun kostenstructuur.
Vraag 24 2 punten
Leg uit dat als gevolg van een dergelijke informatieachterstand het effect van een bepaalde heffing op de CO 2-uitstoot onzeker is. Als alternatief heeft de overheid een systeem ingesteld waarbij zij elk jaar emissierechten aanbiedt. Elk emissierecht geeft aan een bedrijf het recht om gedurende een jaar één ton CO2 uit te stoten. Bedrijven kunnen bieden op deze emissierechten, en kunnen deze opsparen voor een later jaar. Zij kunnen ook eerder uitgegeven emissierechten kopen van andere bedrijven. Bedrijven die meer CO2 uitstoten dan hun rechten toelaten, worden zwaar beboet. De overheid wil het aanbod van nieuwe emissierechten (emissieplafond) jaarlijks met 1,7% verlagen ten opzichte van het voorgaande jaar. Een econoom signaleert enkele factoren die het verloop van de prijs bepalen en schetst de verbanden in figuur 1. Figuur 2 toont het verloop van de prijs van een emissierecht omgerekend in euro’s. Figuur 1 prijs van een emissierecht; bepalende factoren en gevolgen
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: De overheid (heeft slechts beperkt zicht op de kosten en opbrengsten van bedrijven en) weet niet precies of bedrijven bij een bepaalde hoogte van de heffing zullen investeren in uitstootbesparende technieken of bijvoorbeeld zullen kiezen voor productievermindering. Daardoor is het effect op de uitstoot van CO2 moeilijk te voorspellen. (2)
conjunctuur investeringen in uitstootbesparende technieken prijs van een B emissierecht
aanbod/ A kosten van uitstootloze emissieplafond energieopwekking
Figuur 2 prijs van een emissierecht in euro per ton CO2-uitstoot
7,00
6,00
5,00
4,00
3,00
8 sep 5 jan 11 mei 7 sep 11 jan 9 mei
2014 2015 2016
De econoom veronderstelt dat de prijs van een emissierecht in 2015 sterk was beïnvloed door de conjuncturele opgang in dat jaar.
Vraag 25 2 punten
Beargumenteer de veronderstelling van de econoom.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een opgaande conjunctuur betekent een sterkere groei van de productie, met extra uitstoot van CO2 (1)
- waardoor de vraag naar emissierechten toeneemt en de prijs gaat stijgen (1)
Een politicus beweert op basis van figuur 2 dat de afname van het emissieplafond door de overheid in 2016 te bescheiden is geweest. Met een lager emissieplafond was er een nog groter effect geweest op de vermindering van de uitstoot van CO 2.
Vraag 26 2 punten
Leg de bewering van de politicus uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- De daling van de prijs van emissierechten in 2016 duidt op een lage vraag ten opzichte van het aanbod (1)
- Bij een lager emissieplafond / aanbod van emissierechten zou de prijs hoger zijn geweest en zouden bedrijven eerder zijn overgaan tot uitstootbesparende alternatieven (1)
Vraag 27 2 punten
Geeft pijl A in figuur 1 een positief of een negatief verband weer? Licht je keuze toe.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- een positief verband Een voorbeeld van een juiste toelichting is: Als de kosten van uitstootloze energieopwekking dalen, zullen meer bedrijven hierop overstappen. Er zal minder behoefte zijn aan emissierechten en de vraag daarnaar zal afnemen, waardoor de prijs zal dalen. (2)
De econoom stelt dat ondernemingen bij pijl B meer kijken naar de verwachte prijsontwikkeling van een emissierecht dan naar de huidige prijs.
Vraag 28 2 punten
Leg deze stelling uit.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste uitleg is: Investeringen in technieken ter besparing van uitstoot van CO2 leveren voor lange tijd besparing op aanschaf van emissierechten. Als verwacht wordt dat de prijs van emissierechten in de toekomst niet gaat stijgen of zelfs daalt, maakt dat de keuze voor het doen van dergelijke investeringen minder aantrekkelijk. (2)
Op grond van zijn veronderstelling dat de conjunctuur van invloed is op de prijs van emissierechten, adviseert de econoom de overheid om een fonds op te richten, dat emissierechten bij laagconjunctuur opkoopt. Na een conjunctureel herstel kan het fonds deze emissierechten weer op de markt aanbieden. Het saldo van het fonds wordt in zijn voorstel verrekend met de schatkist.
Vraag 29 2 punten
Leg uit dat deze werkwijze de overheid financieel voordeel kan bieden.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Bij laagconjunctuur, wanneer de vraag vanuit het bedrijfsleven naar emissierechten laag is, kan het fonds emissierechten voor een relatief lage prijs opkopen (1)
- Bij conjunctureel herstel, wanneer de vraag vanuit de bedrijven toeneemt, kan het fonds de ingekochte emissierechten voor een hogere prijs verkopen (1)
De econoom illustreert het effect van de prijs van een emissierecht op de keuze van productietechnieken met een voorbeeld. Een onderneming produceert 400.000 producten. De verwachting is dat deze productie niet zal veranderen. De onderneming kan kiezen uit twee productiewijzen:
productiewijze in alternatieve
2016 (bestaand) productiewijze constante kosten in euro’s 1,2 mln. 1,6 mln. variabele kosten in euro’s per product 0,6 0,7 (exclusief kosten van emissierechten) emissie van CO 2 per product 0,1 ton 0,02 ton
Vraag 30 2 punten
Bereken vanaf welke hoogte van de prijs van een emissierecht de onderneming zal overstappen op de alternatieve productiewijze.
Bij deze vraag hoort een afbeelding. Bekijk hem in: Opgaven
Bekijk het antwoord
- Een voorbeeld van een juiste berekening is: 1,2 mln + 0,6 × 400.000 + 0,1P × 400.000 = 1,6 mln + 0,7 × 400.000 + 0,02P × 400.000 € 1.440.000 + 40.000 P = € 1.880.000 + 8.000 P 32.000 P = € 440.000 → P = € 13,75 (2)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen vwo Economie 2018, tijdvak 2. Afbeeldingen en de exacte opmaak staan in het originele examen: https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-18-2-o
Andere examens economie vwo
- 2026, tijdvak 1
- 2026, tijdvak 2
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
Hoe ToetsChecker economie per vraagtype nakijkt, lees je op economie toetsen nakijken met AI.
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen economie vwo 2018, tijdvak 2?
Het centraal examen economie vwo 2018, tijdvak 2 loopt tot vraag 30. Van 28 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over overheid en belastingen (10), vraag en aanbod (5) en arbeidsmarkt (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen economie vwo 2018, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van economie vwo 2018, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2018/vwo/documenten/cse-2/vw-1022-a-18-2-c).
Hoe oefen ik met het examen economie vwo 2018, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.