Eindexamen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2: vragen en antwoorden
Alle vragen met het antwoord uit het correctievoorschrift. Opgaven: Opgave 1 Fluittaal, Opgave 2 Eindeloos ouderschap, Opgave 3 Criminele hulpjes bij liquidaties.
Het centraal examen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2 loopt tot vraag 23. Van 22 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over vorming (7), macht en gezag (6) en verandering (4). De opgaven en het correctievoorschrift staan op examenblad.nl. Met ToetsChecker maakt een klas het examen op papier en doet het AI-model per vraag een nakijkvoorstel met feedback, dat de docent controleert en vrijgeeft.
Onderwerpen in dit examen
| Onderwerp | Vragen | Aantal |
|---|---|---|
| Vorming | 1, 5-7, 19, 21, 23 | 7 |
| Macht en gezag | 3, 10, 12, 15, 18, 22 | 6 |
| Verandering | 4, 8, 14, 16 | 4 |
| Binding | 2, 11, 13 | 3 |
| Verhouding | 9, 20 | 2 |
Vergeleken met andere jaren
Vergeleken met de andere 17 examens maatschappijwetenschappen havo sinds 2018: dit examen vroeg meer over verandering (18% van de vragen, gemiddeld 8%) en vorming (32% van de vragen, gemiddeld 23%). Minder over macht en gezag (27% van de vragen, gemiddeld 40%) en verhouding (9% van de vragen, gemiddeld 16%).
Opgaven en correctievoorschrift
De documenten staan op examenblad.nl, de officiële site van het College voor Toetsen en Examens. ToetsChecker haalt ze daar op als je het examen in de vragenbank kiest.
Oefenen als leerling
Een oud examen maken is de beste voorbereiding, maar zonder nakijken weet je niet waar je punten verliest. Met ToetsChecker maak je het examen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2 op papier, net als het echte examen, of online als je docent het digitaal klaarzet. Het AI-model kijkt het na volgens het officiële correctievoorschrift. Zodra je docent het resultaat vrijgeeft, zie je per vraag wat goed was en wat er ontbrak.
Nakijken als docent
Start gratis vanaf deze pagina
Maak een gratis account vanaf deze pagina, dan staat het examen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2 meteen voor je klaar als correctiemodel, met alle vragen en het correctievoorschrift. Dat kost geen credits.
Laat de klas het examen maken
Op papier, zoals het echte examen: je scant de stapel in één keer of mailt de scan naar je scanadres. Of online, als digitale toetsafname met toezicht; de opgavetekst staat dan als bron bij elke vraag. Afbeeldingen uit het examen gaan niet mee, die staan in de PDF van de opgaven.
Geef de resultaten vrij
Het AI-model kijkt elk examen na volgens het correctievoorschrift en schrijft feedback per vraag. Bij een oefenexamen geef je alles in één keer vrij; bij een toets die meetelt loop je het voorstel eerst na. De leerling ziet het resultaat pas na jouw vrijgave.
ToetsChecker is geen examensite: je kijkt er ook je eigen SO's, proefwerken, praktische opdrachten en verslagen mee na, handgeschreven of digitaal, met jouw correctiemodel en feedback per vraag. Een gratis account heeft alle functies en 200 credits per maand, genoeg om ongeveer 100 toetsen te laten nakijken. Maak een gratis account of lees eerst hoe het nakijken werkt.
Vragen en antwoorden
Hieronder staan de opgaven en vragen van het examen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2. Onder elke vraag klap je het antwoord uit het correctievoorschrift open. Probeer de vraag eerst zelf.
Opgave 1 Fluittaal
Bij deze opgave horen de teksten 1 en 2 en tabel 1 uit het bronnenboekje.
Inleiding
In een aantal hooggelegen bergdorpen in afgelegen gebieden, zoals in Turkije, Griekenland en Spanje, maken bewoners al eeuwenlang gebruik van een gefloten taal met hoge tonen om over grote afstand met elkaar te communiceren. Wereldwijd zijn er zo’n zeventig fluittalen.
Deze talen raken in onbruik, onder meer door het gebruik van mobiele telefoons. Om fluittalen voor uitsterven te behoeden, staan fluittalen sinds december 2017 op de Werelderfgoedlijst.
tekst 1
Het geluid van de taal zonder woorden ebt langzaam weg in Turkije
Enkele tientallen mensen zijn het, meer niet. Vooral theeboeren uit Kuşköy, een dorpje hoog in de bergen aan de Turkse Zwarte Zeekust. Zij spreken een van de kleinste en meest zeldzame taaltjes ter wereld. Een taal zonder woorden. De boeren fluiten volledige zinnen met een kop en een staart. Zo spreken ze over een grote afstand met elkaar. Of liever: spraken. Want de klank van fluittonen is nog wel te horen in de dalen van Kuşköy, maar het geluid ebt langzaam weg. Over een of twee generaties kan het zomaar voorbij zijn. (…) In het verleden gebruikten mensen de taal vooral om elkaar naar het veld te roepen. “Om te komen helpen op het land, om thee te plukken”, zegt
Mehmet. “Maar ook voor dagelijkse dingen; er is een begrafenis, ga je mee naar de markt.” Hijzelf en zijn vriend Seref doen dat nog steeds, maar noodzakelijk is het niet meer. “Dit was natuurlijk allemaal in de tijd voor de mobiele telefoons.”
Toch hebben de mannen samen met een groepje liefhebbers plannen gemaakt om de taal te behouden. Met een belangrijk eerste succes: de erkenning van de fluittaal op de Werelderfgoedlijst, afgelopen december. Daarmee komt er mogelijk geld voor projecten die de taal nieuw leven in kunnen blazen. “Dit is in feite een erfenis van de mensheid”, zegt gouverneur¹⁾ Turan Ermis van de regio Görele, waar Kuşköy onder valt. “Uniek in de wereld, het moet behouden blijven”, vindt hij. (…)
bron: NOS, 2018
noot 1 gouverneur = bestuurder/regeringsleider van een deel van de staat (hier: een Turkse regio)
Gebruik regel 1 tot en met 27 van tekst 1.
Tekst 1 gaat over de fluittaal in het Turkse bergdorp Kuşköy.
Vraag 1 2 punten
Leg uit dat de Turkse fluittaal deel uitmaakt van de cultuur van het Turkse bergdorp. Gebruik in je uitleg:
- de omschrijving van het kernconcept cultuur;
- informatie uit regel 1 tot en met 27 van tekst 1.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- een uitleg dat de fluittaal deel uitmaakt van de cultuur van het Turkse bergdorp, met een toepassing van de omschrijving van het kernconcept cultuur (1)
- informatie uit regel 1 tot en met 27 van tekst 1 om cultuur te illustreren (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- De fluittaal maakt deel uit van de cultuur van het Turkse bergdorp, omdat het fluiten een uitdrukkingsvorm is die de bewoners van het Turkse bergdorp hebben verworven als lid van een samenleving. (1)
- De bewoners van het Turkse bergdorp kunnen zich namelijk uitdrukken door zinnen te fluiten (r. 5-9). (1)
Gebruik regel 1 tot en met 27 van tekst 1.
In de tijd voor de komst van de mobiele telefoon werd de Turkse fluittaal dagelijks gebruikt om in de bergen met elkaar te communiceren.
Vraag 2 2 punten
Leg uit dat het gebruik van de Turkse fluittaal kan hebben bijgedragen aan de sociale cohesie tussen de mensen in het bergdorp Kuşköy. Gebruik in je uitleg:
- de omschrijving van het kernconcept sociale cohesie;
- informatie uit regel 1 tot en met 27 van tekst 1.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een uitleg dat het gebruik van de Turkse fluittaal kan hebben bijgedragen aan de sociale cohesie in het bergdorp Kuşköy, met:
- informatie uit regel 1 tot en met 27 van tekst 1 om sociale cohesie te illustreren (1)
- een toepassing van de omschrijving van het kernconcept sociale cohesie (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- In tekst 1 staat dat mensen in Kuşköy de Turkse fluittaal in het verleden vooral gebruikten om elkaar te vragen te komen helpen op het land (r. 19-20). (1)
- Het gebruik van de Turkse fluittaal kan daarmee de mate waarin de bewoners van het bergdorp een beroep op elkaar kunnen doen, hebben vergroot. (1)
Opmerking
Als het antwoord geen uitleg bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
Gebruik regel 28 tot en met 41 van tekst 1.
De bewoners van het bergdorp Kuşköy zetten zich in om de Turkse fluittaal voor uitsterven te behoeden. Stel dat de bewoners een pressiegroep vormen en naar de gouverneur gaan voor overheidssteun om hun fluittaal te behouden.
Het barrièremodel is een model van politieke besluitvorming.
Vraag 3 2 punten
Leg uit dat de gouverneur de bewoners over de eerste barrière van het barrièremodel kan helpen. Gebruik in je uitleg:
- de eerste barrière van het barrièremodel;
- informatie uit regel 28 tot en met 41 van tekst 1.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een uitleg dat de gouverneur de bewoners over de eerste barrière van het barrièremodel kan helpen, met:
- informatie uit regel 28 tot en met 41 van tekst 1 om de eerste barrière te illustreren (1)
- een toepassing van de eerste barrière waaruit het erkend krijgen van een probleem blijkt (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- In tekst 1 staat dat de gouverneur vindt dat de Turkse fluittaal behouden moet blijven (r. 40-41). (1)
- Door het erkennen van het uitsterven van de Turkse fluittaal als probleem kan de gouverneur de bewoners over de eerste barrière van het barrièremodel helpen. (1)
Opmerking
Als het antwoord geen uitleg bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
tekst 2
De Griekse fluittaal sterft uit
Verborgen in de zuidwestelijke hoek van het Griekse eiland Evia, hoog boven een doolhof van kronkelende ravijnen (…) ligt het piepkleine dorpje Antia, vastgeplakt tegen de hellingen van Mount Ochi.. (…) Al duizenden jaren gebruiken de bewoners van Antia een bijzondere fluittaal die lijkt op het geluid dat vogels maken om met elkaar te communiceren over de diepe valleien. De taal staat bekend als Sfyria en is een van de meest zeldzame en meest bedreigde talen ter wereld (...). In de afgelopen tweeduizend jaar konden alleen de herders en boeren van dit kleine dorp in de heuvels de geheime tonen van Sfyria verklanken en verstaan. Ieder van hen droeg deze goed bewaakte traditie trots over aan zijn kinderen. Maar vandaag de dag zijn er nog maar zes mensen op de wereld die deze ongesproken taal kunnen ‘spreken’.
“Een gefloten taal loopt sowieso meer risico om uit te sterven dan een gesproken taal omdat de taal zoveel lastiger is”, zegt [linguist Dimitra] Hengen. “Tenzij er iets ingrijpends gebeurt, voorzie ik dat Sfyria in de nabije toekomst zal verdwijnen, en dat is een tragedie.” (…) “Toen ik jong was, moesten we Sfyria leren naast het Grieks om te kunnen overleven”, zegt Panagiotis Tzanavaris, een 69-jarige man met een zachte stem die de beste fluiter van Antia is. “Het is onze manier van leven, en als die verdwijnt dan verdwijnt daarmee ook de culturele identiteit van dit dorp.” (…) Tzanavaris doet iets wat tot nu toe ongehoord was in de goed bewaakte traditie van zijn dorp: hij leert iemand uit een andere plaats om te fluiten in Sfyria. Na zeven jaar les is de jongste spreker van Antia’s oude taal een nu 31-jarige koerier die 40 km verderop woont in Karystos. (…)
bron: BBC, 2017
Percentage correcte antwoorden bij het verstaan van klinkers in de
Spaanse fluittaal door een geoefende luisteraar en twintig ongeoefende
luisteraars, per klinker (2017; n=64)
tabel 1
| percentage klinkers in de Spaanse fluittaal dat correct verstaan is | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| ‘o’ | ‘a’ | ‘e’ | ‘i’ | gemiddeld | |
| geoefend in de Spaanse fluittaal | 87,5% | 75% | 87,5% | 100% | 87,5% |
| ongeoefend in de Spaanse fluittaal | 62,5% | 35,3% | 35,3% | 77,8% | 53% |
bron: Stichting Cito, op basis van Meyer e.a., 2017
Toelichting
In het onderzoek hebben de onderzoekers vier klinkers in totaal 64 keer laten horen. Het percentage klinkers dat correct werd verstaan door een fluiter van de Spaanse fluittaal uit La Gomera, die dus geoefend is in de fluittaal, werd vergeleken met het percentage klinkers dat correct werd verstaan door twintig Spanjaarden, die niet geoefend zijn in de fluittaal. Uit de tabel is af te lezen dat de geoefende luisteraar alle keren de klinker ‘i’ correct verstaan had (100%).
Gebruik regel 1 tot en met 24 van tekst 2.
Rationalisering kenmerkt de overgang naar de moderne tijd. In de premoderne tijd hadden bijvoorbeeld godsdienstige tradities meer invloed op het denken en doen van mensen dan in de moderne tijd.
Vraag 4 2 punten
Geef aan welk ander kenmerk van het denken en doen in de premoderne tijd te herkennen is in het gebruik van de Griekse fluittaal in het bergdorp Antia. Gebruik in je antwoord:
- een kenmerk van de premoderne tijd;
- informatie uit regel 1 tot en met 24 van tekst 2 waaruit het gekozen kenmerk blijkt.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- informatie uit regel 1 tot en met 24 van tekst 2 waaruit het kenmerk praktische handelingswijsheden / ingesleten gewoontes blijkt (1)
- van generatie op generatie overgedragen praktische handelingswijsheden / ingesleten gewoontes of een parafrasering daarvan (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- In tekst 2 staat dat de bewoners van het bergdorp Antia het verklanken en verstaan van de fluittaal al tweeduizend jaar als goed bewaakte traditie doorgeven aan hun kinderen (r. 18-20). (1)
- Hierin is het van generatie op generatie overdragen van een praktische handelingswijsheid, namelijk het communiceren via fluittaal in de bergen, te herkennen. (1)
Gebruik regel 38 tot en met 49 van tekst 2.
In tekst 2 staat dat de jongste fluiter van de Griekse fluittaal een 31-jarige koerier is.
Vraag 5 2 punten
Leg uit dat deze koerier door acculturatie een fluiter van de Griekse fluittaal geworden is. Gebruik in je uitleg:
- de omschrijving van het kernconcept acculturatie;
- informatie uit regel 38 tot en met 49 van tekst 2.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een uitleg dat de koerier een fluiter van de Griekse fluittaal geworden is, met:
- een toepassing van ‘een element van een andere cultuur dan waarin iemand is opgegroeid’ uit de omschrijving van het kernconcept acculturatie en informatie uit regel 38 tot en met 49 van tekst 2 (1)
- een toepassing van ‘aanleren’/’verwerven’ uit de omschrijving van het kernconcept acculturatie en informatie uit regel 38 tot en met 49 van tekst 2 (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- De fluittaal is een nieuw cultuurelement voor de koerier. Hij is er niet mee opgegroeid. De koerier komt namelijk niet uit Antia, maar uit een andere plaats in Griekenland, Karystos (r. 45 en r. 49). (1)
- De koerier heeft de Griekse fluittaal aangeleerd en verworven, namelijk na zeven jaar les van de beste fluiter van Antia (r. 44-46). (1)
Opmerking
Als het antwoord geen uitleg bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
Gebruik tabel 1.
Tabel 1 gaat over de gefloten taal op het Spaanse eiland La Gomera. Taalonderzoeker Meyer heeft in 2017 onderzoek gedaan naar het verstaan van klinkers in de Spaanse fluittaal.
Vraag 6 3 punten
a Benoem de afhankelijke variabele en de onafhankelijke variabele in tabel 1.
b Beredeneer dat socialisatie het verschil in het verstaan van klinkers in de Spaanse fluittaal tussen geoefende en ongeoefende luisteraars kan verklaren. Gebruik in je redenering:
- de omschrijving van het kernconcept socialisatie;
- gegevens uit tabel 1.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat: a
- de afhankelijke variabele (het percentage klinkers dat correct verstaan is / de mate waarin klinkers correct verstaan worden) en de onafhankelijke variabele (het wel of niet geoefend zijn) (1)
b een redenering dat socialisatie het verschil in het verstaan van klinkers in de fluittaal tussen geoefende en ongeoefende luisteraars kan verklaren, met
- gegevens uit tabel 1 die de redenering ondersteunen (1)
- een toepassing van ‘overdracht/verwerving’ uit de omschrijving van het kernconcept socialisatie (1)
voorbeeld van een juist antwoord: a
- De afhankelijke variabele in tabel 1 is het percentage klinkers in de Spaanse fluittaal dat correct verstaan is. En de onafhankelijke variabele in tabel 1 is het wel of niet geoefend zijn in de Spaanse fluittaal. (1)
b
- Uit de gegevens uit tabel 1 kan opgemaakt worden dat het verstaan van de klinkers in de fluittaal afhankelijk is van de oefening in de fluittaal. Alle onderzochte klinkers worden namelijk beter verstaan door iemand die geoefend is in de Spaanse fluittaal (gemiddeld 87,5%), dan door iemand die ongeoefend is in de Spaanse fluittaal (gemiddeld 53%). (1)
- Daaruit kan worden opgemaakt dat het verschil tussen geoefende en ongeoefende luisteraars in het verstaan van klinkers in de Spaanse fluittaal, oftewel de verwerving van de fluittaal, kan worden verklaard door het oefenen van de Spaanse fluittaal, ofwel de overdracht van de fluittaal. (1)
Opmerking
Als het antwoord geen redenering bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
Opgave 2 Eindeloos ouderschap
Bij deze opgave horen de teksten 3 en 4 uit het bronnenboekje.
Inleiding
In 2017 verscheen het boek Eindeloos ouderschap van socioloog Herman Vuijsje en journalist Anneke Groen. In dit boek beschrijven zij het hedendaagse sociale verschijnsel dat ouders hun volwassen kinderen blijven bijstaan. De ouders die in het boek beschreven worden, behoren vooral tot de zogenoemde babyboomers, geboren vlak na de Tweede Wereldoorlog en volwassen geworden in de jaren zestig van de vorige eeuw.
Vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw maakte een toename van welvaart sociaaleconomische ontwikkelingen mogelijk. Deze sociaaleconomische ontwikkelingen hebben bijgedragen aan een verandering in de taakverdeling binnen het gezin. In de periode van de jaren zestig tot en met de jaren tachtig kunnen twee gezinstypen worden onderscheiden.
Vraag 7 2 punten
− Geef aan welk gezinstype met welke taakverdeling het meest gebruikelijk was in de periode van de jaren twintig tot de jaren zestig.
- Geef aan welk gezinstype met welke taakverdeling opkwam vanaf de jaren zestig.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- het kostwinnergezin/traditioneel gezin dat / de bevelshuishouding die het meest gebruikelijk was in de periode van de jaren twintig tot de jaren zestig, met de traditionele/duidelijke man-vrouwtaakverdeling (1)
- het moderne gezin dat / de onderhandelingshuishouding die opkomt vanaf de jaren zestig, met overleg binnen het gezin over de taakverdeling / met meer gelijke taakverdeling tussen man en vrouw / met meer gedeelde verantwoordelijkheid voor het gezinsinkomen en de zorgtaken (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- Voor en tijdens de jaren zestig was het kostwinnersgezin het meest gebruikelijk, met een duidelijke taakverdeling tussen man en vrouw in werk en zorg. (1)
- In de jaren zestig kwam het moderne gezin op, met een meer gelijke taakverdeling tussen man en vrouw. (1)
tekst 3
Laat je zoon studeren
Laat je zoon studeren, laat hem voor minister leren, laat je zoon studeren aan een universiteit Laat je zoon studeren om de buurt te imponeren
Laat het circuleren en je aanzien is een feit
Het liedje waarmee het Leidsch Studentencabaret in 1960 zijn roem vestigde, is legendarisch geworden. (…) Laat je zoon studeren was de bekroning van de gedachte dat je kinderen het verder zullen brengen dan jij. (…) Opeens is die gedachte dat je kinderen het verder zullen schoppen dan jij niet meer zo vanzelfsprekend. In 2010 werd het door onderzoek bevestigd: vaker dan voorheen blijven kinderen steken op een lager opleidings- en beroepsniveau dan hun ouders. Ouders die zelf het product zijn van de optimistische jaren zestig en zeventig kunnen er ’s nachts van wakker liggen. (…) En wat doe je dan als je zelf je schaapjes op het droge hebt en je ziet je kind worstelen met geld en toekomstkansen? Helpen, natuurlijk!
(…)
noot 1 de Tweede Wereldoorlog
Nog niet zo lang geleden was ‘oud en arm’ een vanzelfsprekende combinatie. Oudjes waren aangewezen op hulp van hun kinderen, van de kerk of van andere liefdadige instanties. Pas na de oorlog¹⁾, met de komst van de AOW²⁾, de uitbreiding en ophoging van pensioenen en de algemene welvaartstijging veranderde dat. (…) Nu verdienen ze juist méér. Armoede komt onder ouderen weinig meer voor. Armoede vind je veel vaker bij jongeren, vooral eenoudergezinnen. Heel wat jongvolwassenen moeten zich behelpen met los-vastbaantjes waarvan ze zonder hulp nauwelijks kunnen rondkomen. (…) Ook succesvolle tweeverdieners wenden zich nu al [massaal] tot hun ouders om hulp bij het oppassen, omdat ze zelf volledig worden opgeslokt door hun zware en veeleisende banen. (…) Wat ook een rol speelt, is dat kinderen belangrijke stappen naar volwassenheid, zoals zelfstandig gaan wonen, trouwen en kinderen krijgen, langer uitstellen. Ook daardoor blijven ze langer afhankelijk van hun ouders.
bron: Vuijsje en Groen, 2017
noot 2 AOW = Algemene Ouderdomswet. Deze wet regelt het basispensioen.
Gebruik regel 1 tot en met 29 van tekst 3. Er zijn open en gesloten samenlevingen. Tekst 3 begint met een liedje uit 1960.
Vraag 8 2 punten
Geef aan welk kenmerk van een open samenleving uit dit liedje blijkt. Gebruik in je antwoord:
- een kenmerk van een open samenleving;
- informatie uit regel 1 tot en met 29 van tekst 3.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- een kenmerk van een open samenleving dat uit het liedje blijkt (1)
- informatie uit regel 1 tot en met 29 van tekst 3 waaruit dit kenmerk blijkt (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- Een kenmerk van een open samenleving is dat opleiding belangrijk is voor het bepalen van iemands positie. (1)
- Volgens tekst 3 adviseert het liedje mensen om hun kinderen te laten studeren (r. 1), zodat hun kinderen het verder zullen brengen dan zijzelf (r. 11-14). (1)
Gebruik regel 1 tot en met 29 van tekst 3. Sociale mobiliteit is opwaarts of neerwaarts.
Vraag 9 2 punten
Leg uit dat volgens tekst 3 de neerwaartse sociale mobiliteit onder de volwassen kinderen van babyboomers is toegenomen. Gebruik in je uitleg:
- een omschrijving van het begrip sociale mobiliteit;
- informatie uit regel 1 tot en met 29 van tekst 3.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een uitleg dat volgens tekst 3 de neerwaartse sociale mobiliteit onder de volwassen kinderen van babyboomers is toegenomen, met:
- informatie uit regel 1 tot en met 29 van tekst 3 om sociale mobiliteit te illustreren (1)
- een toepassing van het begrip sociale mobiliteit (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- Volgens tekst 3 blijven kinderen vaker dan voorheen steken op een lager opleidings- en beroepsniveau dan hun ouders (r. 14-21). (1)
- Dat wil zeggen dat de maatschappelijke positie van de volwassen kinderen vaker lager zal zijn dan de maatschappelijke positie van hun ouders. (1)
Opmerking
Als het antwoord geen uitleg bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
Gebruik regel 30 tot en met 59 van tekst 3.
De overheid heeft een aantal instrumenten om sociale ongelijkheid te beïnvloeden, zoals onderwijsbeleid.
Vraag 10 2 punten
Leg uit welk instrument de overheid na de Tweede Wereldoorlog heeft ingezet om ouderen te ondersteunen. Gebruik in je uitleg:
- een instrument van de overheid om sociale ongelijkheid te beïnvloeden;
- een voorbeeld van het gekozen instrument van de overheid uit regel 30 tot en met 59 van tekst 3.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- een uitleg met welk instrument de overheid na de Tweede Wereldoorlog ouderen ging ondersteunen, met het verzekeren tegen (bepaalde vormen van) inkomensverlies als instrument van de overheid (1)
- AOW/basispensioen als voorbeeld van het gekozen instrument van de overheid uit regel 30 tot en met 59 van tekst 3 (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- De overheid verzekerde ouderen tegen inkomensverlies, wat een instrument van de overheid is om sociale ongelijkheid te beïnvloeden. (1)
- In tekst 3 staat namelijk dat na de Tweede Wereldoorlog de AOW kwam (r. 35-37). (1)
Gebruik tekst 3.
Vraag 11 2 punten
Leg uit dat in de hulp van de ouders aan hun volwassen kinderen twee typen bindingen te herkennen zijn. Gebruik in je uitleg:
- de naam en omschrijving van deze twee typen bindingen;
- per type binding een ander voorbeeld uit tekst 3.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- een uitleg dat in de hulp van de ouders aan hun volwassen kinderen affectieve bindingen te herkennen zijn, met een toepassing van dit type bindingen en een voorbeeld uit tekst 3 (1)
- een uitleg dat in de hulp van de ouders aan hun volwassen kinderen economische bindingen te herkennen zijn, met een toepassing van dit type bindingen en een voorbeeld uit tekst 3 (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- Volgens tekst 3 kunnen ouders uit de babyboomgeneratie wakker liggen van de situatie van hun volwassen kinderen (r. 22-25). Daaruit blijkt afhankelijkheid die te maken heeft met gevoelens van ouders voor hun volwassen kinderen. Dus zijn in de hulp van de ouders aan hun volwassen kinderen affectieve bindingen te herkennen. (1)
- In tekst 3 staat dat ouders hun volwassen kinderen helpen als zij hen zien worstelen met geld (r. 25-29) / Zonder hulp van hun ouders kunnen volwassen kinderen soms nauwelijks rondkomen (r. 44-47). Daaruit blijkt afhankelijkheid die te maken heeft met de distributie van schaarse goederen van ouders aan hun volwassen kinderen. Dus zijn in de hulp van de ouders aan hun volwassen kinderen economische bindingen te herkennen. (1)
Opmerking
Maximaal 1 scorepunt toekennen indien twee keer hetzelfde voorbeeld uit tekst 3 wordt gebruikt.
Uit tekst 3 blijkt dat jongvolwassenen problemen ervaren op de arbeidsmarkt. Dat zij geen vaste baan kunnen krijgen is een sociaal probleem. In de drie grote politieke ideologieën staan verschillende actoren centraal bij het oplossen van sociale problemen, zoals de actor maatschappelijke organisaties in het confessionalisme.
Vraag 12 2 punten
Geef voor de twee andere politieke ideologieën aan welke andere actor centraal staat bij het oplossen van problemen op de arbeidsmarkt.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- marktpartijen/bedrijven/individu als actor bij het oplossen van het probleem baanonzekerheid onder jongvolwassenen volgens het liberalisme (1)
- de overheid als actor bij het oplossen van het probleem van baanonzekerheid onder jongvolwassenen volgens het socialisme/de sociaaldemocratie (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- Volgens het liberalisme staan bedrijven centraal bij het oplossen van problemen op de arbeidsmarkt. (1)
- Volgens het socialisme staat de overheid centraal bij het oplossen van problemen op de arbeidsmarkt. (1)
tekst 4
Persoonlijke groei
In de jaren zestig (…) moest je je ouders echt zo snel mogelijk vaarwel zeggen, anders werd het nooit wat met je persoonlijke groei! (…) Of het nu ging om [het bezoeken van] je ooms en tantes of om je ouders – babyboomers hadden er weinig mee op: al die stoffige verplichtingen tegenover mensen die je niet eens zelf had gekozen! (…) Je kon beter op vriendschapsbanden vertrouwen, vrienden kon je uitzoeken zonder maatschappelijke dwang en op basis van je eigen individuele voorkeur.
bron: Vuijsje en Groen, 2017
Gebruik tekst 4.
Familie is een sociale institutie. Vuijsje en Groen beschrijven in tekst 4 de betekenis van de familie in de jaren zestig van de vorige eeuw voor babyboomers.
Vraag 13 2 punten
Leg uit dat in deze beschrijving van familie een sociale institutie te herkennen is. Gebruik in je uitleg:
- de omschrijving van het kernconcept sociale institutie;
- informatie uit tekst 4.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een uitleg dat in de beschrijving van Vuijsje en Groen van familie in de jaren zestig een sociale institutie te herkennen is, met:
- informatie uit tekst 4 waarin sociale institutie te herkennen is (1)
- een toepassing van het kernconcept sociale institutie (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- Volgens Vuijsje en Groen bestond familie uit mensen die je niet eens zelf had gekozen en tegenover wie je stoffige verplichtingen had, zoals het bezoeken van je ooms en tantes (r. 4-10). (1)
- In deze beschrijving van familie in de jaren zestig is een sociale institutie te herkennen, omdat de familie bestaat uit een complex van (informele) regels die het gedrag van familieleden onderling reguleren, zoals het regelmatig bezoeken van andere familieleden. (1)
Opmerking
Als het antwoord geen uitleg bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
Gebruik tekst 4.
Vraag 14 2 punten
Leg uit dat individualisering te herkennen is in de verandering van familierelaties van babyboomers in de jaren zestig van de vorige eeuw. Gebruik in je uitleg:
- de omschrijving van het kernconcept individualisering;
- informatie uit tekst 4.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een uitleg dat in de verandering in de familierelaties van babyboomers in de jaren zestig individualisering te herkennen is, met:
- een toepassing van ‘het vergroten van zelfstandigheid’ uit de omschrijving van het kernconcept individualisering (1)
- informatie uit tekst 4 waaruit ‘het vergroten van zelfstandigheid’ uit de omschrijving van het kernconcept individualisering blijkt (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- In de verandering in familierelaties van babyboomers in de jaren zestig is individualisering te herkennen, omdat babyboomers hun zelfstandigheid vergroten in het uitzoeken van nieuwe sociale relaties, zoals vrienden. (1)
- Volgens Vuijsje en Groen kon je beter vertrouwen op vrienden dan op familie, omdat vrienden mensen zijn die je kan uitzoeken zonder maatschappelijke dwang en op basis van je eigen voorkeur (r. 10-14). (1)
Opmerking
Als het antwoord geen uitleg bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
Opgave 3 Criminele hulpjes bij liquidaties
Bij deze opgave horen de tabellen 2 en 3 en tekst 5 uit het bronnenboekje.
tekst 5
Schijt aan alles, behalve aan de eigen groep
(…) De gevaren voor omstanders lijken [criminele straatjongens] niets te kunnen schelen. En ook dat inmiddels tientallen uitvoerders hoge celstraffen hebben gekregen, of zelf zijn geliquideerd, lijkt ze niet af te schrikken. Schijt hebben aan alles en iedereen behalve aan je eigen groep, dat is een houding die [de nieuwe generatie criminelen] typeert. (…) [Criminoloog Jan Dirk de Jong] (…) deed veel onderzoek naar criminele straatjongens. “(…) Ze voelen zich achtergesteld, want ze groeien vaak op in arme probleemwijken en in probleemgezinnen. (…) Al jong krijgen ze te maken met allerhande hulpinstanties die zeggen dat er wat mis met ze is. (…)” Zo blijken veel daders zwakbegaafd, of kampen ze met (…) psychische problemen. Het resulteert in een afkeer van overheidsinstanties. De Jong: “Ze hebben van jongs af aan een batterij aan ervaring met hulpverleners en politie. Die is niet zelden negatief. Ze wantrouwen alles en iedereen van de overheid. (…)” Het resultaat is een groep die denkt niks te maken te hebben met deze maatschappij, stelt De Jong. Want die heeft ze toch niet veel meer te bieden dan wantrouwen en misschien, als je echt je best doet, een baantje als schoonmaker. (…) “De zwakkere broeders onder hen zijn daardoor kwetsbaar voor criminele ronselaars¹⁾.” (…) De
noot 1 ronselaar = iemand die mensen regelt slimmeriken weten op een heel vernuftige manier jongens te ronselen, loyaliteit wordt op een berekende manier opgebouwd, zegt De Jong. (…) “In de kern draait het om de waardering en ergens bij willen horen. Maar we moeten platte dingen ook niet uitsluiten. Het gaat ongetwijfeld ook om snel heel veel geld verdienen.” Wie veel geld heeft kan (…) bijvoorbeeld een Gucci-tasje voor heren kopen (650 euro) (…). De Jong: “Je bent zo een paar duizend euro kwijt voor één outfit. En dan heb je ook nog een dikke klok en een brommer nodig. Ze dragen die dure broek dan wel de hele week. (…) [Maar] als jouw groepje (…) vindt dat het Gucci-tasje of het bontkraagje een brevet van stoerheid is, draag je dat. Daarmee dwing je respect af.” Eenmaal geronseld kan het snel gaan. Want, zegt de politie, het gros van de daders lijkt vanuit het niets zo’n zwaar misdrijf te plegen. (…) “Voor het werk hier op straat putten de criminele kopstukken uit een reservoir straatschoffies die omhoog kijken en denken: dat wil ik ook”, zegt Jeroen Poelert [van de Landelijke Recherche]. “Die ‘soldaten’ zitten aan een lijntje: hier heb je 30 duizend euro, stap in een auto en schiet die en die dood.” Een liquidatie kan je in jouw kringetje eeuwige roem opleveren, stelt hij. (…)
bron: De Volkskrant, 2018
Inleiding
Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum van het Ministerie van Justitie (WODC) publiceerde in 2017 een onderzoek van socioloog Van Gestel en criminoloog Verhoeven naar liquidaties in Nederland. Liquidaties zijn moorden, gepleegd door of in opdracht van leden van een criminele organisatie. De maatschappelijke verontwaardiging is bij liquidaties groot, omdat liquidaties meestal met bruut geweld in de openbare ruimte worden uitgevoerd. Volgens de onderzoekers is in de jaren tachtig van de vorige eeuw het aantal liquidaties gestegen vanaf het moment dat de internationaal georganiseerde smokkel van drugs groeit. Vanaf het jaar 2000 herkennen de onderzoekers in de liquidaties een proces van verruwing door de beschikbaarheid van zware vuurwapens en de inzet van nieuwe onervaren schutters uit criminele jeugdgroepen. Deze opgave gaat over ontwikkelingen in het aantal liquidaties en criminele straatjongeren als hulpjes bij liquidaties.
Gebruik de inleiding van deze opgave.
Of politieke vraagstukken daadwerkelijk op de politieke agenda komen, hangt af van een aantal factoren, zoals of er voldoende ruimte is op de politieke agenda.
Vraag 15 1 punt
Leg uit aan welke andere factor voor politieke agendavorming het vraagstuk liquidaties voldoet. Gebruik in je uitleg:
- een factor voor politieke agendavorming;
- informatie uit de inleiding van deze opgave.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een uitleg dat het vraagstuk liquidaties voldoet aan een factor voor politieke agendavorming, met de factor dat de situatie hevige emoties oproept / als ongewenst wordt ervaren door een groot aantal mensen en informatie uit de inleiding waaruit de gekozen factor blijkt.
voorbeeld van een juist antwoord:
Volgens de inleiding is de maatschappelijke verontwaardiging over liquidaties groot. Dat betekent dat het vraagstuk liquidaties hevige emoties oproept, wat een factor is voor politieke agendavorming.
Gebruik de inleiding van deze opgave.
Vraag 16 2 punten
Leg uit dat globalisering zal hebben bijgedragen aan de toename van het aantal liquidaties. Gebruik in je uitleg:
- de omschrijving van het kernconcept globalisering;
- informatie uit de inleiding van deze opgave.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een uitleg dat globalisering zal hebben bijgedragen aan de toename van het aantal liquidaties, met:
- informatie uit de inleiding van de opgave om globalisering te illustreren (1)
- een toepassing van het kernconcept globalisering (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- In de inleiding van de opgave staat dat het aantal liquidaties stijgt vanaf het moment dat de internationaal georganiseerde smokkel van drugs groeit. (1)
- Het groeien van internationaal georganiseerde smokkel wil zeggen dat contacten en afhankelijkheden in de drugswereld zich uitbreiden over landsgrenzen heen. Dus zal globalisering hebben bijgedragen aan de toename van liquidaties. (1)
Opmerking
Als het antwoord geen uitleg bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
Gebruik de tabellen 2 en 3.
Tabel 2 gaat over het aantal geregistreerde liquidaties per provincie. Tabel 3 gaat over onveiligheidsbeleving per provincie.
Vraag 17 3 punten
− Formuleer een hypothese over een verband tussen het aantal liquidaties en de onveiligheidsbeleving, die te toetsen is met tabel 2 en tabel 3. Gebruik de formulering: Hoe …, des te …
- Leg uit welke variabele uit je hypothese over objectieve onveiligheid gaat: de afhankelijke of de onafhankelijke variabele. Gebruik in je uitleg een omschrijving van het begrip objectieve onveiligheid.
- Leg uit of je hypothese bevestigd of verworpen moet worden. Gebruik in je uitleg gegevens uit tabel 2 en tabel 3.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- een hypothese over een verband tussen het aantal liquidaties en onveiligheidsbeleving, met de formulering Hoe ..., des te …, die te toetsen is met tabel 2 en tabel 3 (1)
- een uitleg dat de afhankelijke/onafhankelijke variabele over het aantal liquidaties uit de eigen hypothese over objectieve onveiligheid gaat, met een toepassing van het begrip objectieve onveiligheid (1)
- een uitleg of de hypothese kan worden bevestigd of verworpen, met gegevens uit tabel 2 en tabel 3 (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- Hoe meer liquidaties er plaatsvinden, des te onveiliger mensen zich voelen. (1)
- Het aantal liquidaties gaat over het aantal (geregistreerde) misdrijven, wat iets zegt over de objectieve onveiligheid. Het aantal liquidaties is de onafhankelijke variabele van de hypothese. Dus gaat de onafhankelijke variabele uit de hypothese over objectieve onveiligheid. (1)
- In 2013 zijn de meeste liquidaties in Noord-Holland gepleegd, terwijl in 2013 het percentage onveiligheidsbeleving in Utrecht het hoogst was. / Tussen 2013 en 2016 schommelt het aantal liquidaties in Utrecht, terwijl in deze jaren de onveiligheidsgevoelens in Utrecht afnemen. Dus kan het verband tussen liquidaties en onveiligheidsgevoelens niet worden gelegd. Op basis van tabel 2 en tabel 3 kan de hypothese verworpen worden. of Tussen 2013 en 2016 is in alle provincies het aantal liquidaties afgenomen (in totaal van 22 in 2013 naar 16 in 2016) en is tussen 2013 en 2016 in alle provincies de onveiligheidsbeleving afgenomen (in totaal van 39% in 2013 naar 36% in 2016). Dus kan tussen liquidaties en onveiligheidsgevoelens een verband worden gelegd. Op basis van tabel 2 en tabel 3 kan de hypothese bevestigd worden. (1)
Gebruik regel 1 tot en met 34 van tekst 5.
Preventieve maatregelen zijn bedoeld om straatjongeren ervan te weerhouden de criminaliteit in te gaan. Voor de straatjongeren in tekst 5 bleken deze niet succesvol.
Preventieve maatregelen kunnen aansluiten bij de klassieke of de moderne school in het strafrecht.
Vraag 18 2 punten
Geef bij elke school van het strafrecht een voorbeeld van een preventieve maatregel uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- een voorbeeld uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5 van hoge straffen als preventieve maatregel vanuit de klassieke school (1)
- een voorbeeld uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5 van speciale preventie/hulpverlening als preventieve maatregel vanuit de moderne school (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- In tekst 5 staat dat de criminele straatjongeren zich niet laten weerhouden door hoge celstraffen (r. 3-7). Hoge straffen is een voorbeeld van een preventieve maatregel vanuit de klassieke school van het strafrecht. (1)
- In tekst 5 staat dat de jongeren al jong te maken krijgen met hulpinstanties (r. 16-18). Hulpverlening is een voorbeeld van een preventieve maatregel vanuit de moderne school van het strafrecht. (1)
Gebruik regel 1 tot en met 34 van tekst 5.
In tekst 5 worden eigenschappen van criminele straatjongeren beschreven. Eigenschappen van individuen worden door zowel nature als nurture bepaald.
Vraag 19 2 punten
Leg uit dat in de beschrijving van criminele straatjongeren in tekst 5 nature en nurture te herkennen zijn. Gebruik in je uitleg:
- een omschrijving van nature en informatie uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5;
- een omschrijving van nurture en informatie uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- een uitleg dat nature te herkennen is in de beschrijving van criminele straatjongeren, met een toepassing van nature en informatie uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5 (1)
- een uitleg dat nurture te herkennen is in de beschrijving van criminele straatjongeren, met een toepassing van nurture en informatie uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5 (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- In tekst 5 staat dat veel criminele straatjongeren zwakbegaafd zijn (r. 19-20). Zwakbegaafd zijn is een biologische of erfelijke factor, dus is nature te herkennen in de beschrijving in tekst 5 van criminele straatjongeren. (1)
- In tekst 5 staat dat criminele straatjongeren vaak in een probleemgezin opgroeien (r. 14-16). Opgroeien in een probleemgezin is een factor van opvoeding en omgeving, dus is nurture te herkennen in de beschrijving in tekst 5 van criminele straatjongeren. (1)
Gebruik regel 1 tot en met 34 van tekst 5.
Sociale uitsluiting heeft vier componenten. Een daarvan is het niet goed kunnen voorzien in elementaire levensbehoeften.
Vraag 20 2 punten
Leg uit welke ander component van sociale uitsluiting te herkennen is in de beschrijving van criminele straatjongeren in tekst 5. Gebruik in je uitleg:
- de naam en een omschrijving van een component van sociale uitsluiting;
- informatie uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat:
- het noemen van beperkte normatieve integratie of beperkte sociale participatie (1)
- een uitleg dat de component beperkte normatieve integratie / beperkte sociale participatie te herkennen is in de beschrijving van criminele straatjongeren, met een toepassing van het gekozen component en informatie uit regel 1 tot en met 34 van tekst 5 (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- De component beperkte normatieve integratie is te herkennen in de beschrijving van criminele straatjongeren. (1)
- In tekst 5 staat namelijk dat het criminele straatjongeren niets lijkt te kunnen schelen of omstanders gevaar lopen (r. 1-3). Dat wil zeggen dat zij gangbare waarden/normen, zoals veiligheid/het niet in gevaar brengen van anderen, beperkt naleven. (1)
of
- De component beperkte sociale participatie is te herkennen in de beschrijving van criminele straatjongeren. (1)
- In tekst 5 staat namelijk dat criminele straatjongeren volgens criminoloog De Jong denken dat ze niks met deze maatschappij te maken hebben (r. 28-31). Dat wil zeggen dat ze zich afzonderen van de maatschappij. (1)
Let op: de laatste vragen van dit examen staan op de volgende pagina.
Gebruik tekst 5.
In tekst 5 geeft criminoloog De Jong redenen voor het criminele gedrag van straatjongeren.
Vraag 21 2 punten
Beredeneer dat de anomietheorie het criminele gedrag van de straatjongeren kan verklaren. Gebruik in je redenering:
- een omschrijving van de anomietheorie;
- informatie uit tekst 5.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een redenering dat de anomietheorie het criminele gedrag van de straatjongeren kan verklaren, met:
- informatie uit tekst 5 om de anomietheorie te illustreren (1)
- een toepassing van de anomietheorie (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- Volgens De Jong gaan de straatjongeren ervan uit dat de samenleving hun hooguit een baantje als schoonmaker in het vooruitzicht stelt (r. 31-34), terwijl zij in de criminaliteit snel heel veel geld kunnen verdienen (r. 45-47). (1)
- Volgens de anomietheorie neemt de kans op crimineel gedrag toe als algemeen aanvaarde doelen niet via legale wijze te behalen zijn. Met een legale baan als schoonmaker behalen deze straatjongeren geen algemeen aanvaard doel, zoals veel geld verdienen, terwijl dit doel wel behaald kan worden met niet-legale klusjes voor criminele ronselaars. Daardoor neemt de kans toe dat de straatjongeren zich crimineel gaan gedragen. (1)
Opmerking
Als het antwoord geen redenering bevat, kan maximaal 1 scorepunt worden toegekend.
Gebruik regel 35 tot en met 73 van tekst 5.
Volgens criminoloog De Jong zijn sommige straatjongeren, de “zwakkere broeders” (regel 35), kwetsbaar voor de criminele ronselaars. Deze ronselaars beschikken over machtsbronnen.
Vraag 22 3 punten
Beredeneer dat criminele ronselaars met een affectieve machtsbron macht kunnen uitoefenen op straatjongeren. Gebruik in je redenering:
- een omschrijving van affectieve machtsbron en informatie uit regel 35 tot en met 73 van tekst 5;
- de omschrijving van het kernconcept macht en informatie uit regel 35 tot en met 73 van tekst 5.
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat een redenering dat criminele ronselaars macht kunnen uitoefenen op straatjongeren, met:
- informatie uit regel 35 tot en met 73 van tekst 5 waaruit een affectieve machtsbron blijkt (1)
- een toepassing van een omschrijving van affectieve machtsbron (1)
- een toepassing van het kernconcept macht en informatie uit regel 35 tot en met 73 van tekst 5 (1)
voorbeeld van een juist antwoord:
- De ronselaars kunnen de straatjongeren het gevoel geven dat zij gewaardeerd worden en dat zij ergens bij horen, waarmee de ronselaars loyaliteit opbouwen (r. 40-44). (1)
- Dat wil zeggen dat de ronselaars het vermogen hebben om straatjongeren emotioneel aan zich te binden, wat een affectieve machtsbron is. (1)
- Met deze machtsbron kunnen de criminele ronselaars sommige straatjongeren ertoe aanzetten misdrijven te plegen, waarmee zij de handelingsmogelijkheden van deze straatjongeren beperken. Deze jongeren doen namelijk wat de ronselaars zeggen (r. 68-71). (1)
Opmerking
Als het antwoord geen redenering bevat, kan maximaal 2 scorepunten worden toegekend.
Gebruik regel 35 tot en met 73 van tekst 5.
Hofstede noemt zes dimensies waarmee je culturen van elkaar kunt onderscheiden. Vijf hiervan zijn:
- grote machtsafstand versus kleine machtsafstand
- individualistisch versus collectivistisch
- langetermijngerichtheid versus kortetermijngerichtheid
- masculien versus feminien
- hedonisme versus soberheid
De zes dimensies hebben elk twee polen. Zo heeft de dimensie masculien versus feminien de pool masculien en de pool feminien.
Vraag 23 2 punten
a Noem de zesde dimensie van Hofstede, die hierboven niet genoemd is.
b Beredeneer vervolgens welke pool van deze zesde dimensie het meest past bij het leven van criminele straatjongeren. Gebruik in je uitleg:
- een omschrijving van deze zesde dimensie van Hofstede;
- informatie uit regel 35 tot en met 73 van tekst 5
Bekijk het antwoord
Een juist antwoord bevat: a
- de dimensie lage onzekerheidsvermijding versus hoge onzekerheidsvermijding (1)
b
- een redenering dat een cultuur van lage onzekerheidsvermijding bij het leven van criminele straatjongeren past, met een toepassing van lage onzekerheidsvermijding en informatie uit regel 35 tot en met 73 van tekst 5 (1)
voorbeeld van een juist antwoord: a
- De zesde dimensie van Hofstede is lage onzekerheidsvermijding versus hoge onzekerheidsvermijding. (1)
b
- Het leven van criminele straatjongeren past bij een cultuur van lage onzekerheidsvermijding. Criminele straatjongeren voelen zich niet snel bedreigd door onzekere situaties. In tekst 5 staat namelijk dat deze jongeren, als ze eenmaal geronseld zijn, al heel snel een zwaar misdrijf plegen (r. 59-62). (1)
Bron: College voor Toetsen en Examens, centraal examen havo Maatschappijwetenschappen 2026, tijdvak 2. Figuren en de exacte opmaak staan in het originele examen.
Andere examens maatschappijwetenschappen havo
- 2026, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 1
- 2025, tijdvak 2
- 2024, tijdvak 1
- 2024, tijdvak 2
- 2023, tijdvak 1
- 2023, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 1
- 2022, tijdvak 2
- 2022, tijdvak 3
- 2021, tijdvak 1
- 2021, tijdvak 2
- 2021, tijdvak 3
- 2019, tijdvak 1
- 2019, tijdvak 2
- 2018, tijdvak 1
- 2018, tijdvak 2
Veelgestelde vragen
Hoeveel vragen heeft het eindexamen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2?
Het centraal examen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2 loopt tot vraag 23. Van 22 vragen staat het onderwerp in de vragenbank. De meeste vragen gaan over vorming (7), macht en gezag (6) en verandering (4).
Wat zijn de antwoorden van het examen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2?
Op deze pagina staat bij elke vraag het antwoord uit het officiële correctievoorschrift van het College voor Toetsen en Examens, met de punten per onderdeel. Bij meerkeuzevragen staat de juiste letter erbij.
Waar vind ik het correctievoorschrift van maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2?
Het correctievoorschrift staat op examenblad.nl, de site van het College voor Toetsen en Examens (https://www.examenblad.nl/2026/havo/documenten/cse-2/ha-1034-a-26-2-c).
Hoe oefen ik met het examen maatschappijwetenschappen havo 2026, tijdvak 2 en krijg ik feedback?
Vraag je docent om het examen als oefentoets klaar te zetten in ToetsChecker. Je maakt het op papier of online, en het AI-model kijkt het na volgens het correctievoorschrift, met feedback per vraag. Je docent geeft het resultaat daarna vrij.